Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:9108

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
26-09-2018
Datum publicatie
03-10-2018
Zaaknummer
7168507 cv expl 18-5281
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Toewijzing vordering ex art. 843a Rv tot het verstrekken van afschrift van bescheiden teneinde de proceskansen te kunnen bepalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-1136
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 7168507 CV EXPL 18-5281

Vonnis in kort geding van de kantonrechter van 26 september 2018

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DSM NL SERVICES B.V.

gevestigd te Sittard, gemeente Sittard-Geleen,

gemachtigde mr. A.J.D. Bekius

tegen

[gedaagde] ,

wonend te [woonplaats] ,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. R.P.H.W. Haas.

Partijen worden hierna DSM en [gedaagde] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 31 augustus 2018

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de mondelinge behandeling van 17 september 2018, waarbij beide partijen pleitnota’s hebben overgelegd.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] is op 1 september 2007 bij DSM in dienst getreden (productie 1 bij dagvaarding). Per 31 maart 2014 had [gedaagde] een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met DSM. Zij was laatstelijk werkzaam in de functie van Business Relations Manager bij het bedrijfsonderdeel DSM Business Services. Het laatste loon van [gedaagde] bij DSM bedroeg € 8.094,00 bruto (productie 2 bij dagvaarding).

2.2.

Ten gevolge van een reorganisatie is de functie van [gedaagde] per 10 mei 2017 (hierna: datum boventalligheid) komen te vervallen. Er was geen passende functie voor [gedaagde] voorhanden binnen DSM. [gedaagde] viel onder de werkingssfeer van het sociaal plan van DSM, het ‘Werkbegeleidingsplan DSM Limburg B.V.’ (hierna: het WBP) (productie 3 bij dagvaarding). Het WBP trad in werking op 1 april 2014 en kende een looptijd van vier jaar, derhalve tot 1 april 2018.

2.3.

Artikel 1.1. WBP bepaalt het volgende:

“1.1. Inleiding

De in het WBP opgenomen maatregelen zijn er in eerste instantie op gericht om Medewerkers, die vanwege bedrijfseconomische redenen boventallig (zijn) (ge)worden, via bemiddeling te begeleiden bij het vinden van een nieuwe arbeidsplaats (van werk naar werk), hetzij binnen DSM hetzij buiten DSM. Van de Medewerker wordt in alle gevallen een constructieve medewerking verwacht.

Verder is het WBP bedoeld om eventuele sociale en/of financiële gevolgen voor boventallige Medewerkers zoveel als mogelijk op te vangen.”

2.4.

Artikel 1.5. WBP bepaalt het volgende:

“1.5. Algemene verplichtingen Medewerker

  1. De Medewerker op wie dit WBP van toepassing is, verplicht zich om de Werkgever alle terzake doende inlichtingen te verstrekken, die voor de juiste toepassing van dit WBP noodzakelijk zijn.

  2. Het opzettelijk niet verstrekken van inlichtingen, het geven van onjuiste of onvolledige inlichtingen en/of het niet doorgeven van belangrijke wijzigingen kan gehele of gedeeltelijke uitsluiting van het WBP tot gevolg hebben en kan leiden tot terugvordering van de inmiddels betaalbaar gestelde bedragen.

  3. Het gestelde in punt b is eveneens van toepassing indien de Medewerker niet of in onvoldoende mate voldoet aan de verplichting om medewerking te verlenen aan de herplaatsingsinspanningen respectievelijk het actief zoeken naar ander werk, een en ander ter beoordeling van de Werkgever.

  4. Indien door de Werkgever overwogen wordt een Medewerker geheel of gedeeltelijk uit te sluiten van dit WBP respectievelijk te ontslaan vanwege het niet nakomen van zijn verplichting, zal in ieder geval vooraf overleg plaatsvinden in de Hardshipcommissie.”

2.5.

Met ingang van 10 mei 2017 startte voor [gedaagde] een herplaatsingsperiode van 24 maanden.

2.6.

Artikel 4.1 sub b WBP bepaalt het volgende:

“Medewerkers waarvoor de verwachting is dat ze intern binnen DSM herplaatst kunnen worden, worden in de eerste 6 maanden van de herplaatsingsperiode herplaatst.

Indien interne herplaatsing in de eerste 6 maanden niet is gerealiseerd, geldt het uitgangspunt dat deze Medewerkers buiten DSM een werkkring vinden. Voor Medewerkers waarvoor op het moment van Datum Boventalligheid al wordt verwacht dat interne herplaatsing niet haalbaar is, geldt tevens het uitgangspunt dat ze buiten DSM een werkkring vinden (zie 4.2.).

Gedurende de periode van externe herplaatsing blijft de Medewerker het recht behouden in een passende interne vacature te worden geplaatst.”

2.7.

Artikel 4.4. WBP bepaalt het volgende:

“4.4. Uitkering bij vertrek binnen herplaatsingsperiode

Indien de arbeidsovereenkomst van de boventallige Medewerker en die op het externe spoor is geplaatst, voor het einde van de herplaatsingsperiode een functie bij een andere werkgever aanvaardt, heeft hij aanspraak op een (bruto) uitkering ineens.

Deze (bruto) uitkering ineens bedraagt het inkomen over de resterende maanden van de herplaatsingsperiode waarbij als inkomen per maand 1/14 deel van het (bruto) jaarinkomen wordt gehanteerd.”

2.8.

Artikel 4.5. WBP bepaalt het volgende:

“4.5. Salarisaanvullingsregeling bij dienstbetrekking buiten DSM

a. De Medewerker die na Datum Boventalligheid op het extern spoor is geplaatst en die voor beëindiging van of direct aansluitend aan de bemiddelingsperiode een functie buiten DSM aanvaardt met een gelijke arbeidsduur en een lager bruto (jaar)inkomen, kan een bruto salarisaanvulling op zijn nieuwe bruto (jaar)inkomen ontvangen.

De Medewerker is verplicht om hiervoor alle relevante schriftelijke bewijsstukken te overleggen, waaronder de met de nieuwe werkgever overeengekomen arbeidsvoorwaarden.

De aanvulling wordt éénmalig bij beëindiging van het dienstverband door de Werkgever vastgesteld en als uitkering ineens uitbetaald. De hoogte van de uitkering ineens wordt bepaald door toepassing van de Aanvullingsregeling zoals beschreven in bijlage 4 cao, gedurende een bepaalde periode. Deze periode bedraagt maximaal het aantal maanden overeenkomend met de leeftijd van betrokkene op het moment van ontslag.

(…)”

2.9.

Artikel 3.1. WBP bepaalt het volgende:

“3.1. Uitgangspunten bij herplaatsing

De Werkgever streeft er primair naar om werk te vinden in een interne passende functie. Indien functies binnen DSM in Limburg (inclusief ondernemingen waarin DSM een meerderheidsdeelneming bezit) aanwezig zijn, worden deze functies aangeboden aan Medewerkers waarop het WBP van toepassing is.

Passende functie

Onder een passende functie wordt verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de Medewerker met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Bij het bepalen van wat iemand kan doen wordt, rekening houdende met de individuele omstandigheden van betrokkene, over de grenzen van het ‘vroegere’ functie- en beroepsniveau heen gekeken, zowel in de diepte (lagere functie-eisen) als in de breedte (andere functie-eisen).

In eerste instantie wordt gestreefd naar het vinden van werkzaamheden die gelijkwaardig zijn aan, of maximaal 1 C-schaal lager liggen dan de werkzaamheden die betrokkene tot het moment van boventalligheid heeft verricht.

Naar mate de duur van de herplaatsingsperiode verder is verstreken, zal in het algemeen werk van een lager niveau, respectievelijk een lagere beloning als passend moeten worden gekwalificeerd. Ook voor overige condities die relevant kunnen zijn voor de mate waarin werk passend is (bijvoorbeeld reistijd respectievelijk verhuizing) geldt dat deze kritischer bezien moeten worden naarmate de herplaatsingsperiode verder is verstreken.

Werk dat door derden op de locatie wordt verricht zal worden bezien op de mogelijkheden tot het aanbieden van een passende functie.

(…)”

2.10.

[gedaagde] heeft onder andere gesolliciteerd bij verzekeraar Loyalis (dochteronderneming van het Pensioenfonds ABP/APG), Mondi, Vodafone, Limbourg en Partners en bij eBenefits B.V. (hierna: eBenefits)

2.11.

Op 22 mei 2017 ondertekende [gedaagde] een arbeidsovereenkomst met eBenefits. Met ingang van 1 juni 2017 zou [gedaagde] in dienst treden bij eBenefits in de functie van Consultant Pensioen & Employee Benefits. Het betrof een dienstverband voor bepaalde tijd van één jaar (productie 4 bij dagvaarding) met de intentie tot een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De proeftijd bedroeg één maand en het salaris € 2.800,00 bruto per maand.

2.12.

Op grond van het bepaalde in art. 4.4. en 4.5. WBP ontving [gedaagde] een uitkering bij vertrek van € 191.906,00 (bruto). Op grond van de aanvullingsregeling neergelegd in art. 4.5. WBP en in bijlage 4 cao DSM (productie 5 bij dagvaarding) ontving [gedaagde] daarnaast een salarisaanvulling van € 254.726,00 (bruto) over de resterende maanden van de herplaatsingsperiode, zijnde 23 maanden en 10 dagen. In totaal ontving [gedaagde] een vergoeding van € 446.642,00 (bruto) (productie 6 bij dagvaarding).

2.13.

Op 30 mei 2017 sloten [gedaagde] en DSM een vaststellingsovereenkomst (productie 7) waarmee de arbeidsovereenkomst tussen partijen met wederzijds goedvinden en met ingang van 1 juni 2017 werd beëindigd. Onder nummer 14 van die overeenkomst kwamen partijen het volgende overeen:

“14. Na afhandeling conform het bovenstaande hebben partijen niets meer van elkaar te vorderen, zulks ook niet op grond van eventuele niet in deze vaststellingsovereenkomst vermelde onderwerpen, en verlenen zij elkaar derhalve reeds nu voor als dan over en weer finale kwijting met betrekking tot alle onderwerpen die wel en eventueel niet in deze vaststellingsovereenkomst zijn genoemd.”

2.14.

DSM heeft het bedrag van € 446.642,00 bruto aan [gedaagde] betaald.

2.15.

De arbeidsovereenkomst tussen [gedaagde] en eBenefits eindigde per 28 juni 2017, als gevolg van opzegging door [gedaagde] tijdens de proeftijd. Met ingang van 1 augustus 2017 trad [gedaagde] in dienst bij Loyalis. DSM verzocht [gedaagde] bij brief van 2 februari 2018 (productie 9 bij dagvaarding) om met (de gemachtigde van) DSM in contact te treden. [gedaagde] vroeg daarop bij e-mail van 5 februari 2018 (productie 10 bij dagvaarding) om meer informatie. Bij e-mail van 22 februari 2018 (productie 11 bij dagvaarding) legde DSM een reeks vragen aan [gedaagde] voor over de gang van zaken met betrekking tot de indiensttreding bij eBenefits en Loyalis.

2.16.

Via haar gemachtigde legde [gedaagde] op 13 maart 2018 verklaringen over met betrekking tot de beëindiging van het dienstverband bij eBenefits en de indiensttreding bij Loyalis (productie 13 bij dagvaarding). Bij e-mail van 12 april 2018 gaf [gedaagde] een verklaring over de gang van zaken tijdens de sollicitaties (productie 15 bij dagvaarding). DSM wees [gedaagde] bij e-mail van 26 april 2018 (productie 16 bij dagvaarding) op art. 1.5. WBP inhoudende de verplichting van de medewerker om alle ter zake doende inlichtingen te verstrekken en stelde haar aanvullende vragen. DSM wendde zich vervolgens via brieven van haar gemachtigde van 6 juni 2018 (productie 18 en 20 bij dagvaarding) rechtstreeks tot eBenefits en Loyalis.

3 Het geschil

3.1.

DSM vordert dat de kantonrechter bij vonnis in kort geding voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagde] veroordeelt om binnen vijf werkdagen na betekening van het vonnis aan DSM afschriften te verstrekken van:

a. arbeidsovereenkomst Loyalis - [gedaagde] ;

b. loonstroken 1 augustus 2017 - heden van Loyalis;

c. kopie van de vacature voor de functie van Ketenregisseur AO bij Loyalis, voorzien van de datum eerste openstelling, alsmede de sollicitatiebrief/-mail voor deze functie en de daaropvolgende correspondentie tussen Loyalis - [gedaagde] ;

d. loonstrook juni 2017 van eBenefits en

e. functieomschrijving Consultant pensioen & Employee Benefits bij eBenefits;

II. [gedaagde] veroordeelt om aan DSM een dwangsom te betalen van € 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij na de betekening van het vonnis niet aan de onder I. uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van in totaal € 100.000,00 is bereikt;

3.2.

DSM stelt dat het er alle schijn van heeft dat de vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen ten gevolge van een wilsgebrek. Naar aanleiding van een verklaring van Loyalis van 11 mei 2017 (productie 21 bij dagvaarding) is voor DSM duidelijk geworden dat [gedaagde] een aanbod had liggen voor, of in ieder geval een concreet uitzicht had op, een dienstverband met Loyalis tegen een hoger loon, op het moment dat zij besloot bij eBenefits in dienst te treden. Daarmee heeft [gedaagde] niet voldaan aan de inspanningsverplichting zoals vermeld in art. 4.2. juncto 3.1. WBP. DSM heeft reden om aan te nemen dat [gedaagde] DSM heeft misleid door haar niet te informeren over de mogelijkheid om bij Loyalis in dienst te treden. Anders gezegd: DSM vermoedt dat [gedaagde] de baan bij eBenefits - met een lager loon dan de baan bij Loyalis waarop zij uitzicht had behouden - slechts heeft aanvaard met de bedoeling om DSM te bewegen tot betaling van een hogere aanvulling dan zij zou hebben gekregen als zij direct bij Loyalis in dienst was getreden.

3.3.

DSM stelt recht en belang te hebben bij inzage in de in r.o. 3.1. genoemde bescheiden van [gedaagde] . De bescheiden zijn relevant voor de rechtspositie van DSM in een voorgenomen procedure waarin zij vernietiging van de vaststellingsovereenkomst en terugbetaling zal vorderen. De bescheiden geven relevante informatie over enerzijds de hoogte van de beloning bij eBenefits, op basis waarvan DSM de vergoedingen op basis van het WBP heeft berekend, en anderzijds de beloning bij Loyalis. DSM vordering heeft betrekking op bepaalde bescheiden, die relevant zijn voor de onderbouwing van de stellingen van DSM en de vraag of [gedaagde] haar verplichtingen is nagekomen. De bescheiden hebben derhalve betrekking op de rechtsbetrekking tussen partijen, namelijk de geëindigde arbeidsovereenkomst tussen DSM en [gedaagde] , aldus DSM.

3.4.

[gedaagde] betwist dat zij DSM bewust zou hebben misleid door een dienstverband aan te gaan met eBenefits met een veel lager salaris om vervolgens die baan binnen één maand te beëindigen en aansluitend een veel beter betaalde baan te accepteren bij Loyalis. [gedaagde] betwist dat er sprake zou zijn geweest van bedrog en dat zij de verplichting in art. 1.5. WBP heeft geschonden. Zij stelt altijd loyaal en transparant te zijn geweest. [gedaagde] heeft telkens haar medewerking verleend en alle informatie gegeven. De gevraagde (aanvullende) bescheiden zullen hieraan niets toevoegen. Er is, reeds vanwege het finale- kwijtingsbeding, geen grond tot vernietiging van de vaststellingsovereenkomst zodat DSM geen belang heeft bij toewijzing van haar vordering ex art. 843a Rv, aldus [gedaagde] .

4 De beoordeling

Spoedeisend belang

4.1.

Anders dan [gedaagde] heeft bepleit, heeft DSM bij de gevraagde voorziening een spoedeisend belang. Ter nadere bepaling van haar kansen in een (mogelijke) procedure tot vernietiging van de vaststellingsovereenkomst en terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen heeft DSM er belang bij dat zij de gevraagde bescheiden thans reeds ontvangt. Dat DSM al voldoende informatie heeft gekregen van [gedaagde] kan voorshands niet worden vastgesteld; evenmin kan worden geoordeeld dat de bescheiden waarvan afgifte wordt gevorderd overbodig zijn omdat zij niet aan verdere bewijslevering kunnen bijdragen. Van DSM kan in redelijkheid niet worden verlangd dat zij wacht op een mogelijke bewijsopdracht in een bodemprocedure alvorens inzage te verkrijgen in de stukken waaraan dat bewijs volgens DSM kan worden ontleend. Dat DSM negen maanden heeft stilgezeten

- indien al juist; aannemelijker is dat DSM pas na die tijd van de situatie op de hoogte is geraakt - doet aan haar spoedeisend belang niet af.

Rechtmatig belang

4.2.

Volgens [gedaagde] heeft DSM nagelaten aannemelijk te maken dat de gevraagde bescheiden kunnen strekken tot bewijs van de feiten (misleiding, bedrog, tekortschieten in de verplichting van een goed werknemer) waarop DSM haar (mogelijke) vordering wil baseren. DSM heeft daarom geen concreet en direct belang bij haar vordering, aldus [gedaagde] .

4.3.

Voor het aannemen van rechtmatig belang dient de partij die inzage verlangt aan de hand van de haar bekende feiten en omstandigheden aannemelijk te maken dat zij mogelijk een vordering heeft. Niet hoeft vast te staan dat, wanneer de gevraagde bescheiden bevatten wat eiseres vermoedt dat zij bevatten, die vordering zonder meer toewijsbaar zal zijn. DSM heeft aannemelijk gemaakt dat zij een op voorhand niet kansloos te noemen vordering heeft tot vernietiging van de vaststellingsovereenkomst op grond van dwaling of misleiding, en tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde uitkeringen. De gevraagde bescheiden zijn essentieel voor de beoordeling van de kans van slagen van een dergelijke vordering. Het finale- kwijtingsbeding (zie 2.13) strekt niet zonder meer zo ver dat een dergelijke vordering is uitgesloten.

Bepaalde bescheiden

4.4.

[gedaagde] erkent dat de opgevraagde bescheiden voldoende bepaald zijn.

Rechtsbetrekking

4.5.

Volgens [gedaagde] is aan het derde criterium van art. 843a Rv niet voldaan nu de vordering bescheiden betreft aangaande een rechtsbetrekking tussen [gedaagde] en eBenefits en/of Loyalis, niet aangaande de rechtsbetrekking tussen [gedaagde] en DSM. Het is niet mogelijk om bescheiden te verkrijgen van derden en voor zover dat wel mogelijk zou zijn, dan uitsluitend bescheiden die wél zien op een rechtsbetrekking waarbij DSM partij is, aldus [gedaagde] .

4.6.

De bescheiden die de weerslag vormen van de relatie (de arbeidsovereenkomst en de omstandigheden en voorwaarden waaronder die tot stand is gekomen) tussen [gedaagde] en eBenefits dan wel Loyalis, kunnen betrekking hebben op de rechtsbetrekking tussen [gedaagde] en DSM (de geëindigde arbeidsovereenkomst, waaruit nog verbintenissen kunnen voortvloeien). De gevraagde bescheiden kunnen relevant zijn voor het antwoord op de vraag of [gedaagde] in strijd heeft gehandeld met haar verplichtingen als goed (scheidend) werknemer in het licht van het WBP, en daarmee op de vraag of DSM tot het aangaan van de vaststellingsovereenkomst is bewogen als gevolg van schending van die verplichtingen door [gedaagde] . Ook aan het derde criterium van art. 843a Rv is daarmee voldaan.

Een behoorlijke rechtsbedeling (art. 843a lid 4 Rv)

4.7.

Tot slot wijst [gedaagde] op lid 4 van art. 843a Rv op grond waarvan degene die de bescheiden onder zich heeft niet gehouden is aan de vordering te voldoen indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd. Volgens [gedaagde] verdient een (voorlopig) getuigenverhoor de voorkeur boven het opvragen van bescheiden.

4.8.

De kantonrechter is van oordeel dat juist het verstrekken van een afschrift van de opgevraagde bescheiden uit het oogpunt van proportionaliteit de voorkeur geniet boven het (tijdrovende en belastende) horen van getuigen, waaronder medewerkers van eBenefits en Loyalis.

Slotsom

4.9.

Op grond van al het vorenstaande is de kantonrechter van oordeel dat aan de voorwaarden van art. 843a Rv is voldaan, zodat de vordering van DSM wordt toegewezen. De kantonrechter ziet aanleiding om de dwangsom op de hierna te formuleren wijze te matigen en daaraan een maximum te verbinden.

Uitvoerbaarverklaring bij voorraad

4.10.

Bij de beoordeling van een vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad moeten de belangen van partijen worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. [gedaagde] heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit voortvloeit dat haar belang dat dit vonnis niet ten uitvoer wordt gelegd totdat het in hoger beroep is bevestigd, zwaarder weegt dan het (hiervoor reeds spoedeisend geoordeelde) belang van DSM om spoedig over de relevante stukken te beschikken.

4.11.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure van DSM, tot op heden begroot op:

  • -

    exploot € 82,57

  • -

    griffierecht € 119,00

  • -

    salaris gemachtigde € 600,00

totaal € 801,57.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om binnen vijf werkdagen na betekening van dit vonnis aan DSM afschriften te verstrekken van:

  1. arbeidsovereenkomst Loyalis – [gedaagde] ;

  2. loonstroken 1 augustus 2017 – heden van Loyalis;

  3. kopie van de vacature voor de functie van Ketenregisseur AO bij Loyalis, voorzien van de datum eerste openstelling, alsmede de sollicitatiebrief/-mail voor deze functie en de daaropvolgende correspondentie tussen Loyalis – [gedaagde] ;

  4. loonstrook juni 2017 van eBenefits, en

  5. functieomschrijving Consultant pensioen & Employee Benefits bij eBenefits;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om aan DSM een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag dat zij na betekening van dit vonnis nalaat aan de veroordeling onder 5.1. te voldoen, tot een maximum van € 100.000,00;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van DSM, tot op heden begroot op € 801,57;

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.P. van Unen en is in het openbaar uitgesproken.

RJ