Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:9930

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
17-10-2018
Datum publicatie
30-10-2018
Zaaknummer
C/03/255489 / KG ZA 18-535
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De regel van Ritzen-Hoekstra (ECLI:NL:HR:1983: AG4575) geldt ook voor een verstekvonnis. Het enkele feit dat dit vonnis is gewezen zonder dat inhoudelijk verweer naar voren is gebracht, betekent nog niet dat in een executiegeschil (alsnog) een inhoudelijke toets dient plaats te vinden. Bij een verstekvonnis kan echter wel eerder dan bij een op tegenspraak gewezen vonnis de conclusie worden getrokken dat naderhand is gebleken van feiten, die - waren ze eerder bekend geweest - naar verwachting tot een andere uitspraak zouden hebben geleid, omdat immers in verstekzaken in beginsel de vordering en hetgeen daaraan ten grondslag is gelegd slechts summierlijk worden getoetst, doorgaans op eenzijdig door de eiser aangevoerde gronden en zonder dat een partijdebat heeft plaatsgevonden. De Ritzen-Hoekstra maatstaf laat in het hier aan de orde zijnde geval van een verstekvonnis ook ruimte om in andere dan de twee specifiek door de Hoge Raad in zijn arrest genoemde gevallen (juridische of feitelijke misslag dan wel nood-toestand) de tenuitvoerlegging te schorsen of te verbieden, in het bijzonder op de grond dat sprake is van misbruik van bevoegdheid (artikel 3:13 BW). Van misbruik kan sprake zijn in het geval waarin de tenuitvoerlegging plaatsvindt op basis van een verstekvonnis en er, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, rekening moet worden gehouden met de serieuze mogelijkheid dat de kantonrechter de veroordeling van opposant tot ontruiming van het gehuurde niet zou hebben uitgesproken indien hij in de procedure die heeft geleid tot het vonnis van 25 oktober 2017 was verschenen en de in het onderhavige executiegeschil opgeworpen argumenten als verweer had aangevoerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/255489 / KG ZA 18-535

Vonnis in kort geding van 9 oktober 2018

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. G.J.E. Schoofs,

tegen

de stichting

STICHTING WONEN ZUID,

gevestigd te Roermond,

gedaagde,

vertegenwoordigd door Y.O.H.H. Jonges, woonconsulent.

Partijen zullen hierna [eiser] en Wonen Zuid genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 3 oktober 2018, met producties,

  • -

    de brief van 4 oktober 2018 van de zijde van Wonen Zuid, met producties,

  • -

    de mondelinge behandeling van 9 oktober 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Bij vonnis bij verstek van 25 oktober 2017 van de kantonrechter te Maastricht (kenmerk 6378334 CV EXPL 17-7663) is het volgende tussen Wonen Zuid als eisende partij en [eiser] als gedaagde partij beslist:

De kantonrechter

3.1.

ontbindt de bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan de [adres] te [woonplaats] ,

3.2.

veroordeelt gedaagde partij om binnen twee weken na de betekening van dit vonnis voormeld gehuurde te verlaten en te ontruimen en met afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van eisende partij te stellen,

3.3.

veroordeelt gedaagde partij om tegen bewijs van kwijting aan eisende partij te betalen:

- de somma van € 2.152,67,

- vanaf 1 november 2017 voor elke maand of gedeelte hiervan, waarin gedaagde partij het gehuurde niet geheel ontruimd ter vrije beschikking van eisende partij heeft gesteld, het bedrag van € 640,91 per maand,

3.4.

veroordeelt gedaagde partij in de proceskosten aan de zijde van eisende partij, tot op heden begroot op € 721,05,

3.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

3.6.

wijst af het meer of anders gevorderde.

2.2.

Op 7 november 2017 hebben Wonen Zuid en [eiser] de volgende overeenkomst tot uitstel van executie gesloten:

Verklaren te zijn overeengekomen als volgt;

a. Dat als gevolg van de grosse van een vonnis gewezen door mr. R.H.J. Otto van
25 oktober 2017 gewezen tussen de hiervoor genoemde partijen de huurovereenkomst met betrekking tot de staande en gelegen te [woonplaats] , [adres] , is ontbonden en daarom moet huurder tot ontruiming overgaan.

b. Wonen Zuid regio Parkstad & Heuvelland is niettemin bereid voorlopig de executie van het vonnis voor wat betreft de daadwerkelijke gerechtelijke ontruiming uit te stellen en huurder de mogelijkheid te geven het gebruik van de staande en gelegen te [woonplaats] , [adres] voort te zetten maar onder zéér strikte voorwaarden.

c. Het is partijen duidelijk dat gezien vooral het betalingsgedrag in het verleden van huurders vooralsnog GEEN nieuwe huurovereenkomst tussen partijen wordt gesloten.

d. Voor de ingebruikname van de staande en gelegen te Nuth, [adres] na 1 november 2017 moet huurder maandelijks bij wijze van schadevergoeding een bedrag betalen ter grootte van de voorheen de geldende totale huurprijs; over het deel van deze vast te stelten schadevergoeding dat overeenkomt met de voorheen geldende huurprijs, wordt een verhoging berekend overeenkomstig de jaarlijkse huurverhoging.

e. Het bedrag aan schadevergoeding van € 640,91 per maand dient huurder bij vooruitbetaling vóór de eerste van iedere maand te voldoen door storting/overschrijving op [rekeningnummer] ten name van:

Wonen Zuid

Postbus 2986

6401 DL Heerlen

onder vermelding van: K-19261/ [adres]

inzake: Wonen Zuid/ [eiser]

f. Voor wat betreft de achterstallige huur t/m november2017, proceskosten, kosten van betekening en verdere (executie)kosten, zijn inmiddels volledig voldaan zijn.

g. Voor wat betreft de overige verplichtingen van partijen jegens elkaar wordt verwezen naar de verplichtingen die partijen onder de reeds ontbonden huurovereenkomst hadden. Partijen verklaren zich hierbij genoegzaam met de inhoud ervan bekend en met name verklaart huurder uitdrukkelijk de staande en gelegen te [woonplaats] , [adres] in goede staat te hebben ontvangen en dit object ook weer in dezelfde goede staat aan Wonen Zuid regio Parkstad & Heuvelland op te leveren zonder dat hiervoor een beschrijving van het object is gemaakt.

h. Pas na een periode van twaalf maanden vanaf 1 december 2017 zal door Wonen Zuid regio Parkstad & Heuvelland worden bezien of, onder de op dat moment nader te bepalen voorwaarden, een nieuwe huurovereenkomst zal worden gesloten met huurder.

1. Als huurder op welke wijze dan ook in gebreke blijft -maar meer speciaal doch niet uitsluitend met tijdige of niet stipte betaling-, vervalt deze overeenkomst meteen zonder nadere ingebrekestelling of aankondiging van Wonen Zuid regio Parkstad & Heuvelland. Verder zal dan ook, zonder nadere waarschuwing of aankondiging een nieuwe datum voor de gerechtelijke ontruiming worden vastgesteld. Deze zal per deurwaardersexploot aan huurder worden medegedeeld.

J. Huurder verklaart bij deze uitdrukkelijk en onherroepelijk dat hij dan akkoord gaat dat Wonen Zuid regio Parkstad & Heuvelland alsnog het onder “a” genoemde vonnis onmiddellijk ten uitvoer zal doen leggen.

k. Verder is huurder gewezen op het feit dat hij diverse keren telefonisch, verbaal agressief is geweest jegens verschillende medewerkers van Wonen Zuid. Ook heeft huurder telefonisch gedreigd met het feit dat hij wel wist waar de ouders van een medewerker woonde als een en ander niet naar tevredenheid werd opgelost. Wij willen een dergelijke situatie in de toekomst voorkomen. Voor ons, maar ook voor u. Want bij een herhaling van agressief gedrag geven wij een contactverbod en doen wij aangifte bij de politie. Daarom voegen wij een bijlage toe aan deze overeenkomst waarin staat hoe wij op een respectvolle manier met elkaar kunnen omgaan.

2.3.

Bij brief van 5 januari 2018 heeft Wonen Zuid bij monde van haarincassomedewerker [eiser] medegedeeld dat de vergoeding voor de maanden december 2017 en januari 2018 niet is betaald. Medegedeeld is dat als niet uiterlijk 10 januari 2018 wordt betaald ontruiming wordt aangezegd.

Bij brieven van 17 januari 2018 en 6 juni 2018 heeft Wonen Zuid bij monde van haar leefbaarheidsmedewerker dan wel wijkcoördinator uitdrukkelijk [eiser] erop gewezen dat hij te laat betaalt en dat dit consequenties zal hebben.

Bij brief van 5 september 2018 heeft Wonen Zuid [eiser] bij monde van haar incassomedewerker medegedeeld dat al weer te laat is betaald en dat ontruiming wordt aangezegd als volledige betaling niet wordt ontvangen.

2.4.

Op 10 september 2018 heeft de partner van [eiser] een deel van het openstaande bedrag, te weten € 550,00 van € 653,38, betaald.

2.5.

Op 20 september 2018 is het vonnis van 25 oktober 2017 betekend en is de ontruiming aangezegd voor woensdag 10 oktober 2018.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert primair een verbod van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 25 oktober 2017, en subsidiair schorsing daarvan totdat op het verzet tegen dit vonnis is beslist, een en ander met veroordeling van Wonen Zuid in de kosten van de procedure.

3.2.

Wonen Zuid voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

De spoedeisendheid

4.1.

De spoedeisendheid vloeit voort uit de aard van de zaak.

Verbod c.q. schorsing van tenuitvoerlegging van het vonnis van de 25 oktober 2017

4.2.

In een executiegeschil kan de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van een vonnis slechts schorsen of verbieden indien hij van oordeel is dat de executant - mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad - geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard (ECLI:NL:HR:1983: AG4575, Ritzen-Hoekstra).

4.3.

Deze regel geldt ook voor een verstekvonnis. Het enkele feit dat dit vonnis is gewezen zonder dat inhoudelijk verweer naar voren is gebracht, betekent nog niet dat in een executiegeschil (alsnog) een inhoudelijke toets dient plaats te vinden. Bij een verstekvonnis kan echter wel eerder dan bij een op tegenspraak gewezen vonnis de conclusie worden getrokken dat naderhand is gebleken van feiten, die - waren ze eerder bekend geweest - naar verwachting tot een andere uitspraak zouden hebben geleid, omdat immers in verstekzaken in beginsel de vordering en hetgeen daaraan ten grondslag is gelegd slechts summierlijk worden getoetst, doorgaans op eenzijdig door de eiser aangevoerde gronden en zonder dat een partijdebat heeft plaatsgevonden.

4.4.

Bovengenoemde maatstaf uit het arrest Ritzen-Hoekstra laat in het hier aan de orde zijnde geval van een verstekvonnis ook ruimte om in andere dan de twee specifiek door de Hoge Raad in zijn arrest genoemde gevallen (juridische of feitelijke misslag dan wel noodtoestand) de tenuitvoerlegging te schorsen of te verbieden, in het bijzonder op de grond dat sprake is van misbruik van bevoegdheid (artikel 3:13 BW). Van misbruik kan sprake zijn in het geval waarin de tenuitvoerlegging plaatsvindt op basis van een verstekvonnis en er, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, rekening moet worden gehouden met de serieuze mogelijkheid dat de kantonrechter de veroordeling van [eiser] tot ontruiming van het gehuurde niet zou hebben uitgesproken indien [eiser] in de procedure die heeft geleid tot het vonnis van 25 oktober 2017 was verschenen en de in het onderhavige executiegeschil opgeworpen argumenten als verweer had aangevoerd.

4.5.

Dat er sprake is van een juridische of feitelijke misslag in het verstekvonnis van
25 oktober 2017 is niet gesteld en ook niet gebleken.

4.6.

Door [eiser] is aangevoerd dat de aanzegging van de ontruiming van de woning en de voortzetting van de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn, omdat de aangezegde ontruiming bij [eiser] een noodtoestand zal doen ontstaan.

Voor zover [eiser] beroep heeft willen doen op een noodtoestand vanwege het feit dat allerlei in gang gezette procedures inzake schuldsanering en omgang en gezag over zijn minderjarige kinderen door de ontruiming op losse schroeven komen te staan, moet geoordeeld worden deze procedures, die overigens niet nader zijn toegelicht of met stukken onderbouwd, weliswaar als nieuwe omstandigheden kunnen worden aangemerkt die na het vonnis van 25 oktober 2017 aan de zijde van [eiser] zijn ontstaan, maar een buitengewone noodtoestand leveren zij niet op.

4.7.

Het feit dat [eiser] door de ontruiming dakloos wordt, is inherent aan een ontruiming en een omstandigheid die reeds door de kantonrechter in het verstekvonnis van 25 oktober 2017 is meegewogen. Dat [eiser] geen financiële middelen heeft om te huren in de commerciële sector doet daar niet aan af, evenmin dat hij moeilijk een woning zal verkrijgen in de sociale sector. [eiser] heeft overigens niet nader onderbouwd dat hij nergens terecht kan. Daarnaast heeft [eiser] in strijd met de gemaakte afspraken niet de schadevergoeding over de maand september (geheel) vóór de eerste van die maand aan Wonen Zuid voldaan. Het standpunt van [eiser] dat de ontruiming naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, wordt dan ook verworpen.

4.8.

[eiser] voert voorts aan dat er jegens hem sprake is van een gerechtvaardigd vertrouwen dat de ontruiming niet zou worden aangezegd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft Wonen Zuid door op 10 september 2018 het bedrag van € 550,00 te accepteren niet bij [eiser] het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat de ontruiming niet zou worden aangezegd.

4.9.

[eiser] is van mening dat Wonen Zuid geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van haar bevoegdheid om tot tenuitvoerlegging over te gaan. De voorzieningenrechter begrijpt dat [eiser] zich op misbruik van bevoegdheid zijdens Wonen Zuid beroept. De voorzieningenrechter is van oordeel dat daarvan geen sprake is. Zij overweegt daartoe het volgende.

4.10.

Vast staat dat ten tijde van dagvaarden [eiser] het restant van de schadevergoeding over september 2018 en de gehele schadevergoeding over oktober 2018 nog niet had betaald en onweersproken is dat ten tijde van de uitspraak waartegen verzet is gedaan de huurachterstand ten minste drie maanden beliep.

4.11.

[eiser] beroept zich op persoonlijke en financiële omstandigheden. Destijds (in 2017) was zijn relatie stuk gelopen en de woning was tijdelijk onbewoonbaar wegens waterschade en nu (in september en oktober 2018) liet de uitbetaling van een uitkering op basis van de Ziektewet enige tijd op zich wachten. Daarnaast is, zo betoogt [eiser] , een aanvang gemaakt met opname in een schuldsaneringstraject en is ook een definitieve regeling voor omgang met zijn minderjarige kinderen op handen. Deze omstandigheden en belangen zijn, zoals reeds overwogen, niet nader met documentatie onderbouwd. De omstandigheden zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook niet zo zwaarwegend dat daardoor het belang van Wonen Zuid bij de uitgesproken ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde dient te wijken.

4.12.

Hetgeen [eiser] aan feiten en omstandigheden heeft aangevoerd levert onvoldoende grond op voor het oordeel dat er serieus rekening mee moet worden gehouden dat de ontbinding en ontruiming niet zouden zijn uitgesproken als [eiser] in de procedure zou zijn verschenen. Van misbruik van bevoegdheid aan de zijde van Wonen Zuid is niet sprake.

4.13.

De voorzieningenrechter heeft daarbij meegenomen dat er de mogelijkheid is van het bieden van een terme de grâce. De rechter is daartoe echter niet verplicht en in dit geval heeft [eiser] daarom ook niet expliciet verzocht. Het gunnen van een zodanige termijn zou de herhaling van het niet-nakomen van de verplichtingen uit de overeenkomst van
7 november 2017 – het tijdig en volledig betalen van de vergoeding – negeren, zodat van het aanbieden daarvan af wordt gezien.

4.14.

De primaire vordering moet om deze redenen worden afgewezen.

4.15.

Subsidiair is gevraagd om schorsing totdat onherroepelijk uitspraak is gedaan in het verzet tegen het vonnis van 25 oktober 2017. Omdat zoals ter zitting is verklaard de verzetdagvaarding nog niet is betekend, is er nog geen procedure aanhangig, zodat om die reden alleen al er geen grond is om de tenuitvoerlegging te schorsen.

Proceskosten

4.16.

[eiser] zal al de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding, die Wonen Zuid tot op heden heeft moeten maken.

Wonen Zuid heeft zich niet laten bijstaan door een advocaat, zodat [eiser] enkel veroordeeld wordt tot betaling van het griffierecht, begroot op € 626,00.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vordering af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding aan de zijde van Wonen Zuid tot op heden begroot op € 626,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.H.A. Venner-Lijten en in het openbaar uitgesproken.1

1 type: EvB coll: