Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:9246

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
01-10-2018
Datum publicatie
04-10-2018
Zaaknummer
7163264 CV EXPL 18-5222
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2019:1692
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Concurrentiebeding in tijdelijk contract niet rechtsgeldig overeengekomen. Niet voldaan aan motiveringsplicht. Nietig concurrentiebeding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-1119
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Burgerlijk recht

Zaaknummer: 7163264 CV EXPL 18-5222

Vonnis van de kantonrechter ex artikel 254 Rv van 1 oktober 2018

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

COLLÉ SITTARD MACHINEHANDEL B.V.,

gevestigd aan de Nusterweg 100-102, 6136 KV Sittard,

eisende partij in conventie, verwerende partij in (voorwaardelijke) reconventie,

gemachtigde mr. Th.H.P. van den Kieboom,

tegen

[gedaagde in conventie, eiser in (voorwaardelijke) reconventie] ,

wonend aan de [adres] , [woonplaats] ,

gedaagde partij in conventie, eisende partij in (voorwaardelijke) reconventie,

gemachtigde mr. E. Aarden.

Partijen zullen hierna Collé en [gedaagde in conventie, eiser in (voorwaardelijke) reconventie] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties 1 tot en met 15

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie

  • -

    de door Collé op 20 september 2018 in het geding gebrachte aanvullende producties 16 tot en met 21

  • -

    de door Collé op 21 september 2018 in het geding gebrachte aanvullende producties 22 tot en met 29

  • -

    de mondelinge behandeling van 24 september 2018

  • -

    de pleitnota van Collé.

1.2.

Vervolgens is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde in conventie, eiser in (voorwaardelijke) reconventie] is op 1 augustus 2017 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (één jaar) bij [gedaagde in conventie, eiser in (voorwaardelijke) reconventie] in dienst getreden in de functie van medewerker commerciële binnendienst.

2.2.

In de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst is in artikel 15 een non-concurrentiebeding en relatiebeding opgenomen. Daarin staat - voor zover relevant - vermeld (productie 1 bij exploot van dagvaarding):

“15.1 Werknemer erkent dat, gelet op de functie van werknemer, er een zwaarwegend belang bestaat voor het opnemen van een concurrentie- en relatiebeding in deze overeenkomst.

15.2

Werknemer beschikt over bijzondere en bedrijfsspecifieke kennis, gegevens en vaardigheden welke, indien deze worden ingezet in strijd met artikel 15, zwaarwegende nadelige gevolgen kunnen veroorzaken voor werkgever/het bedrijf en daarmee het bedrijfsbelang. Werknemer heeft zeer veel klantcontact, beschikt over klant- en prospectgegevens, heeft inzage in prijsstelling, het marktbewerkingsplan en financiele gegevens inzake omzet, marge, winst c.q. verlies. Wanneer deze informatie bij concurrerende bedrijven terecht komt, of wordt gebruikt bij een concurrerend bedrijf, zal dit werkgever direct schaden doordat de concurrent met deze informatie prijsbeleid en marktbewerking kan afstemmen.

15.3.

Zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van werkgever is het werknemer verboden, gedurende een periode van 24 maanden nadat de arbeidsovereenkomst tussen partijen tot een einde is gekomen, in het gebied waar werkgever en werknemer werkzaam zijn, een onderneming zoals werkgever drijft ten tijde van het einde van de arbeidsovereenkomst, te drijven of doen drijven, zowel direct hetzij indirect, en in welke vorm ook, of daarbij op andere wijze rechtstreeks of zijdelings betrokken te zijn, hetzij zelfstandig dan wel in dienstbetrekking of anderszins, hetzij tegen een vergoeding, hetzij om niet.

(…)

15.5

Bij overtreding van het in lid 3 van dit artikel genoemd verbod (…) verbeurt werknemer, zonder dat daarvoor een ingebrekestelling of rechterlijke tussenkomst nodig is, voor elke overtreding afzonderlijk, een direct opeisbare boete van € 10.000,- (…) en voor elke dag dat die overtreding voortduurt een direct opeisbare boete van € 1.000,- (…), zulks onverminderd het recht van werkgever tot het vorderen van volledige schadeloosstelling.”

2.3.

De arbeidsovereenkomst is op verzoek van [gedaagde in conventie, eiser in (voorwaardelijke) reconventie] per 1 juli 2018 beëindigd.

2.4.

[gedaagde in conventie, eiser in (voorwaardelijke) reconventie] is sedert 2 juli 2018 bij BIA in dienst getreden in de functie van sales

accountmanager regio Limburg.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

Tegen de achtergrond van deze vaststaande feiten vordert Collé kort weergegeven:

  • -

    [gedaagde in conventie, eiser in (voorwaardelijke) reconventie] te gebieden de werkzaamheden die hij verricht ten behoeve van BIA, of aan deze onderneming gelieerde vennootschappen, te staken en gestaakt te houden voor de duur van het non-concurrentiebeding zoals opgenomen in artikel 15 van de arbeidsovereenkomst die partijen hebben gesloten, op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag (zoals contractueel overeengekomen), of gedeelte van een dag, dat [gedaagde in conventie, eiser in (voorwaardelijke) reconventie] dienaangaande in gebreke mocht blijven, althans en subsidiair op verbeurte van een door de kantonrechter in goede justitie vast te stellen dwangsom;

  • -

    [gedaagde in conventie, eiser in (voorwaardelijke) reconventie] te veroordelen tot betaling van een voorschot van € 50.000,-- op de reeds verschuldigde boetes, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 juli 2018 tot de dag van algehele voldoening, althans en subsidiair een door de kantonrechter in goede justitie vast te stellen voorschot op de te betalen boetes;

  • -

    [gedaagde in conventie, eiser in (voorwaardelijke) reconventie] te veroordelen in de kosten van deze procedure en de nakosten.

3.2.

[gedaagde in conventie, eiser in (voorwaardelijke) reconventie] heeft verweer gevoerd.

3.3.

Op de stellingen van partijen zal hierna - voor zover relevant - worden ingegaan.

in voorwaardelijke reconventie

3.4.

[gedaagde in conventie, eiser in (voorwaardelijke) reconventie] vordert, indien het non-concurrentie en relatiebeding niet nietig is:

- dat het non-concurrentie- en relatiebeding geheel dan wel gedeeltelijk wordt geschorst zodanig dat hij zijn arbeidsrelatie met BIA kan voortzetten;

- indien het non-concurrentie- en relatiebeding geheel of gedeeltelijk in stand blijft, veroordeling van Collé tot betaling van een vergoeding van € 58.854,00 althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen vergoeding;

- in conventie en in reconventie veroordeling van Collé in de proceskosten en nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

3.5.

Collé heeft verweer gevoerd.

3.6.

Op de stellingen van partijen zal hierna - voor zover relevant - worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Uit de stukken en de toelichting ter terechtzitting is genoegzaam gebleken dat partijen een spoedeisend belang hebben bij de over en weer gevraagde voorzieningen, zodat zij in zoverre ontvankelijk zijn in hun vorderingen.

in conventie

4.2.

In deze zaak is allereerst aan de orde de vraag of het in de arbeidsovereenkomst overeengekomen non-concurrentiebeding voldoet aan de wettelijke eisen van artikel 7:653 BW. Niet in geschil is dat aan het bepaalde in artikel 7:653 lid 1 sub b BW, te weten het schriftelijkheidsvereiste en de meerderjarigheidseis, is voldaan.

4.3.

In de onderhavige zaak is sprake van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, die is gesloten na 1 januari 2015. Onder de Wet werk en zekerheid kan een beding waarbij de werknemer wordt beperkt in zijn bevoegdheid om na het einde van de overeenkomst op zekere wijze werkzaam te zijn in beginsel alleen rechtsgeldig worden overeengekomen wanneer sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Voor zover een dergelijk beding desondanks wordt opgenomen in een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd kan dit alleen rechtsgeldig gebeuren als uit de bij dat beding opgenomen schriftelijke motivering van de werkgever blijkt dat het beding noodzakelijk is vanwege zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen (artikel 7:653 lid 1 sub a en lid 2 BW).

4.4.

De ratio hiervan is dat werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met daarin een beding als bedoeld in artikel 7:653 lid 1 BW ten opzichte van een werknemer met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd een dubbel nadeel hebben, te weten de belemmering om elders arbeid te aanvaarden terwijl het gezien de tijdelijkheid van de arbeidsovereenkomst juist noodzakelijk is dat ze elders een arbeidsovereenkomst aangaan.

4.5.

Tegen die achtergrond mogen aan de motivering van het belang hoge eisen worden gesteld. Er dient in het beding zelf gemotiveerd te worden welke bedrijfs- of dienstbelangen het betreft en waarom die een concurrentiebeding vereisen. Dit noopt de werkgever tot een concrete afweging en voorkomt dat lichtvaardig gebruik wordt gemaakt van dergelijke bedingen. Daarbij geldt dat indien een schriftelijke motivering ontbreekt het beding nietig is (vgl. Kamerstukken II 2013/14, 33818, 3 p. 16 en 17). De motivering moet worden gegeven bij het sluiten van de overeenkomst met het beding. Het beding kan niet later nader worden gemotiveerd. In de parlementaire geschiedenis wordt aangegeven dat sprake moet zijn van een werknemer die specifieke werkzaamheden verricht of in een specifieke functie werkzaam is ("hele specifieke kennis of bedrijfsinformatie die de werknemer op zal doen, waarbij de werkgever onevenredig wordt benadeeld als de werknemer overstapt naar de concurrent" Kamerstukken I 2013/14, 33818, C, p.104) en dat dit per geval "een specifieke afweging en motivering" vergt. De noodzaak van het concurrentiebeding moet zowel bestaan ten tijde van het sluiten van het beding als op het moment dat de werkgever zich er op beroept (Kamerstukken II 2013/14, 33818, 3 p. 91).

4.6.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de kantonrechter voorshands van oordeel dat Collé haar zwaarwegende bedrijfsbelangen bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst onvoldoende heeft geconcretiseerd en dat de noodzakelijkheid van het beding onvoldoende is toegelicht. Collé heeft weliswaar in artikel 15 een opsomming gegeven van bedrijfsgegevens waarin [gedaagde in conventie, eiser in (voorwaardelijke) reconventie] volgens Collé tijdens zijn dienstverband inzicht zal verwerven maar deze heeft een algemene strekking, is onvoldoende specifiek en is onvoldoende kenbaar toegesneden op de persoon van [gedaagde in conventie, eiser in (voorwaardelijke) reconventie] . Niet omschreven is om welke concrete klant- en prospectgegevens en marktbewerkingsplan het nu precies gaat, waarmee dèze werknemer - [gedaagde in conventie, eiser in (voorwaardelijke) reconventie] - het bedrijfsdebiet van Collé daadwerkelijk in gevaar kan brengen, zodat het daarop gerichte non-concurrentiebeding absoluut noodzakelijk is. De door Collé ter zitting gegeven nadere motivering van de zwaarwegende bedrijfsbelangen, waaronder de prijzen die via tussenkanalen bedongen worden en de openheid van zaken en werksetting bij Collé, kan geen soelaas bieden. Immers zoals hiervoor reeds overwogen dient aan de motiveringsplicht bij het aangaan van het beding in de arbeidsovereenkomst te worden voldaan.

4.7.

Nu er niet voldaan is aan de motiveringsplicht leidt het vorenstaande tot de conclusie dat er geen rechtsgeldig concurrentiebeding tussen partijen is overeengekomen. Dit brengt met zich dat het concurrentiebeding nietig is. Gelet hierop behoeven de overige stellingen van partijen geen beoordeling meer en liggen de vorderingen in conventie voor afwijzing gereed.

4.8.

Collé zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De proceskosten aan de zijde van [gedaagde in conventie, eiser in (voorwaardelijke) reconventie] in conventie worden tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 600,00.

4.9.

De gevorderde nakosten en de daarover gevorderde wettelijke rente zullen op de hierna onder 5.3. weergegeven wijze worden toegewezen. De kantonrechter overweegt hierbij dat [gedaagde in conventie, eiser in (voorwaardelijke) reconventie] een te hoog tarief, te weten het tarief in handelszaken, heeft gevorderd. In kantonzaken (zoals deze zaak) geldt als tarief voor de nakosten de helft van het gemachtigdensalaris, met een maximum van € 100,00.

in voorwaardelijke reconventie

4.10.

De kantonrechter leidt uit de laatste alinea onder punt twaalf op pagina zes van de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie af dat [gedaagde in conventie, eiser in (voorwaardelijke) reconventie] de vordering in reconventie voorwaardelijk heeft ingesteld.

4.11.

Nu hiervoor in conventie is geoordeeld dat het concurrentiebeding nietig is, is de voorwaarde waaronder de reconventie is ingesteld niet vervuld. Dit betekent dat de kantonrechter niet meer toekomt aan een beoordeling van de reconventionele vordering.

5. De beslissing

De kantonrechter

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt Collé tot betaling van de proceskosten van [gedaagde in conventie, eiser in (voorwaardelijke) reconventie] , die tot de uitspraak van dit vonnis worden begroot op € 600,00,

5.3.

veroordeelt Collé, onder de voorwaarde dat zij niet binnen twee weken na aanschrijving door [gedaagde in conventie, eiser in (voorwaardelijke) reconventie] volledig aan de veroordeling hiervoor onder 5.2. voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 100,00 aan salaris gemachtigde, bij gebreke van betaling binnen veertien dagen na die aanschrijving te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag daarna tot de dag van volledige betaling,

- te vermeerderen, indien vervolgens betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, met de kosten van dat exploot, bij gebreke van betaling binnen veertien dagen na die betekening te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag daarna tot de dag van voldoening,

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst af het meer of anders gevorderde,

in voorwaardelijke reconventie

5.6.

verstaat dat op de vordering niet behoeft te worden beslist.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.M. Drenth en in het openbaar uitgesproken.

CJ