Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:8835

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
14-09-2018
Datum publicatie
24-09-2018
Zaaknummer
7198522 CV 18-5622
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Executiegeschil ontruimingsvonnis woonruimte. Niet gebleken van misbruik van bevoegdheid om te ontruimen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Burgerlijk recht

Zaaknummer 7198522 CV EXPL 18-5622

Vonnis van de kantonrechter in kort geding van 14 september 2018

in de zaak van

[eiseres] ,

wonend te [woonplaats] , aan de [adres] ,

eisende partij,

gemachtigde mr. J.M.S. Nass

tegen

Stichting Woonpunt,

gevestigd te Maastricht,

gedaadge partij,

gemachtigde mr. M.P.H. van Wezel.

Partijen zullen hierna [eiseres] Woonpunt genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het exploot van dagvaarding d.d. 10 september 2018

  • -

    de mondelinge behandeling ter zitting van 23 augustus 2018, waar beide partijen de standpunt nader hebben toegelicht, (de gemachtigde van) Woonpunt aan de hand van een pleitnota.

1.2.

Ten slotte is vonnis gewezen.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] huurt sinds 2 februari 2015 van Woonpunt de woning aan het adres [adres] te [woonplaats] .

2.2.

Bij vonnis in kort geding van de kantonrechter van deze rechtbank van 30 augustus 2018 met zaaknummer 7088960 CV EXPL 18-4494 is [eiseres] veroordeeld - kort gezegd – tot ontruiming van de woning aan de [adres] te [woonplaats] binnen veertien dagen na betekening van het vonnis en tot betaling van de proceskosten en de nakosten.

3 De beslissing

3.1.

[eiseres] vordert thans - kort gezegd - schorsing van de tenuitvoerlegging van het onder 2.2. genoemd vonnis.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter acht zich - conform het beleid op dit punt van de Rechtbank Limburg - bevoegd om van het onderhavige (executie)geschil kennis te nemen. Het bevoegdheidsverweer van Woonpunt faalt.

4.2.

Het gestelde spoedeisende belang is evident aanwezig nu Woonpunt ter zitting te kennen heeft gegeven dat zij voornemens is om daadwerkelijk tot ontruiming op korte termijn over te gaan.

4.3.

De vordering van [eiseres] is - zoals reeds opgemerkt - te beschouwen als een executiegeschil en valt dus onder de reikwijdte van artikel 438 Rv. Ten aanzien daarvan geldt als uitgangspunt dat de partij, aan wie de vordering bij - zoals hier het geval is - uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis is toegewezen, bevoegd is tot tenuitvoerlegging van die veroordeling.

Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee, dat inhoudelijke bezwaren tegen het veroordelende vonnis in een executiegeschil niet gehonoreerd kunnen worden. Het mag geen verkapt hoger beroep zijn. Slechts indien sprake is van misbruik van genoemde bevoegdheid, kan tenuitvoerlegging van het vonnis worden verboden. In lijn hiermee is in reeds jaren bestendige rechtspraak (zie onder meer HR 22 april 1983, NJ 1984, 145 “Ritzen/Hoekstra”) aanvaard dat van dat laatste sprake kan zijn als het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien ná het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk een noodtoestand doen ontstaan voor de geëxecuteerde, zodat onverwijlde tenuitvoerlegging onaanvaardbaar is.

4.4.

Gesteld noch gebleken is van een juridische of feitelijke misslag in het vonnis van 30 augustus 2018. [eiseres] stelt slechts dat in dat vonnis ten onrechte onvermeld gebleven is dat Woonpunt haar eis ter zitting (op 23 augustus 2018) had verminderd in die zin, dat zij een voorwaarde had gesteld aan de ontruiming inhoudende dat indien [eiseres] zich ertoe zou verbinden om een jaar lang geen overlast te veroorzaken Woonpunt niet tot executie over zou gaan. Ter zitting heeft Woonpunt gemotiveerd betwist dat zij haar eis had gewijzigd: tijdens de schorsing van de mondelinge behandeling van die zitting heeft zij weliswaar een dergelijk voorstel aan [eiseres] gedaan, maar [eiseres] heeft dat voorstel niet had geaccepteerd, hetgeen na de schorsing ook nog ter zitting is besproken.

[eiseres] heeft verder niet weersproken dat destijds dit voorstel ook als zodanig aan haar is gedaan. Gezien deze gemotiveerde betwisting en nu ook uit het bestreden vonnis bepaald niet volgt dat Woonpunt haar eis op deze wijze heeft verminderd, acht de voorzieningenrechter de onderbouwing van deze stelling door [eiseres] te mager. [eiseres] had tijdens de behandeling van de zaak in kort geding akte kunnen verzoeken van de door haar veronderstelde eisvermindering. Van een misslag is dan ook geen sprake

4.5.

Evenmin is gesteld noch gebleken van na het ontruimingsvonnis voorgevallen of aan het licht gekomen en voor de beoordeling van de zaak relevante feiten.

4.6.

Op grond van bovenstaande overwegingen zal de vordering worden afgewezen.

4.7.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van Woonpunt tot de datum van dit vonnis begroot op € 600,00 aan salaris gemachtigde.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

veroordeelt [eiseres] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van Woonpunt tot de datum van dit vonnis begroot op € 600,00,

5.3.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J. Otto en is in het openbaar uitgesproken.

RK