Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:9000

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
23-08-2018
Datum publicatie
25-09-2018
Zaaknummer
C/03/229562 / FA RK 16-4648
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Buitenlandse betekeningsperikelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Familie en jeugd

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rekestnummer: C/03/229562 / FA RK 16-4648

Beschikking d.d. 23 augustus 2018 betreffende de echtscheiding

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats], [gemeente],

hierna te noemen de man,

advocaat mr. M.H.J.M. Stassen, gevestigd te Valkenburg a/d Geul,

tegen

[verweerster], in de huwelijksakte genaamd [verweerster],

wonende te [woonplaats] ([land]),

hierna te noemen de vrouw.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van de man, ingekomen op 15 december 2016;

- het betekeningsexploot (parket ambtenaar OM), ingekomen op 3 januari 2017;

- aanvullende stukken van de man, ingekomen op 7 februari 2017, 10 mei 2017, 9 juni 2017, 28 juni 2017 en 7 december 2017;

- het schrijven van de man, ingekomen op 11 december 2017 en 11 januari 2018;

- de mondelinge behandeling, die heeft plaatsgevonden op 8 juni 2018 en waarbij zijdens de man is verschenen mr. H.J.M. Stassen. De vrouw is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen;

- het schrijven van de man met stukken betreffende de betekening te [land], ingekomen op 20 juni 2018.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd op [2013] te [huwelijksplaats] ([land]). De vrouw heeft de [nationaliteit]. De man heeft de [nationaliteit] en [nationaliteit].

2.2.

Uit het door de man in het geding gebrachte uittreksel uit het (Turkse) bevolkingsregister blijkt dat de minderjarige kinderen van partijen zijn:

- [minderjarige 1], geboren op [2014] te [geboorteplaats];

- [minderjarige 2], geboren op [2016] te [geboorteplaats] ([land]).

2.3.

De man heeft de rechtbank verzocht tussen hem en de vrouw de echtscheiding uit te

spreken en het door partijen ondertekend ouderschapsplan betreffende [minderjarige 1] in de

beschikking op te nemen.

3. De beoordeling

3.1.

Tijdens de zitting is uitsluitend gesproken over de vraag of het verzoek van de man ontvankelijk is, meer in het bijzonder of de betekening van het echtscheidingsverzoek aan de in [land] wonende en verblijvende vrouw in orde is.

3.2.

Uit de in het dossier bevindende stukken is gebleken dat het echtscheidingsverzoek-schrift op 28 december 2016 is betekend met inachtneming van artikel 55 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) aan het parket van de ambtenaar van het openbaar ministerie bij de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, met verzoek om betekening te doen plaatsvinden overeenkomstig het bepaalde in artikel 3-6 van het Haags Betekeningsverdrag 1965. Voorts is gebleken dat het parket een aanvraag heeft ingediend bij de centrale autoriteit te [land] (het land waar de vrouw woonachtig is en het stuk betekend dient te worden).

3.3.

De in het verdrag geregelde wijze van betekening wordt voltooid door de toezending aan het parket van de verklaring als bedoeld in artikel 6 van het verdrag, waarin door de centrale autoriteit onder meer wordt verklaard dat aan de aanvraag uitvoering is gegeven (met de vorm waarin, de plaats waar en het tijdstip waarop dit is geschied, alsmede de persoon aan wie het stuk is afgegeven en omstandigheden die de uitvoering eventueel hebben belet). Bij de stukken die door de man in het geding zijn gebracht bevindt zich een dergelijke verklaring, maar hieruit valt op te maken dat het exploot niet aan de vrouw is uitgereikt, omdat de vrouw niet werd aangetroffen op het vermelde adres. Meer in het bijzonder wordt in het proces-verbaal van het parket te [woonplaats] vermeld:

…”Bij het onderzoek dat dienaangaande heeft plaatsgevonden in het dorp Yolkaya is vernomen dat [verweerster] ([verweerster]) ongeveer 2 maanden geleden naar het dorp [woonplaats] is gegaan, waar haar vader woonachtig is, dat zij na het Offerfeest weer naar het dorp [woonplaats] zal terugkeren en dat er geen contactnummer van haar beschikbaar is. Aan haar echtgenoot [verzoeker] is informatie verstrekt aangaande het onderwerp en hij is erop gewezen dat hij, wanneer [verweerster] weer in het dorp is, dient te bewerkstelligen dat zij zich meldt bij het Parket van de hoofdofficier van Justitie. Omdat betrokkene zich op de datum van betekening niet bevond binnen het gebied dat onder verantwoordelijkheid valt van ons Commando heeft betekening niet kunnen plaatsvinden”…

3.4.

Door de man is gesteld dat het echtscheidingsverzoek met vertaling ook per aangetekende post naar de vrouw is gestuurd en dat hij een bespreking heeft gehad met de vrouw te [land], waaruit hem is gebleken dat de vrouw op de hoogte was van het feit dat tegen haar een verzoek tot echtscheiding was ingediend en de vrouw zich neerlegt bij dit verzoek. De rechtbank overweegt te dienaangaande dat ingevolge artikel 10 van het verdrag stukken rechtstreeks kunnen worden toegezonden, tenzij de staat van bestemming verklaart zich daartegen te verzetten. [land] heeft verklaard zich daartegen te verzetten, zodat toezending van de stukken per post niet geldt als betekening in de zin van het verdrag. Verder heeft de man geen bewijsstuk in het geding gebracht, waaruit blijkt dat de vrouw op de hoogte is van het echtscheidingsverzoek althans dat het verzoekschrift haar heeft bereikt en dat zij geen verweer wenst te voeren. Volgens het procesreglement (artikel 5.5.) is daartoe de weg van het indienen van een referteverklaring ondertekend door de vrouw en haar eigen advocaat noodzakelijk, waarbij de betekening van het verzoek van de man achterwege kan blijven, maar een dergelijke verklaring is tot op heden niet overgelegd.

3.5.

De vrouw is niet in de procedure verschenen. Ingevolge artikel 15 lid 1 van het verdrag houdt de rechter in dat geval de zaak aan, totdat is gebleken dat:

  1. “hetzij van het stuk betekening of kennisgeving is gedaan met inachtneming van de vormen in de wetgeving van de aangezochte Staat voorgeschreven voor de betekening of de kennisgeving van stukken die in dat land zijn opgemaakt en bestemd zijn voor zich op het grondgebied van dat land bevindende personen”;

  2. “hetzij het stuk aan de verweerder in persoon of aan zijn woonplaats is afgegeven op een andere in dit verdrag geregelde wijze, en dat de betekening of de kennisgeving, onderscheidenlijk de afgifte zo tijdig is geschied dat de verweerder gelegenheid heeft gehad verweer te kunnen voeren”.

3.6.

Voor zover de man hierin niet zou slagen staat de weg van artikel 15 lid 2 van het verdrag juncto artikel 10 van de Uitvoeringswet Haags Betekeningsverdrag 1965 nog open. De man zal alsdan (aangezien reeds aan de twee eerste voorwaarden, zijnde toezending op een in dit verdrag geregelde wijze en het verstrijken van de onder b bedoelde termijn, is voldaan) moeten aantonen dat:

3. “in weerwil van alle daartoe bij de bevoegde autoriteiten aangewende pogingen geen bewijs (van betekening/ kennisgeving/ afgifte) kon worden verkregen”.

3.7.

Met inachtneming van het bovenstaande zal de rechtbank de man in de gelegenheid stellen zich binnen zes weken bij akte nader omtrent de schuingedrukte opties onder 1 t/m 3 uit te laten. De rechtbank stelt de man bovendien in de gelegenheid om binnen deze termijn ten aanzien van het door hem overgelegde ouderschapsplan betreffende [minderjarige 1] aan te geven op grond waarvan hij van mening is dat de rechtbank in deze zaak internationaal bevoegd is (betreffende kwesties inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid en kinderalimentatie), nu in het verzoekschrift wordt gesteld dat [minderjarige 1] en de vrouw sedert 25 december 2014 in [land] verblijven.

3.8.

De rechtbank houdt iedere verdere beslissing betreffende de echtscheiding aan in afwachting van bericht van man omtrent de schuingedrukte opties onder 1 t/m 3 en het ouderschapsplan dan wel een (gemotiveerd) verzoek tot verlening van een nadere termijn voor zover het de man niet mocht lukken de rechtbank binnen genoemde termijn behoorlijk te informeren. De rechtbank brengt hierbij onder de aandacht van de man dat voor zover hij geen dan wel onvoldoende informatie verschaft (in het verlengde van de mondelinge behandeling en mede gelet op het bepaalde in artikel 10 van de Uitvoeringswet Haags Betekeningsverdrag 1965) hij niet-ontvankelijk in zijn verzoek kan worden verklaard. Uiteraard staat de man ook de weg open van het bevorderen dat op korte termijn via een eigen advocaat door de vrouw een referteverklaring (waaruit moet blijken van een door de vrouw getekende en beëdigde vertaling in het [taal] van die verklaring omdat de vrouw de Nederlandse taal niet machtig is) wordt overgelegd. Indien de man van die weg gebruik wenst te maken zal hij dat in zijn akte moeten duidelijk maken met de termijn die hij nodig heeft om dat voor elkaar te krijgen (optie 4).

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

stelt de man in de gelegenheid zich binnen zes weken bij akte nader uit te laten omtrent de schuingedrukte opties onder 1 t/m 4 en het ouderschapsplan als overwogen onder 3.5 t/m 3.7;

4.2.

houdt iedere verdere beslissing voor zes weken pro forma aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.H.J. Frénay, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.M.J. Dohmen op 23 augustus 2018.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden..