Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:1140

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
10-01-2019
Datum publicatie
08-02-2019
Zaaknummer
C/03/258282 / JE RK 18-2742
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verhouding tussen artikel 1:265f Burgerlijk Wetboek (BW) (beperking contact tussen minderjarige en ouder[s] middels schriftelijke aanwijzing van GI) en artikel 1:265g BW (verzoek aan kinderrechter om gedurende ondertoezichtstelling een zorg- of omgangsregeling vast te stellen of te wijzigen).

Vervallenverklaring schriftelijke aanwijzing strekkend tot beperking contactmomenten. Eerdere schriftelijke aanwijzing betreffende het contact is door de GI ingetrokken nadat de voorzieningenrechter zijn visie heeft gegeven. Daarmee is op dat moment een ondergrens voor het contact tussen de kinderen en de ouders bepaald. Volgens de overwegingen van de Hoge Raad in de beschikking van 14 december 2018 (ECLI:NL:HR:2018:2321) dient de GI zich in zo’n situatie voor een beoogde (verdere) beperking van de contacten tussen een kind en zijn ouder(s) tot de kinderrechter te wenden met een verzoek tot wijzing van de zorg- of omgangsregeling (contactregeling), als bedoeld in artikel 1:265g van het BW. De procedure van artikel 1:265g BW biedt de ouder(s) en de minderjarige een ruimere rechtsbescherming dan de procedure van artikel 1:265f BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK LIMBURG

Familie en jeugd

Zittingsplaats: Maastricht

zaakgegevens : C/03/258282 / JE RK 18-2742

datum uitspraak: 10 januari 2019 (schriftelijke aanwijzing)

29 januari 2019 (vervanging GI)

beschikking conflictbehandeling schriftelijke aanwijzing / vervanging GI

in de zaak van

[belanghebbende 1],

hierna te noemen: “[belanghebbende 1]”, respectievelijk “de vader”;

en

[belanghebbende 2],

hierna te noemen: de moeder,

beiden wonende te [woonplaats], [gemeente]

advocaat: mr. R.A. Wijnands, gevestigd te Schinnen,

tegen

de gecertificeerde instelling Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,

hierna te noemen: de GI,

gevestigd te Roermond,

betreffende de minderjarigen:

[minderjarige 1],

hierna te noemen: [minderjarige 1],

geboren te [geboorteplaats] op [2014],

en

[minderjarige 2] ,

hierna te noemen: [minderjarige 2]

geboren te [geboorteplaats] op [2016].

Het procesverloop


Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoek van 12 december 2018, met bijlagen, van [belanghebbende 1] en de moeder, ingekomen bij de griffie op 12 december 2018;

- een brief van 8 januari 2019, met bijlagen, van [belanghebbende 1] en de moeder, diezelfde dag ter griffie ontvangen;

- een e-mailbericht van 9 januari 2019 van de GI.

Op 10 januari 2019 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de moeder en [belanghebbende 1], bijgestaan door hun advocaat;

- twee vertegenwoordigers van de GI.

De feiten

Ten tijde van het indienen van het voorliggende verzoek werd het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gezamenlijk uitgeoefend door de moeder en [belanghebbende 1]. [minderjarige 2] is geboren staande huwelijk tussen de moeder en [belanghebbende 1], zodat [belanghebbende 1] van rechtswege de vader van [minderjarige 2] is. [belanghebbende 1] heeft eerder ook [minderjarige 1] erkend, maar deze erkenning is bij beschikking van 11 december 2018 vernietigd. Ten tijde van het slaan van deze beschikking, is voormelde beschikking van 11 december 2018 nog niet in kracht van gewijsde. Met inachtneming hiervan worden in het navolgende [belanghebbende 1] en de moeder samen (ook) aangeduid als “de ouders” en [belanghebbende 1] als “de vader”.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] staan onder toezicht van de GI. Zij verblijven met een daartoe verleende machtiging tot uithuisplaatsing bij de pleegouders. Bij beschikking van

8 november 2018 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot

12 november 2019. De kinderrechter heeft bij deze beschikking tevens de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij pleegouders verlengd tot 12 november 2019.

Op 7 februari 2018 heeft een mondelinge behandeling voor de voorzieningenrechter in deze rechtbank plaatsgevonden, waarvan een proces-verbaal is opgemaakt.

De GI heeft op 4 december 2018 een schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende de omgangsregeling tussen de ouders en [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven is in deze schriftelijke aanwijzing opgenomen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vanaf 3 december 2018 wekelijks op zaterdag van 12:00 tot 18:00 uur op bezoek gaan bij de ouders, welk bezoek deels begeleid wordt door anaCare en waarbij de pleegmoeder de kinderen zal halen en brengen. Verder is vermeld dat de beschreven omgangsregeling geldt voor de resterende termijn van de OTS (ondertoezichtstelling) en MUHP (machtiging tot uithuisplaatsing) en dat deze regeling na afloop zal worden geëvalueerd.

Het verzoek


De ouders hebben uitvoerig gemotiveerd verzocht de schriftelijke aanwijzing van de GI geheel vervallen te verklaren. Daarnaast verzoeken de ouders bij wege van “voorwaardelijk zelfstandig verzoek” de GI te ontslaan van haar wettelijke taak in onderhavige zaak, onder benoeming van een andere GI tot het verrichten van diezelfde taak, nu het voortzetten van de taken van de huidige GI niet in het belang van het kind kan worden geacht en in strijd is met het IVRK en artikel 8 EVRM.

Voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven is ter zitting verder toegelicht waarom de schriftelijke aanwijzing volgens de ouders onzorgvuldig is voorbereid, onvoldoende is gemotiveerd en inhoudelijk onjuist is. Zo heeft de GI volgens de ouders onder meer onvoldoende inhoudelijk gereageerd op de zienswijze van ouders. Inhoudelijk wordt met name het door de GI gestelde (vermoeden van, overmatig) alcoholgebruik door de vader betwist. De vader is daarvoor naar de huisarts geweest en hij heeft daar rapporten van overgelegd. Naar aanleiding van het door de GI geuite vermoeden van alcoholgebruik bij gelegenheid van een recent zogenoemd rondetafeloverleg (RTO), is aangeboden een alcoholtester te halen en daarmee aan te tonen dat geen sprake was van het nuttigen van alcohol. De GI is daar om haar moverende redenen niet akkoord mee gegaan. Wat rest is een hoofdzakelijk op het verleden rustend vermoeden van alcoholmisbruik, dat de ouders te pas en te onpas voor de voeten wordt geworpen. In dat verband vinden de ouders het opmerkelijk dat het contact met de kinderen gedurende een aanzienlijke periode steeds is uitgebreid, wat niet past bij het gestelde vermoeden. In dat kader is voor de ouders al helemaal onbegrijpelijk waarom het contact tussen de ouders en de kinderen tot circa een vijfde van de tot dan bereikte omvang beperkt zou moeten worden. Daarnaast past de beoogde beperking van de contacten niet bij de overwegingen van de kinderrechter, zoals neergelegd in de beschikking van 24 april 2018 (in de aanhef kennelijk abusievelijk gedateerd op 24 april 2017).

Meest verstrekkend argument tegen de schriftelijke aanwijzing blijft dat de daarmee beoogde beperking van het contact tussen de ouders en de kinderen steunt op een onjuiste wettelijke grondslag. Middels het proces-verbaal van 7 februari 2018 van de voorzieningenrechter is een regeling inzake de toedeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) bepaald, die slechts met toepassing van artikel 1:265g van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan worden gewijzigd.

Met betrekking tot het verzoek tot vervanging van de GI is verder toegelicht dat er thans blijkbaar geen effectieve mogelijkheden bestaan om tegen het handelen van de GI als zodanig op te komen. In het kader van een daartoe ingediende klacht van de ouders heeft de GI zich op het standpunt gesteld dat die procedure zich slechts leent voor klachten over een individuele medewerk(st)er van de GI, aldus de ouders. De ouders blijven evenwel van mening dat de GI meermaals heeft laten zien niet in staat te zijn de door de (kinderrechter in de) rechtbank gegeven opdracht uit te voeren, onder meer door bij herhaling onzorgvuldige besluiten af te geven. De ouders zijn van mening dat de kinderrechter hen daarom tegen de GI in bescherming dient te nemen.

De GI heeft verweer gevoerd tegen de verzoeken en daartoe het volgende aangevoerd. De GI is van mening dat met het proces-verbaal van de zitting van 7 februari 2018 geen zorgregeling is vastgesteld als bedoeld in de uitspraak van de Hoge Raad van 14 december 2018 (waarbij de kinderrechter ervan uitgaat dat de ter zitting meermaals genoemde datum van 18 december 2018 een kennelijke vergissing betreft). De GI stelt zich daarom op het standpunt dat zij het contact tussen de ouders en de kinderen in de voorliggende situatie op grond van het bepaalde in artikel 1:265f BW kon beperken middels een schriftelijke aanwijzing. De schriftelijke aanwijzing van 4 december 2018 is zorgvuldig voorbereid en steunt op een deugdelijke motivering. Het vermoeden van alcoholmisbruik door de vader is gebaseerd op informatie vanuit diverse bronnen en de vader biedt onvoldoende zicht op zijn functioneren om dat vermoeden te weerleggen. Zo is anaCare in dit verband een keer onaangekondigd op bezoek gegaan bij de ouders, maar toen was de vader niet thuis. Dat niet is ingegaan op het voorstel om naar aanleiding van het RTO een alcoholtester te halen, hangt ermee samen dat aan het op dat moment al dan niet genuttigd hebben van alcohol geen doorslaggevende betekenis zou toekomen over de al beduidend langer bestaande zorgen rond drank- en middelengebruik door de vader of ouders. Dat nu middels een schriftelijke aanwijzing is besloten het contact tussen de ouders en de kinderen te beperken hangt overigens niet alleen samen met het alcohol- of middelengebruik van de vader of de ouders. Zoals blijkt uit de beschikking van 8 november 2018 inzake de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtigingen tot uithuisplaatsing, zijn de ouders ook nog steeds onvoldoende in staat de kinderen een stabiele opvoedomgeving te bieden met de structuur die de kinderen nodig hebben. Op grond van die in samenhang te beschouwen aanhoudende zorgen over het functioneren van de ouders en de periode gedurende welke de kinderen inmiddels uit huis zijn geplaatst is de GI van mening dat het zonder meer nastreven van een thuisplaatsing een gepasseerd station is. Het perspectief van de kinderen had reeds duidelijk moeten zijn. Omdat dit nog steeds niet het geval is, heeft de GI een onderzoek door de Raad voor Kinderbescherming naar een gezagsbeëindigende maatregel in overweging genomen. Daarbij tekent de GI aan dat dit als zodanig het contact tussen de ouders en de kinderen niet in de weg hoeft te staan, maar dat contact dient vooral op een voor de kinderen veilig manier plaats te vinden.

Voor wat betreft het verzoek tot vervanging van de GI is de GI van mening dat op grond van artikel 4.2.1 van de Jeugdwet wel degelijk een met voldoende waarborgen omgeven klachtenprocedure beschikbaar is. Dat de ouders een klacht hebben over het functioneren van de GI als zodanig, maakt dat niet anders. In dit kader heeft de GI verder gewezen op de mogelijkheid om een klacht over het functioneren van (overheids-)instanties (zoals de GI), neer te leggen bij de nationale ombudsman. Inhoudelijk is de GI van mening dat vervanging van de GI niet in het belang van de kinderen is.

Middels de e-mail van 9 januari 2019 heeft de GI, bij wege van "voorwaardelijk zelfstandig verzoek”, kort weergegeven verzocht de omgangsregeling te wijzigen als in het verzoek geformuleerd.

De beoordeling

De kinderrechter is van oordeel dat het verzoek tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing dient te worden toegewezen. De kinderrechter overweegt daartoe als volgt.

De schriftelijke aanwijzing

In artikel 1:265f van het BW is bepaald dat de GI, voor zover noodzakelijk in verband met de uithuisplaatsing van een minderjarige, voor de duur daarvan de contacten tussen een met het gezag belaste ouder en de minderjarige kan beperken. De beslissing van de GI geldt als een schriftelijke aanwijzing, waarop de artikelen 264 en 265 van overeenkomstige toepassing zijn, met dien verstande dat de kinderrechter een zodanige regeling kan vaststellen als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

Ingevolge artikel 1:265g BW, voor zover hier van belang, kan de kinderrechter op verzoek van de GI een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van het kind noodzakelijk is.

Ten behoeve van de leesbaarheid zal de kinderrechter in het navolgende de term “contactregeling” hanteren, waar de Hoge Raad het heeft over “een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang”.

De Hoge Raad heeft bij beschikking van 14 december 2018 (ECLI:NL:HR:2018:2321) antwoord gegeven op prejudiciële vragen van de rechtbank Den Haag over de verhouding tussen de artikelen 1:265f en 1:265g BW. Uit de in onderlinge samenhang beschouwde overwegingen van de Hoge Raad volgt dat artikel 1:265g BW een bijzondere regel vormt ten opzichte van de regel van artikel 1:263 BW, betreffende het geven van schriftelijke aanwijzingen door de GI. Dat artikel 1:265g BW een bijzondere regel vormt hangt mede samen met de ruimere rechtsbescherming die de in dat artikel bepaalde gang van zaken de ouder en de minderjarige biedt (overweging 4.1.3). De Hoge Raad overweegt verder dat de GI niet bevoegd is door het geven van een schriftelijke aanwijzing betreffende de omgang van een ouder met zijn kind een eerdere beschikking van de rechter inzake de omgang opzij te zetten. Die bevoegdheid heeft de GI ook niet in de gevallen waarin:

  1. de minderjarige krachtens een na de desbetreffende rechterlijke uitspraak (tot vaststelling of wijziging van een contactregeling) verleende rechterlijke machtiging uit huis wordt geplaatst en er aldus sprake is van een nieuwe omstandigheid;

  2. de GI op de voet van artikel 1:265f BW de contacten tussen de ouder en de minderjarige wil beperken bij wijze van tijdelijke maatregel, in afwachting van een uitspraak van de kinderrechter op voet van artikel 1:265g lid 1 BW.

De bedoelde bevoegdheid heeft de GI evenmin wanneer het gaat om een door de kinderrechter op voet van artikel 1:265f, lid 2 BW vastgestelde regeling. In al deze gevallen dient de GI zich op voet van artikel 1:265g, lid 1 BW tot de kinderrechter te wenden met een verzoek tot wijziging van de eerdere regeling (overweging 4.2.2 e.v.).

Naar het oordeel van de kinderrechter betreft de regeling zoals die tot stand is gekomen naar aanleiding van de zitting van 7 februari 2018 van de voorzieningenrechter, een contactregeling waarbij een zodanige ondergrens in het contact tussen de ouder(s) en de minderjarige is vastgelegd dat (in elk geval) beperking van dat contact voor de GI slechts mogelijk is middels een verzoek tot wijziging daarvan aan de kinderrechter op grond van artikel 1:265g BW. Dat die contactregeling blijkbaar met wederzijds goedvinden tot stand is gekomen, maakt het vorenstaande niet anders. In het licht van de overwegingen van de Hoge Raad kan het naar het oordeel van de kinderrechter daarbij niet zo zijn dat de ouder(s) en de minderjarige de ruimere rechtsbescherming van artikel 1:265g BW wordt onthouden, als de GI -geconfronteerd met de visie of het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter- een eerder gegeven contactbeperkende schriftelijke aanwijzing intrekt. Vanuit het bij een uithuisplaatsing geldende uitgangspunt om naar een thuisplaatsing toe te werken, is een op dat ogenblik geldende “ondergrens” van contact tussen kind en ouder(s) bepaald. Gelet op de strekking van de overwegingen van de Hoge Raad kan naar het oordeel van de kinderrechter van die aldus bepaalde ondergrens - in elk geval voor een (verdere) beperking - slechts door tussenkomst van de kinderrechter worden afgeweken.

Dit leidt de kinderrechter tot de conclusie dat de GI in de voorliggende situatie ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de in artikel 1:265f BW gegeven bevoegdheid om door middel van het geven van een schriftelijke aanwijzing het contact tussen een (met het gezag belaste) ouder en de (uit huis geplaatste) minderjarige, zodat de schriftelijke aanwijzing vervallen wordt verklaard. Nu de kinderrechter de schriftelijke aanwijzing reeds op voornoemde gronden vervallen verklaart, komt de kinderrechter niet meer toe aan het in dit kader meer of anders gestelde.

Vervanging van de GI

De kinderrechter is van oordeel dat het verzoek van de ouders tot vervanging van de GI dient te worden afgewezen en overweegt daartoe als volgt.

Ingevolge artikel 1:259 BW kan de kinderrechter de GI die het toezicht heeft, vervangen door een andere GI op verzoek van de genoemde partijen.

Zoals nader toegelicht in “Tekst en Commentaar Personen- en familierecht” (T&C), aantekening 1 bij artikel 1:259 BW, kan een verzoek tot vervanging van de GI worden ingediend wanneer de verhoudingen tussen de GI die de ondertoezichtstelling uitvoert en de betrokkenen dermate slecht zijn dat het belang van het kind vereist dat een andere GI met het toezicht wordt belast.

Kort samengevat voeren de ouders de volgende argumenten aan waarom de GI vervangen zou moeten worden:

- de GI gaat onvoldoende uit van het basisprincipe dat moet worden toegewerkt naar thuisplaatsing;

- de GI handelt onvoldoende voortvarend (zowel wat betreft het aanreiken van duidelijke kaders voor thuisplaatsing aan de ouders als wat de uitvoering van een door de rechtbank gegeven opdracht betreft);

- de GI hanteert ten onrechte de aanname dat het perspectief van de kinderen bij de pleegouders ligt; en

- de GI heeft twee keer binnen een jaar een onzorgvuldig besluit genomen.

Naar het oordeel van de kinderrechter betreffen deze argumenten de uitvoering van de ondertoezichtstelling respectievelijk tenuitvoerlegging van de machtiging tot uithuisplaatsing, waartegen zo nodig in een zich daartoe lenende procedure in rechte kan worden opgekomen en deels ook opgekomen is. De kinderrechter verwijst in dit verband onder meer naar de ingevolge artikel 1:262b BW en artikel 4.2.1 van de Jeugdwet voor de ouders bestaande mogelijkheden om de in voornoemde argumenten besloten bezwaren voor te leggen. Volledigheidshalve wijst de kinderrechter op de ter zitting door de GI gestelde mogelijkheid om bij niet of onvoldoende tegemoetkomen aan een klacht als bedoeld in artikel 4.2.1 van de Jeugdwet, daartegen kan worden opgekomen bij de Nationale ombudsman. Met inachtneming van voornoemde mogelijkheden is de kinderrechter in het kader van de toets aan het bepaalde van artikel 1:259 BW van oordeel dat de door de ouders aangevoerde argumenten niet de conclusie kunnen dragen dat tegen het functioneren van de GI als zodanig niet kan worden opgekomen.

Dat er onmiskenbaar sprake is van een voor verbetering vatbare samenwerking tussen de GI en de ouders, rechtvaardigt thans naar het oordeel van de kinderrechter evenmin de conclusie dat het belang van (een van) de kinderen vereist dat een andere GI met het toezicht wordt belast. Zo wordt de stelling dat de GI onvoldoende is uitgegaan van het basisprincipe dat bij een uithuisplaatsing toegewerkt dient te worden naar een thuisplaatsing, weersproken door het als onbetwist vaststaande gegeven dat de contactmomenten tussen de ouders en de kinderen sinds de aanvang van de uithuisplaatsing in 2016 (tot de hierbij vervallen verklaarde schriftelijke aanwijzing van 4 december 2018) in feite steeds zijn uitgebreid. In het licht van het (onder meer) op het punt van middelengebruik belaste verleden, kan het de GI evenmin worden tegengeworpen dat zij de op dat vlak ontvangen hernieuwde signalen serieus neemt. In dat verband weegt de veiligheid van de kinderen beduidend zwaarder dan het belang van de ouders bij de wens zo min mogelijk verantwoording af te leggen of bij een aangenaam contact met de GI. Dat de GI wel duidelijk moet aangeven hoe de ouders het vermoeden van middelengebruik kunnen weerleggen, neemt niet weg dat de plicht tot het weerleggen van dat vermoeden in eerste instantie bij de ouders ligt. Daarbij moet de ouders (meer in het bijzonder de vader) vanuit het verleden de in dit kader algemeen aanvaarde mogelijkheid van urinecontroles via de huisarts bekend zijn. Niet gesteld of gebleken is dat de GI het weerleggen van het (hernieuwde) vermoeden van middelengebruik aan de hand van urinecontroles heeft of zou hebben geweigerd. Dat het de verstandhouding tussen de GI en de ouders ten goede zou zijn gekomen als de GI te dien aanzien (eerder) zou hebben gereageerd op vragen van de ouders, maakt het voorgaande niet anders. Ook vormt de gang van zaken rond het RTO geen of onvoldoende grond voor de conclusie dat de GI onzorgvuldig handelt, laat staan zodanig onzorgvuldig handelt dat het belang van de kinderen de verzochte vervanging vergt. Verder laat al het voorgaande onverlet dat, bij herhaaldelijk onjuist gebleken signalen over zorgelijk middelengebruik, een goed gesprek van de GI met de signaalgever(s) nodig kan zijn om alsdan begrijpelijke frustratie en ergernis bij de ouders zoveel mogelijk te voorkomen.

Dat besluiten van de GI tot twee keer toe in rechte geen stand hebben gehouden vormt naar het oordeel van de kinderrechter evenmin een voldoende argument om tot de verzochte vervanging over te gaan. Wanneer de reden tot (gedeeltelijke) vernietiging of vervallenverklaring van het bestreden besluit is gelegen in jurisprudentie zoals die zich ná het nemen van het bestreden besluit én naar aanleiding van prejudiciële vragen heeft ontwikkeld, biedt die vernietiging of vervallenverklaring geen steun aan de stelling dat de GI onzorgvuldig heeft gehandeld. Daarmee komt aan die vernietiging of vervallenverklaring ook weinig tot geen gewicht toe bij het antwoord op de vraag of de GI vervangen moet worden. In het verlengde van hetgeen hiervoor is overwogen over de mogelijkheden om tegen het handelen van de GI als zodanig op te komen, stelt de kinderrechter terzijde vast dat uit de door de ouders aangehaalde procedures blijkt dat in elk geval in rechte kan worden opgekomen tegen zich in besluiten manifesterend handelen van de GI. Ten slotte neemt de kinderrechter in de beoordeling van het verzoek tot vervanging van de GI mee, dat het om praktische en organisatorische redenen in beginsel onwenselijk is als een andere instantie bij de situatie rond de kinderen betrokken wordt Met name het gegeven dat het voor de kinderen een extra belasting vormt als zij geconfronteerd worden met een nieuwe instantie respectievelijk gezinsvoogdijwerk(st)er, weegt in dit verband zwaar.

Zoals ter zitting besproken, is het “voorwaardelijk zelfstandig verzoek” van de GI om redenen van goede procesorde aangemerkt als een nieuw verzoek, dat onder een eigen zaaknummer bij de rechtbank is geregistreerd, namelijk: C/03/259295 / JE RK 19-59. Om die reden gaat de kinderrechter hier niet verder in op dat verzoek.

Voor de goede orde wijst de kinderrechter er bij het voorgaande op dat de beslissing op het verzoek tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing is gegeven en uitgesproken ter zitting van 10 januari 2019 en op schrift is gesteld op 29 januari 2019. De beslissing op het verzoek tot vervanging van de GI is gegeven en in het openbaar uitgesproken op

29 januari 2019.

De beslissing


De kinderrechter:

verklaart de aanwijzing geheel vervallen;

wijst het verzoek tot vervanging van de GI af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.T.A.C. Russel, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. H.A.M. van de Ven als griffier en, voor wat de vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing betreft in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2019 en op schrift gesteld op

29 januari 2019 en voor het overige gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2019.

Tegen deze beschikking staat geen hogere voorziening open, behoudens cassatie in het belang der wet.