Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:9519

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
08-10-2018
Datum publicatie
10-10-2018
Zaaknummer
C/03/254515 / KG ZA 18-480
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Is er sprake van strijdigheid met de tussen partijen in het verleden tot stand gekomen regeling ter zake van het gebruik van de domeinnaam/de handelsnaam van hun ondernemingen en het doen van negatieve uitlatingen over de (onderneming van de) ander?

Is er aanleiding om een verbod op te leggen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/254515 / KG ZA 18-480

Vonnis in kort geding van 8 oktober 2018

in de zaak van

[eiser] ,

wonend te [woonplaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. H. den Besten,

tegen

[gedaagde] ,

wonend te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. G.J.E. Schoofs.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 10 september 2018 met producties (producties 1 tot en met 3),

  • -

    de door [gedaagde] overgelegde producties (producties 1 tot en met 6),

  • -

    de mondelinge behandeling op 27 september 2018,

  • -

    de pleitnota van [gedaagde] , met eis in reconventie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben in een eerdere procedure bij de rechtbank Noord-Holland (zaaknummer/rolnummer: C/15/235181 / HA ZA 15-769) ter comparitie, gehouden op 20 mei 2016, een regeling getroffen. Deze regeling is in het proces-verbaal van comparitie opgenomen (hierna te noemen: het proces-verbaal van 20 mei 2016) en luidt, voor zover hier van belang, als volgt.

Partijen komen ter beëindiging van dit geschil het volgende overeen.

1. Partijen beseffen dat ze met het huidige gebruik van de aanduiding [naam 1] in de

context van de handelsnamen van hun beider ondernemingen het risico lopen dat de

activiteiten van de een worden toegeschreven aan de ander en vice versa.

2. Zij wensen dit risico in te dammen door aan beide aanduidingen voor-/achtervoegsels toe te voegen en wel als volgt: [gedaagde] : [naam 1] [toevoeging 1] ; [eiser] : [toevoeging 2] [naam 1] . De volledige handelsnamen worden dan respectievelijk [naam 1] [toevoeging 1] en [toevoeging 2] [naam 1] .

3. De huidige aanduidingen worden in de communicatiemiddelen van beide

ondernemingen gebruikt. Dit gebruik wordt uitgefaseerd en wel aldus dat ieder

verder gebruik van de thans gebruikte aanduidingen na 1 september 2016 niet meer

is toegestaan.

(..)

5. Partijen beseffen dat de tot heden gebruikte aanduidingen ook na 1 september 2016 in de internethistorie nog zullen voorkomen en zullen bij het aantreffen van die historie met de moeilijke verwijderbaarheid van de betrokken gegevens rekening houden.

(..)

7. Partijen zullen voor 1 januari 2017 de door hen gebruikte domeinnamen waarin de

aanduiding [naam 1] voorkomt voorzien van de hiervoor genoemde voor- respectievelijk

achtervoegsels. Zij zullen binnen een maand na heden onderzoeken of deze wijzigingen wat hun eigen naam betreft mogelijk is en, bij onmogelijkheid de wederpartij op die onmogelijkheid attenderen. Het staat die wederpartij dan vrij om ook de wijziging van de eigen domeinnamen achterwege te laten.

8. Partijen zullen zich van negatieve uitlatingen omtrent elkaars ondernemingen en

bedrijfsvoering onthouden.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiser] vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,:

I. [gedaagde] te verbieden in strijd met punt 2 van het proces-verbaal van 20 mei 2016 te handelen, in die zin dat [gedaagde] niet de naam ‘ [naam 1] ’ en de naam ‘ [naam 1] ’ als domeinnaam mag gebruiken, onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag voor iedere dag dat [gedaagde] aan het te wijzen vonnis in gebreke blijft met een maximum van € 25.000,00;

II. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van dit geding, waaronder de nakosten;

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

[gedaagde] vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,:

  • -

    [eiser] te verbieden in strijd met punt 2 van het proces-verbaal van 20 mei 2016 te handelen, in die zin dat [eiser] niet de naam [naam 1] en [naam 1] Methode/Therapie mag gebruiken,

  • -

    [eiser] te verbieden in strijd met punt 6 van het proces-verbaal van 20 mei 2016 te handelen, in die zin dat [eiser] zich niet langer op geen enkele manier negatief mag uitlaten over [gedaagde] en diens onderneming,

onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag voor iedere dag dat [eiser] aan het te wijzen vonnis in gebreke blijft met een maximum van € 25.000,00, met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen de nakosten.

3.5.

[eiser] voert verweer.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

Het spoedeisend belang van de vordering in conventie is voldoende onderbouwd.

4.2.

[eiser] stelt dat [gedaagde] de naam ‘ [naam 1] ’ in strijd met punt 2 van de tussen partijen getroffen regeling, ondanks sommatie door [eiser] om dit gebruik te staken, nog steeds gebruikt. Hij verwijst in dit verband naar drie onder randnummer 5 van de dagvaarding weergegeven vermeldingen/sites, die respectievelijk betreffen: LinkedIn, de telefoongids en de (site van) de [naam 2] . [gedaagde] betwist dat hij niet heeft voldaan aan de regeling.

4.3.

Daar waar het in zijn algemeenheid het gebruik van de (domein)naam ‘ [naam 1] ’ betreft, overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft [eiser] verwezen naar productie 2 die als bijlage een print screen van
28 augustus 2018 bevat van een pagina van google, waaruit blijkt dat op die dag de zoektreffer ‘ [gedaagde] ’ als zoekresultaat oplevert ‘ [naam 1] ’ (en www. [naam 1] .nl/ Particulier/ [naam 1] / [naam 1] .html). Het doorklikken op die site leverde die dag een pagina op waarop vermeld staat bij de adresgegevens info@ [naam 1] .nl. Kortom, voor het uitbrengen van de dagvaarding in kort geding kan [gedaagde] ten aanzien van het gebruik van de (domein)naam ‘ [naam 1] ’ een verwijt gemaakt worden, aldus [eiser] . Ter zitting heeft [gedaagde] gesteld dat het moeilijk is om iets dat op google staat uit de geschiedenis van google te verwijderen. Of en wanneer [gedaagde] met google contact heeft opgenomen om te bezien of het mogelijk is dit zoekresultaat te verwijderen, is door hem niet toegelicht. Dat het moeilijk kan zijn om de internethistorie te verwijderen is door partijen overigens wel onderkend in punt 5 van de regeling. Volgens [gedaagde] blijkt uit zijn bijlagen bij productie 1, die dateren van na de dagvaarding, dat de domeinnaam is gewijzigd. Ook de website ‘www. [naam 1] .nl’ kan niet meer worden gevonden. Dit wordt door [eiser] ter zitting erkend. Op basis van de overgelegde gegevens is naar het oordeel van de voorzieningenrechter aannemelijk dat [gedaagde] voor het uitbrengen van de dagvaarding, daar waar het de (domein)naam ‘ [naam 1] ’ betreft, nog niet volledig had voldaan aan de regeling van partijen, maar thans wel. Er is dan ook geen aanleiding om nu nog een verbod op straffe van een dwangsom op te leggen.

4.4.

Daar waar het het gebruik van de (domein)naam ‘ [naam 1] ’ betreft, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Ter onderbouwing van zijn stelling dat hij zijn bedrijfsgegevens bij de telefoongids conform de getroffen regeling heeft gewijzigd, legt [gedaagde] productie 3 over. In deze productie, gedateerd 6 juni 2018, is te lezen wat de bedrijfsgegevens van zijn onderneming zijn, en wordt zijn onderneming aangeduid als ‘ [naam 1] [toevoeging 1] ’. Ook op LinkedIn is zijn (bedrijfs)naam aldus [gedaagde] conform de gemaakte afspraken gewijzigd. Dit blijkt volgens hem uit productie 4, waarin de (handels)naam ‘ [naam 1] [toevoeging 1] ’ wordt gehanteerd. Tegen (de inhoud van) productie 3 en 4 is door [eiser] geen gemotiveerd verweer gevoerd. [eiser] heeft in deze procedure geen stukken in het geding gebracht betreffende LinkedIn waaruit blijkt dat [gedaagde] voor het uitbrengen van de dagvaarding in kort geding nog gebruikt maakte van de (handels)naam ‘ [naam 1] ’. [eiser] heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook niet aannemelijk gemaakt dat [gedaagde] , daar waar het LinkedIn en de telefoongids betreft, het verwijt valt te maken dat hij in strijd handelt met punt 2 van de regeling.

4.4.1.

[eiser] stelt ter zitting dat voor hem niet duidelijk is of het gebruik van de naam ‘ [naam 1] ’ daadwerkelijk is gestaakt daar waar het de site [naam 2] (.com) betreft. Uit de door [gedaagde] overgelegde productie 2, blijkt volgens hem dat hij er, voor het uitbrengen van de dagvaarding in kort geding, al het mogelijke aan heeft gedaan om ook daar waar het de [naam 2] betreft aan de sommatie van [eiser] te voldoen. De site [naam 2] is aldus [gedaagde] weliswaar bereikbaar, maar niet meer gelinkt aan het [naam 1] . De link naar het [naam 1] is weggehaald. De link is misschien nog zichtbaar, omdat een en ander (nog) niet geactualiseerd is maar de gegevens erachter zijn gewijzigd, zo stelt [gedaagde] . Door [eiser] worden geen concrete feiten en omstandigheden aangehaald waaruit het tegendeel blijkt. [eiser] heeft ook geen concreet verweer gevoerd tegen de inhoud van productie 2. [eiser] heeft, gelet op het voorgaande, naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat, daar waar het de [naam 2] betreft, sprake is van strijdigheid met punt 2 van de regeling.

4.5.

De vorderingen van [eiser] worden gelet op het voorgaande afgewezen.

de proceskosten

4.6.

Hoewel [eiser] [gedaagde] ten aanzien van het gebruik van de naam ‘ [naam 1] ’ aanvankelijk terecht gedagvaard heeft – zie rechtsoverweging 4.3 – zullen de proceskosten gecompenseerd worden, in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt, omdat voor het instellen van de rest van de vorderingen geen grond blijkt te zijn.

in reconventie

4.7.

Het spoedeisend belang van de vordering in reconventie is voldoende onderbouwd.

4.8.

Door [eiser] wordt geen procedureel bezwaar gemaakt tegen de ter zitting door [gedaagde] bij pleitnota ingestelde eis in reconventie.

4.9.

[gedaagde] legt aan zijn eis in reconventie allereerst ten grondslag dat [eiser] in strijd handelt met punt 2 van de regeling door de naam ‘ [naam 1] ’, alsmede de benaming ‘ [naam 1] Methode/Therapie’, nog steeds te gebruiken. De vordering is op dit punt aldus tweeledig: het gebruik van de handelsnaam en het gebruik van naam van de methode. De voorzieningenrechter zal de beide punten hieronder afzonderlijk beoordelen en overweegt in dat verband als volgt.

4.9.1.

[gedaagde] verwijst ten aanzien van de door hem gestelde strijdigheid met punt 2, in die zin dat door [eiser] nog steeds de (handels)naam ‘ [naam 1] ’ wordt gevoerd, naar de voorafgaand aan de zitting door hem ingebrachte productie 5. In die productie wordt [eiser] omschreven als oprichter van ‘het [naam 1] ’. Uit deze productie kan niet worden afgeleid van welke datum deze is. [gedaagde] stelt dat productie 5 gewoon via google toegankelijk is en hij er zo ook aan is gekomen. [eiser] stelt dat het verouderde gegevens betreft. Hij heeft inmiddels een nieuwe website en zijn bedrijfsnaam is gewijzigd in ‘ [naam 3] Gezondheidsinstituut’. Zijn stelling dat het verouderde gegevens betreft, neemt naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter niet weg dat [eiser] niets concreets tegen het standpunt van [gedaagde] heeft ingebracht, dat productie 5 nog raadpleegbaar is op het internet. Aldus is naar het oordeel van de voorzieningenrechter door [gedaagde] (voldoende) aannemelijk gemaakt dat sprake is van strijdigheid met punt 2 van de regeling, in die zin dat door [eiser] nog steeds de (handels)naam ‘ [naam 1] ’ wordt gevoerd, althans in die zin dat (inhoudelijke) informatie met die strekking nog steeds via google valt te raadplegen op het internet. De vordering van [gedaagde] een verbod uit te spreken de (handels)naam ‘ [naam 1] ’ te gebruiken zal derhalve, daar waar het de strijdigheid met punt 2 van de regeling betreft, worden toegewezen.

4.9.2.

[eiser] betwist dat de regeling naast het gebruik van de handelsnaam/domeinnaam tevens zag op het gebruik van de [naam 1] Methode. Voor de stelling van [gedaagde] dat het gebruik van de [naam 1] methode onder het bereik van de regeling valt, zijn op het eerste oog in tekst van de regeling geen aanknopingspunten te vinden en een oordeel over de uitleg van de tussen partijen getroffen regeling voert binnen het kader van de onderhavige kort geding procedure naar het oordeel van de voorzieningenrechter te ver. Aan bewijslevering wordt in kort geding immers niet toegekomen. De vordering zal derhalve worden afgewezen daar waar deze op een verbod van het gebruik van de [naam 1] Methode door [eiser] ziet.

4.10.

[gedaagde] legt aan zijn eis in reconventie voorts ten grondslag dat [eiser] in strijd met punt 6 van de regeling handelt door zich negatief uit te laten over de onderneming van [gedaagde] . Naar de voorzieningenrechter begrijpt, doelt [gedaagde] daar waar in de eis in reconventie wordt gesproken over het in strijd handelen met punt 6 van de regeling, eigenlijk op punt 8 van de regeling. In punt 8 is immers opgenomen dat partijen zich van negatieve uitlatingen ten aanzien van elkaars ondernemingen en bedrijfsvoering dienen te onthouden, terwijl punt 6 over iets heel anders gaat. De voorzieningenrechter zal de eis aldus zo lezen dat [gedaagde] haar verzoekt om [eiser] te verbieden zich in strijd met punt 8 van de regeling negatief uit te laten over zijn onderneming en bedrijfsvoering.

4.10.1.

[gedaagde] verwijst daar waar het de door hem gestelde strijd met punt 8 van de regeling betreft naar de door hem overgelegde productie 6, waarin hij door [eiser] wordt beticht van oplichterij. Hij heeft hier veel last van gehad. Het kan aldus [gedaagde] niet zo zijn dat hij zich in allerlei bochten moet wringen om zaken van het internet te verwijderen, maar dat dit niet van [eiser] verlangd wordt.

Productie 6 met rechtsboven als datum ‘30 november 2015’ luidt als volgt.

Ik zou graag in contact komen met mensen die gedupeerd zijn door [gedaagde] van het [naam 1] Institute in Limburg, maar voorheen in Friesland en daarvoor in Hoorn.

Ik heb niets te maken met deze meneer, maar wil graag aantonen dat hij een echte oplichter is die al jaren mijn goede naam ( [naam 1] ) misbruikt. Willen jullie dit alsjeblieft delen zodat we hem kunnen aanpakken? Graag een PB?’

Ook is blijkens productie 6 een twitter bericht van 8 mei 2011 van [eiser] nog zichtbaar op internet met als tekst:

Pas op voor de # oplichter # [gedaagde] # [gedaagde] die zich uitgeeft voor # [naam 1] therapeut en # kuuroorden wil opstarten onder de naam [naam 1] . Pls RT

4.10.2.

Door [eiser] wordt ter zitting niet ontkend dat deze twitter berichten nog geraadpleegd kunnen worden. [eiser] heeft desgevraagd ter zitting aangegeven dat hij tot nu toe geen enkele poging heeft gedaan om deze berichten te verwijderen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft te gelden dat deze berichten, ondanks het feit dat deze zijn geplaatst voorafgaand aan de regeling, nog als actueel hebben te gelden, nu deze nog steeds raadpleegbaar zijn. De twitter berichten zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter in zoverre dan ook strijdig met punt 8 van de regeling, dat voorschrijft dat partijen zich van negatieve uitlatingen omtrent elkaars ondernemingen en bedrijfsvoering zullen onthouden. Dat productie 6 niet onder de reikwijdte van punt 8 zou vallen, omdat het gedateerde berichten betreft, wordt door [eiser] ook niet gesteld. [gedaagde] heeft er naar het oordeel van de voorzieningenrechter nog steeds belang bij dat de berichten worden verwijderd. Hier doet niet aan af dat [gedaagde] enige tijd geleden heeft besloten zijn instituut stop te zetten, nu [gedaagde] in dit verband duidelijk heeft aangegeven dat hij, juist vanwege de negatieve associatie die hij had gekregen door de hele situatie met [eiser] , is gestopt en wanneer deze situatie is opgelost zijn instituut graag weer wil opstarten. De voorzieningenrechter zal gelet op het voorgaande de vordering van [gedaagde] met als inhoud [eiser] te verbieden zich negatief uit te laten over hem en zijn onderneming, toewijzen.

4.11.

Het feit dat [gedaagde] zelf voor het uitbrengen van de dagvaarding nog niet integraal aan de regeling van partijen had voldaan, is voor de voorzieningenrechter aanleiding om aan de jegens [eiser] uit te spreken veroordelingen op dit moment geen dwangsom te koppelen. [eiser] zal zich wel maximaal en aantoonbaar moeten inspannen om alsnog te voldoen aan de punten 2 en 8 van de regeling. [eiser] heeft ter zitting zijn bereidheid hiertoe uitgesproken. Mocht [eiser] het vonnis en zijn toezegging ter zitting niet nakomen dan loopt hij het risico dat [gedaagde] een nieuwe procedure zal starten ter verkrijging van een dwangsomveroordeling.

de proceskosten

4.12.

Nu partijen over en weer op punten in het ongelijk gesteld zijn, zullen de proceskosten in reconventie worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

in reconventie

5.3.

verbiedt [eiser] in strijd met punt 2 van het proces-verbaal van 20 mei 2016 te handelen, hetgeen betekent dat [eiser] de naam ‘ [naam 1] ’ niet mag gebruiken en [eiser] zich met betrekking tot het gebruik van deze naamvoering op internet in het verleden maximaal en aantoonbaar dient in te spannen om die naamvoering van het internet te (laten) verwijderen,

5.4.

verbiedt [eiser] in strijd met punt 8 van het proces-verbaal van 20 mei 2016 te handelen, hetgeen betekent dat [eiser] zich maximaal en aantoonbaar dient in te spannen om de negatieve uitlatingen over [gedaagde] (zijn bedrijfsvoering) en zijn onderneming, zoals gedaan in het verleden op internet en blijkend uit productie 6 van [gedaagde] , te (laten) verwijderen,

5.5.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten dient te dragen,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af,

5.7.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.M. Etman en in het openbaar uitgesproken.1

1 type: CB