Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:9860

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
15-10-2018
Datum publicatie
29-10-2018
Zaaknummer
C/03/254524 / KG ZA 18-482
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding, voorzieningenrechter

Eiser heeft onvoldoende aan (de strekking van) het vonnis van de kantonrechter in kort geding voldaan. Hij heeft de gevaarzetting (omgekapte) Canadese populier onvoldoende weggenomen. Eiser heeft daardoor dwangsommen verbeurd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer: C/03/254524 / KG ZA 18-482

Vonnis in kort geding van 15 oktober 2018

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. D.D. Senders te Leusden,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. R.P.H. Sangers te Maastricht.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 11 september 2018,

  • -

    de stukken van [gedaagde] ,

  • -

    de mondelinge behandeling van 2 oktober 2018,

  • -

    de pleitnota’s van partijen,

  • -

    de op de mondelinge behandeling overgelegde foto’s van partijen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is eigenaar van het perceel [adres 1] te [plaats] . [gedaagde] is vruchtgebruiker van het ernaast gelegen perceel met nummer [adres 2] . Op het perceel van [eiser] stond tot februari/maart 2018 een grote Canadese populier.

2.2.

Partijen hebben over die boom bij de kantonrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond (zaaknummer 5992072 \ CV EXPL 17-4324) geprocedeerd. In die procedure (hierna te noemen: de bodemzaak) heeft de kantonrechter op 10 januari 2018 vonnis gewezen. Dat vonnis is onherroepelijk geworden.

2.3.

De kantonrechter heeft in de bodemzaak - onder ander - beslist:

9.1. beveelt [eiser] als eigenaar van het perceel [adres 1] te [plaats] de Canadese populier volledig te (doen) verwijderen binnen een termijn van 2 maanden, na betekening van dit vonnis,

9.2.

bepaalt dat [eiser] bij niet-voldoening aan het vorenstaande een dwangsom verbeurt van € 250,00 voor elke dag of deel van een dag dat hij daarmee in gebreke blijft, zulks tot een maximum is bereikt van € 20.000,00”.

2.4.

De kantonrechter heeft daartoe - in het bijzonder - overwogen:

“…

4.3.

[gedaagde] onderbouwt zijn stellingen en vordering met het onder 2.4 genoemde inspectierapport van [naam] . Daarin staat onder meer:

“De volgende bevindingen (..) zijn visueel zichtbaar en dus geconstateerd:

• De formaat van de boom is buiten proportie voor deze locatie;

• Het hart van de boom(stam) is op +- 70cm van het buitenblad geplaatst;

• Er zijn overhangende takken geconstateerd;

• De stam en wortels groeien in de gevel;

• Door de verdrukking treden er gevaarlijke situaties op;

• Door de wortelgroei treedt er verzakking van de bestrating op;

• Door de wortelgroei treedt er wateroverlast in de kelder op.

Naast deze zichtbare gebreken is er, op de middel tot langere termijn, ook grote kans op gevolgschade aanwezig.

(..)

• Doordat de boom in de gevel groeit zal op termijn het buitenblad worden weggedrukt. Zodra de gevel wordt weggedrukt zal water, nog makkelijker, het pand binnentreden waardoor wateroverlast meer zal toenemen. Verder ontstaat er schade aan het metselwerk en mogelijkheid van binnenblad.

• Doordat de wortels langs de kelder groeien en de stam in de gevel groeit, kunnen op termijn constructieve problemen ontstaan. Doordat de wortels de grond wegnemen en de wortels met en met onder de fundering en in de gevel groeien is de kans op verzakking aanwezig. Hierdoor ontstaan verzakkingen welke van constructieve aard zijn.

(..)”.

4.4.

Daarnaast heeft [gedaagde] boomdeskundige [naam boomdeskundige] ingeschakeld die in haar rapport onder meer concludeert:

“de urgentie tot handelen is hoog

(..)

deze boom van de 1e grootte bezit onvoldoende stabiliteit om de veiligheid te kunnen waarborgen. De (gestel)takken welke gedeeltelijk (uit)gescheurd zijn, veroorzaken een verhoogd risico op verdere takbreuk. Tevens is een verhoogd risico op windworp, de vorming van adventief wortels duidt op verlies van stabiliteitswortels en/of haarwortels. (..)

In de kroon is een tak uitgebroken, de afgestorven stomp is achtergebleven en heeft eveneens een verhoogd risico op uitbreken.

Tevens is er nog een ‘pechbalk’ geconstateerd bij een gesteltak, welke zich boven het pad bevindt. (..) Hierdoor is een open lengtescheur ontstaan, deze zal zich verder ontwikkelen totdat de tak breekt.

Het regenererend vermogen van deze boom is slecht. Dit is waarneembaar door de weinige scheuten. Zowel de stabiliteit als de vitaliteit is onvoldoende.

Het risico op schade aan derden is hoog, tevens is aannemelijk dat er nog meer wateroverlast en schade in de kelder van het gebouw [adres 2] zal ontstaan.

Mijn advies is om deze populier op korte termijn te vellen. Van belang is dat de werkzaamheden op zodanige wijze worden uitgevoerd dat de vorming van wortelopschot voorkomen wordt en de druk op de muur van het pand opgeheven wordt”.

4.6.

Tegenover de naar het oordeel van de kantonrechter voldoende gemotiveerde en onderbouwde stellingen van [gedaagde] , heeft [eiser] enkel blote stellingen geponeerd. Hij heeft zijn verweer niet onderbouwd. Verklaringen van bouw- dan wel bomendeskundigen die verklaren dat de betreffende boom geen gevaar c.q. hinder oplevert, ontbreken. De enige door [eiser] overgelegde verklaring is afkomstig van de (oud-) huurders van het pand nr [adres 2] , waarin deze aangeven dat de door [gedaagde] gestelde schade in de kelder niet nieuw is doch al aanwezig was op het moment dat zij de huur opzegden (11 jaar geleden?). Met deze verklaring van deze huurders is echter de oorzaak van de schade niet tegengesproken.

Op de eigenaar van een hoge, boven de huizen uitstekende boom, zoals in casu aan de orde, rust een zorgplicht in die zin dat hij deze boom met een zekere regelmaat laat inspecteren. (ECLI:NL:GHSGR:2007:BB6980 Gerechtshof ’s-Gravenhage, 31-10-2007, C05/1432). Zijdens [eiser] zijn geen feiten gesteld waaruit zou moeten blijken dat hij aan deze zorgplicht heeft voldaan.

4.8.

Gelet op vorenstaande komt de kantonrechter dan ook tot het oordeel dat het verweer tegen het door [gedaagde] gestelde onrechtmatige gedrag van [eiser] , dient te worden gepasseerd en de vordering tot verwijdering van de boom dient te worden toegewezen. De gevorderde dwangsom zal eveneens worden toegewezen tot een hieronder nader te noemen maximumbedrag.

2.5.

Het vonnis van de kantonrechter is op 2 februari 2018 aan [eiser] betekend (productie 2 bij dagvaarding). [eiser] heeft een bedrijf ingeschakeld om de Canadese populier in februari/maart 2018 te verwijderen.

2.6.

[gedaagde] heeft op 4 juli 2018 aanspraak gemaakt op de onder overweging 2.3, tweede alinea, genoemde dwangsommen (beslissing 9.2). De verbeurde dwangsommen en deurwaarderskosten bedragen in totaal € 20.096,22 (deurwaardersexploot, productie 4 bij dagvaarding).

2.7.

[gedaagde] heeft executoriaal beslag laten leggen op het onroerend goed van [eiser] aan de [adres 1] te [plaats] .

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert dat de voorzieningenrechter - samengevat -:

I. [gedaagde] de (verdere) tenuitvoerlegging van het vonnis van 10 januari 2018 verbiedt, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

II.(a) de gelegde beslagen opheft;

II.(b) [gedaagde] veroordeelt tot betaling van het eventueel reeds betaalde / ingehoudene,

III. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van de procedure, vermeerderd met rente.

[eiser] stelt - kort gezegd - ter onderbouwing van het bovenstaande dat hij aan (de strekking van) het vonnis van de kantonrechter heeft voldaan en dat hij geen dwangsommen heeft verbeurd. [gedaagde] heeft ten onrechte I) aanspraak gemaakt op de dwangsommen en II. a) executoriaal beslag laten leggen.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De voorzieningenrechter overweegt dat [eiser] de vordering onder II. (b) niet heeft onderbouwd met feiten. Niet gesteld en niet gebleken is dat dwangsommen zijn betaald dan wel zijn ingehouden. De vordering onder II. (b) moet dan ook als ongegrond worden afgewezen.

4.2.

Partijen zijn het er over eens dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij de vorderingen I en II (a).

4.3.

Betreffende de vordering I wordt overwogen dat de kantonrechter heeft beslist dat de Canadese populier volledig moest worden verwijderd. Redenen hiervoor waren, samengevat: 1) de omvang van die boom, 2) de overhangende takken, 3) de stam en wortels die in de gevel groeien, 4) de daardoor opgetreden verdrukking en 5) de wortelgroei. Die redenen blijken uit de door [gedaagde] in de bodemzaak gestelde overlast en zijn, naar het oordeel van de kantonrechter, voldoende gemotiveerd en onderbouwd.

4.4.

De foto’s van partijen laten zien dat de Canadese populier als boom is verwijderd. Alleen boomrestanten zijn achtergebleven. De op de zitting overgelegde foto’s tonen dat een deel van de wortel/boomstronk van die boom (zichtbaar) is overgebleven. Die wortel/boomstronk bevindt zich op het perceel van [eiser] , tegen de zij/achtergevel van het bouwwerk van [gedaagde] . [eiser] heeft de voorzieningenrechter op de zitting geïnformeerd over de wijze waarop de boom (grotendeels) is verwijderd. De boom is - kort gezegd - vanuit de top naar beneden in delen weggezaagd. [eiser] heeft gesteld dat een bedrijf/hovenier hiermee tien dagen bezig is geweest en dat het verwijderen van de boom [eiser] € 13.310,00 heeft gekost. [gedaagde] heeft dit niet bestreden.

4.5.

De voorzieningenrechter overweegt dat, doordat [eiser] de wortel/boomstronk heeft laten staan, [eiser] in beginsel niet aan de beslissing 9.1 van de kantonrechter heeft voldaan. De kantonrechter heeft immers geoordeeld dat [eiser] de Canadese populier volledig moest (laten) verwijderen en feit is dat de wortel/boomstronk van die boom niet is verwijderd. Ook de gestelwortels zijn niet verwijderd. In dit verband overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

4.6.

[eiser] heeft gesteld dat hij (toch) aan het vonnis van de kantonrechter heeft voldaan, doordat hij wel aan de strekking van dat vonnis heeft voldaan. [eiser] heeft gesteld dat de Canadese populier afdoende is verwijderd en dat de boomrestanten in de toekomst geen schade meer zullen veroorzaken. [eiser] heeft ter onderbouwing hiervan een rapport van ing. [naam deskundige] , werkzaam bij Pius Floris Boomverzorging, van 18 juli 2018 overgelegd. Volgens die deskundige vormen de scheuten, die vanuit de boomrestanten (zijn) ontstaan, geen probleem, omdat, indien de scheuten plus aanhechting, periodiek en systematisch met een spade worden verwijderd, de energiereserves in het houtweefsel zullen worden uitgeput en de resterende boomdelen zullen afsterven en wegrotten.

4.7.

[gedaagde] heeft dit betwist en aangevoerd dat [eiser] onvoldoende aan het vonnis van de kantonrechter heeft voldaan. [gedaagde] heeft onder andere foto’s van 22 september 2018 en het rapport van [naam boomdeskundige] , werkzaam bij [naam boomdeskundige] , van 28 augustus 2018 overgelegd. [gedaagde] heeft aangevoerd dat hieruit blijkt dat vanuit de boomstronk en het wortelgestel van de (voormalige) Canadese populier nog steeds een hergroei plaatsvindt. [gedaagde] heeft aangevoerd dat de gevaarzetting - die door het onherroepelijke vonnis van de kantonrechter rechtens is komen vast te staan - voor een belangrijk deel is blijven bestaan. Die gevaarzetting bestaat onder meer uit wateroverlast en gevolgschade door wortelgroei.

4.8.

De voorzieningenrechter stelt op grond van de foto’s van partijen en de rapporten van de deskundigen - met partijen - vast dat de boomrestanten van de Canadese populier ruim een half jaar nadat die boom is omgezaagd, nog steeds levensvatbaar zijn. Niet ter discussie staat dat de gestelwortels niet zijn verwijderd en de foto’s van 22 september 2018 laten zien dat op die datum sprake is van een wildgroei van grote scheuten van de (omge-zaagde) Canadese populier. [eiser] had de (opkomende) scheuten niet meteen weggehaald en sommige scheuten zijn op 22 september 2018 bijna even hoog als de aanbouw van [gedaagde] en staan onder andere tegen die aanbouw aan. In het rapport van de deskundige van [eiser] (rapport, pagina 5) is te lezen dat op de stamvoet van de omgezaagde Canadese populier nieuwe scheuten zijn ontstaan. De deskundige van [eiser] heeft op 9 juli 2018 in de tuin van [eiser] gezien dat die scheuten zijn ontsprongen vanuit de boomknoppen op de zaagsnede van de boomstronk en dat scheuten zijn ontstaan op de oppervlakkige gestelwortels, vanaf die boomstronk tot op circa zes meter verwijderd van de boomstronk. Er zijn dus ook scheuten ontstaan buiten de tuin van [eiser] van circa 3,6 x 3,2 meter. Dat de omgekapte Canadese populier een overlevingsstrategie heeft blijkt al uit de foto’s van partijen. De kadastrale kaart van de locatie van de boomrestanten toont verder aan dat de reikwijdte van de wortels van de oorspronkelijke Canadese populier enorm is (pagina 14, rapport 18 juli 2018). Al de scheuten die zijn ontstaan en bladeren hebben gekregen, hebben het afgelopen (groen)seizoen de gestelwortels kunnen voorzien van energiereserves. De deskundige van [gedaagde] heeft in haar rapport gemotiveerd uiteengezet dat door het niet volledig weghalen van de Canadese populier en het niet behandelen van de boomrestanten met een bestrijdingsmiddel - kort gezegd - de gevaarzetting en risico’s betreffende de wateroverlast en de doorgroeiende wortels zijn blijven bestaan. Die conclusie is naar het oordeel van de voorzieningenrechter, mede gelet op al het vorenoverwogene, voldoende onderbouwd. [eiser] had in februari/maart 2018 moeten zorgen dat alle door de Canadese populier veroorzaakte gevaarzetting en schade werd weggenomen. Dit kon op een eenvoudige, door de deskundige van [gedaagde] in haar rapport (pagina 11, vierde alinea) geschetste, wijze, inhoudende dat de boom ook ondergronds gedeeltelijk werd verwijderd en de wortels werden behandeld met een bestrijdingsmiddel. Ook volgens [gedaagde] behoeven niet alle wortels van de boom, die zich uitstrekken tot aan derden toebehorende percelen, te worden verwijderd. De stelling van [eiser] dat de boomrestanten zullen afsterven en geen schade meer zullen veroorzaken, zonder die behandelmethode, komt de voorzieningenrechter, gelet op al het bovenstaande, naar haar voorshands oordeel niet aannemelijk voor.

4.9.

[eiser] heeft derhalve alleen de overlast die de Canadese populier veroorzaakte door de omvang ervan en de overhangende takken weggenomen en niet volledig aan (de strekking van) het vonnis van de kantonrechter (beslissing 9.1) voldaan. Daarmee heeft [eiser] ook niet in redelijkheid aan het vonnis voldaan. Uit het voorgaande volgt voorts dat [gedaagde] belang heeft bij zijn vordering en dat hij geen misbruik maakt van zijn bevoegdheid om tot verdere tenuitvoerlegging over te gaan. [eiser] heeft daardoor de bovenstaande dwangsommen verbeurd en [gedaagde] heeft terecht aanspraak gemaakt op die verbeurde dwangsommen. Tevens heeft [gedaagde] , nadat [eiser] die dwangsommen ondanks sommatie niet wilde voldoen, op goede grond executoriaal beslag gelegd. De vorderingen van [eiser] onder I, II (a) en III moeten dan ook worden afgewezen.

4.10.

De voorzieningenrechter overweegt nog ten overvloede dat de ingrijpende manier waarop de boom is verwijderd en de omstandigheid dat dit [eiser] als eigenaar van die boom veel geld heeft gekost, geen, in dit kort geding, relevante omstandigheden zijn. Die omstandigheden zijn bovendien inherent aan het feit dat [eiser] in het verleden onvoldoende onderhoud aan de Canadese populier heeft (laten) verricht(en). Daardoor kon die boom op een relatief klein stuk grond (circa 3,6 x 3,2 meter), tussen de huizen op de aangrenzende percelen in, buitenproportioneel groot worden. Volgens de deskundige van [eiser] was de boom circa 23 meter hoog en met een kroondiameter van circa 17 meter.

4.11.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 291,00

- salaris advocaat € 980,00

totaal € 1.271,00.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.271,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.H.A. Venner-Lijten en in het openbaar uitgesproken.1

1 type: CM