Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:8762

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
14-09-2018
Datum publicatie
18-09-2018
Zaaknummer
C/03/253860 / KG ZA 18-443
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige publicatie op website. Rectificatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/253860 / KG ZA 18-443

Vonnis in kort geding van 14 september 2018

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE MEERSSEN,

zetelend te Meerssen,

eiseres,

advocaat mr. S.M. Kingma,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

gemachtigde ing. P.J.M. Meertens,

Partijen zullen hierna de gemeente en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met 10 producties;

  • -

    de door [gedaagde] op voorhand gezonden 6 producties;

  • -

    de mondelinge behandeling op 6 september 2018, waarbij beide partijen pleitnota’s hebben voorgedragen en overgelegd en nader hebben toegelicht.

1.2.

Nadat vonnis is gevraagd, is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1

[gedaagde] is mede-eigenaar van Camping [naam camping] te [vestigingsplaats] , gelegen in de gemeente Meerssen. De Camping staat op door de gemeente aan onder andere [gedaagde] in erfpacht uitgegeven grond. Tussen de gemeente en de eigenaren van Camping [naam camping] bestaat verschil van mening over in elk geval de hoogte van de door de gemeente opgelegde naheffingsaanslagen toeristenbelasting, over de mogelijke voortzetting van de erfpacht en over het antwoord op de vraag of voor de door de eigenaren van de camping geplaatste opstallen op de in erfpacht uitgegeven grond vergunningen zijn afgegeven en/of die opstallen op de juiste plaats zijn opgericht.

2.2.

[gedaagde] heeft een website gemaakt en publiceert daarop sinds omstreeks juli 2018 teksten. De website heet ‘ [naam website] ’ (hierna: de website). Deze website is ook bereikbaar op het domein ‘ [naam domein] ’.

Op enig moment voor 19 juli 2018 heeft [gedaagde] op haar website foto’s geplaatst van twee bij de gemeente werkzame ambtenaren, die ambtenaren met naam en toenaam genoemd en onder meer op haar website de hierna volgende tekst geschreven. De voorzieningenrechter zal de namen van die ambtenaren niet volledig weergeven, maar hierna enkel spreken over ambtenaar [X] en ambtenaar [Y] . De ene ambtenaar is rayonmanager, heeft zitting in een drie gemeentes overkoepelende commissie en treedt in (sommige) rechtszaken op als woordvoerder, de andere ambtenaar is hoofd van een afdeling en (één van de) vervanger(s) van de gemeentesecretaris bij zijn afwezigheid. Beide ambtenaren zijn betrokken bij de besluitvorming ter zake Camping [naam camping] .

a. over [Y] heeft [gedaagde] geschreven:

“(…) [Y] , [functie] , etc, een vreemde eend in de bijt, en laat je ze haar gang gaan, heb je voor je het weet een “mes” in de rug. Een van mijn adviseurs heeft kennis met haar gemaakt, maar wist van dag een af aan, wat voor vlees hij in de kuip had, en heeft voorzorgsmaatregelen getroffen. Inmiddels maak ze fout op fout, en

komt er steeds meer “shit”. Ambtenaar (…) [Y] begint steeds meer in het gedrang te komen, het is duidelijk dat zij wethouder [naam wethouder] voor de kar heeft gespannen en aan het handje heeft genomen om haar zin door te drukken en alles in het werk te stellen dat camping [naam camping] het onderspit zou delven. Zij heeft daarbij misbruik gemaakt van haar ambt en als plaats vervangend secretaris haar eigen wil doorgedrukt. (2 petten op in hetzelfde dossier kan niet, is een doodzonde zowel bestuurlijk als politiek!!!!!!!!!!!!!!!

(…)

Telkens hetzelfde liedje, altijd weer een adertje onder het gras, nooit kwam [Y] een concrete afspraak na. Vervolgens loog ze over besluiten, die helemaal niet bleken te bestaan.

(…) [Y] is in ieder geval de initiator van alles, haar verleden is niet helder, haar handelswijze absoluut niet integer over deskundigheid hebben we het maar niet dan kan dit niet veel goeds betekenen voor de gemeente nu en in de toekomst. Tot nu toe rammelt ieder besluit wat zowel ambtelijk als bestuurlijk door (…) [Y] is voorbereid.”

b. over [X] heeft [gedaagde] geschreven:

(…) [X] , de ambtenaar die zo zijn per[s]oonlijke voorkeuren heeft wie wel een bouwvergunning krijgt en wie niet, ondernemertje pesten doet hij ook graag, en is niet flauw met dreigementen of je doet wat hij zegt!

(…)

Er waren weken bij dat bijna iedere dag de handhavers/BOA’s van de gemeente intimiderend langs kwamen of zefls stopten. Het leek wel een hetze. Allemaal aangestuurd door (…) [X] , vele lezers weten dit of kennen iemand in hun omgeving die meest grote ellende met deze man of afdeling hebben gehad.

Heel wat burgers in de gemeente Meerssen hebben met deze ambtenaar te doen gehad, vele hebben zeer slechte ervaringen met hem, door zijn vingers laten glippen kan alleen als je doet wat hij wil, Zo ook heeft hij jarenlang zijn voorkeuren gehad welk architectenburo je moest inschakelen. Was wel wat duurder maar je kreeg tenminste een bouwvergunning. Wat zijn voordeel hierbij was, weet ik niet, maar ja, een en een is twee!

2.3

Na berichten hierover van de gemeente aan haar, heeft [gedaagde] de laatste zin van het citaat in rov. 2.2 sub b gewijzigd in:

Wat zijn voordeel hierbij was, weet ik niet, maar ja, een en een is twee, bespaart hem wellicht veel extra tijd bij de controle.

2.4

Bij brief van 19 juli 2018 heeft de gemeente [gedaagde] gesommeerd om, onder andere, de namen van [X] en [Y] en de/hun foto(’s) van haar website te halen. De gemeente deelt [gedaagde] verder mee dat zij [X] beschuldigt van niet-integer handelen en dat dit een niet-onderbouwde onterechte en onrechtmatige beschuldiging is (productie 7 dagvaarding).

2.5

Het college van B & W heeft op 25 juli 2018 (productie 6 [gedaagde] ) besloten “pas als aan het gestelde in de sommatiebrief is voldaan (“Ik sommeer u om de namen en foto van, en de beschuldigingen aan het adres van de genoemde ambtenaren binnen 24 uur van uw website te verwijderen en verwijderd te houden, en om ook in de toekomst geen namen en foto’s te plaatsen van andere ambtenaren van de gemeente”) zal het college bepalen of er voldoende grondslag is om opnieuw in gesprek te gaan.”

3 Het geschil

3.1.

De gemeente vordert dat de voorzieningenrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagde] veroordeelt de Publicaties, althans de delen van de Publicaties met daarin namen, foto’s en andere tot de persoon van de Ambtenaren herleidbare gegevens, binnen 24 uur na het te dezen te wijzen vonnis van de Website te verwijderen en verwijderd te houden, althans in goede justitie een veroordeling met vergelijkbare strekking treft;

II. [gedaagde] veroordeelt om binnen 24 uur na betekening van het vonnis aan de tekst van haar Website op de homepagina toe te voegen, in een opvallende banner of opvallend kader bovenaan, en daar veertien dagen lang toegevoegd te houden, zonder verder commentaar daaraan toe te voegen, in hetzelfde lettertype en dezelfde lettergrootte als de koppen op de website, maar vetgedrukt en met het woord “rectificatie”in het rood:

“Rectificatie:

Op deze website werd een ambtenaar van de gemeente Meerssen in de maanden juli en augustus 2018 onterecht in verband gebracht met corruptie. De voorzieningenrechter in de rechtbank Limburg heeft inmiddels geoordeeld dat deze

beschuldiging onrechtmatig is geweest en heeft bevolen de beschuldiging te verwijderen en deze rectificatie te plaatsen.”

althans een andere, door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen rectificatie van deze of vergelijkbare strekking;

III. [gedaagde] beveelt om binnen 48 uur na betekening van het te wijzen vonnis een verzoek in te (doen) dienen bij internetzoekmachine Google, onder indiening van het vonnis bij Google, om de Publicaties en alle verwijzingen daarnaar te (doen) verwijderen uit de zoekresultaten van deze zoekmachines alsook uit het ‘cache-geheugen’ daarvan, onder gelijktijdige toezending van een kopie van de betreffende verzoeken aan de advocaat van de Gemeente;

IV. [gedaagde] veroordeelt tot betaling aan de gemeente van een dwangsom van € 5.000,- voor iedere dag (een dagdeel daaronder begrepen) dat [gedaagde] een of meer van de vorderingen 1, II en/of III niet, niet volledig en/of niet tijdig nakomt, per overtreding, met een maximum van € 100.000,-;

V. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van het geding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na het te wijzen vonnis, voor zover de kosten niet voor die dag volledig zijn voldaan, onder begroting van de nakosten conform het liquidatietarief op € 157,- zonder betekening, te verhogen met € 82,- in geval van betekening.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

4 De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang volgt uit de aard van de zaak.

4.2

De gemeente baseert haar vordering op meerdere grondslagen. De grondslag die als eerste wordt beoordeeld is of [gedaagde] met de publicaties onrechtmatig handelt.

4.3

De gemeente komt in dit geding als werkgever op voor twee van haar werknemers (hierna de ambtenaren [X] en [Y] ), die volgens haar worden geschaad door een publicatie waarin die werknemers een rol spelen in verband met de werkzaamheden die zij als werknemer voor hun werkgever verrichten. Met betrekking tot een dergelijke publicatie kan een werkgever een vordering instellen ter bescherming van de werknemers. De werkgever komt de bevoegdheid tot het instellen van die vordering toe zowel uit hoofde van het belang dat hij zelf heeft bij de bescherming van zijn werknemers, als ter bescherming van die werknemers, mede op grond van goed werkgeverschap (HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:569). Er zijn geen redenen dat dit niet zo is indien de werkgever een overheidsorganisatie is en de werknemers ambtenaar zijn. De gemeente kan dus op grond van het hiervoor overwogene in beginsel de onderhavige vordering instellen.

4.4

Als uitgangspunt heeft te gelden dat het noemen van namen en het plaatsen van foto’s van ambtenaren in dienst van een gemeente op een voor het publiek toegankelijke website zoals de website, niet nodeloos mag zijn. In dat kader is van belang dat de gemeente niet feitelijk kan spreken noch feitelijk kan schouwen noch feitelijk onderhandelingen ter zake erfpacht kan voeren. Al die feitelijkheden gebeuren door natuurlijke personen zoals de onderhavige ambtenaren. In beginsel moet alles wat die ambtenaren binnen een reglementair kader feitelijk zeggen en feitelijk doen, worden toegerekend aan de gemeente. Hierbij moet worden voorbijgegaan aan de natuurlijke personen die feitelijk hebben gedaan en feitelijk hebben gesproken. Alleen de natuurlijke persoon kan feitelijk constateren of een bouwwerk al dan niet in strijd met een vergunning is geplaatst, maar het is de gemeente die dit vaststelt. In elk geval in dit kader vormt de vermelding van de namen van de ambtenaren op de website een inbreuk op hun recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, welk recht mede beschermd wordt door art. 8 EVRM. Anderzijds valt de publicatie op de website van de namen onder het mede door art. 10 EVRM beschermde recht op vrijheid van meningsuiting.

4.5

Het antwoord op de vraag welke van deze net genoemde fundamentele rechten als omschreven in art. 8 respectievelijk art. 10 EVRM in het concrete geval bij botsing van deze rechten zwaarder weegt, wordt gevonden door een afweging van alle ter zake dienende omstandigheden van het geval. Bij deze afweging bestaat niet het uitgangspunt dat aan een van beide rechten voorrang toekomt. Het oordeel dat een van beide rechten, gelet op alle ter zake dienende omstandigheden, zwaarder weegt dan het andere recht, brengt mee dat de inbreuk op het andere recht voldoet aan de noodzakelijkheidstoets van het desbetreffende lid 2 van ofwel art. 8 EVRM of art. 10 EVRM (zie bijvoorbeeld HR 5 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9230, NJ 2012/571, rov. 3.3). In dit verband zijn onder meer van belang de gezichtspunten zoals vermeld in EHRM 7 februari 2012, nr. 40660/08 (Von Hannover/Duitsland II), NJ 2013/250, par. 108-112, en EHRM 7 februari 2012, nr. 39954/08 (Axel Springer AG/Duitsland), NJ 2013/251, par. 89-95. Met betrekking tot de ter zake dienende omstandigheden geldt in deze zaak hetgeen hierna in 4.6 - 4.12 wordt overwogen.

4.6

Het is niet zonneklaar wat [gedaagde] eigenlijk aan de orde wil stellen met haar website. In elk geval haar oorspronkelijke tekst ter zake ambtenaar [X] voor zover inhoudende “vele (burgers) hebben zeer slechte ervaringen met hem, door zijn vingers laten glippen kan alleen als je doet wat hij wil, Zo ook heeft hij jarenlang zijn voorkeuren gehad welk architectenburo je moest inschakelen. Was wel wat duurder maar je kreeg tenminste een bouwvergunning. Wat zijn voordeel hierbij was, weet ik niet, maar ja, een en een is twee!”, laat zich niet anders uitleggen dan dat [gedaagde] daarmee [X] beschuldigt van corruptie. Dat heeft zij echter naar eigen zeggen niet willen doen. De ter zitting door [gedaagde] gegeven uitleg dat met “een en een is twee” wordt bedoeld dat dan een bouwvergunning zou worden afgegeven, valt in de hiervoor weergegeven context niet serieus te nemen. Dat zij schrijft zoals zij is gebekt (aldus haar pleitnota) maakt niet dat niet-serieus te nemen uitleg van bewoordingen moet worden gevolgd; anders gezegd: fout woordgebruik komt voor risico van de schrijver. Uit de hierna volgende feiten leidt de voorzieningenrechter voorshands af dat [gedaagde] kennelijk ambtenaren zodanig wil beschadigen dat die ambtenaren uiteindelijk ten gunste van haar adviseren. De voorzieningenrechter leidt dit onder meer af uit het feit dat [gedaagde] (zie het als productie 9 bij dagvaarding opgenomen e-mailbericht van 8 augustus 2018 09:22) schrijft dat zij de advocaat van de gemeente “heeft verzocht om de gemeente in overweging te geven gewoon haar afspraken formeel te bekrachtigen en na te komen, (…). Als tegenprestatie is fam. [gedaagde] bereid de hele website, (…) uit de lucht te nemen”. Deze passage laat zich moeilijk anders lezen dan “als jullie, de gemeente, doen wat ik wil, haal ik de website uit de lucht”. Er moet dus voorshands van worden uitgegaan dat [gedaagde] geen misstanden aan het licht wil brengen, maar haar zin wil hebben. Indien zij, zoals zij in haar pleitnota heeft vermeld, “haar verhaal kwijt (wil) over hoe nu een gemeente opereert richting burgers en ondernemers” heeft zij onvoldoende verklaard waarom dan de ambtenaren [X] en [Y] op de wijze waarop zij dit heeft verwoord, te kijk worden gezet. Ook geldt dat zij dan geen verklaring heeft gegeven waarom zij die website dan uit de lucht wil nemen op het moment dat zij haar zin krijgt. Bij dit alles moet er van worden uitgegaan dat [gedaagde] van mening is dat de gemeente haar hindert in de zaaksvoering zoals zij dat wil. Dat is in het kader van dit geding voldoende aannemelijk gelet op de zakelijke problemen die zij heeft met de gemeente: [gedaagde] wil een lage aanslag toeristenbelasting, zij wil voortzetting van de erfpacht en is van mening dat zij geen illegale bouwsels heeft geplaatst.

Deze zakelijke problemen heeft zij met de gemeente, niet met twee ambtenaren die niet meer kunnen dan feitelijk handelen.

4.7

De geciteerde teksten met de foto(’s) vormen een ernstige aantasting van het recht van de twee ambtenaren op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Zo de betreffende foto(’s) al uit openbare bronnen afkomstig is/zijn (zo stelt [gedaagde] dat de foto van ambtenaar [Y] een kopie is van de TV-zender [naam tv-zender] ), maakt dat niet dat [gedaagde] van die portretten gebruik mag maken op haar website. Ook wat dit betreft moet een en ander worden bezien in het licht van het feit dat de ambtenaren privépersonen zijn waarvan niet is vastgesteld dat zij bekendheid genieten bij het publiek noch hebben zij een voldoende belangrijke leidinggevende en op de openbaarheid gerichte functie bij de gemeente. De ambtenaren hebben evenmin publiciteit gezocht.

4.8

Uit het hiervoor in rov. 4.6 vermelde volgt dat het onvoldoende duidelijk is waarom [gedaagde] de twee ambtenaren zo persoonlijk aanvalt. Zij heeft verschil van mening met de gemeente omtrent de drie hiervoor genoemde punten. [gedaagde] heeft niet voldoende concreet vermeld welk belang zij heeft om juist de ambtenaren [X] en [Y] zo centraal te stellen in die bewoordingen zoals zij dat heeft gedaan. Er zijn dus zijdens [gedaagde] geen belangen die de aan de orde zijnde inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de twee ambtenaren kan rechtvaardigen. Anders gezegd: [gedaagde] heeft niet verduidelijkt waarom zij in het kader van haar geschil met de gemeente op haar website niet had kunnen volstaan met (deels) geanonimiseerde of gefingeerde namen.

4.9

De voorzieningenrechter kan evenmin vaststellen dat met het noemen van de namen van de 2 ambtenaren en het plaatsen van een/hun foto(’s) op de website mede het algemeen belang is gediend doordat dit alles een bijdrage levert aan het publieke debat. De voorzieningenrechter weegt hierbij mee dat [gedaagde] in haar pleitnota zelf vermeldt dat zij niemand wil beledigen of beschadigen, maar haar verhaal kwijt wil “over hoe een gemeente opereert richting burgers en ondernemers”. Gelet op die kennelijke doelstelling heeft zij niet duidelijk gemaakt waarom de ambtenaren [Y] en [X] op deze manier worden beschreven met naam en toenaam en foto. Indien zij de website had willen verluchtigen met foto’s en het publiek duidelijk wilde maken hoe ontspannend en rustgevend haar camping is die daarom naar haar mening moet blijven bestaan, was het passender geweest om rustieke foto’s van de camping te plaatsen.

4.10

De voorzieningenrechter kan ook niet vaststellen dat de in zeer agressieve bewoordingen gestelde teksten - zo schrijft [gedaagde] over [Y] onder meer “laat je ze haar gang gaan, heb je voor je het weet een “mes” in de rug” en “ Inmiddels maak ze fout op fout,” -, voldoende feitelijk zijn onderbouwd. Het behoort echter tot de verplichtingen en verantwoordelijkheden van [gedaagde] als zij gebruik wil maken van haar vrijheid van meningsuiting, om dergelijke aanvallen op de reputatie van deze twee ambtenaren alleen te doen bij voldoende feitelijke grond. Voor zover [gedaagde] al voldoende coherent dergelijke gronden heeft aangevoerd, staan zij onvoldoende vast.

4.11

Anders dan [gedaagde] kennelijk wil aanvoeren, zijn de twee ambtenaren geen publieke figuren. Van algemene bekendheid is geen sprake en dat de twee in de gemeente Meerssen in de hoedanigheid van ambtenaar publieke bekendheid genieten is evenmin voldoende duidelijk. Dat zij hier en daar zijn te vinden op sociale media, al dan niet gegenereerd door de gemeente, maakt hen nog niet tot publieke figuren.

4.12

Tenslotte is van belang dat het portretrecht een uit art. 8 EVRM afgeleid recht is om het gebruik en de openbaarmaking van een eigen beeltenis te controleren. De publicatie van een foto van één of 2 ambtenaren die geen bijzondere bekendheid genieten, betreft niet enig nieuwswaardig feit.

4.13

Dit alles leidt tot de conclusie dat de belangen ex art. 8 EVRM van de twee ambtenaren in voldoende mate groter zijn dan de belangen van [gedaagde] ex art. 10 EVRM om de vordering toe te wijzen. Van belang is hierbij nog dat de vordering niet excessief is en eenvoudig na te komen. Wel zijn termen aanwezig om de dwangsom te matigen.

4.14

[gedaagde] heeft te gelden als de in het ongelijk gestelde partij en zal daarom worden veroordeeld in de kosten van dit geding, die aan de zijde van de Gemeente worden begroot op € 98,01 kosten betekening dagvaarding, € 626,- griffierecht en € 980,- salaris advocaat.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1

veroordeelt [gedaagde] de Publicaties met daarin namen, foto’s en andere tot de persoon van de Ambtenaren herleidbare gegevens, binnen 24 uur na betekening van dit vonnis van de Website te verwijderen en verwijderd te houden;

5.2

veroordeelt [gedaagde] om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis aan de tekst van haar Website op de homepagina toe te voegen, in een opvallende banner of opvallend kader bovenaan, en daar veertien dagen lang toegevoegd te houden, zonder verder commentaar daaraan toe te voegen, in hetzelfde lettertype en dezelfde lettergrootte als de koppen op de website, maar vetgedrukt en met het woord “rectificatie” in het rood:

“Rectificatie:

Op deze website werd een ambtenaar van de gemeente Meerssen in de maanden juli en augustus 2018 onterecht in verband gebracht met corruptie. De voorzieningenrechter in de rechtbank Limburg heeft inmiddels geoordeeld dat deze

beschuldiging onrechtmatig is geweest en heeft bevolen de beschuldiging te verwijderen en deze rectificatie te plaatsen.”;

5.3

beveelt [gedaagde] om binnen 48 uur na betekening van het te wijzen vonnis een verzoek in te (doen) dienen bij internetzoekmachine Google, onder indiening van het vonnis bij Google, om de Publicaties en alle verwijzingen daarnaar te (doen) verwijderen uit de zoekresultaten van deze zoekmachines alsook uit het ‘cache-geheugen’ daarvan, onder gelijktijdige toezending van een kopie van de betreffende verzoeken aan de advocaat van de gemeente;

5.4

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan de gemeente van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag (een dagdeel daaronder begrepen) dat [gedaagde] een of meer van de hiervoor gegeven veroordelingen en/of bevel niet, niet volledig en/of niet tijdig nakomt, per overtreding, met een maximum van € 75.000,-;

5.5

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van de gemeente begroot op € 1.704,01, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis, voor zover de kosten niet voor die dag volledig zijn voldaan, onder begroting van de nakosten conform het liquidatietarief op € 157,- zonder betekening, te verhogen met € 82,- in geval van betekening;

5.6

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.7

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Sijmonsma en in het openbaar uitgesproken.