Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:8802

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
20-09-2018
Datum publicatie
20-09-2018
Zaaknummer
03/720678-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor doodslag en verboden wapenbezit. Gevangenisstraf 12 jaren met aftrek. Toewijzing vergoeding materiële schade van de nabestaanden, maar afwijzing gevorderde affectieschade en niet-ontvankelijkverklaring ten aanzien van de shockschade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/720678-17

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 20 september 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens verdachte] ,

thans gedetineerd in PI Limburg Zuid – De Geerhorst, Sittard.

Raadsman is mr. P.W. Szymkowiak, advocaat, kantoorhoudende te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 6 september 2018, waarbij de officier van justitie, de raadsman en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

De benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] waren ter terechtzitting aanwezig. Zij werden bijgestaan door mr. F.W. Oehlen, advocaat, kantoorhoudende te Beek en mevrouw [naam medewerker] van Slachtofferhulp. De wettelijk vertegenwoordiger van de benadeelde [benadeelde partij 5] , mevrouw S.A.H. Anthonijs, was niet aanwezig. [benadeelde partij 5] werd daarom vertegenwoordigd door mr. F.W. Oehlen.

Mevrouw [benadeelde partij 1] heeft voortijdig de zittingzaal verlaten, nadat zij onwel was geworden. Ook zij werd vervolgens vertegenwoordigd door mr. F.W. Oehlen.

2 De tenlastelegging

De (gewijzigde) tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er –na wijziging–, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte, alleen of samen met anderen:

Feit 1: [slachtoffer] , al dan niet met voorbedachten rade, heeft doodgeschoten;

Feit 2: een vuurwapen en munitie voorhanden heeft gehad.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de tenlastegelegde feiten bewezen, met uitzondering van het bestanddeel voorbedachten rade onder feit 1. Daarvoor ziet hij geen bewijs, reden waarom ten laste van de verdachte doodslag, al dan niet met anderen, bewezen moet worden verklaard in plaats van moord. Hij baseert zijn standpunt op de verklaring van de verdachte dat hij die avond op de plaats delict was, het forensisch onderzoek aldaar, getuigenverklaringen over een motief en over het feit dat de verdachte die avond gewapend was, het letsel van het slachtoffer en het DNA van de verdachte onder de nagels van het slachtoffer.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft integraal vrijspraak bepleit wegens gebrek aan bewijs dat de verdachte degene is die [slachtoffer] heeft doodgeschoten. Daartoe heeft hij aangevoerd dat:

  1. uit het dossier onvoldoende blijkt dat het doodschieten van het slachtoffer op enige wijze verband houdt met een mogelijk bestaand geschil tussen de verdachte en het slachtoffer;

  2. uit het dossier onvoldoende blijkt dat de verdachte die avond beschikte over een wapen. De getuigenverklaring van [getuige 1] moet in dit verband als onbetrouwbaar terzijde worden geschoven;

  3. op basis van de verklaringen van [benadeelde partij 3] en [getuige 2] niet bewezen kan worden dat het slachtoffer de naam [bijnaam verdachte] op weg naar het ziekenhuis heeft genoemd;

  4. het aantreffen van DNA onder de vingernagels van het slachtoffer er niet toe kan leiden dat de verdachte rechtstreeks te liëren valt aan het doodschieten van [slachtoffer] ;

  5. het zwijgen van de verdachte niet aan hem mag worden tegengeworpen, omdat er geen sprake is van een situatie die schreeuwt om een verklaring. Daarvoor zal eerst enige betrokkenheid van verdachte moeten worden aangetoond. Verdachte is bovendien geen zwijgende verdachte. Hij is een ontkennende verdachte die overigens geen vragen over de betrokkenheid van anderen wil beantwoorden.

Ten slotte heeft de raadsman aangevoerd dat de verklaringen van moeder en dochter [naam getuigen] in de eerste plaats onbetrouwbaar zijn en dat, in de tweede plaats, op basis van die verklaringen niet bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan (het medeplegen van) het doodschieten van [slachtoffer] .

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Vaststelling van de feiten: wat is er gebeurd?

In de vroege ochtend van 15 april 2017, omstreeks 1.48 uur, wordt in het [naam ziekenhuis] te Sittard-Geleen een zwaargewonde man binnengebracht. Ondanks levensreddende pogingen van de artsen, komt het slachtoffer om 2.30 uur te overlijden.

Ter plaatse horen verbalisanten van aanwezigen dat het slachtoffer is neergestoken of neergeschoten in [naam café] , gelegen aan de [adres] te Sittard. Het onderzoek neemt daarop pas een aanvang. De eigenaresse van [naam café] en haar dochter hebben namelijk niet de hulpdiensten gealarmeerd, maar zij hebben enkel contact gezocht met naasten van het slachtoffer. De broer [benadeelde partij 3] wordt bereikt en gaat met zijn vriend [getuige 2] naar [naam café] , waar hij het slachtoffer gewond aantreft en hem samen met [getuige 2] , per auto naar het ziekenhuis brengt.2

Het slachtoffer blijkt te zijn [slachtoffer] en zijn lichaam wordt voor onderzoek in beslag genomen.3

Er zijn verschillende forensische onderzoeken aan het lichaam van het slachtoffer verricht, zoals radiologisch onderzoek en sectie door het NFI. De patholoog [naam patholoog] heeft vastgesteld dat er sprake is van een inschot door het bekken, twee doorschoten aan de linker bovenarm en waarschijnlijk één schampverwonding aan de borstkas. Deze letsels zijn bij leven ontstaan ten gevolge van inwerking van uitwendig mechanisch perforerend geweld.

Zowel in relatie met het schotkanaal aan het bekken als de schotkanalen aan de linker bovenarm waren vitale structuren geperforeerd, onder andere twee grote vaten rechts in het bekken en een grote ader in de linker bovenarm. Het overlijden wordt volgens de patholoog zonder meer verklaard door algehele weefselschade door fors bloedverlies als gevolg van deze schotverwondingen. Verder was er sprake van ruwrandige huidscheuren aan het hoofd en voorhoofd bij leven ontstaan (tientallen minuten tot meerdere tientallen minuten oud letsel) en enkele oppervlakkige huidbeschadigingen aan de rechterhand die zowel het gevolg kunnen zijn geweest van stomp botsend geweld als ook van perforerend geweld zoals een schampverwonding.4

In het lichaam van [slachtoffer] is tijdens de sectie een projectiel aangetroffen aan het einde van het schotkanaal aan het bekken. Na de sectie is dit projectiel (een kogel) overhandigd aan de politie. Op basis van onderzoek aan deze kogel is vastgesteld dat de massa en uiterlijke kenmerken van de kogel het best passen bij het kaliber 9mm Parabellum. Patronen van dit kaliber worden doorgaans verschoten met (semi)automatisch werkende pistolen en machinepistolen.5

[naam café] is op 15 april 2017 omstreeks 4.30 uur als plaats delict aangemerkt en forensisch onderzoek is opgestart.6 In het proces-verbaal sporenonderzoek staat dat in de damestoiletruimte twee beschadigingen in de rechter tegelwand zijn aangetroffen. Uit de vorm en afmeting werd afgeleid dat dit waarschijnlijk schotbeschadigingen zijn, veroorzaakt met een vuurwapen. Uit verkregen informatie van de bewoonster (eigenaresse) bleek dat zij na het schietincident deze beschadigingen opgemerkt had en dat deze niet eerder in de wand hadden gezeten. Gezien dit sporenbeeld en de verkregen informatie is het aannemelijk dat de beschadigingen zeer recent zijn ontstaan.

Op de vloer van de damestoiletten, rechts onder de wasbak, is het restant van een koperen projectieldeel gevonden, vermoedelijk van een kogelmantel. In de linker damestoiletruimte, dichtbij het closet, is op de vloer ook een fragment van een koperen kogelmantel gevonden. Uit het aantreffen van de schotbeschadigingen en de munitiedelen werd afgeleid dat er op het damestoilet minimaal twee schoten zijn afgelost. Er waren geen aanwijzingen dat de schotbeschadigingen het gevolg waren van een ricochet. Ervan uitgaande dat de kogels rechtstreeks vanuit het wapen op de muur terecht zijn gekomen, kan worden geconcludeerd dat de schutter zich in de damestoiletruimte heeft bevonden of in de gang tussen het dames- en herentoilet direct bij de deur naar het damestoilet (het herentoilet zelf was niet in gebruik en de deur was dicht). Verder zijn op aanwijzing van de eigenaresse meerdere projectieldelen veiliggesteld in haar woonkamer boven de bar. Zij had deze projectieldelen na het schietincident uit de toiletruimte gehaald en in een asbak gelegd. Het betrof een fragment van een koperen kogelmantel en twee gedeeltes van een loden projectiel.7 Op de koperen mantel werden afvuursporen geconstateerd. Uit het forensisch onderzoek is tevens gebleken dat er bloed op de deur van het damestoilet zat en dat er bloed is weggepoetst in het gebied tussen het damestoilet en een aan de toiletten grenzend gedeelte van het café.8

DNA

Er is DNA van de verdachte aangetroffen onder de vingernagels van de linker duim en linker ringvinger van het slachtoffer (matchkans kleiner dan één op één miljard). 9 De bemonstering van de linker ringvinger betrof een bloedspoor.

Tussenconclusie

Op basis van vorenstaande bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat het slachtoffer [slachtoffer] op 15 april 2017 op het damestoilet van [naam café] te Sittard is beschoten met een vuurwapen van het kaliber 9 mm en dat hij aan de schietverwondingen is komen te overlijden.

Algemene overweging omtrent het nader te bespreken bewijs

De rechtbank stelt voorop dat het dossier de indruk wekt dat veel mensen weten wat er is gebeurd en wie de dader is, maar dat velen niet het achterste van hun tong hebben laten zien. Zo is er door de eigenaresse van de bar en haar dochter aantoonbaar gelogen over de gebeurtenissen die avond, reden waarom de rechtbank hun verklaringen ook niet voor het bewijs bezigt. Andere getuigen hebben alleen informatie van horen zeggen of blijven vaag in hun verklaringen. Ook bevreemdt het de rechtbank dat kennelijk niemand in [naam café] aan het slachtoffer heeft gevraagd wat er is gebeurd en wie ervoor verantwoordelijk is, op het moment dat hij nog aanspreekbaar was. Toch zeer voor de hand liggende en prangende vragen als iemand zwaargewond wordt aangetroffen, zo komt het de rechtbank voor. Naar de beweegredenen hiervoor kan de rechtbank alleen maar gissen. Voorts blijkt dat veel over het incident is gesproken en dus mogelijk ook door verschillende getuigen onderling of met anderen, voordat zij verklaringen aflegden in het kader van het opsporingsonderzoek. Het daarmee in de regel gepaard gaande proces van onderlinge beïnvloeding kan ertoe leiden dat getuigen (bewust of onbewust) hun herinnering van de gebeurtenissen en hun verklaringen daarop aanpassen.

De rechtbank heeft vanwege deze omstandigheden de getuigenverklaringen in het dossier dan ook met de nodige behoedzaamheid bezien. De rechtbank acht het, zoals hierna zal worden gemotiveerd, verantwoord in ieder geval de navolgende (onderdelen van) verklaringen van getuigen voor het bewijs te gebruiken, in het bijzonder omdat deze veelal ondersteuning vinden in (onderdelen van) andere verklaringen of in ander bewijsmateriaal.

Vaststelling van het daderschap: wie heeft het gedaan?

Getuigen

Verbalisant [verbalisant] is omstreeks 2:45 uur in het [naam ziekenhuis] . Op de parkeerplaats hoort hij van [persoon 1] (die overigens niet bij het schietincident aanwezig was) dat de dader een Irakees uit Rotterdam is. De verbalisant treft vervolgens in het ziekenhuis [benadeelde partij 3] die verklaart dat hij zijn broer van [naam café] naar het ziekenhuis heeft gebracht. Hij zegt op dat moment ook dat een Irakees uit Rotterdam zijn broer heeft doodgeschoten.10

De getuige [getuige 2] , die zich op 15 april 2017 ’s nachts met het slachtoffer en diens broer [benadeelde partij 3] in de auto bevond onderweg naar het ziekenhuis, is dezelfde dag omstreeks 18.00 uur door de politie gehoord. [getuige 2] verklaart dat [slachtoffer] - het slachtoffer - goed en duidelijk antwoord kon geven op de vragen die gesteld werden. Toen hij in de auto aan [slachtoffer] vroeg wat er nu gebeurd was, reageerde deze enkel met het woord: ‘Irakees’.11

De getuige [getuige 3] omschrijft het slachtoffer als haar beste vriend. Zij heeft verklaard dat ze op 15 april 2017 omstreeks 00.32 uur met [slachtoffer] heeft geappt en zij heeft hiervan een screenshot getoond.12

De berichtgeving is als volgt:

[slachtoffer] ( [slachtoffer] ):

Heey zusje

Ik kom zo [naam café] als je ziet dat er problemen komen met mij doe flikker [bijnaam verdachte] dan bel stief zeg kom om de hoek bij [locatie]

[getuige 3] :

Ik ben niet bij [naam café]

Wat is er dan?

[slachtoffer] ( [slachtoffer] ):

Oh oke

Ja nee ik ga daar naar toe

En die homo is daar

Darom vroeg ik dat

[getuige 3] :

Ja dab ga niet

[slachtoffer] ( [slachtoffer] ):

Jewell

[getuige 3] :

Je weet hoe hun zijn

[slachtoffer] ( [slachtoffer] ):

Ik wil hem.lesje leren

Dan weten hun niwt hoe ik ben

[getuige 3] :

Dan als hij alleen is niet met al die andere er bij

Dat gaat niet goed

[slachtoffer] ( [slachtoffer] )

Ja maak je geen zorgen

Sms stief alvast

Laat hem weten

Op 10 april 2018 heeft [getuige 3] bij de rechter-commissaris een nadere verklaring afgelegd. Zij heeft bij die gelegenheid over bovenstaande app-berichten nader verklaard dat [slachtoffer] een afspraak had met [bijnaam verdachte] bij [naam café] . [bijnaam verdachte] is volgens haar de verdachte. Ze weet dat [slachtoffer] en [bijnaam verdachte] ruzie hebben gehad en dat er spanning tussen hen was. [slachtoffer] heeft een keer gezegd dat het om geld ging, dat [bijnaam verdachte] geld van hem had gestolen. Ze heeft [slachtoffer] gewaarschuwd omdat ze wist dat ze ruzie hadden en vanwege de manier waarop [slachtoffer] haar berichtte. Ze had verhalen gehoord over de jongens die daar altijd zaten en ook vanwege de manier waarop ze die jongens zelf heeft horen praten, leek het haar niet verstandig als [slachtoffer] daarnaartoe zou gaan. Ze doelt dan op bedreigingen. Ook heeft ze verklaard dat [slachtoffer] had gezegd dat [bijnaam verdachte] geld van hem had gestolen en dat hij hem daarom een lesje wilde leren.13

De getuige [getuige 4] heeft eveneens verklaard dat [slachtoffer] en [bijnaam verdachte] ruzie hadden. [bijnaam verdachte] is volgens hem een jongen uit Utrecht, die hij kent van [naam café] . [getuige 4] beschouwde [slachtoffer] als een soort neef. Over de ruzie heeft hij verklaard dat beide jongens in [naam café] kwamen en ruzie hadden over een geldbedrag, iets van € 1.100, er ontstond een kat- en muisspel en vervolgens probeerde [slachtoffer] de jongens te mijden, de Irakees en vrienden van deze jongen. Er was door die ruzie ook spanning in [naam café] , omdat het mensen bezighield en mensen er een mening over hadden. [getuige 4] heeft nog geprobeerd om de ruzie tussen [slachtoffer] en [bijnaam verdachte] te sussen door middel van gesprekken met [slachtoffer] in de auto en telefonisch. Tijdens zijn verhoor stuurt hij de chatgesprekken tussen hem en [slachtoffer] aan de verbalisant door. Hieruit volgt dat [getuige 4] op 25 maart 2017 aan [slachtoffer] heeft gevraagd wanneer hij geld voor [bijnaam verdachte] kon ophalen. [slachtoffer] laat op

26 maart 2017 ’s nachts weten dat hij morgen geld aan [getuige 4] geeft en dat [getuige 4] het dan aan ‘hem’ moet geven. Als [getuige 4] vraagt hoe laat hij het geld moet oppikken en wat de bedoeling is, bericht [slachtoffer] hem terug dat hij zich heeft bedacht, dat hij ‘hem’ niks geeft en dat het oorlog is nu, omdat ‘hij’ geen respect had aan de telefoon.

[getuige 4] heeft verder verklaard dat hij een uur voor de moord nog contact had met [slachtoffer] . Die zei toen: “Luister broer, ik hou van je, zeg tegen mijn moeder dat haar zoon heeft gestreden als een kerel en zeg dat ik van haar hou als ik er morgen niet meer ben.” De getuige heeft vervolgens geëmotioneerd verklaard dat hij dacht dat ze er de dag erna om zouden lachen. Uit een als bijlage bijgevoegd screenshot van zijn telefoon blijkt inderdaad dat het laatste telefoongesprek met [slachtoffer] op 15 april 2017 om 00.11 uur heeft plaatsgehad.14

De getuige [getuige 5] heeft verklaard dat hij op 15 april 2017 omstreeks 22:30 uur in [naam café] aankwam. Rond 00:45 uur arriveerde [slachtoffer] , die door de getuige als zijn vriend werd beschouwd, in [naam café] . Ongeveer 20 minuten later hoorde de getuige ineens knallen.15

Uit de opnames van de verhoren van de getuige [getuige 1] , die zijn uitgeluisterd en integraal zijn vertaald door een tolk, blijkt dat deze getuige zich op 19 april 2017 bij de politie heeft gemeld en - samengevat - heeft verklaard:

“Die persoon had € 1.400,00 van hem tegoed. De andere kwam binnen en had niets in de gaten. Hij had een mes bij zich en de ander had een pistool bij zich, 9 mm. Toen hij het toilet binnenging, trok de ander direct op hem. Hij was bij mij de persoon. Hij was bij mij in het café in Geleen.” Als de politie vraagt hoe noem je hem ook alweer, zegt de getuige ‘Irakees’. Volgens de tolk moet ‘trekken’ in deze context worden begrepen als slaan, steken of schieten. Als de politie doorvraagt hoe [getuige 1] aan deze informatie komt, verklaart deze samengevat het volgende:

“De jongens hebben het me verteld. De Irakees was op 14 april 2017 bij mij in het café in het centrum van Geleen. Ik wilde niet met hem meegaan, de Irakees. Ik bleef in de bar. Hij ging met die twee jongens van Geleen, [persoon 2] en [persoon 3] . Ik zei tegen [persoon 2] je moet niet met mensen meegaan. Zij waren in [naam café] met hem. Ze zijn met de auto gegaan, met z’n drieën in een grijze Ford Fiesta van [persoon 3] . De getuige verklaart verder dat de Irakees altijd een 9 mm wapen bij zich heeft en dat hij dit wapen die avond ook heeft gezien. Hij verklaart dat [persoon 2] en [persoon 3] hem die avond/nacht hebben gezegd wat er is gebeurd. De getuige was toen thuis. Ze hebben hem gebeld en hij is naar beneden gegaan. Ze kwamen geschrokken aan die arme jongens. 16 Als [getuige 1] tijdens het tweede verhoor op 1 juni 2017 een foto wordt getoond van de verdachte, verklaart hij dat dit de Irakees is waarover hij heeft verklaard.17

[persoon 2] heeft bij de rechter-commissaris bevestigd dat hij de avond van

14 april 2017 in een café in Geleen was en daarna met [persoon 3] - die volgens getuige dezelfde persoon kan zijn als de door [getuige 1] ‘ [persoon 3] ’ genoemde persoon - naar [naam café] is gegaan in [persoon 3] grijze Ford Fiesta.18

Verklaring verdachte

De verdachte heeft ter terechtzitting erkend dat hij een conflict met [slachtoffer] had, dat hij die bewuste avond in [naam café] is geweest, [slachtoffer] [naam café] heeft zien binnenkomen en hem heel kort heeft gesproken. Verdachte verklaart dat hij [bijnaam verdachte] werd genoemd.19

Bewijsoverwegingen

De rechtbank overweegt allereerst dat vaststaat dat daar waar in de gebezigde bewijsmiddelen het woord of de bijnaam ‘ [bijnaam verdachte] ’ wordt gebruikt, uit de verklaringen op zichzelf, in onderlinge samenhang beschouwd en in de context van het dossier bezien, vastgesteld kan worden dat daarmee verdachte bedoeld wordt.

Op grond van de bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien stelt de rechtbank voorts vast dat [slachtoffer] een lopend conflict had met verdachte, dat naar zeggen van [slachtoffer] was uitgedraaid op ‘oorlog’. Aan [getuige 4] en [getuige 3] heeft [slachtoffer] om respectievelijk 00:11 uur en 00:32 uur laten weten dat hij die avond (van 14 op 15 april 2017) [bijnaam verdachte] zou opzoeken in [naam café] en dat hij zich gereed maakte voor een confrontatie. Dit was zeer kort voorafgaand aan het schietincident. Uit de verklaring van [getuige 5] blijkt immers dat [slachtoffer] rond 00:45 uur in [naam café] arriveerde.

[slachtoffer] hield er kennelijk ook rekening mee dat hij er de dag erna niet meer zou zijn, blijkens de verklaring van [getuige 4] . Aan [getuige 3] liet hij weten wie ze moest waarschuwen. De verdachte heeft ter terechtzitting weliswaar aangevoerd dat het conflict met [slachtoffer] was afgekoeld en op de betreffende avond snel was uitgesproken (waarbij zij elkaar een handdruk en een omhelzing hebben gegeven), maar die verklaring acht de rechtbank in het licht van bovenstaande niet aannemelijk.

Voorts overweegt de rechtbank dat getuige [getuige 2] heeft verklaard dat het slachtoffer onderweg naar het ziekenhuis ‘Irakees’ heeft geantwoord op de vraag wat er was gebeurd.

Uit de verklaring van getuige [getuige 1] leidt de rechtbank af dat verdachte op de avond van 14 april 2017 beschikte over een vuurwapen van het kaliber 9 mm, dat verdachte met twee anderen onder wie [persoon 2] in een grijze Ford Fiesta vanuit Geleen naar [naam café] is gereden en dat verdachte degene is die heeft geschoten.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman dat de verklaring van [getuige 1] onbetrouwbaar is en niet voor het bewijs mag worden gebruikt. De rechtbank overweegt daartoe dat de verklaring van [getuige 1] voldoende steun vindt in het dossier, zoals in onderdelen van de verklaring van [persoon 2] bij de rechter-commissaris. Ook verdachte zelf heeft ter terechtzitting bevestigd dat hij die avond inderdaad vanuit Geleen naar Sittard is gegaan en dat [persoon 3] de beschikking heeft over een grijze Ford Fiesta. Dat [getuige 1] zich, zoals de raadsman verder naar voren heeft gebracht, vergist heeft in een tijdstip, maakt naar het oordeel van de rechtbank zijn verklaring niet onbruikbaar.

Ten slotte is onder de vingernagels van [slachtoffer] DNA van de verdachte aangetroffen. De rechtbank acht het gezien de vindplaats van het DNA in een bloedspoor ónder de vingernagels van de línkerhand van het slachtoffer niet aannemelijk dat dit DNA is overgebracht door het geven van een handdruk en een omhelzing. Bovendien kan het aangetroffen DNA geen overblijfsel zijn van een eerdere ontmoeting tussen beiden, omdat slachtoffer en verdachte elkaar volgens de verklaring van verdachte ter zitting al enige tijd voorafgaand aan de nacht van 14 op 15 april 2017 niet meer hadden gezien.

De rechtbank acht op basis van voornoemde wettige bewijsmiddelen - in onderlinge samenhang bezien - bewezen dat verdachte [slachtoffer] heeft neergeschoten.

Het dossier noch de verklaring van de verdachte geeft aanleiding voor een alternatieve lezing van de bewijsmiddelen.

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 2

Hoewel het gebruikte vuurwapen nooit is aangetroffen, volgt uit de bewezenverklaring van feit 1 dat de verdachte – als dader van het schieten op [slachtoffer] – op 15 april 2017 over een vuurwapen en munitie heeft beschikt. Uit het onderzoek aan de kogel, die in het lichaam van [slachtoffer] is aangetroffen, blijkt dat het moet gaan om een vuurwapen en munitie van categorie II of III van de Wet wapens en munitie. Ook feit 2 acht de rechtbank daarom bewezen.

Juridische kwalificatie: Opzet? Medeplegen? Moord of doodslag?

Opzettelijk handelen is willens en wetens handelen. De rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte in een kleine toiletruimte meerdere malen in het lichaam van het slachtoffer heeft geschoten. De rechtbank overweegt dat deze gedraging naar haar uiterlijke verschijningsvorm redelijkerwijs niet anders worden opgevat dan als een handeling die erop gericht was het slachtoffer dodelijk letsel toe te brengen. De rechtbank concludeert dan ook dat de verdachte het slachtoffer opzettelijk heeft doodgeschoten.

Het dossier biedt geen aanknopingspunten voor het verwijt dat de verdachte in nauwe en bewuste samenwerking met anderen heeft gehandeld. De rechtbank acht dit bestanddeel daarom niet bewezen.

Voor bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachte raad moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die vóór of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De rechtbank acht met de officier van justitie niet bewezen dat er sprake was van voorbedachten rade bij verdachte, aangezien hiervoor concrete aanwijzingen ontbreken.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

1.

op 15 april 2017 te Sittard, [slachtoffer] , opzettelijk heeft doodgeschoten;

2.

op 15 april 2017 te Sittard, een vuurwapen van categorie II en/of een vuurwapen van categorie III en/of munitie van categorie II en/of III voorhanden heeft gehad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

1.

Doodslag

2.

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie II of III

en

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren met aftrek van het voorarrest.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een van de ernstigste delicten uit ons Wetboek van Strafrecht: doodslag. Hij heeft het leven aan een ander persoon ontnomen.

Het slachtoffer is op het toilet van een drukbezocht café beschoten. Hij had niet alleen schotverwondingen aan zijn linkerarm en in zijn buik waaraan hij later in het ziekenhuis is komen te overlijden, maar ook bloedende wonden aan zijn hoofd en aan zijn arm. Het is niet duidelijk geworden hoe die bloedende wonden, niet zijnde schotverwondingen, zijn toegebracht. Wel staat vast dat het slachtoffer angstige laatste minuten moet hebben doorgemaakt.

Uit getuigenverklaringen is gebleken dat de verdachte een conflict had met het slachtoffer over een geldkwestie. Uit het dossier is op te maken dat dit zou kunnen gaan om geld gerelateerd aan drugshandel. Dodelijke afrekeningen in het drugscircuit zijn helaas geen uitzondering meer. Het toont de meedogenloosheid van dit circuit waarin geld boven alles gaat, zelfs boven mensenlevens.

Maar ongeacht wat de achtergrond van dit conflict precies was en hoe het zich ontwikkeld heeft: het rechtvaardigt nooit het doden van een persoon. Het slachtoffer in deze zaak was immers ook iemands vader, zoon, broer en geliefde. Ter terechtzitting zijn enkele nabestaanden aan het woord geweest en zij hebben onder woorden gebracht wat het gemis van hun naaste in hun leven teweeg heeft gebracht.

Voor de rechtbank staat vast dat alleen een lange gevangenisstraf passend is.

Uit de jurisprudentie blijkt dat voor een voltooide doodslag ten minste acht jaren wordt opgelegd door het gerechtshof te ’s Hertogenbosch20 en het wettelijke strafmaximum bedraagt vijftien jaren. Dit laat nog een ruime bandbreedte, die vervolgens ingevuld moet worden door de concrete omstandigheden van het delict. Hier is er sprake van het doelbewust grijpen naar een vuurwapen om een conflict te beslechten. Dat getuigt van meedogenloos handelen en een volledig gebrek aan respect voor het leven van iemand anders.

Ook kijkt de rechtbank naar het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden. De verdachte heeft vrijwel niets losgelaten over zijn privéleven of over zijn beweegredenen. Dat de verdachte niet eerder voor een soortgelijk delict is veroordeeld, legt bovendien weinig gewicht in de schaal wanneer er sprake is van een levensdelict. De officier van justitie heeft twaalf jaren geëist. Noch in het strafblad van de verdachte noch in zijn persoonlijke omstandigheden ziet de rechtbank redenen om van deze eis af te wijken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte aldus tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren met aftrek van het voorarrest.

7 De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vorderingen van de benadeelde partijen

[benadeelde partij 1]

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert een schadevergoeding van € 25.316,57 ter zake van feit 1. Dit bedrag bestaat uit € 5.316,57 wegens materiële schade (kosten lijkbezorging en reiskosten) en € 20.000,00 wegens immateriële schade (affectieschade).

Tevens vordert zij wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

[benadeelde partij 2]

De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert een schadevergoeding van € 32.500,00 ter zake van feit 1. Dit bedrag bestaat volledig uit immateriële schade, te weten € 15.000,00 wegens shockschade en € 17.500,00 wegens affectieschade.

Tevens vordert zij wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

[benadeelde partij 3]

De benadeelde partij [benadeelde partij 3] vordert een schadevergoeding van € 32.500,00 ter zake van feit 1. Dit bedrag bestaat volledig uit immateriële schade, te weten € 15.000,00 wegens shockschade en € 17.500,00 wegens affectieschade.

Tevens vordert hij wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

[benadeelde partij 5]

De benadeelde partij [benadeelde partij 5] vordert een schadevergoeding van € 24.100,00 ter zake van feit 1. Dit bedrag bestaat uit € 4.100,00 wegens materiële schade (gederfd levensonderhoud) en € 20.000,00 wegens immateriële schade (affectieschade).

Tevens vordert zij wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

[benadeelde partij 4]

De benadeelde partij [benadeelde partij 4] vordert een schadevergoeding van € 17.500,00 ter zake van feit 1 wegens affectieschade.

Tevens vordert zij wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht om welwillend te reageren op de vorderingen van de benadeelde partijen, maar heeft hierbij de kanttekening geplaatst dat de wet bij de beoordeling van de schade leidend is. De wet voor toekenning van affectieschade is nog niet in werking getreden en is voorts niet van toepassing op delicten, gepleegd voor de inwerkingtreding van de wet. De overige gevorderde kosten acht de officier van justitie voorstelbaar, maar vindt hij lastig te begroten. Ten slotte heeft hij zich op het standpunt gesteld dat in ieder geval de toegewezen bedragen vermeerderd dienen te worden met de wettelijke rente en dat de schadevergoedingsmaatregel moet worden opgelegd.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vorderingen ingevolge de door hem bepleite vrijspraak van de tenlastegelegde feiten.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is komen vast te staan dat door de benadeelde partijen schade is geleden als gevolg van het onder 1. bewezen verklaarde feit. De vraag is vervolgens of de gestelde en gevorderde schadeposten ook op basis van de wet toegewezen kunnen worden en op welk bedragen de schade vastgesteld moet worden. De rechtbank zal achtereenvolgens op de verschillende soorten gestelde schade ingaan.

Affectieschade

Namens alle benadeelde partijen is gesteld dat er sprake is van affectieschade en deze schade is begroot op de reeds door de wetgever vastgestelde forfaitaire bedragen.

Op dit moment is er echter geen basis in de wet voor het toekennen van affectieschade. Weliswaar is inmiddels een wet daartoe aangenomen door de Eerste en Tweede Kamer, maar deze wet zal naar verwachting pas op 1 januari 2019 in werking treden. Er is niet gekozen voor overgangsrecht, hetgeen betekent dat deze wet niet van toepassing is ten aanzien van misdrijven die voor 1 januari 2019 zijn gepleegd. Het is dan ook in strijd met de rechtszekerheid en artikel 6 van het EVRM om deze vorm van schade, vooruitlopend op de inwerkingtreding van de wet, toe te kennen. De rechtbank wijst daarom, in lijn met de vaste jurisprudentie, vergoeding van deze schadepost af.

Shockschade, gevorderd door [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 2]

Door [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 2] is gesteld dat zij shockschade hebben geleden door de aanblik van hun gewonde en later overleden broer.

Wat betreft de criteria voor de toekenning van immateriële schade in de vorm van shockschade sluit de rechtbank aan bij de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad21. Vergoeding van shockschade kan plaatsvinden als bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht door ofwel het waarnemen van het tenlastegelegde, ofwel door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Uit die emotionele schok dient vervolgens geestelijk letsel te zijn voortgevloeid. Dat zal zich met name kunnen voordoen als de benadeelde partij en het slachtoffer een nauwe affectieve relatie hadden en het slachtoffer bij het tenlastegelegde is gedood of verwond. Voor vergoeding van deze schade is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld. Dat zal in het algemeen slechts het geval zal zijn als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

Zowel [benadeelde partij 3] als [benadeelde partij 2] zijn niet bij het schietincident aanwezig geweest, maar zijn wel later geconfronteerd met hun gewonde en overleden broer. Ook acht de rechtbank aannemelijk dat beiden een nauwe affectieve relatie met hun broer hadden.

Het is dan ook zeer goed voorstelbaar dat de confrontatie met hun gewonde en overleden broer psychische invloed heeft.

Het is echter ook vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dat vergoeding van shockschade enkel gerechtvaardigd is bij het bestaan van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Het bestaan van een dergelijk ziektebeeld is blijkens de jurisprudentie een harde eis voor toekenning van shockschade en moet door de rechter worden onderzocht.22

Uit de gegevens op het voegingsformulier van beide benadeelde partijen kan het bestaan van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld niet worden afgeleid. Met de terughoudendheid waardoor de rechtspraak van de Hoge Raad op dit punt wordt gekenmerkt, strookt het dan ook niet om dit vereiste - zoals door de raadsvrouw van de benadeelden wel is bepleit - verder op te rekken. Voor een inhoudelijke beoordeling van de vordering zou dus nader onderzoek noodzakelijk zijn.

De rechtbank is gelet daarop van oordeel dat de behandeling van de vordering tot vergoeding van immateriële schade een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Zij zal daarom de benadeelde partijen [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk verklaren in dit onderdeel van hun vorderingen en bepalen dat dit onderdeel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Materiële schade, gevorderd door [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 5]

Zowel de door [benadeelde partij 1] gevorderde reis- en uitvaartkosten alsmede de door [benadeelde partij 5] gevorderde kosten voor gederfd levensonderhoud, zijn door de verdediging niet betwist. De wettelijke basis voor deze kosten is artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek. De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde kosten in rechtstreeks verband staan tot het bewezenverklaarde feit en dat zij voldoende zijn onderbouwd. De materiële kosten van

[benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 5] zullen daarom worden toegewezen.

Over de toegewezen bedragen zal de verdachte ook veroordeeld worden tot betaling van de wettelijke rente. Verder zal de rechtbank, om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4. is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte voor de bewezenverklaarde feiten onder 1 en 2 tot een gevangenisstraf van 12 jaren;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel

[benadeelde partij 1]

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen € 5.316,57 (wegens materiële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 15 april 2017 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de post affectieschade af;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer, [benadeelde partij 1] , van € 5.316,57, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 61 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 15 april 2017 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

[benadeelde partij 2]

  • -

    bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ten aanzien van de post shockschade niet-ontvankelijk is en dat zij dit deel van haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de post affectieschade af;

[benadeelde partij 3]

  • -

    bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] ten aanzien van de post shockschade niet-ontvankelijk is en dat hij dit deel van zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de post affectieschade af;

[benadeelde partij 5]

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen € 4.100,00 (wegens gederfd levensonderhoud), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 15 april 2017 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de post affectieschade af;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer, [benadeelde partij 5] , van € 4.100,00, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 51 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 15 april 2017 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

[benadeelde partij 4]

- wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] af.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.A.M. de Loo, voorzitter, mr. L. Feuth en mr. D. Osmić, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.E.J. Maas, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 20 september 2018.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is –na wijziging– ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 15 april 2017 te Sittard, in elk geval in de gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, of alleen, [slachtoffer] , opzettelijk en met voorbedachten rade, te weten opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, heeft doodgeschoten;

2.

hij op of omstreeks 15 april 2017 te Sittard, in elk geval in de gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, of alleen, een vuurwapen van categorie II en/of een vuurwapen van categorie III en/of munitie van categorie II en/of III voorhanden heeft gehad.

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie, Team Grootschalige Opsporing Limburg, Onderzoek LBRAB17005 PAAPJE, gesloten d.d. 28 november 2017, doorgenummerd van pagina 1 (inclusief eerste en tweede aanvulling) tot en met pagina 1701.

2 Processen-verbaal van bevindingen d.d. 15 april 2017, pagina’s 66 tot en met 70 en 75.

3 Proces-verbaal d.d. 24 april 2017, pagina’s 651 tot en met 653.

4 Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood door het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 25 september 2017, pagina’s 1045 tot en met 1061, 1065.

5 Munitieonderzoek naar aanleiding van een schietincident in Sittard op 15 april 2017 door het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 9 mei 2017, pagina 998 tot en met 1000 in samenhang bezien met de aanvraag extern forensisch onderzoek d.d. 27 april 2017, pagina’s 992 tot en met 994 en het Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood door het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 25 september 2017, pagina 1052.

6 Proces-verbaal 2017061217-14 d.d. 15 april 2017, pagina 78.

7 Proces-verbaal 2017061217-19-FO-04 d.d. 26 april 2017, pagina’s 721 tot en met 723 en de bijhorende fotomap, pagina’s 723 tot en met 737.

8 Proces-verbaal 2017061217-FO-07 d.d. 9 mei 2017, pagina 910 tot en met 912.

9 Onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van een schietincident met dodelijke afloop gepleegd in Sittard op 15 april 2017 door het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 19 juni 2017, pagina’s 1010 tot en met 1013, 1016 tot en met 1020, 1025 in samenhang bezien met: - het proces-verbaal d.d. 24 april 2017, pagina 652; - het proces-verbaal waarnemer afname celmateriaal d.d. 27 september 2017, pagina 949; - DNA-onderzoek naar aanleiding van een schietincident met dodelijke afloop gepleegd in Sittard op 15 april 2017 door het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 3 oktober 2017, pagina’s 1070 tot en met 1074.

10 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 april 2017, pagina 69.

11 Proces-verbaal van het verhoor van de getuige [getuige 2] d.d. 15 april 2017, pagina 369.

12 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 3] d.d. 14 november 2017, pagina’s 524 tot en met 526 en de bijlage met het screenshot op pagina’s 527 en 528.

13 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 3] bij de rechter-commissaris op 10 april 2018. Dit bescheid maakt geen deel uit van de doornummering.

14 Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 4] d.d. 23 april 2017, pagina’s 470 tot en met 485.

15 Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 5] d.d. 17 april 2017, pagina’s 430 en 431.

16 Het proces-verbaal inzake vertalingen van de verhoren van [getuige 1] , pagina’s 1678, 1686 en 1687.

17 Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 1] d.d. 1 juni 2017, pagina’s 464 en 465.

18 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [persoon 2] bij de rechter-commissaris op 25 juni 2018. Dit bescheid maakt geen deel uit van de doornummering.

19 De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 6 september 2018.

20 ECLI:NL:GHSHE:2018:559

21 HR 22 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5356, NJ 2002/240 en HR 9 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8583, NJ 2010/387.

22 (onder andere) ECLI:NL:HR:2016:2241; ECLI:NL:HR:2015:2858; ECLI:NL:HR:2007:BA5624; ECLI:NL:HR:2007:AZ5670.