Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:10264

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
12-11-2019
Datum publicatie
14-11-2019
Zaaknummer
C.03 / 269056 / HARK 19-200
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Wrakingskamer

Zaaknummer: C/03/269056 HA RK 19-200

Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingszaken van

12 november 2019 in de zaak van:

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats verzoekster] aan het adres [adres verzoekster] ,

verzoekster,

strekkende tot wraking van mr. Th.M. Schelfhout, rechter in de rechtbank Limburg, locatie Roermond, (hierna: de rechter).

1 De procedure

1.1.

Op 17 september 2019 is ingekomen het door verzoekster ingediende wrakingsverzoek, waarin de wraking van de rechter wordt verzocht in de bij de bestuursrechter aanhangige procedure met zaaknummer 18/3116 tussen verzoekster en het UWV. Verzoekster is eiseres in deze procedure.

1.2.

De rechter heeft op 26 september 2019 schriftelijk op het wrakingsverzoek gereageerd. De rechter heeft in zijn reactie aangegeven dat hij niet in de wraking berust.

1.3.

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden ter zitting van de wrakingskamer op 29 oktober 2019, waar verzoekster wel en de rechter niet is verschenen. Verzoekster heeft ter zitting een geschrift overgelegd, dat ook door haar is voorgedragen.

1.4.

De datum van de uitspraak is bepaald op heden.

2 De gronden voor het wrakingsverzoek

2.1.

Verzoekster heeft aan het wrakingsverzoek het navolgende ten grondslag gelegd. In de hiervoor genoemde procedure bij de bestuursrechter heeft op 22 augustus 2019 een zitting plaats gehad. Verzoekster is ter zitting door de vertegenwoordiger van het UWV tot zeven maal toe als ‘meneer’ aangesproken. Verzoekster verwijt de rechter dat hij dit heeft gedoogd, zonder de vertegenwoordiger van het UWV daarop aan te spreken. Verzoekster heeft de rechter gewraakt wegens “partijdigheid op grond van het eigen verbod in de rechtbank ‘discriminatie naar geslacht’”.

2.2.

Verzoekster geeft voorts aan het niet eens te zijn met de inhoud van het proces-verbaal van de zitting van 22 augustus 2019. Bovendien is het proces-verbaal niet op eerste verzoek aan verzoekster verstrekt.

3. Het standpunt van de rechter

3.1.

De rechter geeft in zijn schriftelijke reactie van 26 september 2019 aan dat de gemachtigde van het UWV verzoekster ter zitting van 22 augustus 2019 tot tweemaal toe ‘meneer’ heeft genoemd, dit tot groot ongenoegen van verzoekster. Verzoekster als ook haar gemachtigde hebben ter zitting aan de rechter uitgelegd dat dergelijke versprekingen voor verzoekster erg gevoelig lagen en dat verzoekster er daarom ook heftig op reageerde. De rechter heeft kennis genomen van deze uitleg en heeft geen aanleiding gezien nog verder op het incident in te gaan.

Bij de tweede verspreking heeft de gemachtigde van het UWV direct zijn vergissing gecorrigeerd. Hoewel verzoekster non-verbaal nogal heftig reageerde heeft de rechter er voor gekozen het betoog van de gemachtigde niet te onderbreken, omdat dit gunstig was voor verzoekster.

3.2.

Het opmaken en de afgifte van het proces-verbaal van de zitting van 22 augustus 2019 heeft door de vakantie van de rechter als ook van de griffier vertraging opgelopen.

4 De beoordeling

De ontvankelijkheid

4.1.

In de eerste plaats ligt ter beoordeling voor de vraag of verzoekster kan worden ontvangen in het door haar ingediende wrakingsverzoek.

In artikel 8:16 Algemene wet bestuursrecht als ook in artikel 4.4. van het wrakingsprotocol van de rechtbank Limburg is bepaald dat een wrakingsverzoek moet worden gedaan zodra de gronden tot wraking bekend zijn. In het onderhavige geval staat vast dat de gronden die tot het wrakingsverzoek hebben geleid gelieerd zijn aan de gebeurtenissen die zich op de zitting van 22 augustus 2019 hebben voorgedaan. Die gebeurtenissen hebben verzoekster aanleiding gegeven om op 17 september 2019 het wrakingsverzoek in te dienen.

4.2.

Tussen het ontstaan van de wrakingsgronden en de indiening van het verzoek is een periode van bijna vier weken gelegen. Gelet op de late indiening van het wrakingsverzoek zou een niet-ontvankelijkheid verklaring voor de hand liggen. De wrakingskamer zal daar echter niet toe overgaan. Verzoekster heeft ter zitting van 29 oktober 2019 aangevoerd dat zij de tijd heeft genomen om goed over het al dan niet indienen van een wrakingsverzoek na te denken, zich te laten adviseren en een weloverwogen beslissing te kunnen nemen. De wrakingskamer is van oordeel dat gelet op het bijzonder emotioneel belang van verzoekster sprake is van een uitzonderlijke situatie die maakt dat zij toch ontvangen zal worden in haar verzoek. Daarbij heeft de wrakingskamer ook meegewogen dat de rechter van de ontvankelijkheid geen punt heeft gemaakt.

Inhoudelijk

4.3.

De wrakingskamer beoordeelt of sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter ten opzichte van een procespartij vooringenomen is, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het (subjectieve) standpunt van een verzoekster daarover is belangrijk, maar niet doorslaggevend; de vrees voor partijdigheid moet objectief gerechtvaardigd zijn.

4.4.

De vraag of sprake is van rechterlijke partijdigheid moet worden beantwoord aan de hand van twee criteria: het subjectieve en het objectieve criterium. Bij het subjectieve criterium gaat het om de vraag of sprake is van een gebleken persoonlijke overtuiging en/of zodanig gedrag van een rechter, dat door een verzoekster de conclusie moet worden getrokken dat deze rechter partijdig is. Bij het objectieve criterium gaat het om de vraag of sprake is van een bij een verzoekster bestaande, objectief gerechtvaardigde vrees dat de onpartijdigheid bij de rechter ontbreekt, waarbij ook de schijn van partijdigheid van belang is.

4.5.

De wrakingskamer stelt voorop dat verzoekster aan het verzoek tot wraking geen feiten of omstandigheden ten grondslag heeft gelegd, die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor een bij de rechter aanwezige subjectieve partijdigheid. Die feiten of omstandigheden zijn de wrakingskamer ook niet gebleken. De wrakingskamer zal dan ook enkel beoordelen of sprake is van een bij verzoekster bestaande, objectief gerechtvaardigde vrees dat het de rechter aan onpartijdigheid ontbreekt.

4.6.

Uit het wrakingsverzoek als ook uit de door verzoekster ter zitting van 29 oktober 2019 gegeven toelichting leidt de wrakingskamer af dat verzoekster vooral teleurgesteld is in het feit dat de rechter de gemachtigde van het UWV niet heeft gecorrigeerd. Zij stelt in dat verband dat indien de rechter zou hebben toegegeven dat het anders had gemoeten de spreekwoordelijke kous voor haar daarmee af was geweest. Enige begripvolle reactie van de kant van de rechter is, ook na het verzoek tot wraking, evenwel uitgebleven.

4.7.

De wrakingskamer begrijpt dat verzoekster zich ter zitting zowel door de gemachtigde van het UWV als door de rechter onheus bejegend heeft gevoeld. Zij had op het voor haar zeer gevoelige punt op meer steun en empathie van de kant van de rechter gerekend. Echter, met het niet ingrijpen van de rechter heeft deze geen blijk gegeven van vooringenomenheid jegens verzoekster en daaruit kan naar het oordeel van de wrakingskamer evenmin de schijn van partijdigheid of vooringenomenheid worden afgeleid. Het wrakingsverzoek zal dan ook ongegrond worden verklaard.

4.8.

Ook de perikelen omtrent de afgifte en de inhoud van het proces-verbaal kunnen niet leiden tot de aanname van de schijn van partijdigheid dan wel vooringenomenheid van de rechter.

5 De beslissing

De wrakingskamer:

- verklaart het verzoek tot wraking ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mr. M.B.T.G. Steeghs, voorzitter, mr. W.Th.M. Raab en mr. A.K. Kleine, leden, bijgestaan door P.J.C. Hendriks, griffier en in het openbaar uitgesproken op 12 november 2019.