Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:8834

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
14-09-2018
Datum publicatie
24-09-2018
Zaaknummer
7150824 CV 18-5047
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2019:591
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Loonvordering in kort geding, vanaf tweede jaar ziekte is volgens overeenkomst 70% loon verschuldigd, maar is per abuis drie maanden 100% doorbetaald. Dat in bodemprocedure geoordeeld zal worden dat bij werkneemster het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat werkgever het gehele tweede ziektejaar 100% zal blijven doorbetalen, is onvoldoende aannemelijk om daar in kort geding op vooruit te lopen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2018/277
AR-Updates.nl 2018-1083
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Burgerlijk recht

Zaaknummer 7150824 CV EXPL 18-5047

Vonnis van de kantonrechter van 14 september 2018

in het kort geding van

[eiseres] ,

wonend te [woonplaats] aan het [adres] ,

eisende partij,

gemachtigde mr. M.J.J. Pieters

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GREENTOM OPERATIONS B.V.,

gevestigd te (6222 PB) Maastricht aan de Limmelderweg 6,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. E. Harlaar.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Greentom genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het exploot van dagvaarding d.d. 20 augustus 2018 met producties

  • -

    de nadere producties van [eiseres]

  • -

    de producties van Greentom

  • -

    de mondelinge behandeling ter zitting d.d. 3 september 2018 waar partijen hun standpunten nader hebben toegelicht aan de hand van een pleitnota.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] is sinds 1 mei 2013 krachtens arbeidsovereenkomst, aanvankelijk voor bepaalde tijd en vanaf 1 mei 2015 voor onbepaalde tijd, in dienst van Greentom tegen een loon van laatstelijk € 3.803,62 bruto per maand exclusief emolumenten. Volgens de als productie 2 overgelegde loonspecificatie over “Periode 2018-7-M”, hetgeen op de maand juli lijkt te duiden, had [eiseres] over die periode recht op een nettoloon van € 2.604,94.

2.2.

Op 6 april 2017 is [eiseres] ziek uitgevallen.

2.3.

Volgens hoofdstuk 8 onderdelen a en b van het op grond van artikel 7 van de arbeidsovereenkomst (productie 1) op die overeenkomst van toepassing zijnde Arbeidsvoorwaardenreglement (productie 14), zal bij arbeidsongeschiktheid gedurende maximaal 52 weken (het eerste ziektejaar) 100% van het maandinkomen worden doorbetaald en gedurende het tweede ziektejaar 70%.

2.4.

Over juli 2018 is in eerste instantie op 31 juli 2018 slechts € 1.300,00 aan loon doorbetaald aan [eiseres] , derhalve nagenoeg de helft van het bedrag dat als nettoloon op genoemde productie 2 vermeld staat.

2.5.

Ter zitting is door [eiseres] te kennen gegeven dat op dat moment het loon over juli 2018 inmiddels was betaald tot 100% van het overeengekomen loon, en dat over augustus 2018 70% van het overeengekomen loon is betaald.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert - na wijziging van eis ter zitting - de veroordeling van Greentom tot betaling van :

- de wettelijke verhoging met rente over het te laat betaalde deel van het loon over juli 2018;

- 30% van het overeengekomen loon over augustus 2018, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente;

- een vergoeding van buitengerechtelijke kosten

- de proceskosten en de nakosten.

3.2.

Greentom heeft gemotiveerd verweer gevoerd, waarop hierna voor zover nodig zal worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang vloeit voor uit de aard van de zaak (loonvordering).

4.2.

Om een voorziening te kunnen treffen zoals gevorderd, dient in hoge mate aannemelijk te zijn dat de rechter in een aanhangig te maken bodemprocedure een met de gevraagde voorziening overeenstemmende vordering zal toewijzen. De beoordeling of aan dit criterium is voldaan, geschiedt op basis van hetgeen in deze korte procedure naar voren is gebracht en aannemelijk is gemaakt. Bij de beslissing dient voorts het restitutierisico te worden meegewogen, dat wil zeggen het risico dat Greentom ter voldoening aan het vonnis in kort geding betalingen aan [eiseres] doet die Greentom ten gronde niet verschuldigd blijkt te zijn maar die [eiseres] niet zal kunnen restitueren.

4.3.

Ter zitting heeft Greentom te kennen gegeven niet langer te betwisten (zoals zij eerder buiten rechte wel deed) dat [eiseres] vanaf 7 april 2018 wegens ziekte arbeidsongeschikt is, waarmee dan meteen een groot deel van de discussie tussen partijen is beslecht.

4.4.

Bij exploot heeft [eiseres] zich (onder verwijzing naar jurisprudentie) expliciet op het standpunt gesteld dat zij er (in weerwil van het Arbeidsvoorwaardenreglement) gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat zij ook in het tweede ziektejaar 100% van het loon doorbetaald zou krijgen, omdat het loon vanaf april 2018 de eerste drie maanden volledig werd doorbetaald en pas in juli 2018 een afwijkend bedrag werd betaald. Die stelling impliceert dat zij - in haar optiek - vanaf 7 april 2017 onafgebroken wegens ziekte arbeidsongeschikt is.

4.5.

Ter zitting heeft [eiseres] het echter over een geheel andere boeg gegooid, door te stellen dat zij reeds in de loop van het eerste ziektejaar enkele malen haar werk heeft hervat en dat daarom op grond van art. 7:629 lid 10 BW (“vier weken regel”) per 21 juni 2018 een nieuwe arbeidsongeschiktheidsperiode is aangevangen. Dit is een volstrekt andere grondslag voor deze vordering in kort geding, waar Greentom ter zitting niet bedacht op had hoeven zijn. De kantonrechter zal daarom aan deze grondslag voorbij gaan wegens strijd met een goede procesorde. Daar komt nog bij dat gesteld noch gebleken is van een melding aan Greentom van arbeidsgeschiktheid van [eiseres] , niet door een bedrijfsarts (die meer dan een jaar niet eens is ingeschakeld!) en evenmin door [eiseres] zelf. De kantonrechter wil niet verhullen dat de wijze waarop door beide partijen vanaf april 2017 is omgegaan met de onderhavige ziekmelding de nodige vraagtekens bij hem heeft opgeroepen. Hoe dan ook: geen van beiden heeft een serieuze poging gedaan tot of aanspraak gemaakt op re-integratie van [eiseres] in haar eigen of aangepast werk, en dat kan de één dan de ander niet verwijten.

4.6.

Kern van de zaak blijft dus de vraag of Greentom verplicht is om ook in het tweede ziektejaar 100% van het loon door te betalen, omdat zij door zulks de eerste drie maanden van dat tweede ziektejaar te doen, bij [eiseres] de gerechtvaardigde verwachting heeft gewekt dit te blijven doen. Naar het oordeel van de kantonrechter is niet in de hiervoor onder 4.2 bedoelde mate aannemelijk dat in een bodemprocedure op dit punt in het voordeel van [eiseres] zal worden beslist. Volgens het Arbeidsvoorwaardenreglement heeft zij immers slechts recht op loondoorbetaling van 70% gedurende het tweede ziektejaar. Dat de bodemrechter zal oordelen dat het gegeven dat Greentom (bij vergissing) drie maanden 100% van het loon heeft doorbetaald - de reden van het alsnog doorbetalen van 100% over juli 2018 is ongewis gebleven, maar díe betaling was in ieder geval niet per vergissing - een blijvend recht creëert voor [eiseres] op 100% loondoorbetaling tijdens ziekte is onvoldoende aannemelijk om daar door toewijzing van de vordering in dit kort geding op vooruit te lopen. Voor het honoreren van een dergelijke aanspraak zijn bijkomende omstandigheden nodig, zoals een toezegging van de zijde van de werkgever, en die zijn in deze procedure niet gebleken. Het arrest van het Gerechtshof Den Bosch uit 2007 waar [eiseres] naar verwijst betrof een geheel andere situatie waarin bovendien (en vooral) over een veel langere periode het loon volledig was doorbetaald. Het andere arrest van dat hof uit 2015 waar [eiseres] naar verwijst betrof niet een zaak - zo blijkt althans niet - waarin net als in de onderhavige zaak een loondoorbetaling van 70% over het tweede ziektejaar was overeengekomen. Beide arresten kunnen [eiseres] dus niet baten. Het restitutierisico lijkt bovendien aanzienlijk.

De gevorderde hoofdsom zal op grond van deze overwegingen worden afgewezen en de nevenvorderingen volgen vanzelfsprekend dat lot.

4.7.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van Greentom tot de datum van dit vonnis begroot op € 600,00 aan salaris gemachtigde.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst de vordering af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van Greentom tot de datum van dit vonnis begroot op € 600,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.P. van Unen, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken.

RK