Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:11215

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
13-12-2019
Datum publicatie
16-12-2019
Zaaknummer
ROE 19/3017
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Tegen een omgevingsvergunning voor het veranderen van een kerk in een fitnesscentrum is (bezwaar gemaakt en) een voorlopige voorziening gevraagd. De voorzieningenrechter oordeelt dat het project niet in strijd is met het gemeentelijk beleid en niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De aspecten luchtkwaliteit, geluidhinder en verkeer en parkeren zijn zorgvuldig onderzocht en daaruit blijkt niet dat de functiewijziging leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat in de omgeving.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 19/3017

uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 december 2019 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam 1] en [naam 2], te Tegelen, verzoekers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo, verweerder,

(gemachtigde: J.M.M. Vincken).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: A.T. Tegelen B.V., te Tegelen,

(gemachtigde: mr. A.D.A. Quaedvlieg).

Procesverloop

Bij besluit van 24 september 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan A.T. Tegelen B.V. (hierna: vergunninghoudster) een omgevingsvergunning verleend voor het veranderen van een kerk aan de Nachtegaalstraat 49 te Tegelen naar fitnesscentrum met een continu- openstelling.

Verzoekers hebben tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verzoekers en verweerder hebben nadere stukken ingediend.

Vergunninghoudster heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 december 2019. Van verzoekers is [naam 1] verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Vergunninghoudster is verschenen, vertegenwoordigd door [naam 3] en [naam 4] en bijgestaan door de gemachtigde.

Overwegingen

1. Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) treft de voorzieningenrechter alleen een voorlopige voorziening als er een spoedeisend belang is. De gemachtigden van verweerder en van vergunninghoudster hebben bij de behandeling van het verzoek ter zitting betoogd dat het vereiste spoedeisend belang ontbreekt omdat geen sprake is van een onomkeerbare situatie. Indien in het bodemgeschil komt vast te staan dat de omgevingsvergunning ten onrechte is verleend, dan kan het gebruik als fitnesscentrum per direct worden beëindigd.

1.1.

De voorzieningenrechter stelt vast dat ter zitting is verklaard dat de opening van het fitnesscentrum 15 januari 2020 wordt verwacht en dat dan nog geen beslissing op het bezwaar van verzoekers zal zijn genomen. Verzoekers vrezen overlast van de functiewijziging o.a. in de vorm van verkeers- en parkeeroverlast in hun straat en in de directe omgeving van het kerkgebouw. Vast staat dat van de nieuwe functie een verkeersaantrekkende werking uitgaat. Verzoekers hebben gemotiveerd betwist dat daarmee voldoende rekening is gehouden. Gelet daarop is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekers niet zonder enig nadeel de beslissing op hun bezwaar kunnen afwachten. Voor afwijzing van het verzoek wegens het ontbreken van enig spoedeisend belang ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding. Hij komt dan ook toe aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek.

2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. De voorzieningenrechter weegt de belangen van verzoekers die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van verweerder en derde-partij (vergunninghoudster) die pleiten tegen het treffen daarvan, als volgt. In het kader van die belangenweging komt de voorzieningenrechter toe aan een (voorlopig) rechtmatigheidsoordeel.

3. Verzoekers vrezen dat de komst van een fitnesscentrum met een continu-openstelling midden in een woonwijk met name in de late avond en nachtelijke uren geluidsoverlast zal veroorzaken en tot verkeersproblematiek en parkeeroverlast zal leiden. Verzoekers betogen dat de kerk akoestisch niet geschikt is voor deze functie en stellen zich op het standpunt dat ten onrechte van een ‘gemengd’ gebied is uitgegaan. Volgens verzoekers is de gehanteerde ruimtelijke onderbouwing onvoldoende en getuigt die niet van een goede ruimtelijke ordening. Zij stellen dat de gevolgen voor de luchtkwaliteit onvoldoende zijn onderzocht. Dat geldt ook voor de privacy nu er cameratoezicht komt. Verzoekers begrijpen de keuze voor deze locatie niet en stellen zich op het standpunt dat de ontwikkeling niet in lijn is met de doelstellingen van de Ruimtelijke Structuurvisie 2014 (RSV 2014). Uit de ruimtelijke onderbouwing blijkt niet welke bezoekersaantallen (op termijn) zijn te verwachten en van welke bezettingsgraad wordt uitgegaan. Dat is van belang voor het bepalen van de verkeersaantrekkende werking. Volgens verzoekers moet ermee rekening worden gehouden dat er elk uur van de dag én nacht gemiddeld 20,83 sporters in of rondom het fitnesscentrum aanwezig kunnen zijn. Er is verder onvoldoende onderzoek gedaan naar de capaciteit van het omliggend wegprofiel en de parkeergelegenheid rondom de kerk. Verzoekers betogen dat de capaciteit van de wegen niet is berekend op de komst van een fitnesscentrum en dat de verkeersdruk door o.a. vrachtverkeer, dat deze straten als sluiproute gebruikt, en de parkeerdruk al erg hoog is. Voor de komst van een fitnesscentrum zonder eigen parkeergelegenheid is geen ruimte, aldus verzoekers. Volgens verzoekers moet met de feitelijke situatie rekening worden gehouden en die is dat de H.H. Kerk als sinds 2011 niet meer in gebruik is en dat er veel verkeer is. Daarnaast betwijfelen verzoekers nut en noodzaak van nog een fitnesscentrum in Tegelen en zijn van mening dat dit beter op een andere plaats had gekund, namelijk in één van de leegstaande panden in het winkelgebied of het daaraan grenzend gebied. In dat verband zijn zij bang voor precedentwerking. Als deze relatief kleinschalige voorziening het ter plaatse niet redt, dan zou er wel eens een veel groter fitnesscentrum of een 24 uur opengestelde daklozenopvang in de toekomst kunnen komen, aldus verzoekers.

4. De voorzieningenrechter overweegt naar aanleiding van de bezwaren van verzoekers als volgt.

Wettelijk kader

5. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

5.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat het realiseren van een fitnesscentrum op grond van het geldend bestemmingsplan ‘De Doolhof’ dat op 6 oktober 2009 door de raad van de gemeente Venlo is vastgesteld niet mogelijk is omdat dergelijke sportdoeleinden niet binnen de huidige bestemming ‘Maatschappelijk’ zijn toegestaan.

Ingevolge artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo wordt de vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo, de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen (zogenoemde kruimelgevallenregeling).

De hier bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Besluit omgevingsrecht (Bor).

Artikel 4, aanhef en negende lid, van bijlage II van het Bor bepaalt dat voor verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo van het bestemmingsplan wordt afgeweken, in aanmerking komt: het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers of de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen.

6. Ten aanzien van het betoog van verzoekers dat verweerder niet in redelijkheid medewerking aan dit project heeft kunnen verlenen, stelt de voorzieningenrechter voorop dat de beslissing om al dan niet af te wijken van een bestemmingsplan tot de bevoegdheden van verweerder behoort waarbij deze beleidsruimte heeft. De rechter dient deze beslissing dan ook terughoudend te toetsen, dat wil zeggen dat hij zich moet beperken tot de vraag of verweerder in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 1 augustus 2018, ECLI:BNL:RVS:2018:2583).

Een ‘goede ruimtelijke onderbouwing’ als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3˚, van de Wabo is in het onderhavige geval niet vereist, nu met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2˚, van de Wabo een omgevingsvergunning is verleend. Dat neemt niet weg dat de verlening van een omgevingsvergunning als hier aan de orde niet in strijd mag zijn met een goede ruimtelijke ordening. In dat verband ligt ter beoordeling voor of verlening van de omgevingsvergunning leidt tot een onaanvaardbare structurele aantasting van het woon- en leefklimaat van de omwonenden, waaronder verzoekers.

6.1.

De voorzieningenrechter dient de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit in de hoofdzaak een gerede kans maakt niet in stand te blijven. Daartoe dient beoordeeld te worden of het bevoegd gezag zich in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat de ruimtelijke gevolgen van het project niet zodanig zijn dat daarom de omgevingsvergunning had moeten worden geweigerd. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling dienen de gevolgen van een project mede te worden beoordeeld met inachtneming van de mogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt. Verzoekers hebben de nadelige gevolgen van het project te aanvaarden, voor zover komt vast te staan, dat op grond van het bestemmingsplan zonder af te wijken hiervan, een gebruik mogelijk is met dezelfde voor verzoekers nadelige gevolgen. In dat geval is immers niet zozeer sprake van een bezwaar tegen de afwijking, maar tegen de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan, die echter niet meer ter discussie kunnen staan. Verzoekers worden dan in zoverre door de afwijking niet benadeeld (uitspraken van de Afdeling van 21 oktober 2015, ECLI:NL:2015:3222 en 4 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2690).

Nut en noodzaak van het project, plaats van het project, precedentwerking en strijd met het ruimtelijk beleid van de gemeente, strijd met goede ruimtelijke ordening

7. De voorzieningenrechter overweegt dat burgemeester en wethouders eerst en vooral hebben te beslissen omtrent de omgevingsvergunning zoals die bij hen is aangevraagd. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (recent: uitspraak van 27 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3983) kan, indien het project op zichzelf aanvaardbaar is, het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden behaald met aanmerkelijk minder bezwaren. Dat vergunninghoudster concrete alternatieven heeft die aan voormeld criterium voldoen, is niet aannemelijk gemaakt. Dat verzoekers het nut en de noodzaak van de vestiging in twijfel trekken, is eveneens geen reden om medewerking te weigeren. Vergunninghoudster heeft met een businessplan voldoende aannemelijk gemaakt dat het project op deze plaats uitvoerbaar is. Verder is in de ruimtelijke onderbouwing ingegaan op de vraag of de ontwikkeling past in het gemeentelijk beleid. Eén van de doelstellingen van de RSV 2014 is om de bestaande ruimte maximaal te benutten en deze niet uit te breiden. Het onderhavige plan voorziet in hergebruik van een bestaand, reeds geruime tijd leegstaand, pand, waarmee dit karakteristieke pand in stand kan worden gehouden. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat verzoekers niet aannemelijk hebben gemaakt dat de vergunde invulling in strijd is met het gemeentelijk beleid of in dit opzicht met een goede ruimtelijke ordening. Verder is van belang dat o.a. de aanvraag, de ruimtelijke onderbouwing en het Businessplan onderdeel uitmaken van de omgevingsvergunning. Daarin is aangegeven dat het om een fitnesscentrum gaat met een bedrijfsvloeroppervlak van circa 614 m². Dat is dus vergund en indien er in afwijking van genoemde documenten andere of grootschaligere activiteiten plaatsvinden, kan daartegen handhavend worden opgetreden. Uit het voorgaande volgt tevens dat voor precedentwerking dat in de toekomst andere, voor de omgeving nadeligere functies kunnen worden toegestaan, niet hoeft te worden gevreesd. Verweerder zal nieuwe plannen opnieuw op ruimtelijke inpasbaarheid moeten beoordelen.

Luchtkwaliteit en privacy

8. De voorzieningenrechter stelt vast dat in de ruimtelijke onderbouwing een worst-case berekening is gemaakt voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van het plan op de luchtkwaliteit. Daaruit blijkt dat er gezien de bestaande concentraties NO2 en fijnstof geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde en dat aan het bepaalde in artikel 5.16, eerste lid, onder a, van de Wet milieubeheer wordt voldaan. Daarnaast draagt het project niet in betekenende mate bij aan luchtverontreiniging. Verzoekers hebben niet aannemelijk gemaakt dat de toets aan de luchtkwaliteitseisen niet voldoet. Ten aanzien van het aspect privacy hebben de gemachtigden van vergunninghoudster ter zitting bevestigd dat er geen cameratoezicht in de openbare ruimte komt.

Geluidhinder en nachtelijke overlast

9. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in de ruimtelijke onderbouwing voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat in verband met het aspect geluid terecht ervan is uitgegaan dat het fitnesscentrum een activiteit van milieucategorie 2 is, waarvoor een richtafstand van 30 meter tot woningen geldt indien sprake is van een rustige woonwijk of rustig buitengebied. De omgeving van het besluitgebied wordt echter gekenmerkt door diverse functies, waaronder wonen, detailhandel, horeca en bedrijven. Verzoekers hebben die feiten ook niet bestreden maar betogen dat de omgeving in de toekomst meer gekenmerkt zal worden door wonen. Het gemeentelijk beleid stimuleert de vestiging van detailhandel in het kernwinkelgebied. De voorzieningenrechter overweegt dienaangaande dat een besluit moet worden getoetst op basis van de feiten zoals die bestaan op het moment van het nemen van dat besluit en dat verweerder terecht van een zogenoemd ‘gemengd gebied’ in de zin van de VNG-brochure is uitgegaan. Verweerder heeft daarom een afstand van 10 meter tot gevoelige functies toereikend mogen achten voor het waarborgen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de omgeving van het fitnesscentrum. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat die richtafstand in dit geval, gezien het businessconcept, ook reëel is. Er wordt geen harde muziek gedraaid zoals in sommige sportscholen wel het geval is. Uit de door vergunninghoudster overgelegde ervaringscijfers bij vergelijkbare vestigingen blijkt verder dat het aantal sporters dat gebruik maakt van de mogelijkheid om ’s nachts te sporten minimaal is. Vergunninghoudster houdt ook ’s nachts toezicht (met camerabewaking) en voorkomt daarmee eventuele nachtelijke overlast. Er bestaat dan ook op voorhand geen grond voor het oordeel dat verweerder de omgevingsvergunning had moeten weigeren of daaraan nadere voorschriften had moeten verbinden in verband met een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat in de omgeving van het fitnesscentrum door geluidhinder.

De aspecten verkeer en parkeren

10. De voorzieningenrechter stelt vast dat de verwachte verkeersaantrekkende werking van het fitnesscentrum in de ruimtelijke onderbouwing is berekend op basis van de CROW rekentool ‘Verkeersgeneratie en parkeren’. Hierbij is, zoals hiervoor al is overwogen, terecht uitgegaan van een fitnesscentrum met een bedrijfsvloeroppervlak van 614 m². Hierbij wordt op een maatgevende openingsdag een verkeersgeneratie van 210 motorvoertuigen per etmaal verwacht en is sprake van een parkeerbehoefte van 27 parkeerplaatsen. In de ruimtelijke onderbouwing is een inschatting gemaakt van de verkeersgeneratie en de parkeerbehoefte van een religiegebouw, de functie die op grond van het bestemmingsplan rechtstreeks is toegelaten. Uit de gemaakte berekening volgt een toename van 90 motorvoertuigbewegingen per etmaal en een wat geringere parkeerbehoefte dan bij een religiegebouw. De voorzieningenrechter ziet geen grond om deze benadering voor onjuist te houden en onderschrijft ook verweerders standpunt dat de toename van het aantal motorvoertuigbewegingen niet tot een onaanvaardbare aantasting van de verkeersveiligheid leidt. Daarbij komt dat bij qua omvang vergelijkbare vestigingen van vergunninghoudster de parkeerbehoefte een stuk lager ligt dan de cijfers waarmee in de ruimtelijke onderbouwing is gerekend. Een relatief groot aantal sporters komt uit de directe omgeving en daarvan komt slechts 35% met een auto. Het piekmoment ligt daarbij in de avond na winkelsluitingstijd. Bij het vorenstaande heeft verweerder verder terecht in aanmerking genomen dat de omstandigheid dat vrachtverkeer deze straten als sluiproute kan gebruiken geen gevolg is van de functiewijziging. Indien er verkeersgevaarlijke situaties ontstaan door sluipverkeer dan dienen daartegen op grond van de verkeersveiligheid maatregelen te worden genomen en handhavend te worden opgetreden. Het is geen grond voor weigering van de onderhavige omgevingsvergunning.

11. Op grond van voorgaande overwegingen is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bestreden besluit zorgvuldig is genomen en daarom een gerede kans maakt in de hoofdzaak in stand te blijven. De belangen van vergunninghoudster en verweerder bij uitvoering van de verleende omgevingsvergunning wegen zwaarder dan het belang van verzoekers bij schorsing. Voor het treffen van een voorlopige voorziening bestaat daarom geen grond.

12. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.G.H. Seerden, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F.A. Timmers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

13 december 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.