Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:10055

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
20-08-2019
Datum publicatie
11-11-2019
Zaaknummer
C/03/267640 / JE RK 19-1984
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Wel voorlopige ondertoezichtstelling pasgeboren baby, afwijzing machtiging uithuisplaatsing, blinde alleenstaande moeder, noodzaak uithuisplaatsing conform 8 EVRM ?, gelijke behandeling van blinde moeder in vergelijking tot niet blinde moeders in vergelijkbare omstandigheden, begeleiding moeder en baby in voor haar veilige thuissituatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK LIMBURG

Familie en jeugd

Zittingsplaats: Maastricht

Zaakgegevens : C/03/267640 / JE RK 19-1984

datum uitspraak: 20 augustus 2019

beschikking voorlopige ondertoezichtstelling en afwijzing machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, regio Zuidoost-Nederland,

hierna te noemen de raad,

gevestigd te Eindhoven,

betreffende

[minderjarige] , geboren op [2019] te [geboorteplaats], hierna te noemen [minderjarige].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[belanghebbende] , hierna te noemen de moeder,

wonende te [woonplaats];

advocaat mr. E.G.W. Hendriks, gevestigd te Kerkrade.

Wederom gezien de stukken, waaronder de door deze rechtbank gegeven en op 13 augustus 2019 uitgesproken beschikking.

1 Het verdere procesverloop

1.1.

Bij voornoemde beschikking van 13 augustus 2019 heeft de kinderrechter het verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling en het verlenen van een spoedmachtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbende moeder afgewezen. Er is bepaald dat de raad en de moeder zullen worden gehoord op een nader te bepalen zitting. Iedere verdere beslissing is aangehouden in afwachting van het verhoor van belanghebbenden.

1.2.

Op 19 augustus 2019 -vervroegd op verzoek van de raad omdat vorige week de verwachting was dat [minderjarige] op 19 augustus 2019 uit het ziekenhuis zou worden ontslagen- heeft de kinderrechter het verzoek ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat,

  • -

    een vertegenwoordiger van de raad.

2 De verdere beoordeling

2.1.

Ter zitting heeft de raad gepersisteerd bij zijn verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige]. Daarnaast heeft de raad gepersisteerd bij zijn verzoek tot

machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige].

2.2.

Bij verzoekschrift heeft de raad -samengevat- het volgende aangegeven.

Op [2019] is de moeder bevallen van zoontje [minderjarige]. Zij is er na 29 weken achter gekomen dat zij zwanger was. Er zijn meerdere risicofactoren in de situatie bij de moeder die maken dat de raad grote zorgen heeft over met name de veiligheid van [minderjarige] als hij aan de zorgen van de moeder wordt toevertrouwd. De moeder is volledig blind vanaf haar geboorte en uit psychologische onderzoek in 2014 blijkt dat zij een IQ van 70 heeft. Daarnaast is zij in 2014 gediagnosticeerd met een borderline persoonlijkheidsstoornis. De moeder woont samen met haar broer die ook volledig blind is. De moeder en de broer kunnen dus letterlijk geen toezicht houden. Nu in het ziekenhuis lukt het de moeder met 24-uurs begeleiding om zorgtaken te doen. Het ziekenhuis, Veilig Thuis en de raad zijn van mening dat de moeder zonder 24-uurs begeleiding niet in staat is om de zorg zelfstandig uit te voeren. De raad is ook bezorgd om de hygiëne van [minderjarige]. De moeder kan bijvoorbeeld niet zien of de baby voldoende schoongemaakt is na een vieze luier. De moeder en de broer zijn afhankelijk van huishoudelijke hulp. In periodes dat die hulp er niet is, is er sprake van een onhygiënische leefomgeving. Een andere zorg die de raad heeft, zij het minder relevant volgens de raad in de eerste periode van [minderjarige], is de emotionele ontwikkeling van [minderjarige]. Moeder-kind interactie zal moeizamer verlopen door moeders visuele, maar ook verstandelijke beperking. Hoewel onbekend is of de moeder gedrag vertoont dat passend is bij borderline-problematiek, is bekend dat die problematiek van invloed kan zij op de moeder-kind hechting. Daar moet verder onderzoek naar kunnen worden gedaan. Dat de moeder naar haar zeggen zelfstandig vanaf de geboorte haar oudste twee kinderen heeft verzorgd wordt tegengesproken door de vader van de kinderen die zegt dat hij de kinderen nooit alleen liet met de moeder, alsmede door de hulpverlener van Radar die constateerde dat het voor de moeder onmogelijk was om zonder constante ondersteuning de verzorging en opvoeding van haar kinderen te dragen.

