Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:1050

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
06-02-2019
Datum publicatie
06-02-2019
Zaaknummer
03/661202-16
Formele relaties
Hersteluitspraak: ECLI:NL:RBLIM:2019:1427
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanranding van of ontucht met stagiaires in kapsalon tenlastegelegd. Vrijspraak voor aanranding, want geen bewijs voor (bedreiging met) geweld of andere feitelijkheid. Bij meerderjarige stagiaire alleen aanranding tenlastegelegd, dus integrale vrijspraak. Veroordeling voor ontucht met minderjarige stagiaire, aan opleiding door verdachte toevertrouwd: tegen billen slaan of tikken, bovenbenen betasten en strelen, lichamen tegen elkaar brengen. Taakstraf van 80 uur en voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 weken. Vordering benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen, omdat schade ook andere oorzaak had.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03/661202-16

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 6 februari 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 1984,

wonende te [adres] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. R.H.A. Julicher, advocaat, kantoorhoudende te Venray.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 januari 2019. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

1. zich van 1 oktober 2015 tot en met 4 februari 2016 schuldig heeft gemaakt aan aanranding van of ontucht met [slachtoffer 1] , die op dat moment minderjarig en aan zijn opleiding toevertrouwd was.

2. zich van 1 november 2015 tot en met 4 februari 2016 schuldig heeft gemaakt aan aanranding van [medestagiare 1] .

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie eist vrijspraak voor de onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde aanrandingen. Hij acht de (bedreiging met) geweld of een andere feitelijkheid namelijk niet bewezen. Voor de onder 1 subsidiair tenlastegelegde ontucht is volgens hem wel genoeg bewijs. De verklaring van aangeefster [slachtoffer 1] staat niet op zichzelf en vindt voldoende steun in ander bewijsmateriaal. Ten eerste bevestigen de verklaringen van medestagiaires [medestagiare 2] en [medestagiare 1] de omstandigheden waaronder de ontucht kon plaatsvinden. Zij beschrijven concrete gedragingen die vergelijkbaar zijn met [slachtoffer 1] ’s verwijten en die bovendien in dezelfde periode voorvielen. Ten tweede verklaart vriendin [vriendin slachtoffer] over de emotionele toestand van [slachtoffer 1] op het moment dat zij voor het eerst haar verhaal deed. Deze zogenaamde ‘disclosure’ dateert van eind 2015. Dat was in de pleegperiode, maar voordat de verdachte een klachtmail schreef aan [slachtoffer 1] ’s school. Daarom is juist dit gesprek betrouwbaar en relevant. Bovendien vertelt [vriendin slachtoffer] ook over een gebeurtenis die haar zelf overkwam. Dat incident schetst opnieuw de sfeer in de kapsalon van de verdachte waar [slachtoffer 1] stage liep. Ten derde ondersteunen ook de waarnemingen van ROC-trajectbegeleider [trajectbegeleider] de verklaring van [slachtoffer 1] . Ten vierde en tot slot worden twee specifieke details verankerd in verklaringen van de broer van de verdachte. Hij geeft toe dat hij wel eens het thermaalbad bezocht en dat hij daarover nooit met [slachtoffer 1] sprak, terwijl [slachtoffer 1] een daarop toegesneden uitnodiging door de broer van verdachte nu juist als oneerbaar voorstel had ervaren. De broer van de verdachte bevestigt ook dat hij een foto van [slachtoffer 1] op zijn telefoon had, waar zij beweert dat de broer van de verdachte haar op die manier vergeleek met Kim Kardashian. Al met al acht de officier van justitie de ontucht dus bewezen.

Het scenario dat de verdachte hier tegenover plaatst, is volgens de officier van justitie niet aannemelijk. Ten eerste is de tijdslijn aantoonbaar onjuist. De mails en apps over het vermeend disfunctioneren zijn pas van begin 2016, dus de openbaring eind 2015 kan geen wraakactie zijn. Ten tweede maken de implicaties dit alternatief onwaarschijnlijk. [slachtoffer 1] had haar stage immers bijna voltooid en haar moeder had de opleiding betaald, dus zij zou de afronding nooit zonder noodzaak in gevaar brengen. Daarnaast zijn haar familieleden inwoners van een kleine gemeenschap en zelfs vaste klanten bij de kapsalon. Ook dat maakt een ongefundeerde beschuldiging minder waarschijnlijk. Ten derde presenteren zowel de verdachte als zijn verhoorde medewerkers en klanten een omgang op de werkvloer die dusdanig afstandelijk is, dat hun verklaringen door die overdrijving ongeloofwaardig worden.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman bepleit een integrale vrijspraak, dus ook voor de ontucht met [slachtoffer 1] . Volgens hem is de verklaring van [slachtoffer 1] daarvoor het enige wettige bewijsmiddel, dat wel degelijk op zichzelf staat. Zij heeft vervolgens haar medestagiaires [medestagiare 2] en [medestagiare 1] geronseld om ook aangifte te doen. Beide dames zijn daarna echter alleen een informatief gesprek aangegaan. Daarin zeggen ze allebei expliciet dat ze zelf niks hebben gezien van de gebeurtenissen die [slachtoffer 1] beschrijft. De getuigen die [slachtoffer 1] verder aandraagt, klanten [klant 1] en [klant 2] , bevestigen haar aangifte evenmin. Voormalig stagiaire en huidig werkneemster [werkneemster] herhaalt daarentegen hoe belangrijk een nette behandeling voor haar is en dat haar nooit is opgevallen dat de verdachte en diens broer de omgangsvormen overtraden. Ook alle andere getuigenverklaringen ondersteunen veeleer wat de verdachte aanvoert.

In tegenstelling tot wat de officier van justitie suggereert, maakt de chronologie volgens de raadsman juist [slachtoffer 1] ’s scenario onaannemelijk. Uit de mails van de kapsalon aan de school blijkt dat [slachtoffer 1] begin 2016 al maanden slecht functioneert. Begin december 2015 kwam intussen al haar verzoek aan verdachte om elders te gaan werken en de tijd die ze elders doorbracht toch als stagetijd te noteren. De afwijzing van deze frauduleuze constructie was volgens de verdachte de aanleiding voor de valse aangifte. Dit moment viel vóór het gesprek tussen [slachtoffer 1] en [vriendin slachtoffer] , dat dus niet meer als authentieke onthulling kan gelden. Alle andere gesprekken zijn van nog latere datum. De emoties die deze toehoorders rapporteren, kunnen bovendien allerlei oorzaken hebben.

Volgens de raadsman zocht [slachtoffer 1] een zondebok, toen duidelijk werd dat haar stage en opleiding onvoltooid zouden eindigen. Zij verklaart immers zelf dat haar moeder alles had gefinancierd, terwijl [trajectbegeleider] bevestigt dat [slachtoffer 1] besloot te stoppen omdat het kappersvak toch niet haar ding was. Die zondebok vond zij in de verdachte en zijn broer. Alleen met een verhaal over seksueel grensoverschrijdend gedrag zou zij zich uit haar benarde positie kunnen redden. Zo al voldoende wettig bewijs aanwezig is, moet de overtuiging dus in elk geval ontbreken.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

3.3.1

Inleiding

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat er geen bewijs is voor (bedreiging met) geweld of een andere feitelijkheid. Dit geldt voor zowel [slachtoffer 1] als [medestagiare 1] . Nu aan de verdachte ten aanzien van [medestagiare 1] alleen aanranding tenlastegelegd is, komt de rechtbank tot vrijspraak voor deze beschuldiging. De bewijsmiddelen en bewijswaardering die hierna volgen, betreffen daarom alleen de tenlastegelegde ontucht met [slachtoffer 1] . De verklaring van [medestagiare 1] komt daarbij wel aan bod in haar hoedanigheid van getuige, omdat zij uit eigen waarneming kan verklaren over het gedrag van de verdachte.

Aangeefster [slachtoffer 1] was zestien jaar oud toen zij als kapster stage ging lopen bij [kapperszaak] in Venray. Deze zaak is eigendom van de verdachte en zijn broer. Zij werken daar ook allebei dagelijks. [slachtoffer 1] beschuldigt beide broers van opmerkingen en handelingen, die de officier van justitie als ontucht kwalificeert. Dit gedrag zou zijn begonnen toen [slachtoffer 1] inmiddels zeventien jaar was. De verdachte ontkent alles wat hem tenlastegelegd is. De rechtbank citeert hierna eerst uit diverse verklaringen en zal daarna dit bewijs waarderen.

3.3.2

Bewijsmiddelen

De aangeefster heeft verklaard, zakelijk weergegeven:2

Ik ben geboren op [geboortedatum 2] 1988 en ben bij [kapperszaak] gestart in maart 2015. Ik had op 13 januari 2016 mijn operatie en die vrijdag daarna heb ik de laatste keer bij [kapperszaak] gewerkt. Ze zijn altijd goed voor me geweest, behalve de laatste maanden.

Ze sloegen me op de kont, vooral [verdachte] . Met de vingers tegen mijn kont aan slaan ook. Zo tikken. Het gebeurde echt heel vaak. Ik heb wel aangegeven dat ik het niet leuk vond, maar hij deed het nog steeds.

Hij wilde ook dat zijn lichaam tegen me aankwam als hij langskwam. Er is een muur en een bureau waar een kassa op staat. Je moet daar langs om naar boven te gaan. Ik vraag dan of ik er door mag en dan gaat hij niet opzij. Hij zegt dan bijvoorbeeld: ‘Probeer dan.’ En dan zorgt hij ervoor dat zijn lichaam mijn lichaam raakt. Hij stond dan achter mij en ik moest voor hem langs. Zijn voorkant komt dan tegen mijn rug. Ik denk dat hij mijn lichaam wilde voelen omdat hij altijd over mijn kont begon, dat hij die mooi vond. Hij had het vaker over het uiterlijk van mijn kont. Ik durfde niet meer langs hem heen.

En over mijn benen strelen. Dan zit je bijvoorbeeld naast hem en dan streelt hij zo heel even over je been. Dan vroeg ik: ‘Wat doe je?’ En dan zei hij: ‘Ja, gewoon even aan je zitten.’ Bij die twee andere stagiaires was dat ook gebeurd en zij voelden zich ook heel ongemakkelijk. En mijn vriendin kwam ook eens langs en daarbij deed hij het ook. Hij raakte me aan op mijn bovenbeen, aan de voorkant.

Ik durfde niet te zeggen dat ik het niet wilde. Ik was bang om mijn stageplek kwijt te raken.

[broer verdachte] heeft mij gekust en gezegd dat ik het tegen niemand mocht zeggen. Een dag of twee dagen ervoor had hij me bij de keel gepakt. Ik ben naar de keuken gelopen en [broer verdachte] liep met me mee. Hij gaf me eerst een kusje op mijn wang en ging zo steeds verder naar mijn mond. Ik stond bij de deur die half open stond en hij stond voor me. Hij hield me vast bij mijn schouders en mijn hoofd. Ik wilde me losmaken, maar hij hield me stevig vast. Toen hij losliet, moest ik eigenlijk naar de winkel toe om boodschappen te doen. Hij stond buiten, want hij was eerder buiten. Toen zei hij: ‘ [slachtoffer 1] kom eens’, en toen liep ik naar hem toe en toen zei hij tegen me dat ik het tegen niemand mocht vertellen. De volgende dag heeft hij tegen mij gezegd dat hij de hele dag aan mij gedacht had. De kus van [broer verdachte] was ongeveer vier maanden geleden, denk ik. Ik denk dat het voor de herfstvakantie was, maar dat weet ik niet zeker. Het begon met het slaan en zo op de kont en na die kus werd het alleen maar erger.

[broer verdachte] zei ook dat ik op Kim Kardashian leek op de foto die op zijn telefoon stond van mij. We hebben camera’s hangen en blijkbaar heeft hij een screenshot genomen. De camera heeft achter me gehangen toen dat gebeurde, want het was mijn achterzijde. Bij die foto heeft hij gezegd: ‘Zo lijk je op Kim Kardashian.’ Hij zei ook dat ik een mooi lichaam had.3 De foto stond op zijn telefoon, omdat ze op die manier naar het camerasysteem kunnen kijken. Hij haalde die foto gauw weg, omdat zijn vrouw het niet mocht zien.

[broer verdachte] had gezegd of ik met hem naar het thermaalbad wilde. Ik heb nee gezegd en tegen hem gezegd dat hij een vrouw had. Hij zei toen tegen me: ‘Maar die is zwanger.’ En samen zeiden ze dat ik geen vriendje had, want ik was van hun. [broer verdachte] zei in het begin of ik net zoveel borsten had als [medewerker] . Hij had daar een foto van. [medewerker] werkte er toen ook nog in de keuken en die was wat dikker. Toen dacht ik er niet zo bij na, maar nu dit allemaal gebeurd is, denk ik daar anders over. Ik dacht: ‘Goh, waar ben je mee bezig?’ Maar ik gaf er nooit echt antwoord op.

Ik dacht midden februari 2016 klaar te zijn met de stage, omdat ik de uren had. De school is erg duur, dus hoe eerder ik kon gaan werken hoe beter. Ik heb gezegd dat hij me kon betalen als kapster en dat wilde hij niet. Ik heb gezegd dat ik wilde stoppen voor stage. Eerst was het goed en ik was even weg. Toen ik terug kwam, mocht het niet meer. Ik vond dat raar. Ik heb gezegd dat ik 16 uren volgens contract zou komen en niet langer. Het klikte niet meer.

Ik had 13 januari 2016 mijn operatie. Ik ben die vrijdag, dus anderhalve week na mijn operatie, naar mijn stage-adres gegaan en werd die dag erg schor. [verdachte] wilde praten en zei dat hij school gemaild had, omdat ik er nooit was. Ik hoef met vakantie niet persé te komen en ik mag dan wel, maar onbetaald doe ik dat niet. Hij zei dat ik moest veranderen en meer mijn best moest doen. Dat ik anders weg kon gaan. [broer verdachte] praatte niet meer met me. Ik kon niet meer lopen en alles werd wazig. [broer verdachte] riep me, dat hoorde ik. Mijn vader is me op komen halen. Buiten hoorde ik één van de broers nog roepen, maar ik ben naar buiten naar mijn vader gegaan.

Maandag ben ik naar de mentor gegaan en ze zei dat ze een mail van [verdachte] had gehad. Dat wist ik al. Ik zei tegen haar dat ik er niet meer naar toe zou gaan en ze zei dat ik nog veel uren moest. Ik kreeg diezelfde dag een gesprek met iemand van school die dit soort problemen regelt. Ik moest het weer uitleggen en mocht er niet meer heen en moest me ziek melden op stage.

Ik heb het als eerste verteld aan mijn vriendin [vriendin slachtoffer] . Ik weet dat het een vrijdagavond was en donker. Ik denk dat het een maand na de kus van [broer verdachte] was. Ik was klaar met werken en we gingen wat eten en ze vroeg me waarom ik zo stil was. Ik durfde niet goed en zei dat ook tegen haar. Ik heb haar toch verteld over [broer verdachte] die me kuste en ze schrok ervan. Vaak gingen onze gesprekken daarover en hoe ik ermee om kon gaan. Ik kon niet meer slapen ervan en ze zei dat ik het tegen mijn moeder moest zeggen.

Een week voor de operatie vertelde ik het tegen mijn moeder. Er zat zo’n tijd tussen, omdat ik niet durfde. Mijn moeder heeft zoveel geld voor de school betaald, ik wilde haar niet teleurstellen. Hoe moest ik het haar vertellen? Uiteindelijk ben ik naast mijn moeder gaan staan en ging ik hard lachen, daarna huilen. Ik vertelde haar wat er gebeurd was en ze was boos, maar niet op mij. Ze wilde meteen iets gaan doen, maar dat mocht van mij niet. De operatie moest nog komen.

Ik heb het dus eerst tegen [vriendin slachtoffer] verteld, toen tegen mijn moeder en na de operatie heb ik het op school en tegen mijn zus verteld.

Getuige [vriendin slachtoffer] heeft verklaard, zakelijk weergegeven:4

[broer verdachte] en [verdachte] zijn heel versierderig, jaloers en gladjes. Ik herken dat gedrag en dat zag ik terug in hoe ze tegen [slachtoffer 1] deden. Ik praat nu over het begin van de tweede stage van [slachtoffer 1] , na de zomervakantie in 2015.

Op een dag zaten we na haar stage in de friettent. Dat was dik drie maanden geleden, ik denk eind 2015. Ik vroeg haar wat er was. Ik ken haar sinds groep 4, sinds die tijd zijn we vriendinnen. Ik zag al langer dat er iets met haar was, ze was wat stiller. Ze had al eens gezegd dat ze geen zin had in de stage. Ze vertelde dat [broer verdachte] bij haar in de keuken had gestaan en heel dicht bij haar was gekomen en haar gekust had op haar wang. Ik zag aan [slachtoffer 1] dat ze er van geschrokken was, het deed haar echt wat. Ik heb haar gezegd dat ze het tegen haar moeder moest vertellen. Ze gaf duidelijk aan dat ze niet meer terug naar stage wilde.

Ik ben wel eens in de kapsalon geweest. Eén keer was helemaal niet fijn, want toen was ik op [slachtoffer 1] aan het wachten. Ik had een broek met scheuren aan en [verdachte] was opmerkingen aan het maken over scheuren die ik in mijn broek had. Hij kwam langs mij zitten en legde zijn hand op mijn knie. Ik zei toen letterlijk: ‘What the fuck doe jij?’ Hij praatte er gelijk overheen en haalde zijn hand weg.

Getuige [medestagiare 2] heeft verklaard, zakelijk weergegeven:5

Ik heb bijna twee jaar stage gelopen bij [kapperszaak] , bij de broers [verdachte] en [broer verdachte] . In het begin was het normaal, maar na een jaar begonnen ze me ‘op te nemen’. Ze waren wel erg aanrakerig en knuffelig en handtastelijk. Ze waren heel kusserig. Hun opmerkingen waren inderdaad wel wat vergaand, ze maakten ook opmerkingen over mijn uiterlijk. Als ik binnen kwam, keken ze echt naar me en dan zeiden ze vaak dat ik er goed uit zag. Of als ik een nieuwe broek aan had, dan zeiden ze: ‘Je hebt een goeie kont in die broek.’ En: ‘Draai eens een rondje.’ Dat soort dingen. Het voelde wel eens als een vleeskeuring. Het was niet fijn.

Ze deden dat allebei, zowel [broer verdachte] als [verdachte] . Als ik bijvoorbeeld op de bank zat, dan legde zowel [broer verdachte] als [verdachte] altijd een hand op mijn been, net iets te lang. Ik voelde me dan wel ongemakkelijk en stond op en ging dan weg. Ze zijn echt hetzelfde in hun doen en laten. Hun opmerkingen en aanrakingen waren eigenlijk, toen ik er over na ging denken, nét iets te vaak en nét iets te veel.

Ik maakte er maar niet teveel gezeur over, omdat ik dat er niet bij wilde hebben. Ik wilde mijn stageplaats behouden. Ik dacht, als ik er wat van zeg, dan ben ik mijn plek kwijt.

Ik heb nooit iets bij [slachtoffer 1] gezien. Wel dat knuffelige. Je kon zien dat ze zich ongemakkelijk voelde. Ik kon het aan haar lichaamshouding of aan haar ogen zien.

Getuige [medestagiare 1] heeft verklaard, zakelijk weergegeven:6

Sinds ongeveer een jaar loop ik stage bij [kapperszaak] . Ik ben door mijn baas [verdachte] lichamelijk aangeraakt. Ik bedoel dat hij zijn hand tegen mijn billen sloeg. Dat gebeurde soms een paar keer op één dag en soms een hele tijd niet. Ook vroeg hij of ik bij hem op schoot wilde komen zitten. Ook kwam hij wel eens bij me staan en draagt zich lief/klef en zegt dat ik een mooi meisje ben. Dat gedrag van [verdachte] is iets van de laatste vijf maanden.

Getuige [medestagiare 1] heeft aanvullend verklaard, zakelijk weergegeven:7

[verdachte] was heel sneaky, deed het alleen als niemand het zag. Hij trok me telkens op schoot en sloeg mij op mijn billen. Ik kon destijds geen kant op, want stageplekken liggen niet voor het oprapen en dat wist hij en daar heeft hij misbruik van gemaakt. Na de eerste vernedering en aanraking had ik meteen de keuze moeten maken om daar te gaan.

Getuige [trajectbegeleider] heeft verklaard, zakelijk weergegeven:8

Ik ben werkzaam als trajectbegeleider op het ROC Nijmegen. Als er iets met een leerling aan de hand is, komt die eerst bij de mentor. Van [slachtoffer 1] is dat [mentor slachtoffer] . Ik fungeer als een soort ‘poort’ en kijk naar de zorg die er op dat moment nodig is.

Op 26 januari 2016 kwam [mentor slachtoffer] bij me en zei dat ze een leerling had waar iets ergs mee aan de hand was en die heel verdrietig was en graag met mij wilde praten. Ze zijn die dag samen bij mij gekomen. [slachtoffer 1] was bang, vond het moeilijk om te praten. Toen ik [slachtoffer 1] sprak, was ze al een paar dagen niet meer op de stageplek geweest.

De verdachte heeft verklaard, zakelijk weergegeven:9

We hebben een kapsalon. Het is een VOF van mij en mijn broer samen. Ik en mijn broer werken in de zaak. [slachtoffer 1] , een stagiaire, heeft aangifte gedaan.

De medeverdachte heeft verklaard, zakelijk weergegeven:10

Wat ik me kan herinneren is dat ik op de camerabeelden zag dat er schoongemaakt was in de zaak toen ik er niet was en dat ik toen een foto van die beelden heb gemaakt waar zij op stond, en die naar haar gestuurd heb zo van: ‘Hé, jij bent op de zaak.’ Ik weet niet meer of ik haar die foto heb gestuurd of getoond.

Het thermaalbad bezoek ik wel eens met mijn vrouw.

3.3.3

De bewezenverklaring

De rechtbank kan het bewijs dat de verdachte het feit heeft begaan, niet uitsluitend aannemen op de verklaring van één getuige (art. 342 lid 2 Sv). Deze bepaling heeft betrekking op de bewezenverklaring als geheel. Zij vereist dus niet dat elk aspect van de bewezenverklaring door meer dan één bewijsmiddel wordt ondersteund. De bepaling waarborgt daarnaast een deugdelijke bewijsbeslissing. De feiten en omstandigheden die één getuige noemt, moeten daarom voldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Tegen deze achtergrond zal de rechtbank het bewijs waarderen.

De feiten en omstandigheden die [slachtoffer 1] noemt, vinden volgens de rechtbank inderdaad voldoende steun in ander bewijsmateriaal. Getuigen [medestagiare 2] en [medestagiare 1] waren net als [slachtoffer 1] werkzaam als stagiaire bij [kapperszaak] . Hun verklaringen vertonen treffende gelijkenissen met de verklaring van [slachtoffer 1] : de omgang was aanvankelijk prettig en werd gaandeweg steeds onaangenamer, het was een combinatie van seksueel getinte opmerkingen en ongewenste lichamelijke intimiteiten, en zij lieten veel gebeuren omdat ze hun stage wilden afronden. Zelfs getuige [vriendin slachtoffer] , die als klant en vriendin maar af en toe daar was, verklaart over een soortgelijk voorval.

De verschillende stagiaires hebben deels overeenkomstige situaties meegemaakt. Zij hebben deze gebeurtenissen ieder op hun eigen manier beleefd en reflecteren daarop vanuit hun afzonderlijke persoonlijkheden. Zo zegt [medestagiare 2] dat zij alleen naar de politie is gegaan omdat [slachtoffer 1] een goede vriendin is. Vervolgens benadrukt zij echter bij herhaling dat ze het minder zwaar opneemt dan [slachtoffer 1] , hoewel ze zich ook diverse opmerkingen en aanrakingen uit eigen ervaring kan herinneren. Zij lijkt dus niet naar de politie te zijn gegaan om [slachtoffer 1] ’s aangifte uit vriendschap te bevestigen. Uit haar verklaring spreekt wel dezelfde sfeer die ook [slachtoffer 1] omschrijft. Dit gegeven draagt bij aan de overtuiging van de rechtbank.

De getuigen [medestagiare 2] , [medestagiare 1] en [vriendin slachtoffer] zeggen niet dat zij de ontucht bij [slachtoffer 1] daadwerkelijk zelf hebben waargenomen. Het is echter niet vereist dat de verweten handelingen als zodanig worden ondersteund door ander bewijsmateriaal. De verklaring van [slachtoffer 1] hoeft slechts op onderdelen steun te vinden in bewijsmiddelen uit een andere bron. Dat kan bijvoorbeeld zo zijn als een getuige uit eigen waarneming verklaart over de emotionele of fysieke toestand van het slachtoffer vlak nadat een strafbaar feit plaatsvond. Ook dit is volgens de rechtbank het geval.

In dit verband speelt de volgorde van gebeurtenissen een belangrijke rol. De officier van justitie en de raadsman suggereren namelijk allebei een oorzakelijk verband tussen [kapperszaak] klachten en [slachtoffer 1] ’s verklaringen. De richting daarvan beïnvloedt immers de zeggingskracht van de waargenomen emoties. Volgens de officier van justitie zijn [kapperszaak] klachten het gevolg van [slachtoffer 1] ’s verklaringen, volgens de raadsman zijn [slachtoffer 1] ’s verklaringen het gevolg van [kapperszaak] klachten. De rechtbank concludeert op basis van de stukken als volgt.

Aangeefster [slachtoffer 1] heeft getuige [vriendin slachtoffer] het eerst verteld over de ontucht. Geen van beiden kan de exacte datum van dit gesprek noemen. [slachtoffer 1] plaatst de kus door de broer van de verdachte vier maanden voor 9 februari 2016 en het gesprek een maand later. [vriendin slachtoffer] meent dat het ruim drie maanden voor 23 maart 2016 was en dus eind 2015. De rechtbank stelt vast dat de eerste e-mail in het dossier van [kapperszaak] aan [slachtoffer 1] ’s mentor dateert van 21 januari 2016. Dat is dus minstens een maand later. Van eerdere klachten over [slachtoffer 1] ’s functioneren is niets gebleken. Daarom zal de rechtbank [slachtoffer 1] ’s ‘disclosure’ aan [vriendin slachtoffer] voor het bewijs gebruiken. [vriendin slachtoffer] kent [slachtoffer 1] van jongs af aan en zag dat er iets aan de hand was. Toen [slachtoffer 1] ongeveer een maand na de kus zei wat er was gebeurd, zag [vriendin slachtoffer] dat het [slachtoffer 1] echt wat deed en dat zij ervan geschrokken was. [slachtoffer 1] verklaart zelf dat het na die kus alleen maar erger was geworden. De rechtbank is dus van oordeel dat [slachtoffer 1] ’s verklaring ook in dit opzicht steun vindt in [vriendin slachtoffer] ’ verklaring.

Dat geldt ook voor de verklaring van [trajectbegeleider] . Zij geeft die weliswaar pas op 7 april 2016, maar baseert zich daarbij op haar notities over het gesprek van 26 januari 2016. [trajectbegeleider] heeft als trajectbegeleider de taak om te zorgen voor leerlingen met problemen. In die hoedanigheid constateert zij dat [slachtoffer 1] bang was en het moeilijk vond om te praten. Ook deze waarneming ondersteunt [slachtoffer 1] ’s verklaring.

De rechtbank oordeelt dan ook dat de verklaring van [slachtoffer 1] voldoende steunt vindt in ander bewijsmateriaal. Zij acht dus bewezen dat de verdachte in de periode van 1 oktober 2015 tot en met 4 februari 2016 als stagebegeleider en (mede)eigenaar van stagebedrijf [kapperszaak] meermalen ontucht heeft gepleegd met de aan zijn opleiding toevertrouwde minderjarige stagiaire [slachtoffer 1] , door haar tegen de billen te slaan of te tikken, haar bovenbenen te betasten en te strelen en zijn lichaam tegen haar lichaam te brengen. De beschreven feiten zijn handelingen van seksuele aard die in strijd zijn met de sociaal-ethische norm en kwalificeren dus als ontucht. [slachtoffer 1] was met haar zeventien jaar bovendien minderjarig toen deze ontucht plaatsvond. Tot slot heeft de verdachte zelf verklaard dat de kapsalon een VOF is van hem en zijn broer, dat hij ook in de zaak werkt en dat [slachtoffer 1] zijn stagiaire was. Daarmee zijn alle bestanddelen van het subsidiair tenlastegelegde misdrijf vervuld.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

als stagebegeleider en (mede)eigenaar van stagebedrijf [kapperszaak] in de periode van 1 oktober 2015 tot en met 4 februari 2016 in de gemeente Venray, meermalen (telkens) ontucht heeft gepleegd met de aan zijn opleiding toevertrouwde minderjarige (stagiaire) [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] 1988, door meermalen, althans eenmaal, (telkens) tegen de billen van die [slachtoffer 1] te slaan en/of te tikken, de bovenbenen van die [slachtoffer 1] te betasten en te strelen en zijn lichaam tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] te brengen.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

ontucht plegen met een aan zijn opleiding toevertrouwde minderjarige.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een taakstraf voor de duur van tachtig uur, met veertig dagen vervangende hechtenis. Hij heeft daarbij rekening gehouden met twee strafverzwarende en twee strafverminderende omstandigheden. De verdachte heeft enerzijds misbruik gemaakt de machtspositie die voortvloeit uit het schaarse aanbod van kappersstages en zelfs geen verantwoordelijkheid genomen voor niet-strafbaar ongepast gedrag. Anderzijds zijn de feiten inmiddels drie jaar oud en heeft de verdachte geen strafblad.

6.2

Het standpunt van de verdediging

Voor het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring zou komen, heeft de raadsman verzocht om een taakstraf van minder uren op te leggen. Naast het tijdsverloop en het blanco strafblad, wijst de raadsman ook op het ordelijke leven van de verdachte.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich maandenlang schuldig gemaakt aan ontucht. Zijn slachtoffer was niet alleen minderjarig, maar ook ondergeschikt en afhankelijk. Samen met zijn broer heeft hij misbruik gemaakt van de machtspositie die een stagebedrijf in de kappersbranche nu eenmaal heeft. Drie stagiaires verklaren over een werksfeer vol seksueel getinte opmerkingen en ongewenste lichamelijke intimiteiten. Die toenadering begon telkens na een aangename startfase, waarin de broers het vertrouwen van de stagiaires wonnen. Zo manoeuvreerden zij hen langzaam in een positie waarin ongewenste jovialiteit overging in grensoverschrijdend gedrag, terwijl zij moesten beseffen dat de stagiaires – soms zelfs letterlijk – geen kant op konden.

De rechtbank rekent de verdachte deze ontucht aan, juist ook omdat het slachtoffer een ondergeschikte minderjarige was. Wel constateert de rechtbank dat de bewezenverklaarde handelingen zich beperkten tot tikken op de billen, vluchtig strelen van de bovenbenen en kortstondig passeercontact tussen beide lichamen. Er is niet gebleken van verdergaande gedragingen, die ook nog als ontucht zouden kwalificeren. Vervolgens stelt de rechtbank vast dat ruim twee jaar en negen maanden zijn verstreken sinds het eerste verhoor van de verdachte, die bovendien nooit eerder is veroordeeld voor enig strafbaar feit.

Gelet op dit alles en de straffen in vergelijkbare gevallen legt de rechtbank een taakstraf op voor de duur van tachtig uur, met veertig dagen vervangende hechtenis. Daarnaast zal de rechtbank een voorwaardelijke straf opleggen, om het risico op herhaling te beperken. Gedurende het gehele onderzoek bij politie en op de zitting heeft verdachte een apert ontkennende houding aangenomen. Dit gebrek aan erkenning en zelfinzicht maakt dat de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf noodzakelijk acht. Zij zal die dan ook opleggen voor de duur van twee weken, met een proeftijd van twee jaar gelet op het tijdverloop. De lange tijd die is verstreken sinds het eerste verhoor van verdachte en de dag van de uitspraak, verdisconteert de rechtbank door geen proeftijd van 3 jaar maar van 2 jaar op te leggen.

7 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vordering van de benadeelde partij

[medestagiare 1] heeft zich gevoegd als benadeelde partij, met een vordering tot vergoeding van € 31,51 aan reiskosten en € 500,00 aan immateriële schade. Zij is echter niet-ontvankelijk in deze vordering, omdat de verdachte van haar aanranding is vrijgesproken.

[slachtoffer 1] heeft zich ook gevoegd als benadeelde partij. Zij vordert vergoeding van € 1.065,00 aan materiële schade. Dit bedrag bestaat uit de kosten van haar opleiding, die zij door het handelen van de verdachte voortijdig heeft moeten beëindigen. Daarnaast vordert zij vergoeding van € 500,00 aan immateriële schade, omdat zij sindsdien bang is voor mannen van [nationaliteit] komaf, het lastig vindt als jongens te dichtbij komen en slecht slaapt. Tot slot heeft zij de wettelijke rente gevorderd over beide bedragen, vanaf het moment dat haar schade is ontstaan.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie meent dat [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk is in haar vordering tot vergoeding van de materiële schade, omdat het causaal verband tussen de ontucht en het opleidingseinde te onzeker zou zijn. Trajectbegeleider [trajectbegeleider] heeft immers verklaard dat [slachtoffer 1] zelf besloot te stoppen, omdat het kappersvak toch niet echt haar ding was. De vordering tot vergoeding van immateriële schade moet volgens de officier van justitie worden gematigd.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman herhaalt dat [slachtoffer 1] om een andere reden zelf besloot te stoppen met haar opleiding en stelt dat de vordering tot vergoeding van de materiële schade daarom moet worden afgewezen. Er is aantoonbaar geen rechtstreeks verband tussen het strafbare feit en de schade. Ook de vordering tot vergoeding van de immateriële schade moet worden afgewezen, omdat de handelingen relatief beperkt grensoverschrijdend zijn.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat de materiële schade een gevolg is van het besluit van [slachtoffer 1] om te stoppen met de kappersopleiding. Onduidelijk is in hoeverre [slachtoffer 1] is ontmoedigd door de ontuchtige handelingen van de verdachte en de medeverdachte tijdens haar stage en in hoeverre zij is gestopt omdat het kappersvak haar minder bleek te liggen, zoals getuige [trajectbegeleider] verklaart. Nu de rechtbank aannemelijk acht dat het besluit om te stoppen voor een deel is veroorzaakt door de ontuchtige handelen, zal de rechtbank de materiële schade voor de helft toewijzen, dat is tot een bedrag van € 532,50 en voor het overige afwijzen.

Voor nadeel dat niet uit vermogensschade bestaat, heeft [slachtoffer 1] recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding omdat zij in haar persoon is aangetast. De gevolgen die zij in haar onderbouwing omschrijft, vloeien voort uit de aard van de ontuchtige handelingen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerkingen dat die ontucht plaatsvond met een minderjarig slachtoffer in een relatie van ondergeschiktheid. De vordering van € 500,00 is naar het oordeel van de rechtbank ook billijk. Daarom zal zij deze vordering volledig toewijzen.

De rechtbank zal de vordering hoofdelijk toewijzen, nu verdachte de schade samen met zijn mededader heeft veroorzaakt.

Beide schadeposten worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de aangifte op 9 februari 2016.

De rechtbank zal daarnaast aan verdachte de verplichting opleggen aan de staat een bedrag van € 1032,50, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 20 dagen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 9 februari 2016 tot de dag der algehele voldoening, te betalen ten behoeve van [slachtoffer 1] , zoals hierna in het dictum genoemd.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 36f, 249 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het tenlastegelegde onder feit 1 primair en feit 2;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte voor feit 1 tot een gevangenisstraf van twee (2) weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee (2) jaren;

  • -

    bepaalt dat de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit;

  • -

    veroordeelt de verdachte voor feit 1 tot een taakstraf voor de duur van tachtig (80) uren;

  • -

    beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van veertig (40) dagen;

Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen

  • -

    verklaart de benadeelde partij [medestagiare 1] niet-ontvankelijk in de vordering;

  • -

    veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door verdachte gemaakt tot heden begroot op nihil;

- wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1];

- veroordeelt verdachte om tegen bewijs van betaling ten behoeve van voornoemde benadeelde partij te betalen een bedrag van 1032,50 euro, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 9 februari 2016 tot de dag der algehele voldoening;

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van 1032,50 euro, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 9 februari 2016 tot de dag der algehele voldoening, subsidiair 20 dagen hechtenis ten behoeve van voornoemd slachtoffer met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

  • -

    bepaalt dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van 1032,50 euro, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 9 februari 2016 tot de dag der algehele voldoening ten behoeve van voornoemd slachtoffer daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen;

  • -

    veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door zijn mededader is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.H. Dethmers, voorzitter, mr. A.M. Koster-van der Linden en mr. N.P.J. van de Pasch, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.A.E. van de Venne, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 6 februari 2019.

Buiten staat

Mr. H.H. Dethmers is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2015 tot en met 4 februari 2016 in de gemeente Venray, in elk geval in Nederland,

meermalen, althans eenmaal, (telkens) door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten het meermalen, althans eenmaal, (telkens)

- vastklemmen en/of klemzetten van een persoon genaamd [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum 2] 1998), zijnde een aan zijn zorg, opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, tussen een tafel en/of muur en zijn, verdachtes, lichaam, en/of versperren en/of blokkeren van de vrije doorgang voor die [slachtoffer 1] en/of

- aan die [slachtoffer 1] vragen of en/of tegen die [slachtoffer 1] zeggen dat zij bij hem, verdachte, op schoot wilde en/of moest komen zitten en/of

- ( aan) die [slachtoffer 1] vragen naar haar seksleven en/of seksuele voorkeuren en/of met wie zij seks had en/of wat voor seksuele handelingen zij (bij voorkeur) verrichtte en/of

- tegen die [slachtoffer 1] zeggen dat hij, verdachte, haar kont mooi vond en/of

- slaan op/tegen de billen van die [slachtoffer 1] en/of

- met een handdoek tegen die [slachtoffer 1] aan slaan

die [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het meermalen, althans eenmaal, (telkens)

- slaan en/of tikken op/tegen en/of betasten en/of strelen van en/of wrijven over de billen van die [slachtoffer 1] en/of

- betasten en/of strelen van en/of wrijven over een/de (boven)be(e)n(en) van die [slachtoffer 1] en/of

- brengen en/of duwen van zijn, verdachtes, lichaam tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] ;

art 248 lid 2 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij - als stagebegeleider en/of als (mede)eigenaar van stagebedrijf [kapperszaak] - in of omstreeks de periode van 1 oktober 2015 tot en met 4 februari 2016 in de gemeente Venray, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) ontucht heeft gepleegd

met de aan zijn zorg, opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige (stagiaire) [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] 1998, door meermalen, althans eenmaal, (telkens)

- op/tegen de billen van die [slachtoffer 1] te slaan en/of te tikken en/of de billen van die [slachtoffer 1] te betasten en/of te strelen en/of over de billen van die [slachtoffer 1] te wrijven en/of

- een/de (boven)be(e)n(en) van die [slachtoffer 1] te betasten en/of te strelen en/of

over een/de (boven)be(e)n(en) van die [slachtoffer 1] te wrijven en /of

- zijn, verdachtes, lichaam tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] te brengen en/of te duwen;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2015 tot en met 4 februari 2016 in

de gemeente Venray, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens)

door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten het meermalen, althans eenmaal, (telkens)

- slaan op/tegen de billen van een persoon genaamd [medestagiare 1] en/of

- aan die [medestagiare 1] vragen of zij bij hem, verdachte, op schoot wilde komen zitten en/of

- tegen die [medestagiare 1] zeggen dat zij een mooi meisje was en/of

- tegen die [medestagiare 1] zeggen dat zij te dik was en/of iets aan haar buik moest doen en/of (daarbij) knijpen in de buik van die [medestagiare 1]

die [medestagiare 1] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het meermalen, althans eenmaal, (telkens)

- slaan op/tegen en/of betasten en/of strelen van en/of wrijven over de billen van die [medestagiare 1] en/of

- die [medestagiare 1] op zijn, verdachtes, schoot (plaats laten) nemen en/of

- knijpen in en/of vastpakken en/of betasten van de buik van die [medestagiare 1] .

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Limburg, dienst Regionale Recherche, afdeling Zeden, proces-verbaalnummer 2016034896, gesloten d.d. 15 juni 2016, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 68.

2 Aangifte d.d. 9 februari 2016, p. 22-33.

3 Deze toevoeging komt uit het verhoor bij de rechter-commissaris d.d. 31 januari 2018, p. 2.

4 Verhoor d.d. 23 maart 2016, p. 37-40.

5 Verhoor d.d. 15 maart 2016, p. 18-21.

6 Informatief gesprek d.d. 10 februari 2016, p. 14-15.

7 Schriftelijke slachtofferverklaring d.d. 14 april 2017.

8 Verhoor d.d. 7 april 2016, p. 41-42.

9 Verhoor d.d. 21 april 2016, p. 47-48.

10 Verhoor d.d. 21 april 2016, p. 67.