Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:9752

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
10-10-2018
Datum publicatie
14-02-2019
Zaaknummer
C/03/254630 / HA RK 18-235
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking - regie- en controlebeslissing – afwijzing van het verzoek

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Wrakingskamer

Zaaknummer: C/03/254630 / HA RK 18-235

Beslissing van de meervoudige kamer, belast met de behandeling van wrakingsverzoeken

in de zaak van:

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

gemachtigde [naam gemachtigde] te [plaats] ,

indienster van een verzoek strekkende tot wraking van mr. W.F.J. Aalderink, rechter in deze rechtbank (hierna: de rechter).

1 De procedure

1.1

Op 31 augustus 2018 om 12:31 is ter griffie van de wrakingskamer de e-mail met de bijlage van 30 augustus 2018 ontvangen waarin gemachtigde C. [naam gemachtigde] namens verzoekster kenbaar maakt dat zij de rechter wraakt in de zaak met nummer 7161547 BM VERZ 18-3440 die op 29 augustus 2018 ter zitting is behandeld.

1.2

De rechter heeft op 7 september 2018 de wrakingskamer bericht dat zij niet in het verzoek berust en niet gehoord wenst te worden. Zij heeft op 11 september 2018 een schriftelijke reactie gestuurd.

1.3

Op 24 september 2018 is ter griffie van de wrakingskamer van gemachtigde de

e-mailwisseling ontvangen tussen hem en [naam bewindvoerder] van [naam] .

1.4

Op 26 september 2018 om 9:17 uur is van de gemachtigde ter griffie van de wrakingskamer een e-mail met 12 bijlagen betreffende de zitting van de wrakingskamer ontvangen.

1.5

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden ter zitting van de wrakingskamer op 26 september 2018, waar zijn verschenen verzoekster [verzoekster] met haar gemachtigde [naam gemachtigde] . De rechter is niet verschenen. De gemachtigde heeft ter zitting nog een tweetal stukken overgelegd betreffende artikel 843a Rv en een uitspraak van de kantonrechter van 30 mei 2018.

2 De wrakingsgronden

2.1

Namens verzoekster wordt gesteld dat verzoekster ter zitting alleen naar binnen werd geroepen en dat haar gevraagd werd naar de persoon van [naam gemachtigde] , wie hij was, en of hij haar vertegenwoordigde. Pas toen verzoekster had bevestigd dat zij [naam gemachtigde] had gemachtigd, werd hij tot de zitting toegelaten.

2.2

Gemachtigde diende bij binnenkomst in het gebouw van de rechtbank zijn telefoon af te geven.

2.3

De voormalige mentor van verzoekster was ook aanwezig bij de zitting. Verzoekster stelde haar aanwezigheid niet op prijs en heeft de rechter verzocht haar weg te sturen. Dit gebeurde pas nadat verzoekster expliciet haar bezwaren kenbaar had gemaakt.

2.4

De beslissing die - naar de rechter aan het einde van de zitting meedeelde - binnen 10 à 12 dagen zou volgen, was er heel snel, al op 30 augustus 2018. Bij gemachtigde en verzoekster is mede daardoor de indruk ontstaan dat de rechter op voorhand wist wat zij ging doen en haar beslissing al klaar had. Daaruit volgt dat de rechter partijdig was.

3 Standpunt van de rechter

3.1

In haar reactie zet de rechter uiteen hoe de zitting is verlopen en wat er aan de orde is geweest. Omdat [naam gemachtigde] zich had opgeworpen als gemachtigde maar er in het dossier geen volmacht lag, is bij aanvang van de zitting bij verzoekster nagegaan of hij inderdaad haar gemachtigde was. Daarna is hem direct verzocht de zittingszaal binnen te komen.

3.2

De bewindvoerder werd ter zitting vergezeld door de vroegere mentor van verzoekster. Nadat verzoekster kenbaar had gemaakt haar aanwezigheid niet op prijs te stellen, heeft de rechter de voormalig mentor verzocht te vertrekken uit de zaal, en dat is gebeurd.

3.3

Dat [naam gemachtigde] bij aankomst zijn telefoon diende in te leveren, had te maken met het feit dat er een telefoongesprek van hem met een medewerker van het team Toezicht van de rechtbank zonder toestemming op social media is geplaatst. Mede omdat het om een besloten zitting ging, wilde de rechter voorkomen dat er opnames zouden worden gemaakt. Dit is ter zitting uitgelegd.

3.4

Voorts heeft de rechter ter zitting duidelijk gemaakt dat, gelet op artikel 1:448 lid 1 aanhef en sub e en lid 2 BW, het eigen verzoek van de bewindvoerder tot ontslag zou worden toegewezen, en wanneer het zou ingaan. De gemachtigde deelde mee het hiermee oneens te zijn. Daarop is door de rechter meegedeeld dat hoger beroep mogelijk is maar dat het niet akkoord gaan met of klagen over het beheer van de bewindvoerder niet aan het ontslag in de weg staat en pas aan de orde komt nadat er een eindrekening en

-verantwoording is opgesteld door de (ontslagen) bewindvoerder.

3.5

Tot slot stelt de rechter zich op het standpunt dat het ontslag van de bewindvoerder een eindbeslissing is, en dat verzoekster daarom te laat is met haar verzoek tot wraking nu het op 31 augustus 2018 is ingediend.

4 De beoordeling

4.1

Het wrakingsverzoek is gedaan nadat de rechter haar beslissing tot ontslag van de bewindvoerder c.a. had genomen. Die beslissing kwam echter veel eerder dan de rechter ter zitting in het vooruitzicht had gesteld (zie 2.4), en partijen moet een redelijke termijn worden gegund om zich te beraden over hetgeen ter zitting is voorgevallen en te beslissen over het al dan niet indienen van een wrakingsverzoek. Daarnaast diende ook nog een beslissing te worden genomen met betrekking tot de dan aan te stellen bewindvoerder, zodat de beslissing tot ontslag van de bewindvoerder als een deelbeslissing kan worden beschouwd. Daarom oordeelt de wrakingskamer dat het tijdstip van indiening niet aan inhoudelijke beoordeling in de weg behoort te staan.

4.2

De wrakingskamer beoordeelt uitsluitend of sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat een rechter uit hoofde van haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter ten opzichte van een procespartij vooringenomen is, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het (subjectieve) standpunt van een verzoeker daarover is belangrijk, maar niet doorslaggevend; de vrees voor partijdigheid moet objectief gerechtvaardigd zijn.

4.3

De wrakingsgronden betreffen de gang van zaken voorafgaand en tijdens de zitting op 29 augustus 2018. De wrakingskamer merkt in dit verband allereerst op dat de rechter de regie heeft over de zitting en uit dien hoofde zaken dient te controleren en vast te stellen.

4.4

De beslissing van de rechter om [naam gemachtigde] niet direct tot de zitting toe te laten (zie 2.1) maar pas nadat was geverifieerd dat hij de gemachtigde van verzoekster was, is slechts een regie- en controlebeslissing die de rechter zo al niet verplicht dan toch ten minste gerechtigd was te nemen. Er blijkt niet uit van enige vooringenomenheid, niet jegens de gemachtigde en al helemaal niet jegens verzoekster.

4.5

Evenzeer is de rechter bevoegd, in besloten zittingen zelfs gehouden, te bepalen dat er geen opnames gemaakt mogen worden. De vraag aan de gemachtigde om de mobiele telefoon en andere apparatuur in te leveren (zie 2.2), was - zeker gelet op een eerdere ervaring met deze gemachtigde, zie 3.3 - daarom gerechtvaardigd en er blijkt niet uit van enige vooringenomenheid.

4.6

De bewindvoerder had kennelijk de voormalige mentor van verzoekster naar de zitting meegenomen (zie 2.3). De rechter heeft hem aanvankelijk toegelaten, maar verzocht te vertrekken direct nadat verzoekster bezwaar tegen zijn aanwezigheid had gemaakt. Deze (regie)beslissingen duiden niet op vooringenomenheid.

4.7

Uit artikel 1:448e lid 1 aanhef en sub e en lid 2 BW vloeit voort dat het ontslag van een bewindvoerder op eigen verzoek wordt verleend. De rechter moet het verzoek inwilligen, en de ontslagen bewindvoerder blijft verplicht zijn taak te vervullen totdat in de vacature is voorzien. Uit het feit dat de rechter die (noodzakelijke) beslissing reeds ter zitting heeft meegedeeld, volgt dus niet dat zij vooringenomen was. Enige vooringenomenheid volgt evenmin uit het feit dat (de schriftelijke vastlegging van) de beslissing op kortere dan de aan het eind van de zitting in het vooruitzicht gestelde termijn aan verzoekster is gezonden (zie 2.4). Kennelijk heeft de rechter beoogd om een indicatie te geven van de tijd die nodig zou zijn voor de schriftelijke beslissing, niet om een minimale termijn te geven.

4.8

De slotsom is dat geen van de aangevoerde gronden tot wraking kan leiden, zodat het verzoek wordt afgewezen.

5 De beslissing

De wrakingskamer

wijst het verzoek tot wraking van mr. W.F.J. Aalderink af.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.H.J. Otto, voorzitter, mr. J.J. Groen en mr. E.P. van Unen, leden, bijgestaan door mr. M.J.W.D. Janssen als griffier op 10 oktober 2018.1

1 type: coll: