Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:10936

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
05-12-2019
Datum publicatie
09-12-2019
Zaaknummer
C/03/267789 / HA RK 19-174
Formele relaties
Sprongcassatie: ECLI:NL:HR:2020:746, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Hoger beroep artikel 315 Fw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rekestnummer: C/03/267789 HA RK 19-174

Beschikking in hoger beroep van 5 december 2019 op grond van artikel 315 Fw

in de zaak van

de besloten vennootschap

QUITANTIE B.V. ,

gevestigd te Roermond,

in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen die (zullen) toebehoren aan [naam onderbewindgestelde] , wonend te [woonplaats] ,

verder te noemen: Quitantie,

appellante,

advocaat mr. Q.J. van Riet,

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift met bijlagen 1 t/m 4, ter griffie ontvangen op 12 augustus 2019,

  • -

    de visie van de rechter-commissaris mr. J.J. Groen, ter griffie ontvangen op 5 november 2019,

  • -

    de mondelinge behandeling op 5 november 2019 en het daarvan opgemaakt proces-verbaal.

Tijdens de mondelinge behandeling zijn verschenen:

- [naam vertegenwoordiger appellante] namens Quitantie B.V,

- [naam onderbewindgestelde] , vergezeld van haar vader ( [naam vader] ) en bijgestaan door mr. Van Riet,

- [bewindvoerder] , WSNP-bewindvoerder.

2 De feiten

2.1.

Bij vonnis van 20 oktober 2014 van deze rechtbank zijn de goederen die aan [naam onderbewindgestelde] (zullen) toebehoren vanaf 1 november 2014 onder bewind gesteld. Quitantie is tot bewindvoerder benoemd (bijlage 1 bij beroepschrift).

2.2.

Bij vonnis van 13 juli 2017 is ten aanzien van [naam onderbewindgestelde] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken, waarbij mr. Groen is benoemd tot

rechter-commissaris, en [bewindvoerder] (verder: [bewindvoerder] ) tot bewindvoerder (bijlage 2 bij beroepschrift).

2.3.

[naam onderbewindgestelde] heeft in 2017 € 176,52,- per maand en in 2018 € 181,83,- per maand aan ziektekostenpremies betaald. In 2019 betaalt [naam onderbewindgestelde] € 193,26,- per maand aan ziektekostenpremies.

2.4.

[bewindvoerder] heeft bij de berekening van de vrij te laten bedragen (verder: het vtlb) niet de daadwerkelijk door [naam onderbewindgestelde] betaalde bedragen aan ziektekostenpremies opgenomen (2.3.), maar een bedrag van € 135,- per maand.

2.5.

Quitantie alsook de advocaat van Quitantie hebben [bewindvoerder] verzocht de daadwerkelijk door [naam onderbewindgestelde] betaalde ziektekostenpremies op te nemen in het vtlb. [bewindvoerder] heeft vervolgens verzocht om een overzicht van de door [naam onderbewindgestelde] en haar kinderen gemaakte ziektekosten van de afgelopen twee jaren, zodat ze die aan de rechter-commissaris kan voorleggen. De advocaat van Quitantie heeft daarbij bij de rechter-commissaris bij brief van 17 juli 2019 (bijlage 3 bij beroepschrift) verzocht te beslissen het vtlb met terugwerkende kracht aan te passen. In deze brief staat, (geciteerd) voor zover hier van belang:

Gisteren werd namelijk duidelijk dat [bewindvoerder] eerst wil kennisnemen van het vergoedingenoverzicht van cliënte, aan de hand waarvan álle medische behandelingen en medische zorg in beeld komt, alvorens [bewindvoerder] u wilt voorleggen dat het vtlb met terugwerkende kracht moet worden aangepast met inachtneming van de daadwerkelijke ziektekostenpremies. (…) Cliënte wil haar persoonlijke medische informatie en die van haar kinderen echter niet delen met [bewindvoerder] , een begrijpelijk standpunt. (…) verzoek ik u te beslissen dat het vtlb van cliënte met terugwerkende kracht, dus met ingang van haar toelating tot de schuldsaneringsregeling, wordt aangepast door de beslagvrije voet te berekenen met inachtneming van de door cliënte daadwerkelijk betaalde en te betalen ziektekostenpremies.

2.6.

De rechter-commissaris heeft bij brief van 7 augustus 2019 aan de advocaat van Quitantie laten weten, (geciteerd) voor zover hier van belang (bijlage 4 bij beroepschrift):

Mijn inziens hoeven niet alle onvoorzienbare omstandigheden gedekt te worden door aanvullende verzekering. Daarnaast moet blijken dat er geen voorzieningen (zoals WMO etc.) zijn waarop eventueel aanspraak kan worden gemaakt. Bij de fysiotherapeut bijvoorbeeld moet worden bekeken of er sprake is van een chronische aandoening, in welk geval behandelingen vanaf de 21 ste keer worden vergoed uit de basisverzekering. Het is mij niet duidelijk of schuldenaar dit aantal afspraken nodig heeft.

Daarnaast moet worden bekeken of de hoogte van de premie van aanvullende verzekering opweegt tegen de vergoedingen. Bij een tandartsverzekering kan gunstiger zijn om vanwege de limitering in hoogte van uitkeringen of eigen risico beter zelf de kosten de dragen.

De orthodontie van de kinderen hoeft ook niet helemaal door de verzekering te worden gedekt. Schuldenaar kan een deel van die kosten betalen uit de toeslagen en het kindergeld dat aan haar wordt vrijgelaten.

Ik heb de bewindvoerder verzocht mij bij het volgende verslag haar bevindingen hieromtrent te geven.

3 Het beroep

3.1.

Ter zitting heeft de advocaat van Quitantie gesteld het verzoek ook namens [naam onderbewindgestelde] te hebben ingediend, en hij verzoekt [naam onderbewindgestelde] dan ook in de beschikking als verzoekster aan te merken.

3.2.1.

Quitantie verzoekt de rechtbank de beschikking van 7 augustus 2019 te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zo nodig met aanvulling en/of verbetering van de gronden, uit te spreken dat

1. alle door [naam onderbewindgestelde] daadwerkelijk betaalde ziektekostenpremies moeten leiden tot verhoging van de beslagvrije voet in het vtlb, dit met terugwerkende kracht ingaande de dag waarop [naam onderbewindgestelde] is toegelaten tot de schuldsaneringsregeling,

2. de kosten van het onderhavige hoger beroep aan [naam onderbewindgestelde] via haar schuldsaneringsregeling dienen te worden vergoed.

3.2.2.

Quitantie verzoekt de rechtbank de rechter-commissaris niet te vragen naar een reactie of visie op het beroepschrift.

3.3.

Quitantie legt aan haar verzoek om de rechter-commissaris niet om een reactie of visie te vragen ten grondslag dat de bestreden beschikking niet ziet op het beheer of de vereffening van de failliete bedoel en de beschikking door de rechter-commissaris dan ook niet is gegeven in zijn hoedanigheid van toezichthouder.

Op grond van artikel 475d lid 4 Rv behoren alle zorgverzekeringspremies, oftewel premies voor zowel de verplichte basisverzekering als voor aanvullende verzekeringen, te leiden tot verhoging van de beslagvrije voet. Dit volgt voorts uit paragraaf 3.2 van het vtlb-rapport van de Werkgroep Rekenmethode vtlb van Recofa. De eis dat [naam onderbewindgestelde] haar volledige medische doopceel moet lichten om aan te tonen waarom zij een aanvullende verzekering nodig heeft, gaat veel te ver en is een niet op de wet steunende ontoelaatbare inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer dan wel haar privacy.

3.4.

De rechter-commissaris stelt dat nu de beschikking betrekking heeft op de mate van vrijlaten van inkomsten en daarmee ziet op het beheer van de boedel, hij wel degelijk in de gelegenheid moet worden gesteld zijn visie op het beroepschrift te geven. De vaststelling van het vtlb en toepassing van berekeningsonderdelen daarvan behoren tot de discretionaire bevoegdheid van de rechter-commissaris. De Landelijke Recofa-richtlijnen en het vtlb-rapport Recofa 2018 geven weliswaar een uitgebreide berekeningssytematiek die de rechter-commissaris kan volgen, maar hebben formeel-juridisch geen verbindende kracht. Zij zijn noch in de wet verankerd noch gebaseerd op een wettelijke uitvoeringsregeling. Het staat de rechter-commissaris derhalve volledig vrij deze notities van Recofa wel of niet te volgen, dan wel daar naar omstandigheden op onderdelen van af te wijken.

4 De beoordeling

De ontvankelijk

4.1.

Ingevolge artikel 315 Fw staat tegen een beschikking van de rechter-commissaris gedurende vijf dagen hoger beroep open op de rechtbank. Het beroepschrift van Quitantie is op 12 augustus 2019 ter griffie van deze rechtbank binnengekomen. Uit jurisprudentie op artikel 67 Fw (hoger beroep tegen beslissing van de rechter-commissaris in faillissementen) blijkt dat de beroepstermijn aanvang neemt op de dag na die waarop de rechter-commissaris de beschikking heeft gegeven (zie onder meer: ECLI:NL:RBUTR:2008:BG1020). Nu artikel 315 lid 1 Fw in grote lijnen overeenstemt met artikel 67 Fw zal de rechtbank aansluiting zoeken bij de uitleg op artikel 67 voornoemd. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het beroepschrift binnen de in artikel 315 lid 1 Fw gestelde termijn ontvangen. Quitantie zal derhalve in haar beroep worden ontvangen.

Hoger beroep ook namens [naam onderbewindgestelde] ?

4.2.

De advocaat van Quitantie heeft ter zitting betoogt dat hij het beroepschrift ook namens [naam onderbewindgestelde] heeft ingediend. Dit volgt, aldus de advocaat, uit de zinssnede dat Quitantie “speciaal door haar gematigd [is] om namens haar c.q. in haar belang een gerechtelijke procedure te starten” (pagina 1 van het beroepschrift).

4.3.

De rechtbank volgt de advocaat niet in zijn betoog, daar zij in de door de advocaat aangehaalde zinssnede leest dat [naam onderbewindgestelde] Quitantie heeft gemachtigd. De rechtbank leest hier niet in dat [naam onderbewindgestelde] ook namens haarzelf het beroepschrift heeft ingediend. De rechtbank merkt voorts het navolgende op. Tijdens het bewind komen het beheer en de beschikking over de onder bewind staande goederen niet toe aan de rechthebbende, maar aan de bewindvoerder, met inachtneming van de in de wet vermelde voorwaarden (art. 1:438 leden 1 en 2 BW). De bewindvoerder vertegenwoordigt de rechthebbende bij de vervulling van zijn taak in en buiten rechte (artikel 1:441 lid 1 BW). De bewindvoerder treedt op eigen naam en voor rekening van de rechthebbende op als formele procespartij (ECLI:NL:HR:2000:AA6341, NJ 2001/389). [naam onderbewindgestelde] is, zolang haar goederen onder bewind staan, dan ook niet bevoegd in rechte te procederen in zaken aangaande haar vermogen, nu dat tot de taak van haar bewindvoerder behoort.

Visie rechter-commissaris

4.4.1.

Ter zitting is, ander dan in het proces-verbaal ten onrechte niet is vermeld, gesproken over de visie van de rechter-commissaris. De advocaat van Quitantie heeft aangegeven bij zijn standpunt te blijven, inhoudende dat het niet aan de rechter-commissaris is een reactie te geven op zijn eigen beschikking.

4.4.2.

De rechter-commissaris houdt toezicht op de vervulling van de door de bewindvoerder te vervullen taken (artikel 314 Fw). De rechtbank is op grond van artikel 314 lid 2 en artikel 65 Fw verplicht om de rechter-commissaris te horen wanneer zij een beslissing dient te nemen in een zaak die ziet op het beheer van de boedel. De rechtbank kan van het horen van rechter-commissaris afzien, wanneer de rechter-commissaris ‘reeds schriftelijk van zijn gevoelen deed blijken’ (HR 23 januari 1933, NJ 1933/60). De rechter-commissaris kan dan de beslissing nader toelichten, waarbij ook acht geslagen moet worden op informatie die ten behoeve van het hoger beroep is ingebracht. Nu de beslissing van de rechter-commissaris waar hoger beroep tegen is ingesteld ziet op het beheer van de boedel, dient de rechter-commissaris gehoord te worden, dan wel zijn visie schriftelijk kenbaar te maken. De rechtbank zal de visie van de rechter-commissaris dan ook meenemen in haar beoordeling.

De ziektekostenpremies

4.5.

In artikel 475 lid 4 aanhef en onder sub a Rv staat dat de beslagvrije voet wordt verhoogd met de premie van een door de schuldenaar gesloten ziektekostenverzekering.

De Recofa-richtlijnen voor schuldsaneringsregelingen (verder: de richtlijnen) bevatten regels voor de behandeling van schuldsaneringsregelingen. In artikel 3.7 onder a van de richtlijnen staat dat het vtlb wordt berekend aan de hand van de meest recente versie van het rapport van de werkgroep rekenmethode vtlb van Recofa (verder: het rapport). In paragraaf 3.2. van het rapport staat dat de volledige ziektekostenverzekeringspremie in de calculator moet worden meegenomen, ongeacht soort of hoogte. Volgens artikel 1.3 van de richtlijnen kan de rechter-commissaris afwijken van de richtlijnen.

4.6.

De vraag die voorligt is of de rechter-commissaris op goede gronden kan afwijken van het uitgangspunt dat de volledige ziektekostenverzekeringspremie in het vtlb wordt meegenomen. Quitantie stelt dat voor een afweging geen ruimte is en de premies zonder meer moeten worden meegenomen, terwijl de rechter-commissaris zich op het standpunt stelt dat hem wel enige vrijheid toekomt, kijkend naar de specifieke - op de zorgbehoefte betrekking hebbende - omstandigheden van de saniet.

4.7.1.

Hoewel de richtlijnen ‘geen recht’ zijn, laat dit onverlet dat de rechtbank deze richtlijnen wel tot uitgangspunt neemt, omdat zij algemeen gangbare regels bevat voor de verdere behandeling van de schuldsaneringsregeling.

4.7.2.

Ingevolge artikel 1.3. van de richtlijnen kan de rechter-commissaris afwijken van hetgeen in de richtlijnen is bepaald. Daarmee komt aan de rechter-commissaris een zekere discretionaire bevoegdheid toe om van de richtlijnen af te wijken. Om van die bevoegdheid gebruik te maken is het noodzakelijk dat de rechter-commissaris kennisneemt van alle omstandigheden van het specifieke geval, in dit geval van de concrete omstandigheden van [naam onderbewindgestelde] en haar minderjarige kinderen. Een vraag die de rechter-commissaris mocht stellen nu de zorgverzekeringspremie van [naam onderbewindgestelde] van € 193,26,- per maand als zeer fors is aan te merken en dan ook op de aanwas van de boedel drukt. De rechter-commissaris heeft dan ook terecht bij de bewindvoerder de vraag neergelegd waarom [naam onderbewindgestelde] een duurdere zorgverzekering nodig heeft. Nu deze vraag tot op heden niet is beantwoord, heeft de rechter-commissaris terecht vastgehouden aan het normbedrag van € 135,- per maand. Het is aan [naam onderbewindgestelde] om de bewindvoerder te informeren over die omstandigheden die een zorgverzekering van € 193,26,- per maand rechtvaardigen, waarna het aan de rechter-commissaris is om aan de hand van een afweging van alle omstandigheden van het geval te bepalen zorgpremie van € 193,26,- per maand voor het gehele bedrag in het vtlb dient te worden meegenomen.

4.8.

De rechtbank wijst de vordering van Quitantie af.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af.

Deze beschikking is gegeven door mr. K.J.H. Hoofs en in het openbaar uitgesproken op

5 december 2019.