Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:8549

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
12-09-2018
Datum publicatie
16-10-2018
Zaaknummer
6651915 CV EXPL 18-902
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gedaagde betwist in strijd met artikel 21 Rv bestaan overeenkomst. Vorderingen eiser worden toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2018/612
Prg. 2018/291
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 6651915 CV EXPL 18-902

Vonnis van de kantonrechter van 12 september 2018

in de zaak van

[eiser] h.o.d.n. [handelsnaam 1],

wonend te [woonplaats 1] ,

eisende partij,

gemachtigde mr. drs. J.J.F.M. Konings bij dagvaarding, inmiddels procederend in persoon,

tegen

[gedaagde] h.o.d.n. [handelsnaam 2],

wonend te [woonplaats 2] ,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. D.E.R. Voorjans.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het exploot van de dagvaarding d.d. 19 december 2017

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de schriftelijke weergave van het op 16 mei 2018 door [gedaagde] verklaarde

  • -

    de conclusie van repliek

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

[eiser] vordert dat [gedaagde] bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zal worden veroordeeld tot betaling van € 945,12, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de datum dagvaarding, en de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na betekening van het vonnis. Het gevorderde bedrag van € 945,12 bestaat uit € 722,50 aan hoofdsom, € 43,08 wettelijke handelsrente vanaf veertien dagen na factuurdatum tot datum dagvaarding en € 139,54 aan buitengerechtelijke incassokosten inclusief btw. [eiser] stelt ter onderbouwing van zijn vordering dat hij in het kader van een overeenkomt van aanneming van 2 tot en met 9 september 2016 werkzaamheden heeft verricht voor [gedaagde] , die de hierop ziende factuur, ondanks sommaties, onbetaald heeft gelaten.

2.2.

[gedaagde] betwist dat er een overeenkomst tussen partijen is gesloten en dat [eiser] werkzaamheden heeft verricht voor [gedaagde] . Volgens hem moeten de vorderingen van [eiser] daarom worden afgewezen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

2.3.

Bij repliek heeft [eiser] het volgende naar voren gebracht. Partijen zijn mondeling overeengekomen dat [eiser] zou helpen met het vervangen van folie onder het golfplaten dak van de sporthal in Meerssen, dat [gedaagde] het dak zou vervangen op het huis van [eiser] gelegen aan de [adres] in [woonplaats 3] en dat het verschil in uren zou worden verrekend tegen € 17,50 per uur exclusief btw. De overeenkomst wordt ondersteund door een aantal WhatsApp-berichten. Er zijn getuigen van het feit dat [eiser] op het dak van de sporthal in Meerssen heeft gewerkt.

2.4.

Bij dupliek heeft [gedaagde] ten slotte het volgende naar voren gebracht. Nog altijd staat niet vast dat er een overeenkomst is gesloten, laat staan onder welke voorwaarden. Indien een wederdienst zou moeten worden verricht door [eiser] , geldt dat hiertoe nooit de gelegenheid is geboden.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de WhatsApp-berichten blijkt dat [eiser] werkzaamheden heeft uitgevoerd, die [gedaagde] zou betalen. Op 2 september 2016 (de dag dat de werkzaamheden volgens [eiser] zijn aangevangen) vraagt [eiser] aan [gedaagde] : “bij het bad in meersen moet ik zijn toch?”. Op 7 september 2016 geeft [eiser] aan [gedaagde] aan dat hij de volgende dag “ook iets later” is. Op 12 oktober 2016 schrijft [eiser] aan [gedaagde] : “Ik heb het dak op hoogte dus laat maar horen wanneer je kan.” Op 15 november 2016 schrijft [eiser] aan [gedaagde] : “Zou fijn zijn als je reageert op mijn bericht. Wanneer kan ik het geld krijgen?” [gedaagde] antwoordt hier twee dagen later op met het bericht: “Hoi [eiser] , ik wil maandag en dinsdag 5 en 6 december het dak komen maken. Dan wil ik ook het geld meenemen. Kun je me de uren nog doorgeven?” [eiser] geeft vervolgens aan dat er 45 uur openstaan en dat het dak er inmiddels al op zit. Vervolgens stuurt [eiser] vele appjes waarin hij om betaling vraagt, waarop [gedaagde] met tussenpozen antwoordt, bijvoorbeeld op 31 januari 2017: “Het gaat helaas niet lukken om het bedrag in één keer te betalen, ik kom eind van de week in ieder geval al geld brengen.” De betalingstoezeggingen die [gedaagde] via WhatsApp deed, werden niet nagekomen. Uiteindelijk is blijkens de berichten € 100,- betaald, die door [eiser] van de vordering is afgetrokken.

3.2.

In het licht van bovenstaande is duidelijk dat de verweren van [gedaagde] (bijvoorbeeld dat geen mondelinge afspraken zijn gemaakt, dat geen overeenkomst tussen partijen bestaat, dat “het vervangen van de onderfolie van het golfplaten dak bij de sporthal Meerssen in de periode 02-09-2016 tot en met 09-09-2016” hem een volstrekt raadsel is, dat het niet voor de hand ligt dat [gedaagde] een overeenkomst zou hebben gesloten met [eiser] om zijn eigen dakdekkerswerkzaamheden te verrichten omdat [eiser] hierin niet is gespecialiseerd) feitelijk onjuist zijn.

3.3.

[gedaagde] stelt zich terecht op het standpunt dat het aan [eiser] is om te stellen en bewijzen dat er afspraken waren en wat die afspraken inhielden, en dat bepaalde bescheiden al bij dagvaarding ingebracht hadden moeten zijn. Dit betekent echter niet dat dit [gedaagde] het recht geeft zich van de domme te houden en verweren in strijd met de waarheid aan te voeren. Ook voor [gedaagde] bestaat immers de verplichting om de van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren.

3.4.

Uit de WhatsApp-correspondentie blijkt dat er afspraken zijn gemaakt die inhielden dat [eiser] werkzaamheden uitvoerde bij de sporthal in Meerssen, dat [gedaagde] hiervoor zou betalen en dat dit met uitzondering van € 100,- niet is gebeurd. Ook blijkt dat er was afgesproken dat [gedaagde] werkzaamheden bij [eiser] zou uitvoeren en dat hij na uitnodiging ruim een maand niets van zich heeft laten horen, waarna het te laat was. Er zijn dus geen te verrekenen uren door hem gemaakt, wat voor rekening van [gedaagde] komt. De vraag is dan tegen welk tarief de uren afgerekend moeten worden. Omdat [gedaagde] niets heeft aangevoerd tegen het gevorderde uurtarief, maar enkel in strijd met de waarheid het bestaan van enige overeenkomst heeft betwist, zal de kantonrechter uitgaan van het door [eiser] gestelde tarief van € 17,50. [eiser] vordert 47 uur, terwijl hij in de WhatsApp-correspondentie 45 uur vorderde. Om deze reden zal de kantonrechter de vergoeding voor twee uur, oftewel € 35,-, afwijzen, en de vordering voor het overige toewijzen.

3.5.

De over de hoofdsom gevorderde wettelijke handelsrente zal niet worden toegewezen vanaf veertien dagen na factuurdatum. Ten eerste omdat niet vaststaat dat [gedaagde] die factuur heeft ontvangen. Ten tweede omdat [eiser] niet heeft gesteld dat partijen twee weken als betaaltermijn zijn overeengekomen. De wettelijke handelsrente zal daarom worden toegewezen vanaf datum dagvaarding.

3.6.

De buitengerechtelijke incassokosten zullen worden toegewezen, nu is aangetoond dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag wordt iets gematigd, omdat een klein deel van de hoofdsom is afgewezen. Er zal daarom conform de toepasselijke staffel (15% van € 722,50 =) € 131,13 inclusief btw worden toegewezen.

3.7.

[gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten van [eiser] . Deze worden tot vandaag begroot op:

dagvaarding: € 103,10

griffierecht: € 226,00

salaris gemachtigde: € 100,00 (1 punt x tarief € 100,00)

totaal € 429,10

3.8.

De buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten zullen worden vermeerderd met rente, echter niet met de wettelijke handelsrente, zoals gevorderd, maar met de gewone wettelijke rente. De proceskostenveroordeling vloeit immers niet voort uit een handelsovereenkomst, wat vereist is voor aanspraak op wettelijke handelsrente.

4 De beslissing

De kantonrechter

4.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen € 853,63, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 722,50 vanaf 19 december 2017 tot aan de dag van voldoening en te vermeerderen met de wettelijke rente over € 131,13 vanaf 19 december 2017 tot de dag van voldoening,

4.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van [eiser] , tot vandaag begroot op € 429,10, bij gebreke van betaling binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na betekening tot de dag van voldoening,

4.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

4.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.M. Drenth en in het openbaar uitgesproken.

type: GD