Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:1145

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
08-02-2019
Datum publicatie
13-02-2019
Zaaknummer
C/03/236586 / FA RK 17-2199
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Bijzondere onderhoudsbijdrage ten behoeve van kinderen na verbreking relatie/samenwoning mede om vrouw in staat te stellen in Nederland met de kinderen bestaan op te bouwen, beding niet wijziging gedurende 5 jaar, vrouw verzoekt nakoming, man verzoekt wijziging vóór verstrijken 5 jaar, bewuste afwijking wettelijke maatstaven, grove miskenning wettelijke maatstaven, hebben partijen tussentijds de bijdrage in onderling overleg verlaagd, is draagkracht man in relevante zin gewijzigd, betekenis van feit dat man de hoogte van zijn inkomen kan bepalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Limburg

Zittingsplaats Maastricht

Familie en jeugd

Zaaknummer : C/03/236586 / FA RK 17-2199

Beschikking van 8 februari 2019 betreffende alimentatie

in de zaak van:

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen de vrouw,

advocaat: mr. Y.K. Kunze, kantoorhoudende te Kerkrade;

tegen:

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] in [land],

hierna te noemen de man,

advocaat: mr. K.M.C. Jansen, kantoorhoudende te Sittard, gemeente Sittard-Geleen.

1 Het verloop van de procedure

Dit blijkt uit het volgende:

- het verzoekschrift, binnengekomen bij de rechtbank op 6 juni 2017;

- het verweerschrift, binnengekomen bij de rechtbank op 11 juli 2018;

- de aanvullende bijlagen van de vrouw, binnengekomen bij de rechtbank op 26 november 2018;

- de aanvullende bijlagen van de man, binnengekomen bij de rechtbank op 26 november 2018;

- de aanvullende bijlagen van de vrouw, binnengekomen bij de rechtbank op 27 november 2018;

- de mondelinge behandeling, welke heeft plaatsgevonden op 4 december 2018 en waarbij zijn verschenen: partijen met hun advocaten.

2 De vaststaande feiten

2.1.

Op grond van de overgelegde - niet weersproken - producties gaat de rechtbank uit van de navolgende feiten.

2.2.

Uit de inmiddels beëindigde buitenhuwelijkse relatie zijn geboren de thans nog minderjarigen:

  1. [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [2006];

  2. [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [2008].

2.3.

Partijen zijn in een convenant beëindiging samenleving, tevens houdende ouderschapsplan van 25 juni 2013 het navolgende, voorzover van belang, overeengekomen:

“7.21. Vader is [beroep 1] en geniet een inkomen uit loondienst. Moeder beschikt niet over eigen inkomsten, doch is voornemens om na haar definitieve terugkeer in Nederland een betaalde baan te gaan zoeken. Thans is zij echter niet in staat om een financiële bijdrage in de behoefte van de kinderen te leveren.

7.22.

Aangezien de moeder over onvoldoende inkomsten beschikt om in de behoefte van de kinderen te kunnen voorzien, verplicht vader zich ter bestrijding van de kosten van opvoeding en verzorging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2], ten gunste van hen te voldoen een bedrag van

€ 1.500,- per maand per kind, aan de moeder bij vooruitbetaling te voldoen op een door haar aan de vader door te geven bankrekeningnummer, op of omstreeks de eerste dag van iedere maand, ingaande per 1 juli 2013. Zodra de vrouw over eigen inkomsten beschikt, wordt zij geacht bij te dragen in de behoefte van de kinderen ter hoogte van het bedrag van haar eigen inkomen. De man zal bijdragen in de restantbehoefte van de kinderen tot een bedrag van € 3.000,-. De vrouw zal jaarlijks in de maand april een opgave aan de man doen ter zake haar eigen inkomsten, opdat door de man ten behoeve van de kinderen te betalen bijdrage indien nodig kan worden aangepast. Partijen komen ter zake een niet-wijzigingsbeding overeen voor de duur van vijf jaar en derhalve eindigende op 1 juli 2018. De bijdrage zal voor de duur van het niet-wijzigingsbeding niet zijn onderworpen aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW.”

3 Het verzoek en het verweer met zelfstandig verzoek van de man

3.1.

De vrouw heeft, na wijziging van haar verzoek ter zitting (intrekking van het verzoek met betrekking tot de spaarrekeningen) de rechtbank verzocht zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- te bepalen dat de man over de periode 1 januari 2014 tot en met december 2016 nog een bijdrage dient te betalen van € 27.494,- voor de kinderen, zulks conform de regeling opgenomen in het tussen partijen gesloten convenant;

- te bepalen dat de man met ingang van 1 januari 2017 een bijdrage aan de vrouw zal voldoen van € 2.270,- per maand per kind en dat op uiterlijk 31 januari van elk jaar een afrekening over het afgelopen jaar zal plaatsvinden, in die zin dat de vrouw een nabetaling zal ontvangen bij lagere inkomsten althans het te veel ontvangen bedrag zal restitueren;

althans een zodanige beslissing te nemen die de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.

3.2.

De vrouw legt samengevat aan haar verzoek ten grondslag dat de man de gemaakte afspraak neergelegd in artikel 7.22 van het convenant sedert 2014 niet meer (volledig) nakomt. Rekening houdend met het inkomen van de vrouw in de jaren 2014-2016 en de door de man betaalde bedragen heeft hij over die 3 jaren nog € 27.494,00 te betalen. Over 2017 heeft de vrouw een gemiddeld maandinkomen van € 730,00 per maand zodat de man verplicht is om haar € 2.270,00 per maand te betalen. De man weigert na sommatie te betalen, zodat de vrouw via deze procedure een executoriale titel wil krijgen om betaling te kunnen afdwingen. De vrouw heeft recht en belang om de door partijen vastgelegde onderhoudsverplichting te laten vastleggen in een beschikking.

3.3.

De man concludeert:

- primair tot afwijzen van de verzoeken van de vrouw en subsidiair de door de man te betalen bijdrage in de kosten van de kinderen op maximaal de behoefte van de kinderen vast te stellen, zijnde een bedrag van € 1.195,- per maand, zijnde € 597,50 per maand per kind voor het jaar 2013.

3.4.

De man voert aan dat de in het convenant gemaakte afspraken over de door hem te betalen € 3.000,00 niet zijn bedoeld als louter kinderalimentatie. Partijen waren ten tijde van de verbreking van de relatie als gezin in [land] woonachtig. De vrouw wilde met de kinderen naar Nederland verhuizen. Zij had geen eigen inkomen en was financieel afhankelijk van de man. De vrouw maakte geen aanspraak op partneralimentatie en partijen wilden zoveel mogelijk fiscale consequenties vermijden. De vrouw had een huurwoning van € 1.000,00 per maand op het oog in Nederland maar kon dat niet betalen. Om de vrouw zonder fiscale gevolgen met de kinderen in Nederland een woning te laten betrekken en een leven te kunnen opbouwen hebben partijen afgesproken dat de man haar € 3.000,00 zou betalen onder de noemen “ter bestrijding van de kosten van de kinderen”. In dit verband wijst de man ook op de afspraak over de aftrek van de eigen inkomsten van de vrouw. Partijen hebben afzonderlijk, niet vastgelegd in het convenant, afgesproken dat ook het inkomen van een eventuele partner van de vrouw een rol speelt bij de bepaling van de bijdrage zijdens de man. De door partijen samen gemaakte afspraken hebben zij door een advocaat in Nederland op papier laten zetten, waarna zij het convenant hebben ondertekend. Aan de afspraken hebben geen (draagkracht of anderszins) berekeningen, ook niet van de behoefte van de kinderen, ten grondslag gelegen. Ook dat aspect is niet met de ingeschakelde advocaat besproken. Uit het convenant kan niet worden afgeleid dat partijen zijn gewezen op enige wettelijke maatstaven, danwel op andere gevolgen van hun afspraken. De ingeschakelde advocaat is bereid om een en ander desgewenst schriftelijk te bevestigen. Het verzoek van de vrouw om vaststelling in rechte van het afgesproken bedrag als kinderalimentatie komt is strijd met de gemaakte afspraken en bedoeling van partijen.

Indien wordt uitgegaan dat het bedrag van € 3.000,00 wel is bedoeld als kinderalimentatie dan is sprake van een grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Als die maatstaven waren toegepast was op basis van het toenmalige netto gezinsinkomen van € 12.500,00 per maand en de leeftijd van de kinderen de behoefte van de kinderen op € 1.195,00 per maand bepaald. Daarmee zou de man vanaf 2013 maximaal een bijdrage van € 1.195,00 verschuldigd zijn geweest. De wanverhouding zit dan in de werkelijke behoefte van de kinderen en de afgesproken € 3.000,00. Onder afwijzing van het verzoek van de vrouw dient, volgens de man, de kinderbijdrage op maximaal € 1.195,00 te worden vastgesteld. De man beroept zich op diverse ingrijpende wijzigingen van zijn inkomens- en leefsituatie in de voorbije jaren waardoor hij niet in staat is om het verzochte bedrag te voldoen. Hij heeft gewezen op een inkomensachteruitgang en een aflossing op een schuld aan de bank terzake een verkochte woning in Nederland. Verder op zijn huwelijk op [2015 1] met een partner met 2 minderjarige kinderen die in hun gezin wonen en opgroeien. Daarbij betaalt de ex-partner van zijn echtgenote een onderhoudsbijdrage voor deze 2 kinderen. De overige kosten van deze stiefkinderen komen voor rekening van de man omdat zijn echtgenote geen eigen inkomen heeft. Tot slot heeft de man samen met zijn echtgenote op [2015 2] een dochtertje gekregen. Bij het bepalen van zijn draagkracht dient met zijn gewijzigde inkomen en zijn onderhoudsplicht voor 5 kinderen rekening te worden gehouden. Verder mag van de vrouw een bijdrage in de kosten van hun kinderen worden verwacht middels een inkomens- en draagkrachtvergelijking. De vrouw dient inzage in haar inkomensgegevens te verschaffen zodat haar verdiensten daadwerkelijk kunnen worden vastgesteld. Primair verzoekt de man afwijzing van de verzoeken van de vrouw en subsidiair de door hem te betalen bijdrage op maximaal de behoefte van de kinderen vast te stellen, zijnde € 1.195,00 per maand over 2013.

3.5.

Ter zitting heeft de vrouw nog het volgende naar voren gebracht.

Inderdaad wilde de vrouw in 2013 met de kinderen terug naar Nederland. In [land] had de vrouw geen inkomen. Partijen hebben in Nederland samen een woning uitgezocht en de man heeft zelf de huurovereenkomst getekend. Er is door partijen in het convenant een vergoeding afgesproken van € 3.000,00 te weten € 1.000 per kind en € 1.000,00 voor de huurwoning. Als zekerheid voor de man is ingebouwd in het convenant dat ieder jaar naar de inkomensgegevens van de vrouw en dat na 5 jaar naar de actuele stand van zaken zou worden gekeken. De man heeft de overeenkomst laten opstellen door een advocaat en de vrouw heeft die overeenkomst alleen maar ondertekend. De vrouw heeft een nieuwe partner en de man wilde daarom minder betalen. Evenwel kan de man niet eenzijdig bedragen gaan wijzigen. Omdat de man minder ging betalen, is de vrouw noodgedwongen naar een goedkopere woning verhuisd. Desgevraagd heeft de advocaat van de vrouw verklaard dat zij er van uit gaat dat het verweerschrift inclusief een zelfstandig verzoek is, althans dat zij daarmee rekening heeft gehouden ook al staat dat niet met zoveel woorden in het petitum. Primair stelt de advocaat dat het louter een verweerschrift is en subsidiair een verweer met zelfstandig verzoek. Er is geen informatie over de behoefte van het kind dat de man met zijn echtgenote heeft. Wat betreft de stiefkinderen die de man in zijn gezin heeft: de man woont in [land] en voor de vraag of de man jegens zijn stiefkinderen onderhoudsplichtig is, geldt het [land] recht. Uit een geraadpleegde Europese website over alimentatierecht blijkt dat volgens dat toepasselijke recht de man geen onderhoudsverplichting heeft. De vrouw werkt 4 uur per dag bij de [beroep 2]. De vrouw draagt alleen de zorg over de kinderen omdat zij niet, zoals normaal het geval zou zijn, regelmatig naar de man kunnen gaan. Als de vrouw meer uren zou gaan werken, heeft zij hoge opvangkosten. Dat de vader van de stiefkinderen slechts € 100,00 per maand voor zijn kinderen aan de partner van de man betaalt, is niet aannemelijk omdat die vader ook [beroep 1] is. Aan de zijde van de vrouw moet worden gerekend met een inkomen van € 17.301,00 bruto per jaar (bijstandsniveau inclusief kgb).

3.6.

De man heeft ter zitting nog het volgende naar voren gebracht.

De afspraak dat het inkomen van de nieuwe partner van de vrouw op de door de man te betalen bijdrage in mindering zou komen, staat niet in het convenant maar in een e-mail naar de advocaat van destijds en de vrouw wist daar toen ook van. Uit de als productie 12 overgelegde e-mailwisseling tussen de man en de vrouw blijkt dat het de bedoeling van partijen was om het inkomen van haar partner [X] in mindering te brengen op de afgesproken bijdrage van € 3.000,00. In die e-mailwisseling schrijft de vrouw zelf ook “zet maar op 2000” en nu wil ze vastlegging van de 3000. Dat is dus ook in strijd met de nader gemaakte afspraak. Conform afspraak hebben partijen met ingang van mei 2014 in verband met de partner van de vrouw de afgesproken bijdrage verlaagd naar € 2.000,00.

De € 3.000,00 worden niet alleen aan de kinderen uitgegeven. Indien partijen in 2013 naar de behoefte van de kinderen conform de Trema-tabellen hadden gekeken dan waren ze op

€ 1.195,00 uitgekomen. De vrouw zelf mag niet achterover gaan zitten als het gaat om het werken. Ze heeft haar baan bij de [beroep 3] kennelijk beëindigd en werkt nu als enige administratieve kracht bij een [beroep 2]. Daar maakt ze dan waarschijnlijk veel uren. Ze werkt al jaren thuis zwart als [beroep 4]. Het verzoek van de man is door de vrouw als zelfstandig verzoek opgevat en kan ook als zodanig worden geïnterpreteerd. De man betaalt nu voor 5 kinderen waaronder de kinderen die hij met de vrouw heeft. De vader van de 2 stiefkinderen die in het gezin van de man wonen, betaalt € 100,00 per maand per kind. De man betaalt in [land] 50% belasting over 15% van zijn inkomen. De man geniet nu een hoog bedrag uit de [Z]-pot omdat hij anders niet weet hoe hij rond moet komen. Dat is zijn eigen keuze. Indien de man uit die [Z]-pot tot aan zijn pensioen een inkomen zou laten uitkeren, zou hij € 3.573,00 per maand bruto ontvangen. Daarnaast heeft de man uit zijn startende onderneming een inkomen van rond € 620,00 per maand. De onderneming bestaat een aantal jaren en was eerst slapende en begint nu te werken maar maakt nog geen echte winst. Wat er uitgaat, komt ook ongeveer binnen.

De man heeft een globale berekening gemaakt van zijn draagkracht met zijn inkomen van

€ 3.573,00 en € 620,00 uit de onderneming. De draagkracht van de vrouw is gebaseerd op minimaal bijstandsniveau plus kgb en levert een NBI van iets meer dan € 1.400,00 op. De partner van de man heeft geen eigen inkomsten. Voor de stiefkinderen wordt op grond van de overgelegde schoolkosten en levensonderhoud uitgegaan van een behoefte van € 400,00 per maand per kind. Voor de dochter van de man en zijn partner is op basis van het fictieve inkomen van de man een behoefte van € 376,78 berekend. Voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bedraagt de behoefte € 638,00 per maand per kind.

4 De beoordeling

4.1.

Allereerst moet de vraag worden beantwoord of er door de man een zelfstandig verzoek is gedaan. Die vraag wordt bevestigend beantwoord omdat de vrouw bij monde van haar advocaat ter zitting op een vraag daarnaar duidelijk geantwoord heeft dat zij er van uit gaat dat het verweerschrift inclusief een zelfstandig verzoek is, althans dat zij daarmee rekening heeft gehouden ook al staat dat niet met zoveel woorden in het petitum.

4.2.

De over en weer gedane verzoeken (nakoming tegenover wijziging van de gemaakte afspraken althans vaststelling van de door de man te betalen bijdrage) en hetgeen daarover van beide kanten naar voren is gebracht, leidt ertoe dat achtereenvolgens een aantal vragen moeten worden beantwoord.

Is bij de totstandkoming van de overeenkomst bewust afgeweken van de wettelijke maatstaven ?

4.3.

Er zijn door de vrouw geen relevante feiten en omstandigheden gesteld waaruit zou kunnen worden afgeleid dat partijen bij de totstandkoming van de overeenkomst zich bewust zijn geweest van de geldende wettelijke maatstaven die een rol spelen bij het vraagstuk van de onderhoudsbijdrage. De man heeft onbetwist gesteld dat de advocaat die het convenant heeft opgesteld partijen niet heeft voorgelicht over die wettelijke maatstaven en ook uit de tekst van het convenant blijkt evenmin dat partijen zich van die maatstaven bewust zijn geweest. De vraag wordt dan ook ontkennend beantwoord.

Is de overeenkomst louter een kinderalimentatie-overeenkomst en zo ja, is die overeenkomst aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven ?

4.4.

Uit het debat is naar voren gekomen, in aansluiting op de tekst van de hierboven aangehaalde bepalingen uit de overeenkomst, dat als onderdeel van de door de man op zich genomen betalingsverplichting een deel groot € 1.000,00 direct voortvloeide uit en samenhing met de door de man ondertekende overeenkomst van huur van woonruimte in Nederland die voor de vrouw en de kinderen bestemd was en die de vrouw niet kon betalen.

Partijen waren ten tijde van de verbreking van de relatie als gezin in [land] woonachtig. De vrouw wilde met de kinderen naar Nederland verhuizen. Zij had geen eigen inkomen en was financieel afhankelijk van de man. Partijen wilden zoveel mogelijk fiscale consequenties van de betaling door de man aan de vrouw zien te vermijden. Om de vrouw zonder fiscale gevolgen met de kinderen in Nederland een woning te laten betrekken en een leven te kunnen opbouwen hebben partijen afgesproken dat de man haar € 3.000,00 zou betalen onder de noemen “ter bestrijding van de kosten van de kinderen”.

Een en ander betekent dat de in het convenant gemaakte afspraken over de door de man aan de vrouw te betalen € 3.000,00 niet zijn bedoeld als louter ten titel van kinderalimentatie. De afspraak kan niet anders worden gezien als deels ten titel van het bestrijden van de kosten van de kinderen, deels als betaling van de huur van de woonruimte van de vrouw en de kinderen en deels als onderhoudsbijdrage voor de vrouw. Tegen de achtergrond hiervan kan overigens ook niet worden geoordeeld dat er een grote wanverhouding in de overeenkomst besloten ligt tussen behoefte van de kinderen en de door partijen ten behoeve van de kinderen gemaakte afspraak.

4.5.

Is de overeenkomst door partijen met ingang van 1 mei 2014 gewijzigd in de zin zoals de man heeft gesteld m.a.w. hebben partijen de € 3.000 in onderling overleg verlaagd naar € 2.000,00 per maand ?

4.6.

Vaststaat dat de man vanaf 1 mei 2014 niet langer € 3.000 maar € 2.000,00 aan de vrouw heeft betaald ter uitvoering van het convenant. Uit de als productie 12 door de man overgelegde e-mailwisseling tussen partijen is onmiskenbaar af te leiden dat partijen met ingang van 1 mei 2014 de overeengekomen bijdrage van € 3000,00 hebben verlaagd naar

€ 2.000,00 omdat de vrouw in Nederland een relatie met haar partner [X] had die over inkomen beschikte.

Redengevend daarvoor zijn de volgende delen uit een e-mailwisseling tussen partijen waarbij de belangrijkste delen door de rechtbank vetgedrukt worden weergegeven.

Op 12 oktober 2015 schrijft de man “Kun je mij antwoord geven op de volgende vragen: moet ik jou voor de rest van mijn leven betalen ? ben jij het er mee eens dat ik na de 5 jaar minder ga betalen, zoals afgesproken ? zo ja, was is in jouw ogen een fair bedrag ?”

De vrouw antwoordt “Na 5 jaar minder betalen zoals we hebben afgesproken. Dat ben jij in de loop van het eerste jaar al gaan doen. We zijn al 1000 omlaag gegaan.”

De man antwoord: “(…) ik wil je eraan herinneren dat de € 1.000 minder kwam door het feit dat ik niet ook voor [X] wilde betalen, iets wat ik 9 maanden heb gedaan. Hij was het er overigens ook mee eens dat ik hem niet meer zou betalen.” (en vervolgens doet de man een voorstel voor de periode na 5 jaar).

De vrouw antwoordt: “(…) Je betaalt al een poos geen 3000 meer en ik vul het zelf aan. (…) Dan houden we de 2000 gewoon aan tot de 5 jaar om zijn. Want je betaald nu ook niet voor mij. Dan kunnen wij ook iets opbouwen voor later. (…)

De man antwoordt: “(…) wat mij betreft houden we die € 2000 inderdaad gewoon aan, nooit geen discussie geweest voor mij. Maar ga jij me nu vertellen dat daar niets voor jou bijzit??? De kinderen spenderen €2000 per maand??? (…)”.

De vrouw antwoordt: “(…) de 1000 voor mij zijn er afgehaald en ja ik eet idd ook van de alimentatie en ja ik woon ook in het huis. Als ik iets overhou gaat het naar de spaarrekening maar dat is uiteraard mijn eigen keuze. (…)”

De man antwoordt: “(…) Voor de duidelijkheid. De € 1000 die er af is gehaald had te maken met [X]. Het is niet zo dat het bedrag bestaat uit € 1000 per kind en € 1000 voor jou.

In essentie blijkt hieruit het volgende. Nadat de vrouw heeft aangegeven dat partijen al 1000 omlaag zijn gegaan, geeft de man daarvoor de verklaring: hij wilde niet ook voor [X] betalen iets wat hij vanaf 1 juli 2013 al 9 maanden heeft gedaan. Waarop de vrouw aangeeft dan houden we die 2000 gewoon aan tot de 5 jaar om zijn en de man beaamt dat en voegt daaraan toe dat dat nooit een discussie voor hem is geweest. De vrouw komt daar niet meer op terug en alleen heeft zij het nog over die 1000 die er eerder zijn afgehaald waarop de man nog eens schrijft dat dat te maken had met [X]. Daarna is de emailwisseling hierover beëindigd.

Is het verzoek van de man om de afgesproken (tussentijds verlaagde) onderhoudsbijdrage te wijzigen voor zover dat ziet op de periode vóór 1 juli 2018 niet in strijd met het niet-wijzigingsbeding dat partijen voor de duur van 5 jaar hebben afgesproken ?

4.7.

De rechtbank beantwoordt de vraag bevestigend.

Inderdaad heeft het partijen vrij gestaan om een niet-wijzigingsbeding te maken. Daarbij betrekt de rechtbank het gemengde karakter van de onderhoudsovereenkomst, niet zijnde een overeenkomst betreffende louter kinderalimentatie, en de bedoeling van partijen zoals in hun convenant in voornoemde artikelen tot uitdrukking is gebracht.

Of de vrouw de man aan de niet wijzigingsafspraak kan houden, moet worden beoordeeld aan de hand van het bepaalde in artikel 1:159 lid 3 BW. Anders gezegd: is er sprake van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden na het sluiten van de overeenkomst dat de vrouw naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid de man niet langer aan het beding van niet-wijziging mag houden ?

Waar de man wijst op de ingrijpende wijziging van zijn inkomens- en leefsituatie oordeelt de rechtbank daar anders over dan hij aanvoert. De man heeft het zelf in zijn macht om hetgeen hij als [beroep 1] uit de [Z]-pot laat uitkeren te verhogen of te verlagen. In 2015 genoot hij uit die bron een bruto inkomen van € 99.402,00 om deze te verhogen naar om en nabij € 200.000,00 bruto in 2016 en 2017. In 2018 zit de man uit die bron op een inkomen van bruto ruim € 206.000,00. Bij de door de man gestelde belastingdruk heeft de man uit deze bron een netto inkomen € 185.000,00 per jaar. Dat levert een aanzienlijk hoger inkomen op van ruim € 15.400,00 dan het netto inkomen dat de man genoot ten tijde van de totstandkoming van het convenant (€ 12.500,00).

Dat hogere inkomen, dat inclusief het inkomen uit de onderneming van de man rond

€ 16.000,00 per maand ligt, biedt de man ruimschoots ruimte om in de door hem gestelde behoefte van zijn dochtertje en zijn beide stiefkinderen te voorzien. Daarbij wordt wat betreft die laatste kinderen aangenomen dat de man onderhoudsplichtig is jegens hen althans dat hij structureel voorziet in de kosten van hun opvoeding en verzorging. Ook voor de door de man aangevoerde onvoorziene aflossing van € 1.200,00 per maand op een restschuld terzake een in Nederland in 2016 verkochte woning biedt het inkomen van de man alle ruimte.

Concluderend kan de rechtbank de bestaande overeenkomst van partijen niet vóór

1 juli 2018 wijzigen.

Welke bedragen moeten op de overeengekomen bijdrage vóór 1 juli 2018 worden afgetrokken in verband met de afspraak in het convenant dat de inkomsten uit arbeid van de vrouw in mindering worden gebracht op de afgesproken bijdrage van de man ?

4.8.

Blijkens het debat tussen partijen zijn zij het erover eens dat de over de inkomsten van de vrouw gemaakte afspraak ziet op haar netto inkomsten uit arbeid. De vrouw heeft in haar verzoekschrift duidelijk aangegeven, onder verwijzing naar door haar overgelegde en later overgelegde stukken, welke inkomsten zij in de jaren 2014-2016 heeft genoten. De man heeft daar geen gemotiveerd bezwaar tegen gemaakt, zodat van die gegevens kan worden uitgegaan. Over die 3 jaren moeten aan eigen inkomsten van de vrouw in totaal

€ 14.006,00 worden afgetrokken van de door de man te betalen bijdrage.

Uit het debat en hetgeen hiervoor is geoordeeld, vloeit voort dat, los van de eigen inkomsten van de vrouw, de man vanaf 1 mei 2015 tot 1 december 2015 € 2.000,00 per maand heeft betaald en alleen in december € 500,00 te weinig heeft betaald. Over 2016 heeft de man in de eerste helft € 3.000,00 en in de tweede helft 6.000,00 te weinig betaald.

Rekening houdend met de af te trekken som van € 14.006,00 heeft de man over de jaren tot en met 2016 aan zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw voldaan. Per saldo heeft de man € 4.506,00 tegoed van de vrouw. Een en ander voert tot de slotsom dat de over die jaren gevorderde som moet worden afgewezen.

4.9.

Over 2017 tot 1 juli 2018 heeft de vrouw gemotiveerd gesteld dat in verband met haar eigen inkomsten van gemiddeld circa € 730,00 netto per maand de man haar maandelijks € 2.270,00 dient te betalen. Daarbij merkt de vrouw op dat mocht zij op het einde van het jaar meer verdiend hebben, zij het teveel ontvangene aan de man zal restitueren.

4.10.

Voorzover de vrouw daarbij niet de verlaging van € 1.000,00 heeft verdisconteerd, ligt haar verzoek ook voor afwijzing gereed.

4.11.

De man heeft bij de hoogte van de eigen inkomsten van de vrouw weliswaar zijn vraagtekens geplaatst in de sleutel van dat hij zich afvraagt of zij zich wel voldoende inspant om inkomsten uit arbeid te verwerven en ook in de sleutel dat hij suggereert dat ze meer inkomsten moet hebben dan zij heeft opgegeven. De man trekt zijn betoog door naar de stelling dat aan haar zijde van een fictief inkomen uit arbeid op bijstandsniveau moet worden uitgegaan.

4.12.

De rechtbank oordeelt hierover als volgt.

Dat de vrouw meer inkomsten, al dan niet zwart heeft genoten, heeft de vrouw van de hand gewezen. Gelet daarop en bij gebreke van een nadere onderbouwing door de man kan niet van de juistheid van zijn stelling worden uitgegaan. Niet is gesteld of gebleken dat de man de vrouw er eerder dan in deze procedure (zijn verweerschrift dateert van 11 juli 2018) op heeft gewezen dat zij zich terzake meer zou moeten inspannen. Onder die omstandigheden heeft de vrouw er tot dat moment in redelijkheid van mogen uitgaan dat zij zich voldoende heeft ingespannen om in haar levensonderhoud te voorzien.

Een en ander voert tot de tweede slotsom dat de verzochte vaststelling over de periode van

1 januari 2017 tot 1 juli 2018 tot een bedrag van € 1.270,00 voor toewijzing gereed ligt. De man kan daarmee verrekenen hetgeen hij terzake die maanden heeft betaald alsmede het voornoemde teveel betaalde bedrag over de eerdere jaren van € 4.506,00.

Leidt het verzoek van de man tot wijziging per 1 juli 2018 van de overeengekomen bijdrage tot een aanpassing van de onderhoudsovereenkomst van partijen ?

4.13.

Het beding niet-wijziging dat partijen hadden gemaakt, geldt vanaf 1 juli 2018 niet langer. Dat brengt met zich mee dat eerst moet worden beoordeeld of zich een relevante wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan sedert de sluiting van het convenant omtrent de behoefte en de draagkracht. Dat de behoefte van de kinderen van partijen als de behoeftigheid van de vrouw aan een onderhoudsbijdrage na sluiting van het convenant is gewijzigd, kan in het verlengde van hetgeen is vastgesteld, overwogen en geoordeeld, niet worden aangenomen.

Onder verwijzing naar hetgeen over het inkomen en de draagkracht van de man hiervoor is overwogen en geoordeeld, kan evenmin worden aangenomen dat de draagkracht van de man in relevante zin is gewijzigd na sluiting van het convenant is gewijzigd. Ook niet als rekening wordt gehouden met de onderhoudsverplichting van de man jegens de 3 kinderen die in het gezin van de man en zijn echtgenote opgroeien of de maandelijkse aflossing op de restwoningschuld aan de bank. Dat de vrouw zich dient in te spannen om in haar levensonderhoud en dat van haar kinderen te voorzien ligt inderdaad in het convenant besloten. De vrouw heeft er eerst vanaf juli 2018 rekening mee hoeven te houden dat de man vond dat zij zich onvoldoende daartoe zou inspannen en dat de rechtbank daarover om een oordeel zou worden gevraagd. Op een termijn vanaf juli 2018 tot de zitting begin december 2018 kan, mede gelet op haar bestaande arbeidscontract met de [beroep 2], in redelijkheid van de vrouw niet worden verwacht dat zij in staat is geweest om een hoger inkomen te verdienen dan zij heeft gedaan. Bij de beoordeling van het verzoek van de man tot verlaging van de bestaande onderhoudsbijdrage betrekt de rechtbank dat de man er zelf van uitgaat dat de behoefte van de kinderen in 2013 in ieder geval € 1.195,00 bedroeg. Geïndexeerd naar 2018 bedraagt die behoefte in 2018 € 1.276,00. Indien die behoefte wordt afgezet tegen het bedrag dat de man vanaf 1 juli 2018 aan de vrouw moet betalen, te weten

€ 1.270,00 maakt dat in één oogopslag duidelijk dat de man binnen het bestek van het convenant in feite enkel nog in de behoefte van de kinderen voorziet. Gelet op het feit dat het verzoek van de man er niet tot strekt dat een lager bedrag dan die behoefte van de kinderen als onderhoudsbijdrage wordt bepaald, behoeft het betoog van de man niet verder te worden onderzocht. Daarbij ligt het in de rede dat de vrouw haar eigen inkomsten in ieder geval op het door haar geschatte gemiddelde van € 730,00 per maand dient te trachten te houden.

Een en ander voert tot de laatste slotsom die luidt dat het verzoek van de man moet worden afgewezen. Daarmee ligt het toe te wijzen verzoek van de vrouw ook na 1 juli 2018 voor toewijzing gereed.

4.14.

De rechtbank acht termen aanwezig de proceskosten tussen partijen te compenseren, zodanig dat ieder van hen de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

bepaalt dat de man vanaf 1 januari 2017 aan de vrouw een bijdrage op basis van het door partijen gewijzigde convenant van 25 juni 2013 moet betalen van € 1.270,00 per maand en bepaalt dat na afloop van elk kalenderjaar uiterlijk op 31 januari van het volgende jaar een afrekening tussen partijen zal plaatsvinden in die zin dat de vrouw een nabetaling zal ontvangen bij lagere netto inkomsten dan € 730,00 netto per maand en bij hogere inkomsten het teveel ontvangene aan de man zal restitueren, waarbij de nog niet verschenen termijnen door de man bij vooruitbetaling aan de vrouw moeten worden betaald;

5.2.

verklaart deze uitspraak tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.3.

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht;

5.4.

compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat elk van hen de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.H.J. Frénay, rechter, en ter openbare civiele terechtzitting van 8 februari 2019 uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.H.L.E. Habets, griffier.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.