Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:10568

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
04-11-2019
Datum publicatie
26-11-2019
Zaaknummer
8086690 AZ VERZ 19-92
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontslag op staande voet door werkgever ingetrokken. Werknemer stelt zich terecht op het standpunt dat dat niet kan zonder zijn toestemming, doch trekt tegelijkertijd zijn verzoek tot vernietiging van het ontslag in. Conequentie is dat het ontslag stand gehouden heeft. De overige verzoeken hebben geen connexiteit met het einde van de arbeidsovereenkomst en moeten daarom bij dagvaarding worden ingeleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-1260
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Burgerlijk recht

Zaaknummer: 8086690 AZ VERZ 19-92

Beschikking van de kantonrechter van 4 november 2019

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonend in [woonplaats] aan de [adres] ,

verzoekende partij,

gemachtigde de heer mr. P. Houben, werkzaam bij Het Juristenhuys v.o.f. te Kerkrade,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Hajnadi INSTALLATIEtechniek B.V.,

gevestigd in Kerkrade,

verwerende partij,

gemachtigde mr. M.H.M. Murrer.

Partijen zullen hierna [verzoeker] en Hajnadi genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het op 7 oktober 2019 ter griffie ontvangen verzoekschrift

  • -

    het op 18 oktober 2019 ter griffie ontvangen verweerschrift van diezelfde datum

  • -

    de brief d.d. 21 oktober 2019 van de zijde van [verzoeker] inhoudende een wijziging van zijn verzoek

  • -

    de mondelinge behandeling ter zitting van 29 oktober 2019.

1.2.

Ten slotte is beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verzoeker] is met ingang van 19 maart 2019 krachtens arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, te weten tot en met 18 november 2019, in dienst getreden van Hajnadi in de functie van assistent monteur tegen een laatstverdiend loon van € 1.941,00 bruto per maand.

2.2.

Op 3 september 2019 heeft een gesprek tussen partijen plaatsgevonden waarbij van de zijde van Hajnadi te kennen is gegeven dat zij van een klant te horen had gekregen dat [verzoeker] drugs had gebruikt. Bij brief van diezelfde datum (bijlage 7) heeft Hajnadi [verzoeker] op staande voet ontslagen. Uit die brief wordt de volgende passage aangehaald:

“(…) Vanmorgen is geconstateerd dat u in strijd met deze gedragscode heeft gehandeld door verdovende middelen te gebruiken tijdens de werktijd. Vanwege het door u getoonde volstrekt onaanvaardbare gedrag, bestaande uit het gebruiken van verdovende middelen tijdens werktijd en het aldus in strijd handelen met deze gedragscode, heb ik u mondeling op staande voet ontslagen (zoals bedoeld in artikel 7:678 8W). Dit ontslag bevestig ik u thans schriftelijk. Voor zover u meerdere keren verdovende middelen zou hebben gebruikt tijdens werktijd merk ik hierbij op dat iedere keer afzonderlijk dat u zulks heeft gedaan en aldus in strijd heeft gehandeld met de gedragscode, alsmede deze voorvallen in onderlinge samenhang beschouwd, aangemerkt kunnen worden als een dringende reden voor ontslag op staande voet.”

3 Het verzoek

3.1.

In het verzoekschrift verzocht [verzoeker] :

  1. primair: vernietiging van de onverwijlde opzegging en wedertewerkstelling, subsidiair: toekenning van een billijke vergoeding van € 10.000,00 alsmede de gefixeerde vergoeding (ter hoogte van het loon over de periode 3 september 2019 tot en met 31 oktober 2019) en om het beding in de studiekostenovereenkomst waarin wordt bepaald dat [verzoeker] de studiekosten moet terugbetalen ingeval van een ontslag op staande voet te ontbinden;

  2. Hajnadi te veroordelen tot het maken van een herberekening van het loon over mei en augustus 2019 en een nieuwe loonstrook ter hand te stellen en het bijbehorende loon binnen veertien dagen na beschikking te betalen;

  3. Hajnadi te veroordelen tot betaling van de wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW over iedere te late betaling van het loon;

  4. voor recht te verklaren dat de in de studiekostenovereenkomst opgenomen bepaling omtrent verschoven uitbetaling van studie-uren nietig is;

  5. voor recht te verklaren dat de afspraak om verlof in te leveren voor doktersbezoek nietig is, althans voor maximaal acht uren per jaar;

  6. voor recht te verklaren dat het afboeken van verlof tijdens arbeidsongeschiktheid onrechtmatig is;

  7. Hajnadi te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

Bij verweerschrift heeft Hajnadi te kennen gegeven dat zij het ontslag op staande voet intrekt. Dit had zij bij brief een dag eerder, 17 oktober 2019, (bijlage 2 van de zijde van Hajnadi) reeds aan de gemachtigde van [verzoeker] medegedeeld. Volgens Hajnadi heeft dit tot gevolg dat de arbeidsovereenkomst tot en met 18 november 2019 doorloopt en heeft zij zich dienovereenkomstig bereid verklaard het loon over september, oktober en november 2019 te betalen op de daartoe overeengekomen momenten, zijnde aan het eind van de maand. Verder heeft zij gemotiveerd verweer gevoerd tegen de overige loonvorderingen.

3.3.

Bij brief van 21 oktober 2019 heeft [verzoeker] zijn verzoek als volgt gewijzigd:

Het onder I Primair verzochte wenst verzoeker in te trekken (kort samengevat: vernietiging van de opzegging en herstel van de arbeidsrelatie);

Onder I als Meer subsidiair aan te vullen met een verzoek tot ontbinding van de arbeidsrelatie op zo kort mogelijke termijn en het toekennen van een billijke vergoeding à

€ 10.000,- (…) wegens het ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever ex art. 7:671c BW.

4 De beoordeling

4.1.

Vooraleerst merkt de kantonrechter op dat uit het systeem van artikel 7:681 lid 1 BW volgt dat in een zaak als de onderhavige de werknemer zelf de keuze zal moeten maken (uiterlijk ter zitting) om ofwel vernietiging van de opzegging te verzoeken of om - in plaats daarvan - zich neer te leggen bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst maar wel om veroordeling van de werkgever tot betaling van genoemde vergoedingen te verzoeken omdat hij het met de door de werkgever opgegeven reden van de opzegging niet eens is. Daarbij gaat het dan niet om een primair/subsidiair- maar om een nevengeschikt verzoek.

4.2.

Het zojuist gezegde is in het onderhavige geval echter achterhaald door de feiten, omdat [verzoeker] zich ter zitting expliciet en ondubbelzinnig op het standpunt heeft gesteld dat Hajnadi het door haar gegeven ontslag op staande voet (de onverwijlde opzegging van de arbeidsovereenkomst) niet kan intrekken omdat dat ontslag een eenzijdige rechtshandeling is die slechts met toestemming van [verzoeker] kan worden ingetrokken, en die toestemming – zo begrijpt de kantonrechter [verzoeker] – niet is gegeven. De kantonrechter deelt deze opvatting van [verzoeker] . Nu [verzoeker] dit (echter) gepaard heeft laten gaan met een intrekking van het verzoek om die opzegging te vernietigen, dient de conclusie te luiden dat de arbeidsovereenkomst door de onverwijlde opzegging op 3 september 2019 rechtsgeldig tot een einde is gekomen. Om die reden kan aan het meer subsidiaire verzoek zoals weergegeven onder 3.3. niet worden toegekomen omdat er geen arbeidsovereenkomst meer is die ontbonden kan worden. Dat verzoek wordt dus afgewezen.

4.3.

De overige verzoeken hebben dientengevolge geen connexiteit met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en kunnen daarom als zelfstandige verzoeken niet in deze procedure worden betrokken.

4.4.

[verzoeker] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van Hajnadi tot de datum van dit vonnis begroot op € 720,00 aan salaris gemachtigde.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst de verzoeken af;

5.2.

veroordeelt [verzoeker] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van Hajnadi tot de datum van dit vonnis begroot op € 720,00.

Deze beschikking is gewezen door mr. R.P.J. Quaedackers en is in het openbaar uitgesproken.

RK