Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:926

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
31-01-2018
Datum publicatie
31-01-2018
Zaaknummer
Zaaknummer 6422076 CV EXPL 17-8051
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incasso van twee jaarfacturen (2016) en 2017) van Fondsen in de Bouwsector (onder meer voor de regeling van pensioen en O&O) stuit af op financieel onvermogen van vrijwel stilgelegd bouwbedrijf. Toch poogt echtgenote van de zieke bestuurder van de bv het noodlot te keren door naar vermogen (zij het niet op tijd en in gedeelten) te betalen. Incassogemachtigde Vesting Finance werkt daar niet of onvoldoende aan mee, maar realiseert zich in een intern (wel overgelegd) stuk dat de opstelling ‘juridisch’ op het randje zit. Toch zet men ‘kosten verhogende maatregelingen’ door en doet er zelfs nog een tandje bij. Met verwijzing naar art. 21 Rv en onder impliciete toepassing van art. 6:96 lid 2 BW acht de kantonrechter honorering van de claim tot vergoeding van € 544,50 aan incassokosten naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Er wordt dus geen toepassing gegeven aan art. 6:96 lid 4 BW en veeleer wordt aansluiting gezocht bij de regeling in de leden 5 en 6 van dit artikel die geschreven is voor de consument als debiteur (d.w.z. de natuurlijke persoon)). Bouwbedrijf kan in casu volstaan met betaling van de wettelijke handelsrente over de bedragen en perioden waarin vertraagd betaald is. Proceskosten worden geheel gecompenseerd, mede door de buiten rechte en in rechte gekozen opstelling van eisende partij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2018/76
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer 6422076 CV EXPL 17-8051

Vonnis van de kantonrechter van 31 januari 2018 (bij vervroeging)

in de zaak

STICHTING AANVULLINGSFONDS BOUW & INFRA

statutair gevestigd en kantoor houdend in Harderwijk

alsmede

STICHTING BEDRIJFSTAKPENSIOENFONDS VOOR DE BOUWNIJVERHEID

gevestigd in Amsterdam

en

STICHTING OPLEIDINGS- EN ONTWIKKELINGSFONDS BOUW & INFRA

statutair gevestigd en kantoor houdend in Harderwijk

verder (tezamen) aan te duiden als “de stichtingen” of “de fondsen”

eisende partij

gemachtigde een onbekende althans in de processtukken ongenoemd gelaten persoon ten kantore van Vesting Finance Incasso B.V. (verder te noemen Vesting Finance) in Hilversum

tegen

de besloten vennootschap [naam BV]

statutair gevestigd in Gulpen-Wittem en kantoor houdend in Partij-Wittem (6286 AV) aan de Rodestraat 19

verder aan te duiden als “ [gedaagde] ”

gedaagde partij

procederend bij (mevrouw) [naam echtgenote bestuurder] (zonder procesvolmacht)

1 De procedure

1.1

De stichtingen hebben [gedaagde] bij dagvaarding van 16 oktober 2017 in rechte betrokken voor een gezamenlijke vordering, uiteengezet en beargumenteerd in het exploot van dagvaarding. Tegelijk daarmee zijn vijf (deels meervoudige) producties overgelegd.

1.2

Op de eerst dienende datum, 1 november 2017, hebben de stichtingen haar vordering verminderd wegens een inmiddels (op 11 oktober 2017) ontvangen betaling.

1.3

[gedaagde] heeft voor de rolzitting van deze eerste november een schriftelijk antwoord ingediend, althans laten indienen door de echtgenote van de enige en bij uitsluiting bevoegde bestuurder [naam bestuurder] (en zonder voor deze vertegenwoordigster van de onderneming een schriftelijke volmacht in te - laten - brengen). Het antwoord was voorzien van drie bijlagen omtrent dringend gewenste en gevraagde termijnbetaling.

1.4

Bij ‘anonieme’ repliek d.d. 6 december 2017 hebben de stichtingen, verwijzend naar de aanvullende producties 6 en 7 (de facturen), volhard bij haar resterende vordering(en).

1.5

Vervolgens heeft [gedaagde] voor de rol van 3 januari 2018 een niet-ondertekende maar wel van de auteursnaam [naam echtgenote bestuurder] voorziene conclusie van dupliek ingediend.

1.6

Hierna is vonnis bepaald. Vandaag kan bij vervroeging uitspraak gedaan worden.

2 Het geschil

2.1

De stichtingen vorderden aanvankelijk de veroordeling van [gedaagde] - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - tot betaling van € 2 301,99, te vermeerderen met de (wettelijke) handelsrente over een hoofdsom van € 1 707,43 vanaf 7 oktober 2017 tot de voldoening, alsmede tot betaling van de aan de zijde van de stichtingen te liquideren proceskosten inclusief niet-verrekenbare btw (door eisende partij geschreven als ‘BTW’ of ‘B.T.W.’). Na vermindering van eis bij akte d.d. 1 november 2017 met een bedrag van € 1 254,08 hebben de stichtingen de gezamenlijk gevorderde hoofdsom beperkt tot € 453,35 en hebben zij haar vorderingen voor het overige gehandhaafd. Voor die resterende vorderingen is harerzijds - waar nodig - bewijs aangeboden, doch in volstrekt algemene bewoordingen naar onderwerp en middelen (“Eiseres biedt aan al haar stellingen te bewijzen met alle middelen rechtens”).

2.2

De fondsen baseren de vordering - samengevat - op de aan wet, uitvoeringsbesluiten en (algemeen verbindende onderdelen van) cao ontleende verplichtingen van [gedaagde] . De onderneming en het in dienst zijnde personeel ressorteert onder de werkingssfeer van de cao’s voor de bouwsector en is daarom verplicht deelnemer aan het voor de bouw ingestelde bedrijfstakpensioenfonds en de in die sector daarnaast bij cao geregelde / in het leven geroepen fondsen. Dit impliceert ten opzichte van de stichtingen en haar administrateur APG de verplichting om jaarlijks bijdragen te betalen aan de hand van een factuur of heffingsnota. In dit geval gaat het om facturen van 30 december 2016 en 23 juli 2017 voor (opgeteld) een bedrag van € 2 877,24, waarvan [gedaagde] aanvankelijk (tot 11 oktober 2017) € 1 707,43 onbetaald gelaten heeft. De stichtingen hebben (na vergeefse aanmaning) in februari 2017 respectievelijk september 2017 de incasso van de twee facturen aan Vesting Finance overgedragen, van welke kant [gedaagde] wederom tot betaling aangemaand is. Volgens de stichtingen verkeert [gedaagde] ‘sedert de vervaldag’ van de pas bij repliek in het geding gebrachte facturen ‘van rechtswege in verzuim’. Exacte datum noch precieze grond van het verzuim is verder in de processtukken uitgewerkt. Tot en met 6 oktober 2017 berekenen de stichtingen [gedaagde] een bedrag van € 50,06 aan vervallen geachte handelsrente. Een renteberekening is niet bijgevoegd. Zij claimen verder op basis van de gangbare (op de wet stoelende) staffel voor invorderingskosten € 450,00 exclusief btw (€ 544,50 inclusief deze omzetbelasting) aan vergoeding. De stichtingen hebben in het inleidende processtuk geen melding gemaakt van enige vorm van verweer van de kant van [gedaagde] , noch van reëel contact met de debiteur (de echtgenote van de bestuurder) over de vordering.

2.3

In voortgezet debat hebben de stichtingen alsnog erkend dat in de incassofase ‘veelvuldig telefonisch contact’ met [gedaagde] plaatsgevonden heeft. Zij voegen er aan toe dat tevergeefs gezocht is naar ‘een te treffen regeling’. Volgens het toepasselijke uitvoeringsreglement diende [gedaagde] ‘de onderliggende nota’s binnen 14 dagen na het einde van de loonperiode’ te voldoen, maar liet zij dit ook na ‘tweemaal sommeren’ achterwege. De stichtingen spreken verbazing uit over het feit dat de nota’s ‘niet in een eerder stadium’ voldaan zijn, waar [gedaagde] bij haar werknemers op het loon wel premie inhield die daarvoor bestemd is. Zij laken de opstelling van [gedaagde] op wier weg het gelegen had een onderbouwd betalingsvoorstel te doen. Het verweer van [gedaagde] verdient volgens de eisende partij in rechte geen steun.

2.4

Het verweer van [gedaagde] ziet niet op de inhoud noch op de omvang van de twee ter discussie staande facturen en bevat ook de erkenning dat er later dan gewenst betaald is en dat er nog steeds € 453,35 te betalen resteert. [gedaagde] wijst er echter op dat buiten rechte bij herhaling geprobeerd is tot een regeling te komen over het tempo waarin de rekeningen betaald zouden worden. De bedrijfsvoering van [gedaagde] is, door het uitblijven van opdrachten, ontslag van (al) het personeel en ziekte van de bestuurder/directeur in de loop van het jaar 2017 geheel stilgelegd. De echtgenote van de directeur liet (in berichten aan eisende partij of haar gemachtigde) weten ten einde raad te zijn en niet over liquide middelen te beschikken om ineens aan het geheel van de betalingsverplichting te voldoen. Zij stuitte evenwel op onwil van de kant van eisende partij of het incassobureau om genoegen te nemen met betaling in kleinere porties. Pas op 11 oktober 2017 was (mevrouw) [naam echtgenote bestuurder] in staat een substantieel bedrag vrij te maken: er is toen een aanbetaling van € 1 254,08 verricht. Desondanks is er op 16 oktober 2017 (voor het volle bedrag) gedagvaard. [gedaagde] is van oordeel dat dit zonder noodzaak gebeurde en dat de stichtingen zowel de buitengerechtelijke als de gerechtelijke kosten voor eigen rekening dienen te nemen

2.5

In voortgezet debat heeft [gedaagde] volhard bij het eerder betrokken standpunt. Zij benadrukt dat de betaling van de eerste factuur ad € 1 169,81 terstond na de eerste sommatie van 10 februari 2017 (op de maandag na het weekend waarin de brief ontvangen is) plaatsgevonden heeft. Daarom resteerde geen vordering meer op dit onderdeel. Over de tweede factuur is bij herhaling gebeld met de gemachtigde van eisende partij, mede omdat steeds maar weer verkeerde bedragen genoemd werden door ook de oudere factuur in de discussie te betrekken. Dat wel degelijk ‘een regeling aangevraagd’ is om de factuur in gedeelten te betalen, blijkt uit de vijfde productie van de eisende partij (“Overzicht gespreksnotities”). Bij dagvaarding hebben de stichtingen ten onrechte ook nog eens nagelaten melding te maken van de ruimschoots op tijd gedane betaling van € 1 254,08, bedoeld als eerste deel van twee termijnen (Vesting Finance had volgens [gedaagde] bij de vooraankondiging van mogelijke dagvaarding betaling in twee termijnen goedgekeurd). Het restant van de hoofdsom heeft (mevrouw) [naam echtgenote bestuurder] eind december 2017 betaald (de dag waarop zij haar ongedateerde dupliek opmaakte, een stuk dat op 29 december 2017 ter griffie ontvangen is). [gedaagde] bestrijdt de beide nevenvorderingen, zowel naar de aard als naar de berekeningswijze. De stichtingen hebben nodeloos en ten onrechte buiten rechte kosten gemaakt en zijn al helemaal zonder noodzaak een gerechtelijke procedure begonnen. Dit blijkt uit het feit dat nu inmiddels de gehele hoofdsom - in weerwil van de betalingsnood aan de kant van de debiteur - betaald is. De kosten (althans voor incassowerkzaamheden) zouden volgens [gedaagde] voor rekening van Vesting Finance moeten komen, het bureau dat in haar visie veel te ‘eager’ was om bedragen te innen zonder de noodzaak aan te tonen. In ieder geval vindt [gedaagde] dat die kosten niet aan haar opgelegd mogen worden.

3 De beoordeling

3.1

De stichtingen laten haar gemachtigde in de presentatie van deze vordering een tamelijk onwaarachtige opstelling kiezen, althans een die zich maar moeilijk laat inpassen in het stramien dat de wetgever voor ogen had bij het formuleren van het voorschrift van art. 21 Rv. In plaats van naar waarheid en volledig bij inleidend processtuk inzicht te verschaffen in de noodzaak en wenselijkheid van zowel incassomaatregelen als het ondernemen van processuele actie loopt / manoeuvreert eisende partij omzichtig om alle gevoelig liggende punten heen. In ieder geval heeft zij daardoor niet voldaan aan de verplichting om alle voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te dragen. Immers:

  • -

    Er wordt in het exploot van dagvaarding in het geheel geen melding gemaakt van hardnekkige pogingen van de echtgenote van de [gedaagde] -bestuurder om vanuit de met omvallen bedreigde onderneming middelen beschikbaar te krijgen om de (erkende) achterstand in de betaling in kleinere porties betaalbaar te stellen.

  • -

    Er is weliswaar verwezen naar een prod.5 maar louter om ‘de buitengerechtelijk verrichte werkzaamheden te specificeren’, terwijl juist uit de onbesproken gelaten inhoud van het stuk met de naam ‘Overzicht gespreksnotities’ blijkt dat Vesting Finance sedert 15 februari 2017 bestookt is met telefoontjes en e-mailberichten van mevrouw [naam echtgenote bestuurder] waaruit haar intentie blijkt om - zonder nodeloze (verdere) kosten - op een redelijke termijn aan resterende verplichtingen te voldoen.

  • -

    Vrijwel terstond nadat [gedaagde] geconfronteerd was met het onbetaald laten van de op dat moment enige factuur (die van 30 december 2016 ad € 1 169,81) via de aanmaning d.d. 10 februari 2017 van Vesting Finance (opvallenderwijs niet vanuit Hilversum doch vanuit Heerenveen verzonden en al even opvallend voorzien van een ultrakorte termijn van slechts vijf dagen voor de voldoening), is de hoofdsom betaald, namelijk direct na het weekend, op maandag 13 februari 2017.

  • -

    De discussie tussen partijen ging toen dus niet over de hoofdsom maar over de vraag of eisende partij terecht zowel vertragingsrente als kosten van incasso (een fors bedrag van op dat moment € 181,50) in rekening bracht.

  • -

    Vervolgens escaleerde het dispuut, nader gecompliceerd door het feit dat per 23 juli 2017 een aanvullende factuur ten belope van € 1 707,43 voor het jaar 2017 aan de vordering toegevoegd is.

  • -

    Minstens even opmerkelijk is dat Vesting Finance zelf als mede-hoofdrolspeler in de vijfde productie (het ‘overzicht’) op de datum 31 augustus 2017 aantekent: “Overgedragen op 10-02 en betaling bij cliente ontvangen op 13-02. Weekend zat er ook tussen. Gezien de openstaande kosten en de snelle betaling staan wij juridisch niet sterk en maken geen kosten verhogende maatregelingen (sic!) meer”.

3.2

Het had voor de hand gelegen dat de stichtingen de vordering op geheel andere wijze opgezet hadden en verduidelijkt hadden dat hier twee kwesties centraal stonden die met elkaar samenhingen: betalingsonmacht aan de kant van de debiteur en een conflict over de vraag of het aanvaardbaar was dat ter zake van een op eerste sommatie terstond voldane factuur kosten van incasso in rekening gebracht worden. Zeker nu de sommatiebrief van 10 februari 2017 door de gekozen opzet niet eens voldeed aan de eisen van een in art. 6:96 lid 5 en lid 6 BW geregelde en door de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2016:2704) nader ingekaderde veertiendagenbrief. Hoewel voor een handelsovereenkomst de bewuste wettelijke regeling (die ziet op natuurlijke personen in de positie van debiteur) strikt genomen niet geldt, is de vraag gerechtvaardigd of in de gegeven omstandigheden maatregelen ter incasso als zodanig al redelijkerwijs noodzakelijk waren, maar in ieder geval ook of de omvang van in rekening gebrachte kosten de toets van redelijkheid kon doorstaan. Vesting Finance zelf had daar kennelijk (en terecht) in de zomer van 2017 al grote twijfel over, maar de stichtingen hebben die twijfel niet laten doorklinken in de opstelling buiten rechte ten opzichte van [gedaagde] en evenmin in de beide harerzijds ingediende processtukken. Iedere matiging van de vergoeding was in de ogen van Vesting Finance en/of de fondsen taboe.

3.3

Sterker nog: de stichtingen en haar (incasso)gemachtigde zijn vorderingen blijven stapelen en hebben na het ontstaan van een nieuwe hoofdvordering (waarvoor [gedaagde] wederom uit betalingsnood uitstel en spreiding van betaling moest vragen) de verlangde vergoeding van (wederom niet strikt noodzakelijk te achten) invorderingskosten gebaseerd op de optelsom van twee hoofdvorderingen waarvan de eerste al hoog en breed voldaan was. Die tweede vordering van 23 juli 2017 heeft niet eens tot een aanmaning geleid, althans daarvan zijn geen stukken overgelegd noch is er informatie over verschaft. De stichtingen hebben op dit punt volstaan met de mededeling dat de aanvullende factuur op 6 september 2017 ter incasso ‘in handen gegeven’ is van ‘een incassobureau die (sic!) eveneens gedaagde herhaaldelijk heeft aangemaand’. De derde productie waarnaar in het exploot ter verklaring op dit punt verwezen is, bevat evenwel geen ander stuk van na die zesde september dan een “AANKONDIGING DAGVAARDING” van Vesting Finance te Heerenveen waarin zonder enige uitleg aangekondigd werd dat tot dagvaarding overgegaan zou worden als niet uiterlijk 27 september 2017 betaling zou hebben plaatsgevonden van een ongespecificeerd bedrag van € 2 254,08. Het spreekt vanzelf dat [gedaagde] van dit bedrag, dat vervolgens ook niet terugkeert in de exploottekst van 16 oktober 2017, geen chocola kon maken. Dat in het exploot de rekensom wederom begint met een hoofdsom van € 2 877,24 en dat daarop slechts het al sedert 13 februari 2017 in handen van de stichtingen zijnde bedrag van de eerste factuur in mindering gebracht is, is mede opvallend omdat - naar de stichtingen sedert 1 november 2017 erkennen - al op 11 oktober 2017, dus VIJF DAGEN vóór dagvaarding, een groot deel van het bedrag in de tweede factuur betaald was. De rest zou volgen.

3.4

Conclusie van het voorgaande is dat de stichtingen welbewust - althans tegen beter (kunnen) weten in - een verkeerde voortelling van zaken geven in deze incassozaak en het betaalgedrag van [gedaagde] veel ernstiger voorstellen dan het in werkelijkheid was. Zonder meer duidelijk is dat de fondsen bekend waren en nog steeds zijn met het feit dat [gedaagde] niet uit onwil doch uit onvermogen betaling van twee facturen (de ene van de voorlaatste dag van het jaar 2016 en de andere van eind juli 2017) opgeschort heeft en daarvoor begrip gevraagd heeft. Dat die gevraagde soepelheid niet opgebracht is, valt in zoverre te billijken dat de fondsen formeel niet gehouden zijn met een betaling in termijnen genoegen te nemen. Daar staat echter tegenover dat de stichtingen een tegenprestatie in de vorm van in rekening te brengen (handels)rente konden vragen én gevraagd hebben. Volstrekt onnodig en naar wijze van uitvoering evenzeer onredelijk moet worden geacht dat hiernaast het instrument van incasso door Vesting Finance ingezet is om uiteindelijk niet verder te geraken dan de constatering dat [gedaagde] nog steeds niet sneller of vollediger aan de betalingswens van de fondsen kon voldoen en voor een deel (waar het om die nodeloze en onredelijke kosten ging) niet wilde voldoen. Hoewel de kantonrechter aanneemt dat [gedaagde] haar verplichting ten aanzien van de bedragen in hoofdsom inmiddels (sinds eind december 2017) geheel inloste (zoals zij in haar dupliek verzekerde), zal op dat punt bij gebreke van bevestiging van de kant van eisende partij nog wel een (voorwaardelijke) veroordeling uitgesproken worden.

3.5

De hier beschreven toedracht rechtvaardigt de constatering dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet aangaat om [gedaagde] de in het Uitvoeringsreglement Bouwnijverheid voorziene kosten van incasso (laat staan in de omvang die de stichtingen maatgevend achten) in rekening te brengen. Door de twee betalingen was [gedaagde] per einde december 2017 nog € 453,35 aan de stichtingen verschuldigd, terwijl zij daarnaast nader te berekenen bedragen aan handelsrente verschuldigd is over in de diverse tijdvakken variërende uitstaande hoofdsom. De andere nevenvordering ter zake van inschakeling van Vesting Finance (laatstelijk door eisende partij op € 544,50 inclusief btw bepaald) sneuvelt bij gebrek aan rechtvaardiging. Omdat deze kostenpost al die tijd een belangrijk obstakel gevormd heeft voor het bereiken van overeenstemming over een soepel aflossingsregime en omdat het daarom in belangrijke mate aan eisende partij te wijten is dat zij een gerechtelijke procedure niet heeft weten te voorkomen, is dit gedeeltelijke ongelijk van de stichtingen tevens reden om de proceskosten geheel te compenseren: ieder draagt de eigen kosten.

4 De beslissing

De kantonrechter komt tot het volgende oordeel:

- [gedaagde] wordt - voor het geval de restbetaling ad € 453,35 van eind december 2017 de stichtingen nog niet bereikt mocht hebben - veroordeeld om aan de drie fondsen gezamenlijk een bedrag van € 453,35 te voldoen, nog te vermeerderen met de wettelijke handelsrente :

* over een bedrag van € 1 169,81 vanaf 14 januari 2017 tot 13 februari 2017

* over een bedrag van € 1 707,43 vanaf 7 augustus 2017 tot 11 oktober 2017

* over een bedrag van € 453,35 vanaf 11 oktober 2017 tot de datum van voldoening.

- De proceskosten worden in het geheel gecompenseerd, zodat iedere partij voor de eigen kosten dient op te komen.

- Het vonnis wordt uitvoerbaar verklaard bij voorraad.

- Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal en is in het openbaar uitgesproken.

Type: HS