Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:9931

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
23-05-2018
Datum publicatie
24-10-2018
Zaaknummer
6600749 CV EXPL 18-461
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incident exeptie onbevoegdheid afgewezen. Vordering uit hoofde van uitvoeringsovereenkomst zoals bedoeld in art. 216 Pensioenwet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2018/153 met annotatie van B. Degelink
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: 6600749 CV EXPL 18-461

Vonnis in incident van 23 mei 2018

in de zaak van

[eiser in hoofdzaak, verweerder in het incident] ,

wonend te [woonplaats] ,

eisende partij in de hoofdzaak,

verwerende partij in het incident,

gemachtigde mr. F.A.A.C. Traa,

tegen

de naamloze vennootschap
AZL N.V.,

gevestigd en kantoorhoudend te Heerlen,

gedaagde partij in de hoofdzaak,

eiserseisende partij in het incident,

gemachtigde mr. M.M.J.H. Brouner.

Partijen zullen hierna [eiser in hoofdzaak, verweerder in het incident] en AZL genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties 1 t/m 23

  • -

    de incidentele conclusie tot verwijzing naar de rechtbank

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De beoordeling in het incident

2.1.

AZL vordert dat de kamer voor kantonzaken zich onbevoegd verklaart en de zaak verwijst naar de rechtbank. AZL stelt dat de bij dagvaarding gevorderde schadevergoeding van ruim € 100.000,00 geen aardvordering of andersoortige vordering betreft op grond waarvan de kamer voor kantonzaken bevoegd is van de zaak kennis te nemen.

2.2.

[eiser in hoofdzaak, verweerder in het incident] stelt dat AZL in de hoedanigheid van administrateur van de Stichting Pensioenfonds Acordis en van de Stichting Diolen Pensioenfonds de pensioenaanspraken van [eiser in hoofdzaak, verweerder in het incident] bij die fondsen heeft geadministreerd en dat AZL in dat kader haar zorg- en informatieplicht jegens [eiser in hoofdzaak, verweerder in het incident] heeft geschonden. Het geschil is volgens [eiser in hoofdzaak, verweerder in het incident] wel degelijk terug te voeren naar het onderwerp “pensioen” en om die reden is de kantonrechter ex art. 216 van de Pensioenwet bevoegd om van het geschil kennis te nemen.

2.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

2.4.

Voor het beoordelen van de incidentele vordering van AZL is relevant het bepaalde in art. 216 Pensioenwet.

Dit artikel luidt als volgt:

“Zaken betreffende vorderingen uit hoofde van een pensioenovereenkomst, een uitvoeringsovereenkomst, een uitvoeringsreglement of een pensioenreglement worden door de kantonrechter behandeld en beslist.”

2.5.

In de memorie van toelichting behorende bij art. 216 Pensioenwet is – voor zover relevant – het volgende opgenomen:

“Dit artikel dient ter vervanging van artikel 33 van de PSW. Evenals bij de invoering van de PSW is ervoor gekozen om aan te sluiten bij de arbeidsovereenkomst en behandeling door de kantonrechter vanuit de gedachte dat eventuele procedures op zo eenvoudig mogelijke wijze en met zo gering mogelijke kosten kunnen worden gevoerd. Dat uitgangspunt is nog steeds actueel.

Gebleken is echter dat deze bepaling toch op een aantal punten voor de praktijk tot onduidelijkheid leidt en tot bevoegdheid van een andere rechter dan de kantonrechter, bijvoorbeeld in geval van geschillen met verzekeraars of vorderingen van anderen dan een deelnemer.

Voor de formulering van het nieuwe artikel is aangesloten bij artikel 93 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Daarin is bepaald dat zaken betreffende een arbeidsovereenkomst, ongeacht het beloop of de waarde van de vordering, door de kantonrechter worden behandeld en beslist. Het nu voorgestelde artikel ziet op de driehoeksverhouding die in het kader van een pensioenregeling relevant is, namelijk tussen werknemer en werkgever via de pensioenovereenkomst, tussen werkgever en pensioenuitvoerder via de uitvoeringsovereenkomst en tussen deelnemer en pensioenuitvoerder via het pensioenreglement. De formulering «ter zake van deelneming in en uitkering uit een fonds» is niet overgenomen omdat op basis daarvan wel geconcludeerd werd dat artikel 33 van de PSW niet van toepassing is op bijvoorbeeld een vordering van een nabestaande van een deelnemer. Die beperking is niet wenselijk.

Door de pensioenovereenkomst uitdrukkelijk te noemen valt ook de werknemers/werkgeversverhouding onder dit artikel. Dat is nieuw ten opzichte van artikel 33 van de PSW maar materieel verandert er niets omdat een geschil in die verhouding al op basis van artikel 93 van het Wetboek van Rechtsvordering door de kantonrechter beoordeeld wordt.

Met het noemen van de uitvoeringsovereenkomst en het pensioenreglement is tevens beoogd de kantonrechter ook bevoegd te laten zijn ten aanzien van de geschillen tussen een verzekeraar en een werkgever of tussen een verzekeraar en een deelnemer. Op die manier wordt een nu bestaand onderscheid tussen pensioenfondsen en verzekeraars opgeheven.”

2.6.

[eiser in hoofdzaak, verweerder in het incident] stelt in de dagvaarding – kort en zakelijk weergegeven – het volgende:

[eiser in hoofdzaak, verweerder in het incident] heeft door het verwijtbaar nalaten van AZL over een tijdvak van 22 jaar pensioenopbouw “verloren”. In de visie van [eiser in hoofdzaak, verweerder in het incident] heeft AZL dan ook haar zorgplicht jegens hem ernstig geschonden, reden waarom [eiser in hoofdzaak, verweerder in het incident] AZL aanspreekt op schade die hij ten gevolge van dat nalatig en onrechtmatig handelen heeft geleden en in de toekomst nog zal lijden.

2.7.

De vordering in de hoofdzaak is gebaseerd op onrechtmatige daad.

2.8.

Het geschilpunt in het incident is of de zaak onder de reikwijdte van art. 216 Pensioenwet valt en daardoor door de kantonrechter behandeld en beslist dient te worden. Bij de beoordeling van dit geschilpunt is van doorslaggevende betekenis de uitleg van de zinsnede ‘vorderingen uit hoofde van’ in art. 216 Pensioenwet.

2.9.

De kantonrechter is – mede gelet op de memorie van toelichting behorende bij art. 216 Pensioenwet – van oordeel dat de zinsnede ‘vorderingen uit hoofde van’ ruimer uitgelegd moet worden dan dat de vordering voortvloeit uit een pensioenovereenkomst, een uitvoeringsovereenkomst, een uitvoeringsreglement of een pensioenreglement. Dit houdt in dat een vordering op grond van onrechtmatige daad ook onder de reikwijdte van art. 216 Pensioenwet kan vallen indien de grondslag van de vordering een pensioenovereenkomst, een uitvoeringsovereenkomst, een uitvoeringsreglement of een pensioenreglement is.

2.10.

Gelet op het bovenstaande is de kantonrechter van oordeel dat de vordering in de hoofdzaak gekwalificeerd kan worden als een vordering die uit hoofde van een uitvoeringsovereenkomst is ontstaan zoals is bedoeld in art. 216 Pensioenwet. De incidentele vordering zal derhalve worden afgewezen.

2.11.

De kantonrechter zal de beslissing omtrent de kosten van het incident aanhouden, totdat in de hoofdzaak zal worden beslist.

3 De beslissing

De kantonrechter

in het incident

3.1.

wijst het gevorderde af,

3.2.

houdt de beslissing omtrent de kosten van het incident aan,

in de hoofdzaak

3.3.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 20 juni 2018 voor conclusie van antwoord.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J. Otto en in het openbaar uitgesproken.1

1 type: AH coll: