Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:9191

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
20-09-2018
Datum publicatie
04-10-2018
Zaaknummer
7094290 AZ VERZ 18-74
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2019:2048, Overig
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Werkgever verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst met zieke werknemer omdat de werkgever een deel van haar werkzaamheden beëindigd heeft waardoor de arbeidsplaats van werknemer is vervallen. Opzegverbod? Uitleg “onderneming” in de zin van art. 7:670a lid 2 sub d BW. Arbeidsverleden als ambtenaar telt niet mee bij vaststelling hoogte transitievergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2018/285
RAR 2019/11
AR-Updates.nl 2018-1124
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 7094290 AZ VERZ 18-74

Beschikking van de kantonrechter van 20 september 2018

in de zaak van

STICHTING BOTANISCHE TUIN KERKRADE,

gevestigd te Kerkrade,

verzoekende partij,

gemachtigde mr. M.M.J.F. Sijben

tegen

[verweerster] ,

wonend te [woonplaats] ,

verwerende partij,

gemachtigde mr. J.G.M. Spronken.

Partijen zullen hierna SBT en [verweerster] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen (ontvangen op 23 juli 2018)

  • -

    het verweerschrift met bijlagen

  • -

    de mondelinge behandeling op 11 september 2018, waarbij namens SBT een pleitnota is overgelegd.

1.2.

Ten slotte is beschikking bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[verweerster] is met ingang van 18 februari 1981 als ambtenaar in dienst van het Streekgewest Oostelijk Zuid-Limburg (hierna: het Streekgewest) althans zijn rechtsvoorgangers geweest.

2.2.

In 1998 zijn de tot de regio Parkstad behorende gemeenten een samenwerkingsverband aangegaan onder de noemer Regionaal centrum voor ecologische basisvorming natuur- milieu en duurzaamheidseducatie Parkstad Limburg (hierna: CNME). De uitvoering van de taken van CNME is toebedeeld aan SBT.

2.3.

In 1998 hebben (onder andere) SBT en het Streekgewest een overeenkomst gesloten waarin onder meer is overeengekomen dat:

- het Streekgewest aan SBT het NME centrum te Schrieversheide overdraagt

- SBT de natuureducatieve taken van Schrieversheide overneemt voor wat betreft de dienstverlening binnen de gemeenten Brunssum, Heerlen en Landgraaf

- SBT de medewerkers van het Streekgewest in dienst zal nemen met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zonder proeftijd

- de voor de werknemers negatieve verschillen tussen de arbeidsvoorwaarden bij het Streekgewest en SBT en andere gevolgen van de overgang worden gecompenseerd, onder andere door vervroegde toekenning van de jubileumgratificatie bij 25 jaar dienstverband, betaling van niet opgenomen verlofdagen en een afscheidsgratificatie.

2.4.

Op 1 juli 1999 is [verweerster] op grond van een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij SBT als coördinator NME voor 18 uur per week. Per dezelfde datum is de aanstelling van [verweerster] bij het Streekgewest geëindigd.

2.5.

De uitvoering van de CNME-activiteiten heeft SBT gefinancierd met de voor dat doel door de gemeente Heerlen verstrekte subsidie van € 66.000,00 op jaarbasis. De gemeente Heerlen heeft met ingang van 1 augustus 2016 geen subsidie meer verleend voor de CNME-activiteiten.

2.6.

Op 9 januari 2017 heeft het UWV op aanvraag van SBT aan haar toestemming verleend om de arbeidsovereenkomst met [verweerster] uiterlijk 6 februari 2017 op te zeggen op grond van bedrijfseconomische redenen. SBT heeft van die toestemming destijds geen gebruik gemaakt.

2.7.

[verweerster] is sinds 15 december 2017 door ziekte arbeidsongeschikt.

2.8.

Op 5 juni 2018 heeft SBT opnieuw aan het UWV toestemming gevraagd de arbeidsovereenkomst met [verweerster] op te zeggen op grond van bedrijfseconomische omstandigheden.

2.9.

Bij beslissing van 20 juni 2018 heeft het UWV toestemming geweigerd omdat [verweerster] wegens ziekte arbeidsongeschikt is en dus het opzegverbod van art. 7:670 BW aan opzegging in de weg staat. Verder heeft het UWV overwogen dat de door SBT (op grond van art. 7:670a lid 2 aanhef en onder d BW) bepleite uitzondering op het opzegverbod niet opgaat omdat SBT de formele werkgever is van [verweerster] en er geen sprake is van een volledige bedrijfsbeëindiging van deze werkgever.

3 Het geschil

3.1.

SBT verzoekt:

  1. de arbeidsovereenkomst met [verweerster] te ontbinden per de eerst mogelijke datum;

  2. [verweerster] te veroordelen tot betaling van de kosten van dit geding.

3.2.

Het verweer van [verweerster] strekt primair tot afwijzing van het verzoek. Subsidiair verzoekt zij SBT te veroordelen tot betaling van € 41.721 bruto transitievergoeding (en tot verstrekking van een bruto-/netto specificatie), te vermeerderen met wettelijke rente.

4 De beoordeling

4.1.

Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerster] baseert SBT op art. 7:669 lid 3 onder a BW. Ter onderbouwing daarvan heeft SBT aangevoerd dat door het stopzetten van de subsidie (zie 2.5.) CNME en SBT in financiële nood zijn komen te verkeren als gevolg waarvan het bestuur van SBT heeft moeten besluiten de activiteiten van CNME te beëindigen. Hierdoor is de arbeidsplaats van [verweerster] komen te vervallen.

4.2.

Het verweer van [verweerster] tegen voornoemde onderbouwing van SBT wordt op grond van de volgende overwegingen verworpen. [verweerster] voert primair aan dat het UWV de toestemming heeft geweigerd vanwege het opzegverbod zodat het UWV de bedrijfseconomische omstandigheden niet heeft beoordeeld. [verweerster] stelt dat zodoende voor wat betreft de beoordeling van die omstandigheden haar een instantie is ontnomen. Dit argument staat er niet aan in de weg om thans het verzoek van SBT ook op dit onderdeel te beoordelen. Het subsidiaire verweer van [verweerster] dat zij bij gebrek aan wetenschap betwist dat er sprake is van de door SBT aangevoerde bedrijfseconomische omstandigheden slaagt evenmin. SBT heeft verwijzend naar de door haar bij de UWV-procedure overgelegde stukken in voldoende mate onderbouwd dat de bedrijfseconomische omstandigheden als gevolg van het beëindigen van de subsidieverstrekking haar hebben genoodzaakt tot het beëindigen van de CNME-activiteiten. [verweerster] heeft daar niets concreets tegenover gesteld.

4.3.

Met SBT is de kantonrechter van oordeel dat het opzegverbod bij ziekte (art.7:670 lid 1 BW) niet in de weg staat aan de ontbinding van de arbeidsovereenkomst. SBT doet in dat verband met succes een beroep op het bepaalde in art. 7:670a lid 2 aanhef en onder d BW. Ingevolge die bepaling geldt voornoemd opzegverbod niet in geval van beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming. [verweerster] heeft gelijk waar zij stelt dat de werkzaamheden van SBT niet eindigen, maar daarmee geeft zij een te beperkte uitleg aan het begrip “onderneming”. De CNME-activiteiten vormen binnen SBT een zodanig op zichzelf staand onderdeel dat dit als een onderneming in de zin van art. 7:670a lid 2 aanhef en onder d BW dient te worden beschouwd. Zo staat (onder meer) vast dat CNME zich ten opzichte van derden steeds op die wijze heeft gepresenteerd met eigen briefpapier, doelstellingen, telefoonnummer en programmaboekje. Ook onderhield CNME contacten met eigen (van de overige activiteiten van SBT losstaande) relaties. Verder is onbetwist dat de resultaten van CNME binnen SBT separaat werden geadministreerd en dat er voor CNME aparte beleidsplannen werden gemaakt. Ook is onbetwist dat SBT van het Streekgewest de CNME-activiteiten in 1999 inclusief twee CNME-werknemers onder wie [verweerster] heeft overgenomen en dat SBT vervolgens die activiteiten en het loon van die werknemers financierde met voor dat doel verstrekte subsidies. Op grond van deze overwegingen wordt geoordeeld dat de onderneming CNME haar werkzaamheden heeft beëindigd en wordt [verweerster] beroep op het opzegverbod verworpen.

4.4.

SBT heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat door haar slechte financiële situatie herplaatsing van [verweerster] binnen SBT niet mogelijk is.

4.5.

Uit het voorgaande volgt dat het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst toewijsbaar is.

4.6.

Vast staat dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen vijftien jaar of langer geduurd heeft zodat de opzegtermijn vier maanden is (zie art. 7:672 lid 2 aanhef en onder d BW). Rekening houdend met de duur van deze procedure (van 23 juli 2018 tot heden) zal de einddatum van de arbeidsovereenkomst conform art. 7:671b lid 8 aanhef en onder a BW worden bepaald op 31 november 2018.

4.7.

Op grond van art. 7:673 BW heeft [verweerster] recht op een transitievergoeding.

4.8.

In haar verzoekschrift heeft SBT gesteld dat het bruto maandloon exclusief emolumenten € 1.604,00 bedraagt. [verweerster] heeft daartegen aangevoerd dat het bruto maandloon exclusief emolumenten € 1.688,00 bedraagt. [verweerster] heeft daarbij verwezen naar de door SBT zelf overgelegde loonspecificatie waar dit bedrag op staat vermeld. SBT heeft daar niet tegen gerepliceerd. Het moet er dan ook voor gehouden worden dat het bruto maandloon exclusief emolumenten € 1.688,00 bedraagt. [verweerster] heeft voorts aangevoerd dat rekening houdend met 8% vakantietoeslag en 6,5% eindejaarsuitkering het voor de berekening van de transitievergoeding in aanmerking te nemen brutoloon € 1.932,76 per maand bedraagt. Van de zijde van SBT is daar niets tegen aangevoerd, zodat van de juistheid van het door [verweerster] gestelde loon zal worden uitgegaan.

4.9.

Partijen hebben gediscussieerd over de in aanmerking te nemen duur van de arbeidsovereenkomst. [verweerster] heeft in dit verband aangevoerd dat ook haar dienstverband bij de rechtsvoorgangers van SBT meegeteld dient te worden. Zij heeft gesteld dat zij sinds 18 februari 1981 in dienst is van Streekgewest en de rechtsvoorgangers van Streekgewest (zie 2.1).

4.9.1.

[verweerster] doet hiermee wellicht een beroep op het bepaalde in art. 7:662 en volgende BW. Uit die artikelen volgt dat de rechten en verplichtingen uit een arbeidsovereenkomst bij overgang van de onderneming van rechtswege overgaan op de verkrijger. [verweerster] ziet echter over het hoofd dat zij in de periode van 1981 tot 1 juli 1999 niet op grond van een arbeidsovereenkomst in dienst was van het Streekgewest en haar rechtsvoorgangers. Onbetwist staat namelijk vast dat zij in die periode op basis van een publiekrechtelijke aanstelling als ambtenaar in dienst is geweest van het Streekgewest en haar rechtsvoorgangers. Reeds om deze reden kan het beroep van [verweerster] op het bepaalde in de art. 7:662 e.v. BW niet slagen.

4.9.2.

Wellicht heeft [verweerster] ook beoogd een beroep te doen op art. 7:673 lid 4 aanhef en onder b BW. Ook dat kan niet slagen want van opvolgend werkgeverschap in de zin van deze bepaling is geen sprake. [verweerster] was immers vóór 1 juli 1999 niet op grond van een arbeidsovereenkomst in dienst van het Streekgewest en haar rechtsvoorgangers. Bovendien zijn (zie 2.3) de arbeidsvoorwaardelijke gevolgen van [verweerster] overgang van het Streekgewest naar SBT reeds in 1998 gecompenseerd, wat reden te minder vormt om bij de berekening van de transitievergoeding met haar aanstelling bij het Streekgewest nog rekening te houden.

4.9.3.

Op grond van voorgaande overwegingen dient voor de berekening van de hoogte van de transitievergoeding uitsluitend de periode van 1 juli 1999 tot 1 december 2018 in aanmerking genomen.

4.10.

SBT zal worden veroordeeld tot betaling van een transitievergoeding die dient te worden berekend op grond van het bruto maandloon van € 1.932,76, de duur van het dienstverband van 1 juli 1999 tot 1 december 2018 en de leeftijd van [verweerster] (geboren op 19 oktober 1959 en dus 50 jaar of ouder).

4.11.

De wettelijke rente over de transitievergoeding zal op grond van art. 7:686a lid 1 worden toegewezen vanaf 1 januari 2019 tot de dag van voldoening.

4.12.

SBT zal voorts worden veroordeeld om aan [verweerster] een deugdelijke bruto/netto specificatie van de transitievergoeding te verstrekken.

4.13.

[verweerster] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de kosten van dit geding, aan de zijde van SBT tot op heden begroot op:

  • -

    griffierecht € 119,00

  • -

    salaris gemachtigde € 600,00

totaal € 719,00.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen [verweerster] en SBT,

5.2.

bepaalt dat de arbeidsovereenkomst eindigt op 30 november 2018,

5.3.

veroordeelt SBT tot betaling aan [verweerster] van de transitievergoeding die dient te worden berekend op grond van de in 4.10. vermelde uitgangspunten, bij gebreke van betaling voor die dag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2019 tot de dag van voldoening,

5.4.

veroordeelt [verweerster] tot betaling van de kosten van dit geding, aan de zijde van SBT tot op heden begroot op € 719,00,

5.5.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.P. van Unen en is in het openbaar uitgesproken.

Type: RW