Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:8759

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
13-09-2018
Datum publicatie
18-09-2018
Zaaknummer
7011282 \ OV VERZ 18-43
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voorlopig getuigenverhoor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 7011282 \ OV VERZ 18-43

Beschikking van de kantonrechter van 13 september 2018

in de zaak van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats verzoeker] , [adres verzoeker] ,

verzoeker,

gemachtigde: mr. P.B.A. Acda,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verweerder] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats verweerder] aan het adres [adres verweerder] ,

verweerder,

gemachtigde: mr. M.E. Bischoff-Derks.

Partijen worden hierna verder [verzoeker] en [verweerder] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift,

  • -

    het verweerschrift,

  • -

    de mondelinge behandeling op 29 augustus 2018, waarbij verzoeker is verschenen met zijn gemachtigde, alsmede de heer [X] namens [verweerder] met zijn gemachtigde.

2 De feiten

2.1.

[verzoeker] heeft met ingang van 1 mei 2014 van [verweerder] de woning gehuurd aan de [adres huurwoning] te [plaats huurwoning] (hierna: de woning) voor een huurprijs van € 732,50 per maand inclusief de huur van een cv-ketel.

2.2.

Vanaf september 2014 tot en met februari 2015 heeft [verzoeker] een huurachterstand opgelopen.

2.3.

Bij vonnis van de kantonrechter te Roermond van 16 september 2015 is onder meer de huurovereenkomst tussen partijen ontbonden, is [verzoeker] veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde en is [verzoeker] veroordeeld tot betaling van een huurachterstand van € 4.395,00.

3 Het geschil en de beoordeling

3.1.

Het verzoek strekt ertoe dat de rechtbank een voorlopig getuigenverhoor zal bevelen.

3.2.

[verweerder] verzet zich tegen inwilliging van het verzoek.

3.3.

De rechter dient een voorlopig getuigenverhoor in beginsel te gelasten, mits het verzoek ter zake dienend en voldoende concreet is en feiten betreft die met het voorlopig getuigenverhoor bewezen kunnen worden. Een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor kan echter worden afgewezen op de grond dat de verzoeker daarbij geen belang als bedoeld in artikel 3:303 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft; dat van de bevoegdheid tot het bezigen van dit middel misbruik wordt gemaakt - waarvan onder meer sprake kan zijn wanneer de verzoeker wegens de onevenredigheid van de over en weer betrokken belangen in redelijkheid niet tot toepassing van die bevoegdheid kan worden toegelaten -; dat het strijdig is met een goede procesorde; dan wel op grond van een ander, door de rechter zwaarwichtig geoordeeld bezwaar. Minimaal noodzakelijk voor het toestaan van een voorlopig getuigenverhoor is dat een rechtsgrond wordt aangevoerd die aanleiding kan geven tot een civiele procedure, alsmede dat voor de behandeling van een zodanige vordering voldoende concrete feiten en omstandigheden worden gesteld die, mits bewezen of niet betwist, tot toewijzing van die vordering aanleiding zouden kunnen geven. Bij de beoordeling moet de rechter tot uitgangspunt nemen dat het voorlopig getuigenverhoor er onder meer toe strekt om degene die het aanspannen van een geding overweegt - een bodemprocedure is in onderhavig geval nog niet aanhangig gemaakt - de gelegenheid te bieden vooraf opheldering te verkrijgen omtrent de (hem wellicht nog niet precies bekende) feiten, zulks teneinde hem in staat te stellen zijn positie beter te beoordelen.

3.4.

[verzoeker] heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat hij in de periode dat hij de woning van [verweerder] heeft gehuurd door gebreken aan de woning nooit het volledige woongenot heeft kunnen hebben waardoor hij genoodzaakt was om elders te verblijven. Daarnaast heeft hij voor [verweerder] in die periode verschillende werkzaamheden verricht aan het naast de woning gelegen pand van [verweerder] , die onbetaald zijn gebleven. Voorts heeft [verzoeker] zoals hij ter zitting heeft gesteld in de huurperiode spullen aangeschaft die in de woning zijn gebleven en heeft hij na het vonnis nog de afrekening van de energielasten gekregen, terwijl hij door de gebreken nauwelijks in de woning aanwezig is geweest. Als gevolg van een en ander is [verweerder] - aldus [verzoeker] - ongerechtvaardigd verrijkt en is hij voornemens op die grondslag een vordering in te stellen tegen [verweerder] . Tot slot heeft [verzoeker] aangevoerd dat hij in opdracht van [verzoeker] asbest heeft verwijderd, zonder dat hem daarvoor beschermende materialen ter beschikking zijn gesteld. [verzoeker] verzoekt hieromtrent getuigen te mogen horen, omdat hij hierdoor mogelijk gezondheidsschade heeft geleden en hij het bewijs middels een voorlopig getuigenverhoor veilig wil stellen.

3.5.

[verweerder] betwist dat er gebreken waren aan de woning en dat [verzoeker] werkzaamheden voor [verweerder] heeft verricht waaronder het verwijderen van asbest. Ook betwist [verweerder] dat er bij de ontruiming spullen van [verzoeker] in de woning zijn achtergebleven. [verzoeker] heeft in de ontruimingsprocedure bij de kantonrechter al een beroep gedaan op opschorting wegens gebreken aan het gehuurde en een beroep op verrekening van door [verzoeker] gestelde werkzaamheden. [verweerder] zich op het standpunt dat [verzoeker] geen belang heeft bij het horen van getuigen, omdat de kantonrechter in het vonnis van 16 september 2015 hierover al heeft beslist.

3.6.

De kantonrechter overweegt als volgt. Gebleken is dat de gebreken die door [verzoeker] bij zijn onderhavige verzoek naar voren worden gebracht ook aan de orde zijn geweest in de procedure die heeft geleid tot het vonnis van 16 september 2015. De kantonrechter heeft in dat vonnis het beroep van [verzoeker] op opschorting beoordeeld en verworpen. [verzoeker] heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld, maar is daarin niet-ontvankelijk verklaard omdat hij het verschuldigde griffierecht niet heeft betaald. Derhalve heeft het vonnis van 16 september 2015 gezag van gewijsde en staat daarmee tussen partijen vast dat er geen sprake is van gebreken die recht geven op vermindering van de huurprijs. Voor zover het verzoek van [verzoeker] ziet op het horen van getuigen met betrekking tot deze gebreken, heeft hij daarom geen belang bij het horen van getuigen, nu daarover reeds onherroepelijk is beslist.

3.7.

Voor zover het verzoek ziet op de stelling van [verzoeker] dat hij voor [verweerder] werkzaamheden heeft verricht die onbetaald zijn gebleven, overweegt de kantonrechter dat [verzoeker] in de procedure met betrekking tot het huurgeschil een beroep heeft gedaan op verrekening van de huurachterstand met de betalingen van door hem gestelde werkzaamheden, welke hij in die procedure heeft geconcretiseerd als verwijderen van een (asbesthoudende) vloer, plaatsen en verwijderen van een tuinafscheiding, verwijderen van een olietank, bestraten en openbreken van de bovenste verdieping (productie 2 bij verweerschrift) De kantonrechter heeft in zijn vonnis van 16 september 2015 overwogen dat de gegrondheid van het beroep op verrekening niet op eenvoudige wijze is vast te stellen en heeft dit beroep met toepassing van artikel 6:136 BW gepasseerd. Daarmee heeft de kantonrechter geen inhoudelijk oordeel gegeven over de gestelde werkzaamheden. De kantonrechter is thans dan ook van oordeel dat het vonnis van 16 september 2015 op dit punt geen einde heeft gemaakt aan het geschil. De kantonrechter is van oordeel dat [verzoeker] ten aanzien van dit punt voldoende belang heeft bij het houden van een voorlopig getuigenverhoor.

3.8.

Voorts stelt [verzoeker] dat er bij de ontruiming van de woning eigendommen van hem in de woning zijn achtergebleven, die [verweerder] weigert aan hem terug te geven. Zo stelt hij dat hij een kooktoestel heeft moeten aanschaffen, omdat het in de woning aanwezige kooktoestel niet functioneerde. Daarnaast stelt hij dat hij na de ontruiming een nagekomen
– zeer hoge – energierekening heeft moeten betalen. Hij is echter vanwege de door hem gestelde gebreken nauwelijks in de woning aanwezig geweest, zodat de energie in deze periode niet door hem is verbruikt en daarom voor rekening van [verweerder] moet komen.

3.9.

De kantonrechter overweegt dat het vonnis van 16 september 2015 geen betrekking heeft op de stelling dat [verweerder] onrechtmatig eigendommen van [verzoeker] onder zich houdt, nu deze stelling ziet op gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden ná de datum van het vonnis. De kantonrechter is van oordeel dat [verzoeker] ook ten aanzien van dit punt voldoende belang heeft bij het houden van een voorlopig getuigenverhoor.

3.10.

[verzoeker] heeft naar het oordeel van de kantonrechter echter niet gemotiveerd welke concrete en betwiste feiten hij wil bewijzen met betrekking tot de energierekening, noch welke getuigen daarover kunnen verklaren. Zonder nadere toelichting, welke ontbreekt, heeft [verzoeker] daarom onvoldoende belang bij het horen van getuigen op dit punt.

3.11.

Voor zover het verzoek ziet op de stelling dat [verzoeker] gezondheidsschade heeft geleden omdat hij in opdracht van [verweerder] onbeschermd asbest heeft moeten verwijderen, overweegt de kantonrechter als volgt. Hoewel een voorlopig getuigenverhoor er ook toe kan strekken mogelijk te maken dat spoedig na het plaatsvinden van omstreden feiten daarover getuigenverklaringen kunnen worden afgelegd alsmede om te voorkomen dat bewijs verloren gaat, is de kantonrechter van oordeel dat [verzoeker] onvoldoende heeft onderbouwd dat hij schade heeft geleden, welke zou kunnen leiden tot een toewijsbare vordering op [verweerder] . De enkele vrees dat [verzoeker] mogelijk in de toekomst ooit asbestose zou kunnen ontwikkelen – waarvoor thans geen enkel aanknopingspunt bestaat – levert onvoldoende belang op bij het laten horen van getuigen.

3.12.

Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat het verzoek op de in rechtsoverweging 3.7. en 3.9. genoemde onderdelen aan de wettelijke vereisten voldoet en dat [verzoeker] aan zijn stelplicht heeft voldaan ten aanzien van de feiten en/of rechten waarop het voorlopig getuigenverhoor betrekking zal hebben. Het bewijs van deze feiten door getuigen is toegelaten. De door [verzoeker] gestelde feiten kunnen met het voorlopig getuigenverhoor bewezen worden en zijn relevant, in die zin dat ze betwist zijn en het bewijs van deze feiten tot een beslissing in de mogelijk in te stellen procedure kan dienen. Het verzoek zal daarom als hierna volgt worden toegewezen en voor het overige worden afgewezen.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1.

beveelt een voorlopig getuigenverhoor omtrent:

  1. feiten en omstandigheden waaruit volgt dat [verzoeker] in de periode dat hij de woning heeft gehuurd voor [verweerder] de onder 3.7 genoemde werkzaamheden heeft verricht aan het pand naast de woning,

  2. feiten en omstandigheden waaruit volgt dat bij de ontruiming van de woning eigendommen van [verzoeker] in de woning zijn achtergebleven,

4.2.

wijst het verzoek voor het overige af,

4.3.

benoemt mr. M.P.F. van Dooren tot rechter-commissaris, voor wie het getuigenverhoor zal worden gehouden,

4.4.

bepaalt dat het getuigenverhoor zal worden gehouden in het gerechtsgebouw te 6041 HR Roermond, Willem II Singel 67 op een na schriftelijke opgave van de verhinderdata van partijen, hun advocaten en de getuigen nader te bepalen dag en uur, welke opgave uiterlijk veertien na heden dient te worden gedaan,

4.5.

bepaalt dat partijen bij de getuigenverhoren in persoon aanwezig moeten zijn,

4.6.

bepaalt dat de verzoekende partij uiterlijk op twee weken na heden een afschrift van deze beschikking aan de wederpartij moet toezenden bij aangetekende brief of deze doet betekenen bij deurwaardersexploot.

Aldus gegeven door mr. F.C. Alink-Steinberg, en in het openbaar uitgesproken.

type: TC/FA

coll: