Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:1129

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
07-02-2019
Datum publicatie
14-02-2019
Zaaknummer
C/03/259171 / KG ZA 19-10
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De huurder vordert in kort geding - met toestemming van zijn bewindvoerder - veroordeling van de verhuurder om binnen één week na betekening het vonnis huurder weer het woongenot te bieden van het door hem gehuurde appartement met teruggave van zijn huisraad en kleding, onder verbeurte van een dwangsom.

De goederen van de huurder staan onder bewind en de huurder wordt tijdens het bewind door zijn bewindvoerder in en buiten rechte vertegenwoordigd (artikel 1:441 lid 1 eerste zin BW). Doordat alle goederen van de huurder onder bewind zijn gesteld, vallen ook de rechten die hij kan ontlenen aan de huurovereenkomst onder het bereik van dat bewind (ECLI:NL:HR:2014:525) en is dus toestemming nodig van de bewindvoerder voor beëindiging van die huurovereenkomst. Die toestemming is er nooit gekomen. De verhuurder was op de hoogte van het bewind en hij kan zich dan ook niet beroepen op de aanvankelijke inspanningen van de huurder om het appartement te ontruimen. De huurovereenkomst is tussen partijen blijven gelden en de verhuurder heeft onrechtmatig gehandeld door zonder toestemming van de huurder het appartement binnen te treden, te ontruimen en de sloten ervan te vervangen. Het gevorderde wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer: C/03/259171 / KG ZA 19-10

Vonnis in kort geding van 7 februari 2019

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. H.P. Ruysink te Bunde (toevoeging),

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. A.J.J. Kreutzkamp te Sittard (toevoeging).

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 15 januari 2019 met één productie

  • -

    de aanvullende stukken (vier) van [eiser]

  • -

    de aangekondigde eis in reconventie met producties (drie)

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van [gedaagde] , tevens conclusie van eis in reconventie

  • -

    de pleitnota van [eiser] , tevens conclusie van antwoord in reconventie

  • -

    de toevoeging van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

De kantonrechter van de Rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, heeft - kort gezegd - op 16 maart 2016, vanaf 1 april 2016, bewind ingesteld over de (toekomstige) goederen van [eiser] , met benoeming van mevrouw M.C.M. Beckers-ten Brink, h.o.d.n. Penoka, tot bewindvoerder (zaaknr. 4814132). Het bewind is op 1 april 2016 geregistreerd in het curatele- en bewindregister.

2.2.

Bij de mondelinge behandeling van het kort geding heeft de (vervangend) advocaat van [eiser] gesteld dat de bewindvoerder akkoord gaat met de onderhavige procedure en daarop betrekking hebbende e-mailcorrespondentie met de bewindvoerder overgelegd. Een ondertekend, schriftelijk akkoord van die bewindvoerder is op de mondelinge behandeling echter niet voorhanden. Dat akkoord zal alsnog, uiterlijk op maandag 4 februari 2019, aan de voorzieningenrechter worden toegezonden, aldus de advocaat. [gedaagde] is op de hoogte van de bewindvoering en is akkoord gegaan met de toezending zoals hiervoor vermeld. Deze brief is aan de rechtbank en [gedaagde] toegezonden op 1 februari 2019.

2.3.

[gedaagde] is - kort gezegd - de eigenaar van het appartement aan de [adres] te [woonplaats 1] (hierna te noemen: het appartement). [gedaagde] verhuurt het appartement op grond van de huurovereenkomst tussen partijen van 2 mei 2017 (productie 1 bij dagvaarding) met ingang van 7 mei 2017 aan [eiser] . De huurovereenkomst is overeengekomen voor de duur van 1 jaar. Partijen hebben de huurovereenkomst na dat jaar voorgezet.

2.4.

[gedaagde] heeft op 30 en 31 december 2018, zonder toestemming van [eiser] , de spullen van [eiser] (de kleren en huisraad van [eiser] ) uit het appartement gehaald en opgeslagen in de berging behorende bij het appartement. Op uiterlijk 3 januari 2019 heeft [gedaagde] de sloten van het appartement vervangen. Hij heeft van die nieuwe sloten geen sleutels aan [eiser] verstrekt.

2.5.

[gedaagde] heeft op 24 januari 2019 een aangetekende brief aan [eiser] gezonden en een afschrift van die brief aan de advocaat van [eiser] (productie 1 bij de conclusie van eis in reconventie). In die brief zijn onder andere de beëindigingsgronden van de huurovereenkomst te lezen.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiser] stelt - samengevat en voor zover thans van belang - dat, doordat [gedaagde] de sloten van het appartement eind december 2018 / begin januari 2019 heeft vervangen en hij de nieuwe sleutels niet aan [eiser] ter beschikking heeft gesteld, [eiser] niet meer in het door hem gehuurde appartement kan. Dit terwijl de huurovereenkomst tussen partijen niet is geëindigd. [eiser] stelt dat hij hierdoor een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering in kort geding.

3.2.

[eiser] stelt voorts - samengevat - dat [gedaagde] vanaf medio december 2018 wilde dat [eiser] uit het appartement vertrok en al zijn spullen (kleding en huisraad) meenam. [gedaagde] wilde dat [eiser] met een opzegging van de huurovereenkomst door [gedaagde] zou instemmen en dat de huurovereenkomst op korte termijn zou eindigen. [eiser] stelt dat [gedaagde] hem in december 2018 door middel van bedreigingen onder druk heeft gezet om het appartement uiterlijk op 31 december 2018 te verlaten en te ontruimen. [eiser] stelt dat die bedreigingen onder andere blijken uit de door [eiser] overgelegde tekstberichten tussen hem en [gedaagde] van 19 december 2018 tot en met 31 december 2018 en het proces-verbaal van aangifte van 14 januari 2019. [eiser] wilde de huurovereenkomst niet beëindigen en heeft [gedaagde] (bijvoorbeeld bij tekstbericht van 20 december 2018) verwezen naar Penoka, zijn bewindvoerder. Die bewindvoerder was ook betrokken bij de totstandkoming van de huurovereenkomst, aldus [eiser] . [gedaagde] heeft weliswaar gebeld met de bewindvoerder maar die heeft aan [gedaagde] bewijsstukken gevraagd van diens geschil met de bank. Die bewijsstukken heeft [gedaagde] echter niet verstrekt en een gesprek tussen de bewindvoerder, [gedaagde] en [eiser] over de opzegging / beëindiging van de huurovereenkomst heeft ook niet plaatsgevonden. Gelet op het bovenstaande zijn de geweigerde toegang tot het appartement en de ontruiming door [gedaagde] ongegrond en onrechtmatig, aldus [eiser] . Dit temeer nu hij tot en met december 2018 de maandelijks verschuldigde huur steeds aan [gedaagde] , via zijn bewindvoerder, heeft voldaan en hij, nadat hij per januari 2019 niet meer in het appartement kon, de huur (tijdelijk) op de derdengeldenrekening van zijn advocaat heeft laten storten.

3.3.

[eiser] vordert dan ook samengevat - veroordeling van [gedaagde] om binnen één week na betekening van dit vonnis hem weer het woongenot te bieden van het appartement te [woonplaats 1] aan de [adres] , met teruggave van zijn huisraad en kleding, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag dat [gedaagde] in gebreke blijft hieraan te voldoen, een en ander met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.4.

[gedaagde] voert - samengevat en voor zover thans van belang - aan dat [eiser] in december 2018 met de opzegging van de huurovereenkomst akkoord is gegaan. [eiser] heeft ook al een aantal van zijn spullen uit de woning gehaald. [gedaagde] is van mening dat hij het appartement dan ook (verder) heeft mogen ontruimen en de sloten heeft mogen vervangen. [eiser] heeft op 31 december 2018, toen hij de opzeggingsbrief van [gedaagde] voor akkoord zou ondertekenen en de ontruiming definitief zou plaatsvinden, dit ten onrechte nagelaten, aldus [gedaagde] .

in (voorwaardelijke) reconventie

3.5.

[gedaagde] stelt dat een gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst in een bodemprocedure zal worden toegewezen, nu - kort gezegd - [eiser] de op hem rustende verplichtingen als huurder, als bepaald in de huurovereenkomst en zoals vereist op grond van de wet, onvoldoende is nagekomen. De door [eiser] jegens [gedaagde] gepleegde wanprestatie is ernstig en blijkt onder meer uit de door [gedaagde] bij conclusie van eis in reconventie overgelegde foto’s van het appartement (inpandig) van 31 december 2018, aldus [gedaagde] . Bij aangetekende brief van 24 januari 2019 (productie 1 bij conclusie van eis in reconventie) heeft [gedaagde] de beëindigingsgronden (nogmaals) aan [eiser] meegedeeld. De spullen van [eiser] zijn opgeslagen in de berging van het appartement en [eiser] , die daarvan op de hoogte is en weet dat hij tot die berging toegang heeft, heeft die spullen toch niet (alsnog) opgehaald.

3.6.

[gedaagde] vordert gelet hierop - samengevat en voor het geval de voorzieningen-rechter de vorderingen in conventie toewijst - veroordeling van [eiser] om het appartement te ontruimen en te verlaten, onder afgifte van de sleutels en al hetgeen daartoe behoort, en ter vrije beschikking van [gedaagde] te stellen.

3.7.

[eiser] voert verweer. Hij heeft onder meer betwist dat hij toegang heeft tot de berging. Hij voert voorts aan dat [gedaagde] twee dagen in zijn appartement is geweest en daar een en ander heeft geënsceneerd.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

Het spoedeisend belang is voldoende onderbouwd en volgt uit de aard van de vordering. [eiser] kan door de handelwijze van [gedaagde] als vermeld onder 2.4. niet meer in het door hem gehuurde appartement wonen, waardoor ook zijn uitkering mogelijk (gedeeltelijk) zal worden stopgezet en zijn behandelingstraject bij AltraCura belemmerd wordt.

4.2.

De (toekomstige) goederen van [eiser] staan onder bewind (zie overweging 2.1). Op grond van artikel 1:441 lid 1 eerste zin BW wordt [eiser] tijdens het bewind door zijn bewindvoerder in en buiten rechte vertegenwoordigd. [gedaagde] is op de hoogte van die bewindvoering, doordat de bewindvoerder bij de totstandkoming van de huurovereenkomst betrokken was en de huur via die bewindvoerder werd betaald.

4.3.

Doordat alle goederen van [eiser] onder bewind zijn gesteld, vallen ook de rechten die hij kan ontlenen aan de huurovereenkomst onder het bereik van dat bewind (ECLI:NL:HR:2014:525) en is dus toestemming nodig van de bewindvoerder voor beëindiging van die huurovereenkomst. Die toestemming is er nooit gekomen. [gedaagde] was op de hoogte van het bewind en hij kan zich dan ook niet beroepen op de aanvankelijke inspanningen van [eiser] om het appartement te ontruimen.

4.4.

De huurovereenkomst is dan ook tussen partijen blijven gelden en [gedaagde] heeft onrechtmatig gehandeld door zonder toestemming van [eiser] het appartement op 30 en 31 december 2018 binnen te treden, te ontruimen en de sloten ervan te vervangen. [gedaagde] heeft daardoor het huurrecht van [eiser] ernstig geschonden. Het gevorderde zal dan ook worden toegewezen, met dien verstande dat de gevorderde dwangsom zal worden beperkt op de wijze als hierna in de beslissing 5.2 is vermeld.

4.5.

[gedaagde] zal als de in conventie grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 99,01

- griffierecht € 81,00

- salaris advocaat € 816,00

totaal € 996,01.

in (voorwaardelijke) reconventie

4.6.

Gelet op overweging 4.4. is de vordering van [gedaagde] in reconventie onvoorwaardelijk geworden.

4.7.

Gelet op al hetgeen in conventie is overwogen acht de voorzieningenrechter de kans van slagen van een door [gedaagde] in een bodemprocedure te vorderen ontbinding van de huurovereenkomst op korte termijn, op de gronden en onder de voorwaarden zoals door [gedaagde] gesteld, niet aannemelijk. De rechtbank stelt voorts vast dat [gedaagde] zijn vordering onderbouwt met een gemanipuleerde versie van de tekstberichten. Daarmee handelt [gedaagde] in strijd met het bepaalde in art. 21 Rv. Zijn vordering wordt dan ook afgewezen.

4.8.

[gedaagde] zal als de in reconventie in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op

€ 408,00 (factor 0,5 × tarief € 816,00) aan salaris advocaat.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om binnen één week na betekening van dit vonnis [eiser] weer het woongenot te bieden van het door [eiser] gehuurde appartement aan de [adres] te [woonplaats 1] , met teruggave van de door [gedaagde] verwijderde huisraad en kleding van [eiser] ,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag dat hij niet aan de in 5.1 uitgesproken veroordeling voldoet, tot een maximum van € 15.000,00 is bereikt,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 996,01,

5.4.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.6.

wijst de vorderingen af,

5.7.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 408,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.E. Elzinga en in het openbaar uitgesproken.1

1 type: CM