Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:8631

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
10-09-2018
Datum publicatie
13-09-2018
Zaaknummer
03/659192-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor in vereniging dealen van cocaïne.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03/659192-15

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 10 september 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [Geboortegegevens] ,

wonende te [adres] ,

De verdachte wordt bijgestaan door mr. M.W.G.J. IJsseldijk, advocaat kantoorhoudende te Arnhem.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 27 augustus 2018. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

feit 1: samen met anderen cocaïne heeft gedeald;

feit 2: 0,7 gram cocaïne aanwezig heeft gehad.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd bewezen te verklaren dat verdachte in de periode van januari 2014 tot en met 15 mei 2015 samen met anderen cocaïne heeft gedeald. De officier van justitie heeft daartoe verwezen naar de verklaring van verdachte op de zitting dat hij korte tijd cocaïne heeft gedeald in combinatie met telecommunicatiegegevens, observaties, de verklaringen van de getuigen [Getuige 1] , [Getuige 2] , [Getuige 3] , [Getuige 4] , [Getuige 5] , [Getuige 6] , [Getuige 7] , [Getuige 8] , [Getuige 9] , [Getuige 10] , [Getuige 11] , [Getuige 12] , [Getuige 13] , [Getuige 14] , en [Getuige 15] alsmede de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] .

Voorts acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen dat verdachte 0,7 gram cocaïne voorhanden heeft gehad, gelet op het aantreffen van de cocaïne in een vest waarvan de broer van verdachte heeft verklaard dat dit aan verdachte toebehoort.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde – zoals vervat in de overgelegde pleitnota – op het standpunt gesteld dat slechts kan worden bewezenverklaard dat verdachte cocaïne heeft gedeald in de periode van december 2014 tot en met 17 januari 2015. Daartoe heeft hij – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat uit het dossier kan worden afgeleid dat er sprake is van een soort ‘werktelefoon’ welke van tijd tot tijd wordt doorgegeven aan een andere dealer. Uit de telecommunicatiegegevens met betrekking tot deze telefoon, de observaties en de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 1] en getuige [Getuige 7] blijkt dat verdachte in januari 2015 is gestopt met de handel in cocaïne. Voorts ondersteunen de getuigenverklaringen van [Getuige 2] , [Getuige 6] , [Getuige 8] , [Getuige 7] en [Getuige 11] de verklaring van verdachte dat hij in december 2014 is begonnen met het dealen van cocaïne.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman bepleit dat sprake is van een onrechtmatige doorzoeking waarbij de cocaïne in beslag is genomen. Immers was er slecht sprake van een machtiging tot binnentreden om verdachte aan te houden. Nu de verbalisanten daarbij een vest hebben opgeraapt en de zakken daarvan hebben doorzocht, zijn zij verder gegaan dan het zoekend rondkijken en is sprake van een doorzoeking in plaats van louter binnen treden. Derhalve is sprake van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, waardoor het recht op privacy van verdachte is geschaad. In de visie van de raadsman dient dit te leiden tot bewijsuitsluiting van het aantreffen van de cocaïne en het daarop volgende NFI-rapport, hetgeen resulteert in vrijspraak voor dit feit.

Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat het dossier onvoldoende bewijsmiddelen bevat waaruit blijkt dat het vest en de daarin aangetroffen snowseal aan verdachte toebehoren.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

3.3.1

Het onder 1 ten laste gelegde

Bewijsmiddelen

In het kader van het politieonderzoek is op 16 en 17 januari 2015 het telefoonnummer [nummer] getapt, waarbij de opgenomen telecommunicatie ‘live’ werd uitgeluisterd. Dit heeft geleid tot de volgende bevindingen:

Deal Moesdijk

Op 16 januari 2015 omstreeks 19.32 uur belde de gebruiker van het telefoonnummer

[nummer] naar de gebruiker van het telefoonnummer [nummer] . Genoemd gesprek leek, gezien de context en de inhoud te gaan over het (ver)kopen van middelen op lijst I van de Opiumwet. Er werd uiteindelijk afgesproken om elkaar te ontmoeten in de buurt van de [bedrijf] . Naar aanleiding van dit telefoonverkeer werden verbalisanten ter plaatse gestuurd en werd er omstreeks 20.36 uur op de [adres] ter hoogte van de parkeerplaats een contact waargenomen tussen de bestuurders en een grijze Mazda 2 met het kenteken [nummer] en een rode Opel Astra kenteken [nummer] . De bestuurder van de Mazda werd herkend als de ambtshalve bekende verdachte [verdachte] . Omstreeks 20.40 uur werden de inzittende van de Opel Astra aangehouden, te weten: [Getuige 6] en [Getuige 2] .2

[Getuige 6] werd als verdachte gehoord en heeft verklaard dat hij op 16 januari 2015 samen met zijn maat cocaïne wilde hebben. [Getuige 6] heeft gebeld met de dealer die in zijn telefoon staat. Zij hebben afgesproken bij de [bedrijf] te Weert. Hij heeft samen met [Getuige 2] gewacht bij de [bedrijf] te Weert. De dealer kwam aanrijden met een grijze auto en heeft hem de cocaïne overhandigd. [Getuige 6] heeft de dealer vijftig euro gegeven. [Getuige 6] heeft verder verklaart dat hij drie of vier keer van deze dealer cocaïne had gekocht, steeds 1 gram voor vijftig euro. De eerste keer was in november 2014. Zijn maat [Getuige 2] zou tussen de tien en vijftien keer in het bijzijn van [Getuige 6] cocaïne hebben gekocht van deze dealer.3

Onder de [Getuige 2] werd bij zijn aanhouding een pakketje met daarin een hoeveelheid wit poeder inbeslaggenomen.4 Uit onderzoek bleek dat het witte poeder 0,6 gram cocaïne betrof.5

Ook [Getuige 2] werd als verdachte gehoord en heeft verklaard dat [Getuige 6] een afspraak had gemaakt met de dealer. Zij zijn naar de parkeerplaats van de [bedrijf] gegaan en hebben daar de dealer ontmoet. [Getuige 6] heeft vijftig euro betaald en kreeg van de dealer de cocaïne overhandigd. [Getuige 2] heeft de cocaïne in een leeg sealtje gedaan. [Getuige 2] heeft verder verklaard dat hij vijftien à twintig keer eerder van deze dealer cocaïne had gekocht en dat de eerste keer zeven à acht maanden geleden is geweest. Meestal ging [Getuige 2] naar de dealer in Weert, maar hij heeft ook afgesproken bij de kerktoren in Someren-Eind.6

[Getuige 2] is op 23 mei 2015 nogmaals gehoord en heeft aanvullend verklaard hij gedurende een jaar cocaïne heeft gekocht bij een jongen in een Opel Corsa. Deze heeft hem in februari of maart 2015 nog eens benaderd. Aan [Getuige 2] werden een aantal foto’s getoond. Hij herkende op foto 3 de jongen met de Opel Corsa en op foto 5 de dealer waarbij hij is aangehouden.7

Foto 3 betreft medeverdachte [medeverdachte 2] , foto 5 betreft verdachte [verdachte] .8

Deal Kijkshop

Op 17 januari 2015 omstreeks 18:47 uur belde de gebruiker van het telefoonnummer [nummer] naar de gebruiker van het telefoonnummer [nummer] . Genoemd gesprek leek, gezien de context en de inhoud te gaan over het (ver)kopen van middelen op lijst I van de Opiumwet. Uit eerdere gevoerde gespreken tussen de beller en de gebelde bleek dat ze eerder afspraken op het parkeerterrein van de [bedrijf] te Weert. Naar aanleiding hiervan werden verbalisanten ter plaatse gestuurd. Omstreeks 18.57 uur en werd waargenomen dat de ambtshalve bekende verdachte [verdachte] uit de Mazda 2 met het kenteken [nummer] stapte en naar het bijrijdersportier van een Renault Twingo met het kenteken [nummer] liep. Het portier werd geopend. Tien seconden later liep [verdachte] terug. Omstreeks 19.58 uur werd de bestuurder van de betreffende Renault, te weten: [Getuige 7] aangehouden.9

In de Renault Twingo van [Getuige 7] werd onder de bestuurderstoel een pakketje met daarin een hoeveelheid wit poeder aangetroffen10 en inbeslaggenomen.11 Uit onderzoek bleek dat het poeder netto 0,49 gram cocaïne betrof.12

[Getuige 7] werd als verdachte gehoord en heeft verklaard dat hij op 17 januari 2015 omstreeks 18.00 uur heeft gebeld met een dealer en zij hebben afgesproken bij de [bedrijf] . Op de parkeerplaats van de [bedrijf] stond de dealer al te wachten met een grijze Mazda. De dealer stapte uit en heeft via het bijrijdersraam het pakketje cocaïne gegeven. [Getuige 7] heeft hem vervolgens vijftig euro gegeven. [Getuige 7] heeft verder verklaard dat hij tussen de vijf en de tien keer eerder van deze dealer cocaïne had gekocht en dat de eerste keer ongeveer twee maanden geleden was geweest. De dealer sprak altijd af in Weert. Het telefoonnummer van de dealer staat in zijn telefoon onder de bijnaam ‘ [naam] ’.13

Op 18 en 19 januari 2015 werd er geen activiteit meer waargenomen op het nummer

[telefoonnummer] . Op 19 januari 2015 omstreeks 15.27 uur stuurt de gebruiker van nummer [telefoonnummer] naar een Belgisch mobiel nummer: ‘oke komt goed heeft geen haast sms nu mijn nieuw nummer’. Uit de analyse van de gsm van getuige [Getuige 7] bleek dat er op 17 januari 2015 omstreeks 17.59 uur een bericht was binnen gekomen verstuurd door de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer] met als inhoud: ‘nieuw nummer’.14

Uit onderzoek blijkt dat dit nummer in de periode van 21 januari 2015 tot en met 24 januari 2015 werd gebruikt door medeverdachte [verdachte]15 Voorts bleek dat dit nummer vanaf 25 januari 2015 tot tenminste 7 februari 2015 werd gebruikt door verdachte [medeverdachte 2] .16

Vervolgens werd het nummer [telefoonnummer] getapt.

Deal Heeze

Op 5 februari 2015 omstreeks 15:43 uur belde de gebruiker van het telefoonnummer

[nummer] naar de gebruiker van het telefoonnummer [nummer] . Genoemd gesprek leek, gezien de context en de inhoud te gaan over het (ver)kopen van middelen op lijst I van de Opiumwet. Er werd afgesproken om elkaar te ontmoeten op de parkeerplaats nabij de kerk te Heeze. Omstreeks 16.19 uur zagen de verbalisanten een grijze Opel Corsa met het kenteken [nummer] op de genoemde parkeerplaats parkeren. Ambtshalve is hen bekend dat medeverdachte [medeverdachte 2] gebruikt maak van de betreffende auto. Vervolgens stapte een man uit een Mazda 323 met het kenteken [nummer] , welke naast de Opel Corsa op naam van verdachte [medeverdachte 2] geparkeerd stond. De deze man stapte in de auto van medeverdachte [medeverdachte 2] . Na ongeveer twintig seconden stapte de man uit en reed weer weg in de Mazda. Omstreeks 19.58 uur werd de bestuurder van de betreffende Mazda, te weten: [naam persoon] aangehouden.17

Onder de [naam persoon] werd bij zijn aanhouding een pakketje met daarin een hoeveelheid wit poeder aangetroffen18 en inbeslaggenomen19. Uit onderzoek bleek dat het poeder netto 0,69 gram cocaïne betrof.20

Vervolgens bleek de analyse van de gegevens van de telefoons van de afnemers [Getuige 7] en [Getuige 2] dat zij in de periode van 12 februari 2015 tot en met 26 februari 2015 in totaal 149 keer contact hebben met het nummer [telefoonnummer] .21

Ook het nummer [telefoonnummer] werd getapt.

Naar aanleiding van de afgeluisterde, opgenomen en vastgelegde telecommunicatie

via de toestellen met de telefoonnummers [nummer] , [nummer] en

[nummer] , bleek dat er gesprekken werden gevoerd dan wel berichtverkeer was

waarvan de inhoud gerelateerd kon worden aan de handel in middelen voorkomend

op lijst I van de Opiumwet. Deze contacten werden gehoord met betrekking tot hun relatie met de verdachte.

Getuige [Getuige 13] heeft op 17 mei 2015 – kort samengevat – verklaard dat hij sinds anderhalf jaar steeds gebruik maakte van dezelfde dealer, die telkens een ander telefoon-nummer gebruikte. Er werd dan een sms-bericht gestuurd met de tekst waaruit bleek dat er een nieuw nummer was. Er kwamen wisselende jongens. Een jongen uit Roermond is ongeveer vijf of zes weken cocaïne komen brengen. Er kwam ook een Marokkaanse jongen. Deze is een maand of zeven à acht cocaïne komen brengen. In de praktijk wisselde het telefoonnummer regelmatig. Er was verder een Nederlandse jongen met de bijnaam [naam] , die samenwerkte met de jongen uit Roermond. [bijnaam medeverdachte 2] liet Marokkaanse jongens voor hem rijden, zorgde er voor dat ze cocaïne hadden en gaf ze de telefoon. Ook aan [Getuige 13] werden een aantal foto’s getoond. Hij herkende op foto 2 [bijnaam medeverdachte 2] , op foto 3 de Marokkaanse jongen en op foto 4 de jongen uit Roermond.22

Foto 2 betreft medeverdachte [medeverdachte 2] en foto 3 betreft verdachte [verdachte] .23

Getuige [Getuige 10] heeft – kort samengevat - verklaard dat hij cocaïne kocht via [bijnaam medeverdachte 2] , die zichzelf [bijnaam medeverdachte 2] noemde. Hij gebruikt al 6 jaar, de laatste 3 jaar 6 gram per week. Op een gegeven moment gingen er jongens voor [bijnaam medeverdachte 2] lopen. Een daarvan was een Marokkaanse jongen van wie [Getuige 10] gedurende een half jaar tot een jaar cocaïne heeft gekocht. Die jongens kwamen steeds voor een korte periode en de periodes ertussen werden opgevuld door [bijnaam medeverdachte 2] tot er weer iemand anders kwam. Aan [Getuige 10] werden een aantal foto’s getoond. Hij herkende op foto 3 de beschreven Marokkaans jongen en op foto 4 [bijnaam medeverdachte 2] .24

Foto 3 betreft verdachte [verdachte] en foto 4 betreft medeverdachte [medeverdachte 2] .25

Getuige [Getuige 14] heeft verklaard dat hij een telefoonnummer heeft van een dealer, die hij belt als hij cocaïne wil hebben. Het is een Marokkaanse jongen die [naam] heet. Hij kwam ofwel naar de woning van [Getuige 14] in Weert ofwel spraken zij ergens af. Het is altijd [naam persoon] die opnam en die de drugs leverde. [Getuige 14] heeft verder verklaard dat hij een jaar geleden de eerste keer cocaïne bij [naam persoon] heeft gekocht. Aan [Getuige 14] werden een aantal foto’s getoond. Hij herkende op foto 2 [naam persoon] .26

Foto 2 betreft verdachte [medeverdachte 2] , foto 3 betreft medeverdachte [verdachte]27

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft – zakelijk weergegeven – verklaard dat hij in juli of augustus 2014 het telefoonnummer heeft gekregen van [bijnaam medeverdachte 2] . Vanaf die tijd kocht [medeverdachte 1] regelmatig cocaïne van [bijnaam medeverdachte 2] , die als bijnaam de [bijnaam medeverdachte 2] heeft.28

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft voorts verklaard dat hij eerst bij de [bijnaam medeverdachte 2] kocht, maar daarna kwam gedurende een periode een Marokkaan, die cocaïne voor hem verkocht. Hij heet iets met als eerste letters “ [naam] ’ en reed in een zilveren Ford Focus of Mondeo. Op gegeven moment werd een klant van die Marokkaan klem gereden door de politie. Daardoor werd de Marokkaan bang en heeft de telefoon teruggegeven aan de [bijnaam medeverdachte 2] . Die is toen weer zelf de cocaïne gaan verkopen.29

Aan medeverdachte [medeverdachte 1] werden een aantal foto’s getoond. Op foto 2 herkende hij de jongen die hij omschreef als “ [naam persoon] ’. Op foto 4 herkende hij [bijnaam medeverdachte 2] .30

Foto 2 betreft verdachte [verdachte] en foto 4 betreft medeverdachte [medeverdachte 2] .31

Verdachte heeft ter zitting van 27 augustus 2018 verklaard dat hij cocaïne heeft gedeald.

Overwegingen

De rechtbank is van oordeel dat op grond van voornoemde bewijsmiddelen vaststaat dat verdachte cocaïne heeft verkocht en verstrekt. Verdachte heeft ook ter terechtzitting erkend dat hij cocaïne heeft gedeald.

Uit de bewijsmiddelen kan naar oordeel van de rechtbank tevens worden afgeleid dat er sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking van verdachte met medeverdachte [medeverdachte 2] met betrekking tot de verkoop en verstrekking van cocaïne. Ter toelichting het volgende:

Uit de bevindingen met betrekking tot de telefoonnummers [nummer] en [nummer] in combinatie met de verklaringen van de afnemers kan worden afgeleid dat deze nummers door één dealergroep werden gebruikt, waarbij in verschillende perioden verschillende personen de drugs kwamen afleveren, te weten verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] . Dit beeld wordt bevestigd middels het door de politie uitgevoerde onderzoek, waarbij zowel verdachte als de medeverdachte [medeverdachte 2] zijn waargenomen tijdens de verschillende geobserveerde ‘drugsdeals’. Uit de verklaringen van de getuigen en medeverdachte [medeverdachte 1] kan naar oordeel van de rechtbank bovendien worden afgeleid dat medeverdachte [medeverdachte 2] degene was die de cocaïnehandel leidde en daarbij telkens gebruikt maakte van verschillende personen, waaronder verdachte, om de drugs te verkopen en te verstrekken.

Gelet op de verklaringen van de afnemers, in het bijzonder de getuigen [Getuige 13] , [Getuige 10] , [Getuige 7] en [Getuige 14] acht de rechtbank – in tegenstelling tot hetgeen verdachte heeft verklaard – een dealerperiode van 8 maanden voorafgaand aan 17 januari 2015 bewezen.

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de voor het bewijs gebezigde verklaringen van de afnemers betrouwbaar zijn, nu voornoemde afnemers in essentie genoegzaam consistent en congruent hebben verklaard ten aanzien van de cocaïnehandel van verdachte. Voorts betreft het verklaringen van afnemers welke op regelmatige basis cocaïne hebben gekocht en niet slechts incidenteel.

Met de raadsman is de rechtbank echter wel van oordeel dat verdachte omstreeks 17 januari 2015 is gestopt met de verkoop van cocaïne, nadat getuige [Getuige 7] was afgevangen door de politie. Dit wordt immers bevestigd door de gegevens uit het telecommunicatieonderzoek en de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] .

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit vorenstaande bewijsmiddelen en overwegingen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan als hierna aan te geven.

3.3.2

Het onder 2 ten laste gelegde

Bewijsuitsluiting

Alvorens nader in te gaan op de bewijsmiddelen, overweegt de rechtbank met betrekking tot de door de raadsman gevoerde verweren tot bewijsuitsluiting als volgt.

De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat de woning aan de [adres] , alwaar verdachte verbleef, is binnengetreden ter aanhouding van verdachte. Bij de aanhouding werd een vest aangetroffen in de woonkamer waar verdachte zich voor zijn aanhouding bevond. Dit vest werd in overleg met de broer van verdachte meegenomen zodat verdachte dit kon gebruiken. De verbalisant voelde dat er goederen in de zakken van het vest zaten en zag in de rechterzak een snowseal. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de beschreven gang van zaken, er geen sprake is van een doorzoeking, maar van een ‘veiligheidsfouillering’ in het kader van de aanhouding van verdachte. Derhalve kan van bewijsuitsluiting geen sprake kan zijn, zodat het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Bewijsmiddelen

Op 15 mei 2015 werd verdachte aangetroffen in de woning gelegen aan de [adres] . Verdachte werd overgebracht naar het politiebureau te Weert. In overleg met de broer van verdachte, werd een vest dat zich in de woonkamer bevond waar verdachte eerder slapend op de bank was aangetroffen, meegenomen. De broer van verdachte, [naam] , verklaarde dat het vest eigendom was van verdachte. De verbalisant nam het vest mee en voelde dat er goederen in de jaszakken zaten. In de rechterzak zag de verbalisant een snowseal. Hij opende de snowseal en zag dat daarin wit poeder zat.32

De snowseal werd in beslag genomen.33 Uit onderzoek bleek dat het poeder netto 0,58 gram cocaïne betrof.34

Gelet op bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op1 5 mei 2015 0,58 gram cocaïne aanwezig heeft gehad.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

1.

in de periode van 1 juni 2014 tot en met 17 januari 2015 in de provincie Limburg, meermalen, tezamen en in vereniging met een ander, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd, hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

op 15 mei 2015 in de gemeente Weert opzettelijk aanwezig heeft gehad 0,58 gram cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

feit 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 aanhef en onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 2: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 aanhef en onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

5 De straf en/of de maatregel

5.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht, gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. Bij de strafeis heeft de officier van justitie rekening gehouden met het georganiseerde verband van de handel, de periode (16 maanden) en intensiteit van de verkoop, de rol van verdachte alsmede de inhoud van het reclasserings-advies van 20 augustus 2018 en de overschrijding van de redelijke termijn.

5.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft in het kader van de strafoplegging gewezen op het feit dat verdachte niet eerder is veroordeeld of als verdachte is aangemerkt in het kader van de Opiumwet. Ook is verdachte uit zichzelf in januari 2015 gestopt met dealen en heeft hij slechts een beperkte rol gespeeld. Bovendien is de redelijke termijn overschreden. Gelet op deze omstandigheden heeft de raadsman verzocht te volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht in combinatie een taakstraf of een voorwaardelijke gevangenisstraf.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van acht maanden schuldig gemaakt aan het dealen van cocaïne. Daarnaast heeft hij ook nog een sealtje met cocaïne aanwezig gehad. Cocaïne is een drug met een sterk verslavende werking en behoort tot de harddrugs. Door de verkoop en aflevering ervan heeft verdachte bijgedragen aan de verspreiding en het gebruik van cocaïne en derhalve de gezondheid van personen in gevaar gebracht.

De rechtbank heeft in strafverhogende zin meegewogen dat verdachte op geen enkele wijze blijk heeft gegeven van inzicht in de ernst van het door hem gepleegde delict en zich bij het plegen van het feit kennelijk door puur winstbejag heeft laten leiden zonder zich daarbij iets aan te trekken van de nadelige gevolgen van het gebruik van harddrugs voor de gebruikers ervan dan wel voor de maatschappij.

De ernst van dit feit rechtvaardigt naar oordeel van de rechtbank in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht maanden.

De rechtbank is van oordeel dat door het tijdverloop in deze zaak van bijna drie jaar en vier maanden jaar (de tijd vanaf de aanhouding van verdachte op 15 mei 2015 en de uiteindelijke berechting van verdachte) de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden. Er is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die deze overschrijding rechtvaardigen. De rechtbank zal deze overschrijding dan ook ten voordele van verdachte verdisconteren in de op te leggen straf.

De rechtbank ziet - anders dan de raadsman - in het reclasseringsrapport, het dossier en het verhandelde ter zitting geen aanknopingspunten om aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf en/of een taakstraf op te leggen.

Alles overwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden met aftrek van het voorarrest passend en geboden.

6 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 47, 63, 57 van het Wetboek van Strafrecht en 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

7 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 7 maanden;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.H. Dethmers, voorzitter, mr. A.M. Koster-van der Linden en mr. V.E.J. Noelmans, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.M.E. de Beukelaer, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 10 september 2018.

Mr. V.E.J. Noelmans is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2009 tot en met 14 mei 2015 in de provincie(s) Limburg en/of Noord-Brabant, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij op of omstreeks 15 mei 2015 in de gemeente Weert opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 0,7 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Limburg, Robuuste Basiseenheid Weert, proces-verbaalnummer [nummer] , gesloten d.d. 24 juni 2016, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 1798.

2 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 januari 2015, pagina 104-106.

3 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 16 januari 2015, pagina 126-128.

4 Kennisgeving van inbeslagneming d.d. 16 januari 2015, pagina 134.

5 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 januari 2015, pagina 138-139 en deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, nr. [nummer] , d.d. 12 februari 2015, door ing. [naam] , die verklaart dit rapport naar waarheid, volledig en naar beste inzicht te hebben opgesteld als NFI-deskundige forensische drugsanalyse, pagina 140-141.

6 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 16 januari 2015, pagina 199-202.

7 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 23 mei 2015, 1345-1354.

8 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 mei 2015, pagina 1355.

9 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 januari 2015, pagina 204-205.

10 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 januari 2015, pagina 213.

11 Kennisgeving van inbeslagneming d.d. 17 januari 2015, pagina 214

12 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 januari 2015, pagina 215-216 en deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, nr. [nummer] , d.d. 12 februari 2015, door ing. [naam] , die verklaart dit rapport naar waarheid, volledig en naar beste inzicht te hebben opgesteld als NFI-deskundige forensische drugsanalyse, pagina 140-141.

13 Proces-verbaal van verhoor d.d. 17 januari 2015, pagina 223-225.

14 Proces-verbaal (zaaksdossier) d.d. 26 juni 2015, pagina 23.

15 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 mei 2015, pagina 226.

16 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 mei 205, pagina 227-228

17 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 februari 2015, pagina 231-232.

18 Proces-verbaal van aanhouding d.d. 5 februari 2015, pagina 236-237

19 Kennisgeving van inbeslagneming d.d. 5 februari 2015, pagina 240.

20 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 februari 2015, pagina 242 en deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, nr. [nummer] , d.d. 16 maart 2015, door ing. P.H. [naam] , die verklaart dit rapport naar waarheid, volledig en naar beste inzicht te hebben opgesteld als NFI-deskundige forensische drugsanalyse, pagina 243-244.

21 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 maart 2015, pagina 255.

22 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 17 mei 2015, 818-825.

23 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 mei 2015, pagina 826.

24 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 17 mei 2015, pagina 761-769.

25 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 mei 2015, pagina 770.

26 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 16 mei 2015, 516-519.

27 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 mei 2015, pagina 520.

28 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 13 mei 2015, pagina 1670-1674.

29 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 14 mei 2015, pagina 1678-1680.

30 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 14 mei 2015, pagina 1682-1687.

31 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 mei 2015, pagina 1688.

32 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 mei 2015, pagina 1553.

33 Kennisgeving van inbeslagneming d.d. 15 mei 2015, pagina 1560.

34 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 mei 2015, pagina 1561 en deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, nr. [nummer] , d.d. 8 juni 2015, door ing. [naam] , die verklaart dit rapport naar waarheid, volledig en naar beste inzicht te hebben opgesteld als NFI-deskundige forensische drugsanalyse, pagina 1562-1563.