Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:9083

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
24-09-2018
Datum publicatie
27-09-2018
Zaaknummer
7189134 CV EXPL 18-5489
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot betaling huur(achterstand) en tot ontruiming woning in kort geding. Boete afgewezen want onvoldoende onderbouwd en geen spoedeisend belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 7189134 CV EXPL 18-5489

Vonnis in kort geding van de kantonrechter van 24 september 2018

in de zaak van:

[eiser] ,

wonend te [land] ,

eisende partij,

gemachtigde mr. drs. S.C. Blommendaal,

tegen

[gedaagde] ,

wonend te [woonplaats] ,

gedaagde partij,

procederend in persoon.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 11 september 2018 met vier producties

  • -

    de mondelinge behandeling waarbij namens [eiser] nog een productie is overgelegd.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

[eiser] vordert bij wijze van onmiddellijke voorziening bij voorraad [gedaagde] te veroordelen:

  1. tot ontruiming van de woning aan het adres [adres] te [woonplaats] binnen acht dagen na betekening van het vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom,

  2. [eiser] te machtigen de ontruiming van de woning op kosten van [gedaagde] zelf te bewerkstelligen met behulp van de sterke arm,

  3. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 4.673,09, te vermeerderen met de wettelijke rente,

  4. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 645,00 per maand vanaf 1 oktober 2018 tot en met de maand waarin [gedaagde] het gehuurde ontruimt, steeds te vermeerderen met de wettelijke rente,

  5. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente, en tot betaling van de nakosten.

2.2.

[gedaagde] heeft verweer gevoerd.

2.3.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader ingegaan worden.

3 De beoordeling

3.1.

Vaststaat dat [gedaagde] op grond van een schriftelijke huurovereenkomst die is ingegaan op 1 mei 2018 de woning aan het adres [adres] te [woonplaats] huurt van [eiser] en daarvoor bij vooruitbetaling € 645,00 huur per maand aan [eiser] verschuldigd is.

3.2.

Het door [eiser] in onderdeel 3 gevorderde bedrag bestaat uit € 2.580,00 huurachterstand, € 970,00 boete, € 483,75 (de helft van de waarborgsom) en een vergoeding van buitengerechtelijke kosten van € 639,34.

3.3.

[gedaagde] betwist niet dat hij met ingang van 1 juni 2018 geen huur meer aan [eiser] betaald heeft en dat de huurachterstand tot en met september 2018 € 2.580,00 bedraagt. Evenmin betwist hij dat hij de helft van de op grond van de huurovereenkomst verschuldigde waarborgsom niet betaald heeft aan [eiser] . [gedaagde] heeft ter zitting toegelicht dat hij veel schulden heeft en in verband daarmee recent een verzoek tot toelating tot de Wsnp heeft ingediend.

3.4.

[eiser] heeft gezien de hoogte van de huurachterstand en het feit dat deze huurachterstand alleen maar verder zal oplopen omdat [gedaagde] kennelijk over onvoldoende financiële middelen beschikt om de huur te betalen een spoedeisend belang bij de onder 1. gevorderde voorziening. De hoogte van de huurachterstand is zodanig dat in een eventueel nog te voeren bodemprocedure de huurovereenkomst naar alle waarschijnlijkheid zal worden ontbonden. Vooruitlopend daarop is de vordering van [eiser] om [gedaagde] te veroordelen het gehuurde te ontruimen en te verlaten toewijsbaar. De termijn van acht dagen (na betekening van het vonnis) waarbinnen [gedaagde] het gehuurde dient te ontruimen en te verlaten is naar het oordeel van de kantonrechter te kort. [gedaagde] heeft ter zitting verklaard op zoek te zijn naar vervangende woonruimte (onder andere bij het Leger des Heils). [gedaagde] zal dit binnen een termijn van twee weken na betekening van dit vonnis geregeld moeten hebben want hij zal worden veroordeeld het gehuurde binnen die termijn te ontruimen en te verlaten. De in dat verband gevorderde dwangsom wordt echter afgewezen, nu [eiser] de ontruiming desnoods met behulp van de sterke arm van politie en justitie kan afdwingen.

3.5.

De gevorderde huurachterstand is toewijsbaar. [gedaagde] zal dus worden veroordeeld tot betaling van € 2.580,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de respectieve verzuimdata (telkens de eerste dag van de maand) tot de dag van voldoening. Daarnaast zal [gedaagde] worden veroordeeld tot betaling van de (resterende) waarborgsom van € 483,75. [eiser] stelt niet sinds wanneer [gedaagde] in verzuim is met betaling van dit bedrag. Gelet op de ingebrekestellende werking van de dagvaarding zal de wettelijke rente worden toegewezen vanaf 11 september 2018.

3.6.

De gevorderde boete van € 970,00 zal worden afgewezen want [eiser] heeft niet onderbouwd waar dit onderdeel van zijn vordering op is gebaseerd. Bovendien ontbreekt het spoedeisend belang op dit onderdeel van zijn vordering.

3.7.

Op basis van de door/namens [eiser] verrichte buitengerechtelijke pogingen om [gedaagde] tot betaling te bewegen is [gedaagde] een vergoeding van de met die werkzaamheden gepaard gaande redelijke kosten verschuldigd. In navolging van [eiser] zal de kantonrechter de hoogte van die kosten bepalen conform het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke kosten. Uitgaand van de thans toewijsbaar te achten hoofdsom van

€ 3.063,75 (€ 2.580,00 + € 483,75), wordt de vergoeding vastgesteld op € 521,96 (incl. btw). De wettelijke rente over dit bedrag zal worden toegewezen vanaf 11 september 2018 tot de dag van voldoening.

3.8.

De door [gedaagde] in onderdeel 2 gevorderde machtiging zal worden afgewezen. De artikelen 555 en 556 Rv stellen immers buiten twijfel dat de ontruiming kan geschieden door een (gerechts)deurwaarder die zijn bevoegdheid rechtstreeks aan de wet ontleent, zodat een afzonderlijke rechterlijke machtiging overbodig is.

3.9.

[gedaagde] zal voorts veroordeeld worden tot betaling van € 645,00 per maand vanaf 1 oktober 2018 tot en met de maand waarin hij het gehuurde ontruimd en verlaten zal hebben, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de eerste dag waarop de huurbetaling betrekking heeft tot de dag van voldoening.

3.10.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de kosten van dit geding, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op:

  • -

    dagvaarding € 98,01

  • -

    griffierecht € 226,00

  • -

    salaris gemachtigde € 600,00

Totaal: € 924,01.

[gedaagde] zal voorts veroordeeld worden tot betaling van de wettelijke rente over deze proceskosten met ingang van de vijftiende dag na heden tot de dag van voldoening.

3.11.

De nakosten zullen worden toegewezen op de wijze als in de navolgende beslissing bepaald.

4 De beslissing

De kantonrechter

4.1.

veroordeelt [gedaagde] om de woning aan het adres [adres] te [woonplaats] binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis met al het zijne en de zijnen te ontruimen en te verlaten en met afgifte van de sleutels in lege en behoorlijke staat ter vrije beschikking van [eiser] te stellen en het vervolgens verlaten en ontruimd te houden,

4.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 2.580,00, te vermeerderen met de wettelijke rente ingaande op de eerste dag van elke van dat bedrag deel uitmakende betalingstermijn over de dan telkens vervallen betalingstermijn tot de dag van voldoening,

4.3.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 483,75, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 september 2018 tot de dag van voldoening,

4.4.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 521,96 , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 september 2018 tot de dag van voldoening,

4.5.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 645,00 per maand van

1 oktober 2018 tot en met de maand dat [gedaagde] het gehuurde ontruimd zal hebben, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de eerste dag van de maand waarop de betaling betrekking heeft tot de dag van voldoening,

4.6.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de kosten van dit geding, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 924,01, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na heden tot de dag van voldoening,

4.7.

veroordeelt [gedaagde] onder de voorwaarde dat hij niet binnen twee weken na aanschrijving door [eiser] aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

  • -

    € 100,00 salaris gemachtigde

  • -

    te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening,

4.8.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

4.9.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Hoekstra en is in het openbaar uitgesproken.

Type: RW