Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:9357

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
01-10-2018
Datum publicatie
08-10-2018
Zaaknummer
C/03/254810 / KG ZA 18-501
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Executiegeschil. Eiser stelt dat de onder hem in executoriaal beslag genomen roerende zaken niet executoriaal mogen worden verkocht, omdat deze niet (meer) zijn eigendom zijn, maar thans eigendom zijn van zijn zonen. De voorzieningenrechter oordeelt dat eiser geen belang heeft bij zijn vordering, nu, gesteld dat zijn stelling juist is, niet hij maar zijn zonen schade lijden als gevolg van de voorgenomen executoriale verkoop. Eiser heeft ook niet onderbouwd zijn stelling waarom hij jegens zijn zonen aansprakelijk zou zijn als het tot een executie komt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer: C/03/254810 / KG ZA 18-501

Vonnis in kort geding van 1 oktober 2018

in de zaak van

[eiser] ,

wonend te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. E.E.V. Sweebe;

tegen:

de vennootschap naar Duits recht Gesellschaft mit beschränkter Haftung

NAGEL UND HOFFBAUR GMBH & CO KG,

gevestigd te Aken (Bondsrepubliek Duitsland),

gedaagde,

advocaat mr. R.A.M. Golsteijn.

Partijen zullen hierna [eiser] en Nagel und Hoffbaur genoemd worden.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding;

  • -

    de nagezonden stukken van [eiser] ;

  • -

    de mondelinge behandeling;

  • -

    de pleitnota van [eiser] ;

  • -

    de pleitnota van Nagel und Hoffbaur.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Bij vonnis van 25 april 2018 van de kantonrechter van deze rechtbank is [eiser] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 19.740,-- in hoofdsom aan Nagel und Hoffbaur, evenals een bedrag van € 1.541,-- wegens proceskosten. Ter executie van dat vonnis heeft Nagel und Hoffbaur op 15 augustus 2018 onder [eiser] executoriaal beslag laten leggen op een groot aantal roerende zaken, vermeld op een lijst die deel uitmaakt van het proces-verbaal van beslaglegging.

3. Het geschil

3.1.

[eiser] stelt zich op het standpunt dat een groot gedeelte van de in beslag genomen roerende zaken niet zijn eigendom is, nu deze bij akte van 7 april 2017 zijn overgedragen aan zijn zonen. Ter ondersteuning van die stelling verwijst [eiser] naar een verklaring van diens accountant/fiscalist, genaamd [naam accountant] . In een schriftelijke verklaring van 6 augustus 2018 verklaart deze dat de zonen van [eiser] in de periode van september tot en met december 2016 schulden voor deze hebben voldaan en dat in overleg de schuld van [eiser] deels is terugbetaald doordat [eiser] zaken heeft overgedragen, vermeld op een lijst van 7 april 2017. Deze lijst is door [eiser] als productie 3 in het geding gebracht.

3.2.

Voorts heeft [eiser] nog een verklaring van 14 augustus 2018 van voornoemde [naam accountant] als productie 5 in het geding gebracht. Volgens die verklaring, die een toelichting is op [naam accountant] verklaring van 6 augustus 2018, heeft [eiser] op 17 december 2014 een bedrag van € 55.800,-- geleend van een zekere [naam] . Verder is volgens die verklaring met genoemde [naam] afgesproken dat met hetgeen deze verschuldigd zou zijn aan de zonen van [eiser] – in verband met een door de onderneming van de zonen van [eiser] voor [naam] uitgevoerde opdracht – verrekend zou worden de openstaande schuld van [eiser] aan [naam] . Voor een bedrag van € 37.847,-- is volgens [naam accountant] verrekend met de nog openstaande schuld van [eiser] aan [naam] . De vordering van [naam] op [eiser] ging daardoor volgens [naam accountant] over op [eiser] zonen. In overleg hebben zij ter inning van deze vordering de zaken vermeld op de lijst van 7 april 2017 overgenomen van hun vader.

3.3.

[eiser] stelt voorts dat een aantal kasten waarop beslag is gelegd niet onder het beslag kunnen vallen, omdat deze door de woning zijn nagetrokken, nu deze duurzaam met de wanden van de woning zijn verbonden. Ook zijn twee kruiwagens, waarop beslag is gelegd, niet van [eiser] , maar van de vennootschap van zijn zonen en is er een ronde eettafel, die eigendom is van een klant.

3.4.

Ten slotte stelt [eiser] dat een executoriale verkoop hem aansprakelijk doet worden jegens zijn zoons en dat het restitutierisico groot is, omdat het lastig is om goederen en gelden in Duitsland in te vorderen.

3.5.

Op grond van het vorenstaande vordert [eiser] dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. de executoriale beslagen, gelegd op verzoek van Nagel und Hoffbaur en ten laste van [eiser] op roerende zaken, opheft;

II. Nagel und Hoffbaur veroordeelt om aan [eiser] bij overtreding van het onder I gevorderde een eenmalige dwangsom te betalen van € 10.000,--, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, alsmede een dwangsom van € 1.000,--, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere dag of gedeelte van een dag dat de overtreding voortduurt;

III. Nagel und Hoffbaur veroordeelt om aan [eiser] binnen twee weken na het te dezen te wijzen vonnis de volgens het gebruikelijke tarief te begroten bijdrage in de proceskosten te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over de ter zake van deze kosten toegewezen bedragen vanaf de veertiende dag na de datum van het te dezen te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;

IV. Nagel und Hoffbaur veroordeelt om aan [eiser] te betalen binnen twee weken na het te dezen te wijzen vonnis een bedrag aan nasalaris van € 131,-- ingeval van niet-betekening van het vonnis en € 205,-- aan nasalaris ingeval van betekening van het vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente over de ter zake van deze kosten toegewezen bedragen vanaf de veertiende dag na de datum van het te dezen te wijzen vonnis, tot aan de dag der algehele voldoening, onder veroordeling van Nagel und Hoffbaur in de kosten van deze procedure.

3.6.

Nagel und Hoffbaur voert verweer. De verweren en betwistingen door Nagel und Hoffbaur zullen, voor zover van belang, hieronder worden weergegeven en beoordeeld.

4 De beoordeling

4.1.

Niet in geschil is dat de executieverkoop van de beslagen roerende zaken staat gepland op 5 oktober 2018. Het spoedeisend belang bij de vordering is daarmee gegeven.

4.2.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vordering van [eiser] moet worden afgewezen, omdat [eiser] geen belang heeft bij zijn vordering.

4.3.

Uitgaande van de juistheid van [eiser] eigen stelling, te weten dat zijn zonen, hun vennootschap (de twee kruiwagens) dan wel een derde (de ronde eettafel) eigenaar zijn van het overgrote deel van de in executoriaal beslag genomen roerende zaken, valt niet in te zien welk belang [eiser] heeft om zich te verzetten tegen de voorgenomen executoriale verkoop. Immers, uitgaande van de stelling van [eiser] dat niet hij eigenaar is van de beslagen roerende zaken, lijdt niet [eiser] schade maar lijden zijn zonen (en anderen) schade, omdat hun eigendom zou worden verkocht in plaats van die van de schuldenaar. Evenmin is gesteld of gebleken dat [eiser] bevoegd is om namens dezen de onderhavige vordering in te stellen. Ten slotte valt in het licht van de stelling van [eiser] niet te begrijpen waarom diens zonen (en anderen) niet hebben gevorderd om op de voet van het bepaalde in artikel 217 Rv te mogen tussenkomen of zich te voegen in deze procedure.

4.4.

De stelling van [eiser] dat zijn belang om de vordering in te stellen is gelegen in het feit dat hij bij het doorgaan van de executie aansprakelijk zal zijn tegenover zijn zonen (en anderen), moet worden verworpen. [eiser] heeft immers niet onderbouwd waarop die aansprakelijkheid zou berusten.

4.5.

Nu de vordering van [eiser] op grond van het vorenstaande reeds moet worden afgewezen, behoeven de overige verweren van Nagel und Hoffbaur geen beoordeling meer.

4.6.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Nagel und Hoffbaur worden begroot op:

- griffierecht € 626,00;

- salaris advocaat € 980,00;

Totaal € 1.606,00.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Nagel und Hoffbaur tot op heden begroot op € 1.606,00, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.3.

veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,-- aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,-- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.H.A. Venner-Lijten, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken.1

1 type: MT