De moeder geeft aan geen hulp nodig te hebben en uitsluitend uitbreiding van huishoudelijke hulp toe te staan. Nu, na de bevalling, geeft de moeder aan alle hulp te accepteren als dit betekent dat zij samen kan zijn met [minderjarige], maar zij heeft geen zelfstandige hulpvraag. Het feit dat er een (zeer beperkt) netwerk is, stelt de raad niet gerust, omdat de buren niet 24 uur per dag aanwezig zijn om de moeder te ondersteunen in de zorgtaken. Een opname van moeder en [minderjarige] in een voorziening die 24-uurs zorg kan bieden, die de moeder en [minderjarige] nodig hebben, is niet voorhanden, zeker niet als er ook expertise gevraagd wordt met betrekking tot de visuele handicap van de moeder. Op dit moment is [minderjarige] nog in het ziekenhuis te Heerlen.

2.3.

De raad heeft verwezen naar het verzoekschrift en aanvullend verklaard dat wordt gezien dat de moeder gek is op [minderjarige], zeer op hem betrokken is en het graag goed als moeder voor [minderjarige] wil doen. Volgens de informatie van het ziekenhuis lukt het de moeder niet om zonder begeleiding het flesje voor [minderjarige] te maken; ook het aflezen van de temperatuur van [minderjarige] is voor moeder met haar blindheid niet mogelijk. De moeder kan [minderjarige] niet zelfstandig verschonen. Ze gebruikt daarbij haar handen om de billetjes van [minderjarige] te controleren maar haar handen zijn daardoor vies en als ze die gewassen heeft zijn ze nog steeds niet schoon. Ook de billetjes van [minderjarige] maakt de moeder niet voldoende schoon. Ze staat er thuis in de verzorging alleen voor en ook haar inwonende broer is volledig blind en kan haar bij de verzorging niet voldoende helpen. De moeder noemt ter zitting voor het eerst de achternaam van [naam] die de vader van [minderjarige] zou zijn, eerder heeft ze die naam bij de raad of andere instanties niet genoemd. Er zijn aanwijzingen dat [minderjarige] mogelijk het kindje van de moeder en haar broer is omdat oma moederszijde daarvan overtuigd is en er twee eenpersoons-matrassen van de moeder en haar broer naast elkaar op één kamer in de woning bleken te staan om daarin te slapen. Belangrijk voor [minderjarige] is dat dát wordt uitgezocht. De moeder heeft geen netwerk waar de raad zicht op heeft kunnen krijgen. Er is geen vaste band met een kerkgemeenschap waarop de moeder kan terugvallen, geen familie en ook de buren van de moeder hebben nog geen tijd gehad om met de raad te spreken. De raad en veilig thuis hebben in het land gezocht naar een moeder-kind groep waar moeder en [minderjarige] zouden kunnen verblijven om meer zicht te krijgen op de mogelijkheden en onmogelijkheden van de moeder als het gaat om de verzorging van [minderjarige]. Die plek is voor een blinde moeder niet te vinden omdat men aangeeft dat de veiligheid van een blinde moeder met haar baby niet kan worden gewaarborgd omdat er meer kinderen verblijven en bijvoorbeeld speelgoed in een voor moeder onbekende ruimte er gemakkelijk toe kan leiden dat zij valt met [minderjarige] in haar handen. Bovendien is op zo’n plek geen 24 uurs begeleiding aanwezig en mogelijk terwijl de moeder dat volgens het ziekenhuis en de raad wel nodig heeft. Op dit moment is de elementaire verzorging van [minderjarige] bij de moeder niet in veilige handen en dan doelt de raad op luiers verschonen, hygiënisch handelen, temperaturen, voldoende zelfverzorging van de moeder (waarover het ziekenhuis zorgen heeft uitgesproken na te hebben geconstateerd dat de moeder vijf dagen in dezelfde kleding loopt). De zorgen over de emotionele ontwikkeling van [minderjarige] zijn voor dit moment niet actueel; dat zijn zorgen voor de nabije toekomst. De raad acht het te vroeg om een uitspraak te doen over de vraag of de moeder helemaal niet voor [minderjarige] kan zorgen; maar de raad acht [minderjarige] als baby te kwetsbaar om te zeggen, laten we het bij de moeder proberen. Bij de uithuisplaatsing zal gekeken moeten worden of er mogelijkheden zijn om de moeder een kans te geven om te laten zien wat zij voor [minderjarige] zelfstandig kan betekenen.

2.4.

De moeder heeft bij monde van haar advocaat aangegeven zich bij een voorlopige ondertoezichtstelling nog wel iets te kunnen voorstellen waarbij is aangetekend dat de moeder de kans moet krijgen om te laten zien dat zij zelf voor [minderjarige] kan zorgen. De moeder acht een uithuisplaatsing van [minderjarige] thans niet aan de orde of noodzakelijk voor de opvoeding en verzorging van [minderjarige]. Zij heeft haar andere kinderen in hun eerste levensjaren zelf verzorgd zonder dat de vader daarbij steeds aanwezig is geweest en dat kan zij dus nu ook weer zelfstandig doen. Zij heeft bevestigd dat in 2014 haar IQ op 70 en dat een borderline persoonlijkheidsstoornis is vastgesteld. In die stoornis herkent zij zichzelf niet en ook haar omgeving niet. Zij heeft verteld dat zij in het ziekenhuis net als andere (ziende) moeders wordt behandeld en wordt betrokken of begeleid bij de verzorging van [minderjarige]. [minderjarige] heeft tot zondag jongstleden aan apparatuur gelegen zodat zij hem niet zonder de verpleging uit zijn bedje mocht halen. Het flesje maakt het ziekenhuis ook bij andere moeders klaar en heeft zij steeds zelfstandig aan [minderjarige] gegeven. De moeder wil overigens overstappen op borstvoeding. Het tempen van [minderjarige] kan met speciale apparatuur voor blinden waarbij de temperatuur wordt gesproken. Zij heeft de voor [minderjarige] benodigde spullen in huis en zijn kinderkamer is in gereedheid gebracht. Dat is ook door veilig thuis en de kraamverzorgster bij haar thuis vastgesteld. Toen de moeder bij de vader van haar oudste kinderen is vertrokken omdat hij tegen haar schreeuwde en haar niet goed behandelde, heeft zij enige tijd omgang met haar kinderen gehad bij de vader thuis. De begeleiding van die omgang werd door een dame van Radar gedaan en deze keek ook mee als de moeder de kinderen zelf verzorgde. De moeder staat open voor hulpverlening als dat noodzakelijk wordt geoordeeld. Ook thuis mogen de instanties gepland en ongepland komen kijken hoe de moeder voor [minderjarige] zorgt. De moeder is ook bereid om in een babyhuis of moeder-kind-huis met [minderjarige] te verblijven als dat van haar wordt gevraagd zodat ze kan laten zien dat ze zelfstandig voor [minderjarige] kan zorgen. Haar buren zijn beschikbaar als zij hulp en bijstand nodig heeft en zij heeft zelf voor hun kindje vanaf

7 maanden oud regelmatig gezorgd en opgepast, soms wel een hele dag lang. Dat is ook steeds goed gegaan. Haar broer verheugt zich op de thuiskomst van [minderjarige] en is ook nu al in het ziekenhuis bij de verzorging van [minderjarige] betrokken. De vader van [minderjarige] heet [naam] met de achternaam en woont in een woongroep op 2 uur reizen met het openbaar vervoer vanaf haar woonadres. Via facebook heeft de moeder hem leren kennen maar zij heeft hem enige maanden al niet meer kunnen bereiken omdat hij noch via facebook noch via zijn afgesloten telefoonnummer meer te bereiken is. De vader weet niet van de zwangerschap van de moeder. De moeder ontkent dat haar broer de vader is van [minderjarige]. De matrassen van haar en hem staan wel op één kamer en haar broer heeft bij haar gelegen maar dat was alleen met het oog op de bevalling als deze zich onverwacht thuis zou aandienen. De broer slaapt erg vast en zo was de moeder er zeker van dat hij haar bij die bevalling zou hebben kunnen helpen. (voormelde zin weg? FB) Toen bekend werd dat de moeder zwanger was, is zij door haar gynaecoloog of maatschappelijk werkster verwezen naar een projectgroep risico zwangere moeders. Met die groep is zij niet echt in gesprek gekomen omdat de bevalling al heel snel voor de deur bleek te staan. Radar heeft niet geconstateerd dat de moeder niet zelfstandig voor haar andere kinderen kon zorgen maar heeft alleen de omgang van de moeder bij de vader thuis begeleid, terwijl die relatie tussen de ouders gespannen was. Een uithuisplaatsing acht de moeder niet noodzakelijk.

2.5.

Voorlopige ondertoezichtstelling

2.5.1.

Op grond van artikel 1:257 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige voorlopig onder toezicht stellen indien een ernstig vermoeden bestaat dat aan de gronden voor de ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan en indien de maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen.

2.5.2.

Uit artikel 1:255 lid 1 BW volgt dat de kinderrechter een minderjarige onder toezicht kan stellen van een gecertificeerde instelling indien deze zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn gezaghebbende ouder(s), door hen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd. Voorts dient de verwachting gerechtvaardigd te zijn dat de gezaghebbende ouder(s) binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat zijn te dragen.

2.5.3.

De kinderrechter is van oordeel dat uit de overgelegde stukken en het onderzoek en debat op de zitting voldoende blijkt dat een ernstig vermoeden bestaat dat de grond voor een ondertoezichtstelling is vervuld. Een voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om een acute en ernstige bedreiging voor [minderjarige] weg te nemen. [minderjarige] zal voorlopig onder toezicht worden gesteld voor een termijn van drie maanden (artikel 1: 257 BW).

2.5.4.

De kinderrechter deelt de voorlopige visie van de raad, mede gezien de verschillende bronnen (actueel: het ziekenhuis, veilig thuis, de raad en (het verleden van de moeder in relatie tot haar andere kinderen:) de vader van die kinderen, Radar en Kracht in Zorg) die de raad naar voren heeft gebracht, in combinatie met de blindheid van de moeder en haar IQ van 70, dat er serieuze zorgen zijn over de mogelijkheden van de moeder om zelfstandig te kunnen voorzien in de primaire levensbehoeften van haar net één week oude baby [minderjarige]. Hoewel nog geen zicht is gekregen op de bij de moeder in 2014 vastgestelde borderline persoonlijkheidsstoornis en hoe deze zich in de praktijk van alle dag manifesteert of kan manifesteren in relatie tot de zorg voor [minderjarige], wordt deze stoornis meegewogen bij de conclusie van het ernstig vermoeden dat de grond voor een ondertoezichtstelling is vervuld. De ernstige zorgen liggen op het vlak van de primaire verzorging van [minderjarige], meer in het bijzonder het adequaat toezicht houden op [minderjarige] waaronder zijn gezondheid en hygiëne en het zelfstandig kunnen zorgen voor [minderjarige]. Dat de moeder de voorlopige bevindingen van de raad gemotiveerd betwist, doet op zichzelf in dit stadium geen afbreuk aan de conclusie dat er een ernstig vermoeden is dat er een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige] bestaat als bedoeld in de wet. Hoewel de moeder van oordeel is dat zij geen hulp nodig heeft bij de verzorging van [minderjarige] heeft zij ook aangegeven dat zij alle door de instanties noodzakelijk geachte hulp bereid is te accepteren en toe te laten als zij maar zelf voor [minderjarige] mag zorgen. Gelet daarop bestaat er onvoldoende zicht op of de moeder ook aan de noodzakelijke hulpverlening zal meewerken als [minderjarige] uit het ziekenhuis wordt ontslagen. Het is aan de moeder om te laten zien dat zij aan de door de raad en met name de GI noodzakelijk geachte hulpverlening haar medewerking verleent zodat zicht kan worden gekregen op de actuele mogelijkheden om 24 uur per dag en 7 dagen per week zelfstandig (al dan niet met ondersteuning van hulpverlening) voor haar [minderjarige] te zorgen. Om die redenen acht de kinderrechter de maatregel van de voorlopige ondertoezichtstelling noodzakelijk is om een acute en ernstige dreiging voor [minderjarige] weg te nemen waarbij meeweegt dat de kwetsbare [minderjarige] na zijn aanstaande ontslag uit het ziekenhuis volledig afhankelijk is van zijn verzorger en dat deze elke dag, 24 uur, voor hem beschikbaar moeten zijn om hem te verzorgen.

2.6.

Uithuisplaatsing

2.6.1.

Artikel 1:265b BW bepaalt dat de kinderrechter op verzoek van de raad een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige gedurende dag en nacht kan verlenen indien dit noodzakelijk is (voorzover van belang) in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige.

2.6.2.

De raad heeft zodanige zorgen over de mogelijkheden van de moeder in relatie tot de kwetsbare en volledig van zijn moeder afhankelijke baby [minderjarige] dat zij het noodzakelijk acht dat [minderjarige] in een pleeggezin wordt verzorgd en opgevoed.

2.6.3.

De raad heeft daarbij aangegeven te hebben onderzocht of er voor moeder en [minderjarige] een plek is te vinden in een babyhuis of moeder-kind-huis waar zij een periode kunnen verblijven zodat zicht kan worden gekregen op de (on)mogelijkheden van de moeder om op een adequate en veilige wijze voor [minderjarige] te kunnen zorgen, terwijl gelijktijdig (zo begrijpt de kinderrechter) de bevindingen in het kader van de voorlopige ondertoezichtstelling daarbij door de raad kunnen worden betrokken. De kinderrechter begrijpt dat die plek niet is gevonden en ook niet beschikbaar is in Nederland omdat de moeder een visuele beperking heeft waardoor die plekken een opname van moeder en kind niet verantwoord vinden. Niet verantwoord omdat in een voor de moeder vreemde omgeving met andere kinderen en moeders een valpartij van de moeder gemakkelijk kan plaats vinden én die huizen ook geen 24 uurs-toezicht kennen zoals de raad kennelijk voor de moeder en [minderjarige] noodzakelijk acht.

2.6.4.

De kinderrechter stelt voorop dat op de overheid een vergaande verplichting ligt om het familieleven van moeder en kind te beschermen en mogelijk te maken en dat daarop eerst een vergaande inbreuk mag worden gemaakt als dat onder de gegeven omstandigheden noodzakelijk is gelet op artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de onder dat artikel ontwikkelde uitgangspunten. Voor die uitgangspunten die door de overheid en ook door de rechterlijke instanties moeten worden toegepast, wijst de rechtbank op bijvoorbeeld de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 18 december 2008 (te vinden onder EHRC 2009/18, EHRM, 18-12-2008, 39948/06) over 2 blinde ouders en hun kinderen.

2.6.5.

Uit het verloop van de behandeling van deze zaak is duidelijk geworden dat de raad een opname van moeder en [minderjarige] in een baby of moeder-kind huis aangewezen vindt om te onderzoeken of de moeder in staat is voor [minderjarige] te zorgen én ook dat dat gelet op haar blindheid niet mogelijk is omdat er voor haar beperking nergens een passende voorziening te vinden is of is geregeld. In het kader van de te bepalen voorlopige ondertoezichtstelling, zoals hiervoor toegelicht, ligt een onderzoek naar de mogelijkheden van de moeder om voor [minderjarige] te zorgen voor de hand. Als de kinderrechter de raad bij de invulling van dat onderzoek zou volgen, wordt de moeder louter vanwege haar handicap anders behandelt dan de moeders die in vergelijkbare omstandigheden verkeren en die handicap niet hebben. Dat zou betekenen dat moeder en [minderjarige] louter om die reden uit elkaar zouden worden gehaald en daarin kan de kinderrechter niet meegaan. De overheid moet deze moeder gelijk behandelen als andere moeders in vergelijkbare omstandigheden; dat betekent concreet dat, waar de moeder openstaat voor elke hulpverlening die voor haar situatie en [minderjarige] nodig wordt gevonden, de overheid, in dit geval de gezinsvoogd in samenspraak met de woongemeente van [minderjarige], die voor de voor hem en de moeder noodzakelijke jeugdhulp verantwoordelijk is, op korte termijn zal moeten organiseren dat de moeder en [minderjarige] in de haar bekende en voor haar veilige thuissituatie de noodzakelijke hulp en begeleiding krijgen om zicht te krijgen op de mogelijkheden van de moeder om zelfstandig of met meer of minder hulp voor [minderjarige] adequaat te kunnen zorgen.

2.6.6.

Aan de moeder is het om aan de uitvoering van de noodzakelijke hulp mee te werken; daarmee krijgt zij de serieuze kans die zij heeft gevraagd te krijgen om te laten zien dat zij zo veel mogelijk zelfstandig voor [minderjarige] in haar thuissituatie kan zorgen.

Bij die stand van zaken wordt geconcludeerd dat het thans niet noodzakelijk wordt geacht om [minderjarige] voor zijn opvoeding en verzorging uit huis te plaatsen. Dat betekent dat dit onderdeel van het verzoek van de raad wordt afgewezen.

5 De beslissing


De kinderrechter:

stelt [minderjarige], geboren op [2019] te [geboorteplaats], voorlopig onder toezicht van de gecertificeerde instelling ‘William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering’, met ingang van heden voor de duur van drie maanden, derhalve tot

20 november 2019;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.H.J. Frénay, kinderrechter, in tegenwoordigheid van de griffier en in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2019.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
's-Hertogenbosch