Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:8503

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
12-09-2018
Datum publicatie
19-09-2018
Zaaknummer
C/03/232981 / HA ZA 17-142
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdeling nalatenschap, uitvoeren legaat, oneens met aflosnota die de notaris heeft opgesteld na verkoop van de gemeenschappelijke woning, verrekening van schulden van een deelgenoot en gemaakte kosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2018/372
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

zaaknummer / rolnummer: C/03/232981 / HA ZA 17-142

Vonnis van 12 september 2018

in de zaak van

[eisende partij, verweerder in reconventie] ,

wonende te [woonplaats eisende partij, verweerder in reconventie] , gemeente [naam gemeente] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. M.J. Germs,

hierna te noemen: [eisende partij, verweerder in reconventie]

tegen

1 [gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie sub 1] ,

wonende te [woonplaats gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie sub 1] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. G.E. Tip,

hierna te noemen: [gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie sub 1]

2. [gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie sub 2],

wonende te [woonplaats gedaagde partij, eiser in reconventie sub 2] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. G.E. Tip,

hierna te noemen [gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie sub 2]

3. [gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie sub 3],

wonende te [woonplaats gedaagde partij, eiser in reconventie sub 3] ,

gedaagde in conventie,

niet verschenen,

hierna te noemen [gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie sub 3] ,

4. [gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie sub 4],

wonende te [woonplaats gedaagde partij, eiser in reconventie sub 4] ,

gedaagde in conventie,

niet verschenen,

hierna te noemen [gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie sub 4] .

[eisende partij, verweerder in reconventie] , [gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie sub 3] en [gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie sub 4] , zullen hierna gezamenlijk ook wel de erven [erven X] genoemd worden.

[gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie sub 1] en [gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie sub 2] zullen hierna gezamenlijk ook wel de erven [erven A] genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het vonnis van de kantonrechter van 8 maart 2017 en de daarin genoemde stukken

  • -

    de akte zijdens [eisende partij, verweerder in reconventie] van 5 april 2017

  • -

    de akte zijdens [gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie sub 1] en [gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie sub 2] van 19 april 2017

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie

  • -

    de akte houdende producties 12 tot en met 15 van [eisende partij, verweerder in reconventie]

  • -

    de akte houdende productie, zijnde een accountantsverklaring van [gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie sub 1] en [gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie sub 2]

  • -

    de akte houdende producties 16 en 17 van [eisende partij, verweerder in reconventie]

  • -

    het proces-verbaal van comparitie, gehouden op 23 januari 2018

  • -

    de akte overlegging producties 10 tot en met 16 van [gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie sub 1] en [gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie sub 2] , tevens akte uitlating aanpassing proces-verbaal

  • -

    de antwoordakte tevens houdende akte wijziging van eis in conventie

  • -

    het aanvullend proces-verbaal van comparitie, gehouden op 23 januari 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten in conventie en in reconventie

2.1.

[vader X] (hierna te noemen: vader) is overleden op [overlijdensdatum vader X] 2000. Hij is gehuwd geweest met mevrouw [Y] (hierna te noemen: [Y] ), uit welk huwelijk zijn geboren [eisende partij, verweerder in reconventie] , [gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie sub 3] en [gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie sub 4] .

2.2.

Het huwelijk tussen vader en [Y] is ontbonden door echtscheiding. Vervolgens is vader opnieuw gehuwd met mevrouw [Z] (hierna: [Z] ). [Z] is de moeder van [gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie sub 1] en [gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie sub 2] .

2.3.

[Z] is op [overlijdendatum Z] 2010 overleden. Middels uiterste wilsbeschikking heeft zij

de erven [erven A] als enige erfgenamen achtergelaten. De erven [erven A] hebben de nalatenschap zuiver aanvaard.

2.4.

Vader heeft door middel van een uiterste wilsbeschikking over zijn nalatenschap beschikt. Hierbij is aan [Z] toegekend een legaat van vruchtgebruik van de woning aan de [adres woning 1] te [plaatsnaam woning 1] (hierna: de [adres woning 1] ) onder de verplichting voor haar om alle op de woning rustende verplichtingen, zoals in ieder geval de hypothecaire verplichtingen en de kosten van het normale onderhoud geheel voor haar rekening te nemen.

Het vruchtgebruik is gevestigd door middel van de akte afgifte legaat van
28 december 2001, waarin [Z] tevens heeft verklaard het legaat te aanvaarden.

2.5.

Onder de last van dit legaat van vruchtgebruik zijn de erven [erven X] en [Z] door vader benoemd tot erfgenamen, ieder voor 1/4e deel.

Ten aanzien van de lening met nummer: [leningnummer 1] (de Keuze Plus Hypotheek)

2.6.

Op 10 juli 2002 is door [Z] en de erven [erven X] een hypothecaire lening bij de Rabobank afgesloten met een limiet van € 25.000,00 (hierna: de Keuze Plus Hypotheek), met de [adres woning 1] als onderpand. De limiet op de Keuze Plus Hypotheek is in oktober 2003 verhoogd tot € 50.000,00. De verschuldigde rente op deze lening is bijgeschreven op de hoofdsom van € 36.302,42 (hoofdsom van de allereerste lening die vader bij leven heeft afgesloten).


Ten aanzien van de lening met nummer: [leningnummer 2] (de Krediethypotheek)

2.7.

Op 26 mei 2009 heeft [Z] een hypothecaire lening (hierna: de Krediethypotheek) bij de Rabobank afgesloten, met de [adres woning 1] als onderpand. Deze Krediethypotheek is gebruikt om de Keuze Plus Hypotheek gedeeltelijk af te lossen, omdat die hypotheek inmiddels de limiet van € 50.000,00 had bereikt. De verschuldigde rente op deze lening is bijgeschreven op de hoofdsom.

De beslagen

2.8.

Op of omstreeks 4 augustus 2010 is door de ABN AMRO Bank beslag gelegd ten laste van [eisende partij, verweerder in reconventie] op zijn 1/4e aandeel in de [adres woning 1] vanwege een vordering van deze bank op [eisende partij, verweerder in reconventie] van ongeveer € 36.000,00.

2.9.

Een deel van deze vordering van de ABN AMRO Bank heeft [eisende partij, verweerder in reconventie] voldaan, door geld te lenen bij mevrouw [B] (hierna: [B] ), de partner van [eisende partij, verweerder in reconventie] . Deze overeenkomst van geldlening is notarieel vastgelegd bij akte van 26 juni 2012.

2.10.

In september 2012 vindt er ten kantore van Van Hecke Houben Notarissen (hierna: notaris Van Hecke Houben) een ruiling (aankoop/verkoop) plaats van de woning aan de [adres woning 2] te [plaatsnaam woning 2] (hierna: de [adres woning 2] ) tegen de woning aan de [adres woning 1] .

2.11.

Op 27 november 2012 heeft [B] ten laste van [eisende partij, verweerder in reconventie] beslag gelegd op het 1/4e aandeel van [eisende partij, verweerder in reconventie] in de [adres woning 2] uit kracht van de notariële akte van geldlening van 26 juni 2012. Deze schuld van [eisende partij, verweerder in reconventie] aan [B] bedroeg op of omstreeks 1 september 2014 € 19.940,00.

De aflosnota van notaris Van Hecke Houben
2.12. Uit de door notaris Van Hecke Houben opgemaakte eindafrekening van
28 september 2012 (productie 7 van [eisende partij, verweerder in reconventie] ) blijkt, voor zover relevant, dat:

  1. de resterende vordering van ABN AMRO van € 10.825,92 op [eisende partij, verweerder in reconventie] is voldaan uit de opbrengst van de verkoop van de [adres woning 1] en ten laste is gekomen van alle erven,

  2. een bedrag van € 1.785,00 aan notariskosten met als specificatie: “kosten i.v.m. extra werkzaamheden dhr. [eisende partij, verweerder in reconventie] ” is voldaan uit de opbrengst van de verkoop van de [adres woning 1] en ten laste is gekomen van alle erven,

  3. de erven uiteindelijk na de ruiling nog € 6.479,97 dienden te voldoen.

2.13.

[gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie sub 3] en diens partner hebben in oktober 2012 een bedrag van
€ 11.000,00 geleend bij de Interbank en aan de erven [erven X] en [erven A] ter beschikking gesteld ter financiering van de schulden van de gezamenlijke erven in verband met het betalen van aflossing, rente en kosten en doorhalen van het beslag zoals gelegd namens de ABN AMRO bank (productie 4 van de erven [erven A] ).

De Aflosnota van notaris Verheesen

2.14.

In 2014 is de [adres woning 2] verkocht aan derden voor een bedrag van
€ 173.000,00 en ten overstaan van notaris Verheesen per 1 september 2014 geleverd.

2.15.

Notaris Verheesen heeft vervolgens een Nota van afrekening d.d. 1 september 2014 opgesteld (productie 8 van [eisende partij, verweerder in reconventie] ). Op die eindafrekening staan de volgende relevante zaken vermeld:

  1. Notaris Verheesen heeft de schuld ad € 19.940,00 van [eisende partij, verweerder in reconventie] aan [B] in mindering gebracht op het aandeel van [eisende partij, verweerder in reconventie] in de opbrengst van de verkoop van de [adres woning 2] .

  2. Daarnaast heeft notaris Verheesen op het aandeel van [eisende partij, verweerder in reconventie] in de opbrengst in mindering gebracht een vordering van € 15.220,64 van de andere erven, zijnde de door de erven [erven X] en [erven A] gezamenlijk betaalde:

a. resterende schuld van [eisende partij, verweerder in reconventie] van € 10.825,92 aan
de ABN AMRO Bank,

b. nota van € 1.785,00 van notaris Van Hecke Houben,

c. nota van 12 oktober 2012 van € 809,20 van Abacc terzake het doorhalen van beslag zoals gelegd namens de ABN AMRO Bank,

d. rente van 3,5%, zijnde een bedrag van € 1.800,52.

3. Uit de eindafrekening van notaris Verheesen blijkt verder dat op de
ervenrekening in mindering is gebracht een bedrag van € 9.778,26 terzake
“aflossing ten behoeve van de Interbank aflossing lening [gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie sub 3] ”,

4. Tot slot vermeldt de eindafrekening dat resteert een te verdelen bedrag van € 11.151.21, waarin [eisende partij, verweerder in reconventie] gerechtigd is voor 1/4e deel, te weten
€ 2.787,80, maar dat dit dient te worden verrekend met het door hem te betalen bedrag van € 4.722,81 zodat per saldo nog door [eisende partij, verweerder in reconventie] een bedrag van € 1.935,01 dient te worden betaald.

Werkzaamheden Baetsen, werkzaam bij Abacc

2.16.

Door Baetsen is onderzoek gedaan naar het verloop en de besteding van de Keuze Plus Hypotheek en de Krediethypotheek. Daartoe rapporteert Baetsen op
19 augustus 2014 aan notaris Verheesen (productie 3 van [eisende partij, verweerder in reconventie] ) het volgende:

“Na onderzoek van deze rekening [leningnummer 1] hebben wij vastgesteld dat dit bankkrediet werd aangewend voor het onderhoud (dak, schilderwerk, kozijnen met dubbele beglazing e.d.) van het woonhuis [adres woning 1] te [plaatsnaam woning 1] en voor de kosten van deze financiering. Daarnaast werd van deze rekening aan elk van de 3 kinderen [erven X] en aan mevrouw [Z] uitbetaald € 2.250

(14 augustus 2002) en € 1.500 (1 juni 2009). In totaal beliepen deze uitbetalingen

4 x (€ 2.250 + € 1.500) = € 15.000,00.”

2.17.

Bij brief van 22 januari 2018 (overgelegd bij brief van 22 januari 2018 van [erven A] ) verklaart Baetsen:

“De RABO-lening [leningnummer 2] (…) ter aflossing van de RABO keuzeplus hypotheek nummer [leningnummer 1] (…)

(…)

Deze leningen werden uitsluitend gebruikt voor groot onderhoud van het pand [adres woning 1] te [plaatsnaam woning 1] , de rente en kosten van deze financieringen en de uitbetaling aan alle erven van [vader X] , zoals omschreven in mijn onderzoeksrapport d.d. 19 augustus 2014 in opdracht van notaris Mr. P.M.M. Verheesen. Op verzoek van [eisende partij, verweerder in reconventie] .

De nota gericht aan de heer [eisende partij, verweerder in reconventie] voor onze werkzaamheden in deze zijn ondanks herinneringen nooit aan ons voldaan.

(…)”

2.18.

[eisende partij, verweerder in reconventie] heeft bezwaar gemaakt tegen de wijze waarop notaris Verheesen de nalatenschap van zijn vader heeft verdeeld, terwijl de erven [erven A] (alsmede [gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie sub 4] en [gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie sub 3] ) die bezwaren van de hand hebben gewezen.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eisende partij, verweerder in reconventie] vordert - samengevat - na wijziging van eis veroordeling van [gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie sub 1] en [gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie sub 2] tot betaling van:

  1. € 12.500,00 (1/4e deel van Keuze Plus Hypotheek)

  2. € 3.651,82 (1/4e deel van € 14.607,26 aan bijgeschreven rente op de hoofdsom), vermeerderd met rente,

  3. € 1.098,68 (1/4e deel van de bij [eisende partij, verweerder in reconventie] in rekening gebrachte kosten,
    € 1.785,00 + € 809,20 + € 1.800,52),

  4. € 894,69 aan buitengerechtelijke kosten,

  5. de proceskosten,

  6. de nakosten vermeerderd met rente.

3.2.

[gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie sub 1] en [gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie sub 2] voeren verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

[gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie sub 1] en [gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie sub 2] vorderen samengevat:

in onvoorwaardelijke reconventie:

  1. een verklaring voor recht dat de kosten van € 1.476,20 vermeerderd met rente en kosten terzake de werkzaamheden van Abacc, in opdracht van [eisende partij, verweerder in reconventie] zijn verricht,

  2. veroordeling van [eisende partij, verweerder in reconventie] tot betaling van het onder 1 verschuldigde aan [gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie sub 1] ten titel van schadevergoeding, zodra die kosten en rente door Abacc op [gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie sub 1] worden verhaald,

  3. de proceskosten, waaronder de nakosten,

in voorwaardelijke reconventie, voor zover enig deel van de vorderingen in conventie wordt toegewezen:

4. veroordeling van [eisende partij, verweerder in reconventie] tot betaling aan [gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie sub 1] en [gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie sub 2] van
€ 477,93 terzake ten onrechte betaalde rente, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 december 2016 tot aan de dag van volledige betaling,

5. veroordeling van [eisende partij, verweerder in reconventie] tot betaling aan [gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie sub 1] van € 4.083,75 terzake de kosten van het beheer van de [adres woning 1] en de [adres woning 2] , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 december 2016 tot aan de dag van volledige betaling.

3.5.

[eisende partij, verweerder in reconventie] voert verweer.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

Nu inmiddels alle erven [erven X] en erven [erven A] op grond van artikel 118 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering rechtsgeldig in deze procedure zijn opgeroepen, is [eisende partij, verweerder in reconventie] ontvankelijk in zijn vorderingen. Echter, nu [gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie sub 3] en [gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie sub 4] vervolgens niet in het geding zijn verschenen, heeft de rechtbank tegen hen verstek verleend tijdens de comparitie van 23 januari 2018.

Ten aanzien van de vorderingen onder 1 en 2

4.2.

De rechtbank overweegt dat [eisende partij, verweerder in reconventie] - in tegenstelling tot zijn broer en zus en de erven [erven A] - het niet eens is met de Nota van afrekening van 1 september 2014 , zoals opgesteld door notaris Verheesen. Met andere woorden [eisende partij, verweerder in reconventie] is niet akkoord met de wijze van verdeling van de nalatenschap van vader. Daarom heeft [eisende partij, verweerder in reconventie] alle andere erfgenamen in rechte betrokken. De erven [erven X] zijn voor ieder 1/4e deel gerechtigd in die nalatenschap en de erven [erven A] (na het overlijden van [Z] ) ieder voor 1/8e deel.

4.3.

Partijen verschillen van mening over de vraag of [eisende partij, verweerder in reconventie] aanvankelijk onvoorwaardelijk akkoord is gegaan met de Nota van afrekening. De rechtbank stelt voorop dat uit het mailverkeer van augustus 2014 blijkt dat [eisende partij, verweerder in reconventie] bezwaren heeft tegen de Nota van afrekening van 1 september 2014. Uit de verklaring, zoals overgelegd als productie 1 door [erven A] blijkt weliswaar dat – hoewel [eisende partij, verweerder in reconventie] aanvankelijk bezwaren had – hij akkoord zou zijn gegaan met de Nota van afrekening, maar die verklaring is niet door [eisende partij, verweerder in reconventie] ondertekend, zodat daaruit niet kan worden afgeleid dat [eisende partij, verweerder in reconventie] onvoorwaardelijk akkoord was. Verder heeft [eisende partij, verweerder in reconventie] desgevraagd ter comparitie verklaard dat hij die levering niet tegen wilde houden vanwege een verdelingsgeschil. Daarnaast staat als niet weersproken vast dat de andere procespartijen niet wilden meewerken aan het betalen van een bedrag in depot bij de notaris, in afwachting van de uitkomst van het verdelingsgeschil. Dat, zoals de erven [erven A] stellen, [eisende partij, verweerder in reconventie] zonder voorbehoud heeft ingestemd met de Nota van afrekening van notaris Verheesen, zodat – zo verstaat de rechtbank – de vorderingen van [eisende partij, verweerder in reconventie] reeds daarom dienen te worden afgewezen, volgt de rechtbank derhalve niet.

4.4.

Een van de bezwaren tegen de Nota van afrekening is volgens [eisende partij, verweerder in reconventie] dat de notaris ten onrechte de schuld uit hoofde van de Keuze Plus Hypotheek heeft afgelost uit de opbrengst van de woning aan de [adres woning 1] . Daartoe stelt hij dat de Keuze Plus Hypotheek is afgesloten voor onderhoud van de woning aan de [adres woning 1] en dat deze kosten op grond van het door vader afgegeven legaat van vruchtgebruik voor rekening kwamen van [Z] (en later, na haar overlijden van de erven [erven A] ). De Keuze Plus Hypotheek is daarom ten onrechte ten laste gekomen van het 1/4e aandeel van [eisende partij, verweerder in reconventie] in de verkoopopbrengst, waardoor hij thans 1/4e deel van

€ 50.000,00, zijnde € 12.500,00, terugvordert.

4.5.

Naar het oordeel van de rechtbank hebben de betrokken notarissen terecht de Keuze Plus Hypotheek afgelost uit de opbrengst van de gemeenschappelijke woning(en). Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

4.6.

Partijen verschilden aanvankelijk van mening over de vraag op wiens naam de Keuze Plus Hypotheek stond. Bij akte van 7 maart 2018 hebben de erven [erven A] de vier exemplaren van de Keuze Plus Hypotheek als productie 10 in de procedure gebracht. Op grond daarvan is vast komen te staan dat zowel [Z] als de erven [erven X] deze hypothecaire geldlening zijn aangegaan en alle vier als debiteur ten opzichte van de bank hebben te gelden. Verder staat vast dat alle erven vanuit die lening een voorschot op de erfenis hebben ontvangen. Als voorschot is vanuit de rekening aan de erven in totaal
€ 15.000,00 voldaan, waarvan [eisende partij, verweerder in reconventie] een bedrag van € 3.750,00 heeft ontvangen. Gelet op die vaststellingen kan [eisende partij, verweerder in reconventie] in ieder geval geen aanspraak maken op laatstgenoemd bedrag en de hypothecaire rente daarover.

4.7.

[eisende partij, verweerder in reconventie] heeft erkend dat de Keuze Plus Hypotheek is afgesloten met als doel het onderhoud van de gemeenschappelijke woningen te financieren. De discussie tussen partijen spitst zich toe op de vraag of vanuit de Keuze Plus hypothecaire geldlening alleen groot onderhoud aan de [adres woning 1] is voldaan of ook normaal onderhoud, welke kosten [Z] (en na haar overlijden de erven [erven A] ) op grond van het legaat alleen diende te dragen.

4.8.

Ter onderbouwing van hun stelling dat enkel kosten van groot onderhoud zijn afgeschreven hebben de erven [erven A] het volgende overgelegd:

  • -

    verklaringen van accountant Baetsen van 19 augustus 2014 en 22 januari 2018

  • -

    een overzicht van uitgaven opgesteld door accountant Baetsen en daarbij behorende facturen (productie 11)

  • -

    verklaringen van [gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie sub 3] en [gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie sub 4] (producties 1, 15 en 16 zijdens de erven [erven A] ).

4.9.

Daar komt bij dat de erven [erven A] hebben gesteld dat [gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie sub 4] namens de erven [erven X] als contactpersoon had te gelden en voor elke afschrijving op de rekening van de Keuze Plus Hypotheek akkoord heeft gegeven. Deze stelling wordt ondersteund door verklaringen van [gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie sub 3] en [gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie sub 4] .

4.10.

[eisende partij, verweerder in reconventie] betwist alle door de erven [erven A] overgelegde verklaringen, het overgelegde afschrijvingsoverzicht en de overgelegde facturen, zonder dat hij enige relevante onderbouwing overlegt van zijn betwistingen. Het had op de weg van [eisende partij, verweerder in reconventie] gelegen om gemotiveerd aan te geven waarom het overzicht van Baetsen niet zou kunnen kloppen en welke kosten niet zijn aan te merken als groot onderhoud en waarom niet. Het is ook niet aan de rechtbank om daarover zelfstandig een oordeel te geven, nog los van het gegeven dat het legaat geen definitie bevat van wat normaal en/of groot onderhoud is en partijen daartoe verder ook geen beoordelingsmaatstaven naar voren hebben gebracht. Naar het oordeel van de rechtbank kan dan ook niet anders worden geoordeeld dat als onvoldoende weersproken vast is komen te staan dat de onderhoudskosten die van de rekening van de Keuze Plus Hypotheek zijn afgeschreven kosten voor groot onderhoud betreffen, die voor rekening van de gezamenlijke erven komen.

4.11.

Verder acht de rechtbank nog relevant dat [eisende partij, verweerder in reconventie] als mede debiteur van de Keuze Plus Hypotheek, aldus gezamenlijk met de overige erven [erven X] en [erven A] een hypothecaire gelding is aangegaan om onder meer onderhoud aan de gemeenschappelijke onroerende zaken te kunnen plegen, vervolgens het beheer van de gemeenschappelijk onroerende zaken en deze geldlening aan zijn zus [gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie sub 4] en de erven [erven A] heeft overgelaten (althans niet blijkt dat daartoe bezwaren bestonden) en - voordat de verdeling van de nalatenschap in zicht kwam - nooit rekening en verantwoording heeft gevraagd, althans dat is niet gesteld of gebleken. Het achteraf bloot betwisten dat [gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie sub 4] contactpersoon was voor de erven [erven X] is dan naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te twijfelen aan de juistheid van de schriftelijke stellingen/verklaringen van [gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie sub 4] en [gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie sub 3] en de erven [erven A] . De rechtbank is dan ook van oordeel dat de erven [erven A] er in ieder geval op mochten vertrouwen dat iedere keer dat [gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie sub 4] haar goedkeuring verleende aan bepaalde onderhoudskosten, zij dit ook deed namens [eisende partij, verweerder in reconventie] en [gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie sub 3] , zoals ook door [gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie sub 3] is bevestigd.

4.12.

[eisende partij, verweerder in reconventie] heeft geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit het tegendeel zou kunnen blijken. Uit de brief van de heer [C] van 28 april 2010 blijkt weliswaar dat de onderhoudstoestand van de [adres woning 1] redelijk was maar er blijkt ook uit dat een aantal zaken nog gerenoveerd c.q. gemoderniseerd zouden moeten worden om de verkoopmogelijkheden te vergroten. Gelet daarop is die brief onvoldoende weerlegging van de stelling van de erven [erven A] dat van de Hypotheek Plus Hypotheek kosten zijn afgeschreven ten behoeve van groot onderhoud.

4.13.

Kortom, naar het oordeel van de rechtbank heeft [eisende partij, verweerder in reconventie] het verweer dat slechts uitgaven voor groot onderhoud zijn gedaan, waarvoor [gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie sub 4] namens de erven [erven X] telkens haar goedkeuring heeft verleend, onvoldoende gemotiveerd weersproken. Dat betekent dat de aflossing en de rente verschuldigd uit hoofde van de Keuze Plus Hypotheek terecht ten laste van zowel de erven [erven X] als de erven [erven A] zijn gebracht. De vordering tot betaling van € 12.500,00 en € 3.651,82 ligt derhalve voor afwijzing gereed.

De vordering onder 3

4.14.

Verder vordert [eisende partij, verweerder in reconventie] € 1.098,68, zijnde 1/4e deel van de bij [eisende partij, verweerder in reconventie] in rekening gebrachte kosten (€ 1.785,00 + € 809,20 + € 1.800,52), omdat notaris Verheesen deze kosten ten onrechte volledig op het erfdeel van [eisende partij, verweerder in reconventie] in mindering heeft gebracht. Daartoe stelt [eisende partij, verweerder in reconventie] dat deze kosten voor rekening van de gezamenlijke erven behoren te komen. De erven [erven A] hebben dit betwist.

4.15.

Tussen partijen is niet in geschil dat twee maal beslag is gelegd ten laste van [eisende partij, verweerder in reconventie] , waardoor maatregelen genomen moesten worden om de schuldeisers van [eisende partij, verweerder in reconventie] (zijnde [B] en de ABN AMRO bank) te kunnen voldoen. Omdat [eisende partij, verweerder in reconventie] kennelijk niet in staat was zijn schulden volledig te voldoen, werden de schulden van [eisende partij, verweerder in reconventie] mede een probleem van de overige erven vanwege het beslag op de woningen.

4.16.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eisende partij, verweerder in reconventie] zijn stelling dat de kosten die door notaris Van Hecke Houben in dat kader zijn gemaakt, niet nodig waren geweest zodat ten onrechte een bedrag van € 1.785,00 aan hem in rekening is gebracht, onvoldoende onderbouwd. Het beslag stond aan de ruiling van de [adres woning 1] tegen de [adres woning 2] in de weg. Het beslag op de woning zou pas worden opgeheven indien de vordering van de ABN AMRO volledig werd voldaan, althans dat blijkt uit het e-mailbericht van Incassade van 30 november 2010 (productie 17 van [eisende partij, verweerder in reconventie] ). Die zekerheid van betaling is verschaft doordat notaris Van Hecke Houben ervoor heeft gezorgd dat de vordering van de ABN AMRO bank ad € 10.825,92 werd voldaan uit de verkoopopbrengst van de [adres woning 1] . Daardoor ontstond echter voor de aankoop van de [adres woning 2] een financieringstekort. Teneinde toch de ruiling door te kunnen laten gaan, moest het tekort op korte termijn gefinancierd worden. Dit is uiteindelijk gebeurd doordat [gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie sub 3] en diens partner een bedrag hebben geleend bij de Interbank en vervolgens aan de gezamenlijke erven ter beschikking hebben gesteld. Dat door die feiten en omstandigheden extra kosten zijn gemaakt door de notaris en de accountant ligt voor de hand. Te meer nu niet gesteld of gebleken is dat [eisende partij, verweerder in reconventie] zelf enige inspanning heeft verricht om de ABN AMRO tevreden te stellen of om het probleem van het financieringstekort op te lossen. Daarom valt naar het oordeel van de rechtbank niet in te zien waarom die kosten door de erven gezamenlijk zouden moeten worden gedragen. Overigens is niet gesteld of gebleken dat de hoogte van de door de notaris of Abacc in rekening gebrachte kosten tussen partijen in geschil is.

4.17.

In tegenstelling tot hetgeen [eisende partij, verweerder in reconventie] stelt, is de rechtbank van oordeel dat uit de e-mail van notaris Van Hecke Houben van 24 oktober 2012 en de daarin opgenomen specificatie van diens werkzaamheden (productie 9 van [eisende partij, verweerder in reconventie] ) wel genoegzaam blijkt dat de door die notaris gemaakte kosten ad € 1.785,00 zijn gemaakt om de gevolgen van het beslag, gelegd namens de ABN AMRO bank, op het aandeel van [eisende partij, verweerder in reconventie] in de [adres woning 1] op te heffen. Dat deze kosten niet alleen betrekking hebben op [eisende partij, verweerder in reconventie] , zoals hij heeft betoogd, kan bij gebreke van een nadere toelichting niet tot een ander oordeel leiden.

4.18.

Dat de kosten van € 809,20 terzake de nota van Abacc ten onrechte aan [eisende partij, verweerder in reconventie] in rekening zijn gebracht, volgt de rechtbank evenmin. Op de nota van Abacc van 12 oktober 2012 (productie 5 zijdens erven [erven A] ) staat dat zij in augustus/september 2012 werkzaamheden hebben verricht “tbv financiering krediethypotheek € 50.000 erven [erven X] ” en “tbv financiering € 11.000 ( [gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie sub 4] [gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie sub 3] en [Z] ) i.v.m. financiering doorhaling beslag t.n.v. [eisende partij, verweerder in reconventie] ”. Daaruit volgt dat ook Abacc werkzaamheden heeft verricht vanwege het ten laste van [eisende partij, verweerder in reconventie] gelegde beslag.

4.19.

Weliswaar heeft [eisende partij, verweerder in reconventie] nog aangevoerd dat notaris Van Hecke Houben en Abacc in het kader van die werkzaamheden voornamelijk contact hebben gehad met [gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie sub 1] en dat [eisende partij, verweerder in reconventie] zelf daartoe geen opdracht heeft gegeven, maar dat kan er niet toe leiden dat deze kosten niet (mede) aan hem in rekening mogen worden gebracht. Niet gesteld of gebleken is immers dat [eisende partij, verweerder in reconventie] destijds tegen voornoemde gang van zaken bezwaren heeft gemaakt. Evenmin is gesteld of gebleken dat die kosten niet waren gemaakt indien dat contact via [eisende partij, verweerder in reconventie] was verlopen of, zoals hiervoor ook al is overwogen, dat [eisende partij, verweerder in reconventie] zelf enige inspanning heeft verricht om het ten laste van hem gelegde beslag op de [adres woning 1] op te heffen en de daardoor ontstane gevolgen (waaronder het ontstaan van een financieringstekort) op te lossen.

4.20.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de nota van notaris Van Hecke Houben van € 1.785,00 en Abacc van € 809,20 en de rente van € 1.800,52 daarover terecht door notaris Verheesen zijn verrekend met het erfdeel van [eisende partij, verweerder in reconventie] , zodat dit deel van de vordering in conventie moet worden afgewezen.

4.21.

Nu de vorderingen in conventie integraal zullen worden afgewezen, dient de vordering tot betaling van buitengerechtelijke kosten dit lot te delen.

4.22.

[eisende partij, verweerder in reconventie] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de erven [erven A] worden begroot op:

- griffierecht 883,00

- salaris advocaat 1.357,50 (2,5 punt × tarief € 543,00)

Totaal € 2.240,50

4.23.

De vordering tot veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. Nu het zogenaamde liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven voorziet in een forfaitair tarief voor die kosten en de rechtbank dat tarief pleegt te volgen, zijn die kosten nu al te begroten. De rechtbank zal de nakosten toewijzen, zoals nader in het dictum wordt bepaald.

in reconventie

4.24.

De rechtbank begrijpt dat de erven [erven A] gezamenlijk een verklaring voor recht vorderen dat de kosten voor de werkzaamheden van Abacc, zoals weergegeven in de declaratie van Abacc van 24 september 2014, in opdracht van [eisende partij, verweerder in reconventie] zijn verricht. Ter onderbouwing van de stelling dat [eisende partij, verweerder in reconventie] opdrachtgever was leggen zij over een verklaring, ondertekend door [gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie sub 4] en [gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie sub 3] en de erven [erven A] , waarin staat dat geen extra kosten door de notaris werden doorberekend in een gemeenschappelijke nota of in een totaal-afrekening en dat de individuele opdrachtgever zelf betaalde voor die extra kosten (productie 1 zijdens de erven [erven A] ). Daarnaast leggen zij over een brief van Abacc van 22 december 2016 waarin staat:

“Op verzoek van de heer [eisende partij, verweerder in reconventie] , dat ons bereikte via de heren 1) notaris mr. P.M.M. Verheesen en van de 2) heer [gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie sub 1] hebben wij onderzoek gedaan naar het karakter van de uitgaven gedaan ten laste van de krediethypotheken boven vermeld en zoals is verwoord in ons schrijven van

19 augustus 2014. Zonder de duidelijkheid van de uitkomst van ons onderzoek naar het karakter van de bedoelde uitgaven wilde notaris Verheesen de nalatenschap niet afwikkelen.

Aangezien de opdracht van de heer [eisende partij, verweerder in reconventie] ons heeft bereikt via de heer [gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie sub 1] zijn wij, nu de heer [eisende partij, verweerder in reconventie] tot op heden niet bereid is geweest onze factuur ter hoogte van € 1.476,20 te betalen, voornemens om dit bedrag op de heer [gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie sub 1] te verhalen”

4.25.

De rechtbank overweegt dat de vraag wie opdrachtgever is tot bepaalde werkzaamheden een andere vraag is dan de vraag voor wiens rekening de kosten moeten komen. Uit geen van de door erven [erven A] overgelegde stukken volgt dat [eisende partij, verweerder in reconventie] zich heeft gewend tot Abacc en opdracht heeft gegeven tot het doen van onderzoek naar het verloop van de hypothecaire geldleningen en het opstellen van een verklaring ten behoeve van notaris Verheesen. Reeds om die reden ligt de gevorderde verklaring voor recht voor afwijzing gereed.

4.26.

Over de vordering tot veroordeling van [eisende partij, verweerder in reconventie] tot betaling aan [gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie sub 1] , voor het geval Abacc de kosten van haar werkzaamheden op [gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie sub 1] gaat verhalen, van een bedrag van € 1.476,20 op grond van ongerechtvaardigde verrijking overweegt de rechtbank het volgende.

4.27.

De erven [erven A] hebben de stelling dat [eisende partij, verweerder in reconventie] is verrijkt en [gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie sub 1] is verarmd niet nader onderbouwd. In tegendeel, kennelijk was notaris Verheesen niet bereid de nalatenschap af te wikkelen zonder onderzoek door Abacc waardoor de werkzaamheden van Abacc in het belang van alle erven zijn geweest. De stelling dat [gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie sub 1] daardoor is verarmd, is dan ook niet houdbaar. Nu de erven [erven A] verder geen feiten en omstandigheden hebben gesteld op grond waarvan [eisende partij, verweerder in reconventie] gehouden zou zijn een nog niet opeisbare factuur te voldoen aan [gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie sub 1] te voldoen, zal deze vordering worden afgewezen.

4.28.

De overige vorderingen in reconventie hebben de erven [erven A] voorwaardelijk ingesteld, namelijk voor het geval [eisende partij, verweerder in reconventie] in conventie ontvankelijk wordt verklaard en enig deel van zijn vorderingen worden toegewezen. Nu de vorderingen in conventie integraal zijn afgewezen is de voorwaarde niet in vervulling gegaan en behoeven de overige vorderingen in reconventie geen bespreking en beoordeling meer.

4.29.

De erven [erven A] zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in reconventie worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eisende partij, verweerder in reconventie] worden begroot op € 461,00 (0,5 x 2 punten x tarief € 461,00).

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen van [eisende partij, verweerder in reconventie] af,

5.2.

veroordeelt [eisende partij, verweerder in reconventie] in de proceskosten, aan de zijde van de erven [erven A] tot op heden begroot op € 2.240,50, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de 15e dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [eisende partij, verweerder in reconventie] in de kosten die na dit vonnis ontstaan, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen met € 82,00 indien [eisende partij, verweerder in reconventie] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis heeft voldaan én betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden,

5.4.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen onder 5.2 en 5.3 uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

5.5.

wijst de vorderingen van de erven [erven A] af,

5.6.

veroordeelt de erven [erven A] in de proceskosten, aan de zijde van [eisende partij, verweerder in reconventie] tot op heden begroot op € 461,00,

5.7.

verklaart de proceskostenveroordeling onder 5.6 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Krens en in het openbaar uitgesproken op

12 september 2018.1

1 type: SS coll: