Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:8499

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
04-09-2018
Datum publicatie
14-09-2018
Zaaknummer
03/995005-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor (medeplegen van) verduistering in dienstbetrekking en valsheid in geschrift tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest. Veroordeelde was enig bestuurder van een zorginstelling voor gehandicaptenzorg die gefinancierd werd met AWBZ gelden. Een deel van die zorg werd geleverd door een onderaannemer. De verduistering heeft onder andere betrekking op geld, paarden, horloges, kunst en verbouwingskosten, Vrijspraak oplichting Raad van Toezicht van SGL

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03/995005-12

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 4 september 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens verdachte] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. J.M.H. Römkens, advocaat, kantoorhoudende te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 19, 20, 22, 25, 26, 27 en 28 juni 2018. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officieren van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. De rechtbank heeft het onderzoek ter terechtzitting vervolgens gesloten op de zitting van 21 augustus 2018.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht (bijlage I).

De verdenking komt er, na wijziging tenlastelegging, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

feit 1: samen met een ander of anderen een factuur, brieven, een Aanvulling II Samenwerkingsovereenkomst Zorgfaciliteiten en een schriftelijke volmacht heeft vervalst;

feit 2: samen met een ander of anderen als bestuurder van SGL geldbedragen en/of paarden, kunstvoorwerpen, horloges, onroerende goederen, audiovisuele apparatuur en fitnessapparatuur voor in totaal € 1.659.530,- heeft verduisterd van SGL;

feit 3: samen met een ander of anderen de Raad van Toezicht van SGL heeft opgelicht voor in totaal € 179.301,-;

feit 4: als feitelijk leidinggevende van [naam BV] samen met een medeverdachte, die manager back office en/of bedrijfsdirecteur van [naam BV] was, geldbedragen en/of paarden, loon werknemer en onroerende goederen voor in totaal € 235.023,- heeft verduisterd van [naam BV] .

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in de bewezenverklaring door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

De rechtbank heeft ter terechtzitting de onderdelen van de tenlastelegging aan de hand van een behandelschema besproken, welk behandelschema aan dit vonnis is gehecht (bijlage II).

De rechtbank zal in dit vonnis dezelfde volgorde aanhouden bij de bespreking van de onderdelen van de tenlastelegging, met uitzondering van feitonderdeel 26.

3 De voorvragen

3.1

Het verzoek tot aanhouding en de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

3.1.1

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bij pleidooi primair verzocht om nadere onderzoekshandelingen om de verdachte (hierna ook: [verdachte] ) in de gelegenheid te stellen de onjuiste conclusies van de Belastingdienst en de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD) te weerleggen. Het onderzoek getuigt van vooringenomenheid. De FIOD en het Openbaar ministerie (OM) borduren voort op onjuiste conclusies van de Belastingdienst die nergens op zijn gebaseerd. Feitenonderzoek vindt niet plaats. Ontlastend materiaal wordt niet aan het dossier toegevoegd. Aan getuigen worden onjuiste conclusies voorgelegd. De verdediging moet toegang krijgen tot het digitale FIOD-dossier, de stukken die zien op de samenwerking tussen de Belastingdienst en de FIOD, de onderliggende, nog ontbrekende stukken van het KPMG-onderzoek, de zorginkoopdossiers van de jaren 2002-2010, de managementletters van de externe accountant met betrekking tot de jaren 2002-2010 en het gehele archief van de Raad van Toezicht (RvT) van Stichting Gehandicaptenzorg Limburg (SGL) over de periode 2002 -2010. De verdediging wil iedereen die betrokkenheid heeft gehad in de aanloop naar het onderzoek door de FIOD (opnieuw) horen. De door de verdediging eerder opgegeven getuigen moeten (opnieuw) worden gehoord en geconfronteerd met de juiste stukken en RvT-besluiten. Tot slot heeft de verdediging aangegeven dat zij inzage wil in de administraties van [getuige 3] en [getuige 8] . Het nader onderzoek is noodzakelijk voor de oordeelsvorming van de rechtbank over de ontvankelijkheid van de officier van justitie, het bewijs van het ten laste gelegde en de strafmaat.

De verdediging heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet‑ontvankelijk moet worden verklaard omdat (a) sprake is van een ernstige overschrijding van de redelijke termijn en (b) de wijze waarop het onderzoek is uitgevoerd zodanige gebreken kent dat het recht van de verdachte op een eerlijk proces is geschonden, waarbij de verdediging heeft verwezen naar de onderbouwing van de door de verdediging noodzakelijke geachte nadere onderzoekshandelingen.

3.1.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het OM kan worden ontvangen in de vervolging van [verdachte] . Van grove vormverzuimen en/of grove schending van andere processuele beginselen is geen sprake. Een overschrijding van de redelijke termijn kan niet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het OM. De verdediging verzuimt (opnieuw) aan te geven wat de relevantie is van de door haar verzochte nadere onderzoekshandelingen voor de door de rechtbank te nemen beslissingen op grond van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). De rechtbank heeft eerder in de procedure reeds korte metten gemaakt met het standpunt van de verdediging dat de aanvang van het onderzoek niet zou deugen. De verdediging is bezig met een zogenoemde ‘fishing expedition’. Het aanhoudingsverzoek moet dan ook worden afgewezen.

3.1.3

De beoordeling door de rechtbank

Inleiding

Verzoeken tot nadere onderzoekshandelingen en/of niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie zijn door de verdediging reeds meermalen gedaan met in essentie telkens dezelfde onderbouwing. Voor de beoordeling van het verzoek tot aanhouding en de ontvankelijkheid van de officier van justitie zal eerst het verloop van het onderzoek worden geschetst. Daarna zullen de beslissingen worden weergegeven die de rechtbank daarover al eerder heeft genomen. Vervolgens zullen de verzoeken in het licht van die eerder genomen beslissingen worden beoordeeld. Om misverstanden te voorkomen, wordt opgemerkt dat met het digitale FIOD-dossier wordt gedoeld op de digitale data die zijn verkregen bij de doorzoekingen op 4 juli 2012 en de daarop volgende vorderingen tot uitlevering. Onder meer bij SGL zijn digitale data (images van computers en netwerkdirectories) in beslag genomen. Aan deze data is onderzoek verricht door de FIOD. In de dataverzamelingen aangetroffen bewijsmiddelen zijn verwerkt in de processen-verbaal van de FIOD.

Verloop van het onderzoek en eerder genomen beslissingen

Het FIOD-onderzoek en het vooronderzoek door de rechter-commissaris

In oktober 2011 is de FIOD een onderzoek gestart naar verdachten. Op 4 juli 2012 hebben in het kader van dit onderzoek op meerdere plaatsen doorzoekingen plaatsgevonden. Medeverdachte [medeverdachte] is in juli 2012 aangehouden en verhoord. [verdachte] is in november 2013 aangehouden en verhoord. De onderzoeksresultaten van de FIOD zijn geverbaliseerd in het dossier dat is gesloten op 14 oktober 2014. Een zevental personen heeft tegenover de FIOD geen verklaring willen afleggen. Vier van hen – de heren [naam 38] , [naam 39] , [naam adviseur 1] en [naam adviseur 2] , allen werkzaam bij de externe accountant van SGL in de desbetreffende periode – zijn in de maanden november, december 2014 en januari 2015 in opdracht van de rechter-commissaris alsnog door de FIOD gehoord. Twee voormalige leden van de Raad van Toezicht van SGL, de heren [naam 27] en [naam 40] , en de heer [naam oprichter] , bestuurder van de [naam stichting 1] ( [naam stichting 1] ) in de desbetreffende periode, wilden enkel ten overstaan van de rechter-commissaris getuigen. Deze verhoren hebben plaatsgevonden in maart 2015.

Vervolgens is op initiatief van de officier van justitie regie gevoerd door de rechter-commissaris. De verdediging heeft een groot aantal onderzoekswensen geformuleerd bestaande uit het voegen van stukken en het horen van getuigen. De rechter-commissaris heeft een deel van die verzoeken toegewezen. Na voltooiing van de door de rechter‑commissaris toegewezen onderzoekshandelingen zijn de verdachten gedagvaard.

De regiezitting van 6, 8 en 10 november 2017

De verdachte heeft voor de zitting schriftelijk laten weten alle verzoeken die tijdens het vooronderzoek door de verdediging aan de rechter-commissaris zijn gedaan en zijn geweigerd opnieuw aan de rechtbank voor te leggen. Op de regiezitting heeft de verdediging de verzoeken nader toegelicht. Primair heeft de verdediging op basis van de aangedragen argumenten de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie bepleit. De officier van justitie heeft zich daartegen verzet.

De beslissing van de rechtbank van 10 november 2017 over de ontvankelijkheid van het OM

Op de zitting van 10 november 2017 is als volgt beslist op het verzoek tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie1:

Het verzoek tot niet-ontvankelijkverklaring berust kort samengevat in de woorden van de rechtbank op het argument dat de wijze waarop het onderzoek is gevoerd, zodanige gebreken kent dat het recht op een eerlijk proces geschonden is. Dat komt volgens [verdachte] door het volgende:

  1. In de aanvang van het onderzoek heeft de FIOD de Belastingdienst aangestuurd;

  2. Daardoor had het boekenonderzoek van de Belastingdienst dat formeel gericht was op de [naam stichting 1] (verder: [naam stichting 1] ) en [naam BV] (verder: [naam BV] ) alleen maar tot doel verdachte te kunnen belasten;

  3. Daardoor was de controlerend ambtenaar bevooroordeeld en stond de uitkomst van het belastingonderzoek bij [naam BV] al vast voordat het onderzoek begon;

  4. In het belastingonderzoek van [naam BV] zijn aan verdachte geen vragen gesteld. Op basis van dit onderzoek is aan hem privé een aanslag voor de Inkomstenbelasting (IB) opgelegd zonder dat hij gehoord is;

  5. Het onderzoek van de Belastingdienst is een slecht onderzoek dat niet is gebaseerd op feiten. De inspecteur heeft op basis van dit onderzoek verdachte aanvankelijk voor het gebruik van de zorgmanege belast voor een bedrag van anderhalf miljoen euro, dat recentelijk in rechte is gecorrigeerd tot 17.000 euro op jaarbasis, bij welke gelegenheid het boekenonderzoek als bestuurlijk onbehoorlijk is gekwalificeerd en de conclusies geen stand hebben gehouden. De FIOD heeft voortgeborduurd op onderzoeksresultaten waarvan is gebleken dat zij nergens op zijn gebaseerd. Door de naar aanleiding van het FIOD-onderzoek ontstane negatieve publiciteit (‘miljoenenfraude in de zorg’) waren veel getuigen niet bereid om nog in het voordeel van verdachte te verklaren;

  6. Aan een aantal getuigen is daarenboven uitvoerig geciteerd uit de door controlerend ambtenaar [getuige 1] tegenover de FIOD afgelegde verklaring, welke verklaring niet is gebaseerd op juiste feiten, zoals al blijkt uit de gecorrigeerde aanslag IB;

  7. Vragen die de verdediging aan getuigen bij de rechter-commissaris wilde stellen over de hierboven beschreven gang van zaken werden belet;

  8. De FIOD heeft vanuit vooringenomenheid en tunnelvisie alleen die documenten gebruikt en aan het dossier toegevoegd die de beschuldigingen ondersteunen.

Naast voormelde door de verdediging gestelde gebreken heeft de verdediging gewezen op het feit dat de redelijke termijn in deze zaak inmiddels ruimschoots is overschreden.

De rechtbank zal deze argumenten per onderdeel bespreken en beoordelen.

Ad i. De aanleiding voor het strafrechtelijk onderzoek is in het procesdossier beschreven in hoofdstuk 2 (blz. 24-29) van het algehele overzichtsproces-verbaal (OPV). De rechtbank vat de beschreven gebeurtenissen voor zover hier van belang als volgt samen:

a. Op 20 november 2008 meldt een medewerkster van het CZ-Zorgkantoor de FIOD een door CZ ontvangen signaal over fraude bij SGL. AWBZ-gelden zouden ten onrechte worden gebruikt voor de aankoop van een manege en warmbloedpaarden. CZ had begin 2007 (van een journalist) en begin 2008 (via de NZa) ook signalen gehad over fraude bij SGL;

b. De FIOD onderzoekt daarop open bronnen over SGL, [naam stichting 1] en [naam BV] ;

c. De FIOD doet op 25 november 2008 navraag bij de Belastingdienst en verneemt dat er van SGL over 2004 een summier controlerapport is, dat in 2007 iemand anoniem heeft gemeld dat SGL op formeel onjuiste gronden een manege zou exploiteren en dat er bij [naam BV] , die de manege zou exploiteren, nog geen boekenonderzoek is geweest.

d. De FIOD ontvangt op 20 januari 2009 een (op dat moment) anonieme brief uit handen van de voorzitter van het RIEC [naam voorzitter] , onder andere over het uitbaten door [naam BV] van een manege met 44 paarden waarvan er maar één of twee door gehandicapten bereden konden worden. Dit zou tot stand zijn gekomen met geld van SGL. [verdachte] zou met geld van SGL op grote schaal onroerend goed hebben gekocht en kostbare kunstvoorwerpen die voorheen bij SGL hingen, in zijn huis hebben hangen.

e. Na overleg tussen FIOD en Belastingdienst op 22 januari 2009 heeft, vanwege het op dat moment ontbreken van concrete verdenkingen, de Belastingdienst besloten een boekenonderzoek te doen bij SGL.

f. De FIOD heeft op 8 maart 2010 bij de Belastingdienst geïnformeerd naar de bevindingen van het onderzoek. Daarbij bleek dat er geen voortgang in het boekenonderzoek zat, waarbij de Belastingdienst de indruk had dat het onderzoek door SGL onnodig werd vertraagd en opgehouden.

g. Op 8 juni 2010 kwam er een anonieme brief, naar achteraf blijkt afkomstig van [getuige 2] , binnen bij de Belastingdienst over [naam BV] , die voor de Belastingdienst reden was om bij [naam BV] een boekenonderzoek in te stellen.

h. Via [naam voorzitter] werd medio juni 2010 bekend dat [getuige 2] de schrijver was van de anonieme brief. De FIOD besluit vervolgens op 27 augustus 2010 in overleg met het Openbaar Ministerie, mede omdat het boekenonderzoek werd tegengewerkt, om [getuige 2] en [getuige 3] (de verkoper van de manege aan [naam stichting 1] ) te horen. Dit is op 2 en 23 september 2010 gebeurd. [getuige 2] doet tijdens zijn verhoor aangifte van valsheid in geschrifte en verduistering tegen [verdachte] .

i. In november 2010 vond er een bijeenkomst plaats tussen OM, FIOD en Belastingdienst, waarbij door de (contactambtenaar van de) Belastingdienst informatie werd uitgewisseld met de FIOD.

j. Het voorgaande leidde tot een verdenking in maart 2011. De zaak is daarop aangemeld in het Tripartite Overleg. Deze overleggen vonden plaats op 7 april 2011 en 9 juni 2011. In het overleg van 9 juni 2011 werd besloten tot het instellen van een strafrechtelijk onderzoek, waarna in oktober 2011 het onderzoeksteam Mustang werd gevormd.

Uit het OPV en de toelichting daarop van de officier van justitie op de zitting blijkt dat het traject tot de vorming van het onderzoeksteam vanuit de FIOD (zie hier sub j) wordt begeleid door de zogenaamde afdeling Account van de FIOD. Deze afdeling onderzoekt meldingen en aanwijzingen en werkt ze eventueel uit tot verdenkingen. Dat onderzoek vindt plaats door onderzoek in openbare registers en op internet (zie hier sub b). Een van hun informatiebronnen is ook de Belastingdienst (zie hier sub c). Als er nog geen verdenking is, kan de Belastingdienst besluiten om een controle onderzoek te verrichten (zie hier sub e). De FIOD kan verzoeken om de bevindingen van dat onderzoek te ontvangen (zie hier sub f). De FIOD kan ook zelf personen horen (zie hier sub h). Los daarvan kan de Belastingdienst ook zelf aan de hand van meldingen (zie hier sub g) besluiten om een boekenonderzoek uit te voeren (zie hier sub g).

De toelichting door de officier van justitie dat de leden van het onderzoeksteam niet betrokken zijn geweest bij de vorming van de verdenking, wordt ondersteund door de verklaringen van de FIOD ambtenaren [naam FIOD ambtenaar 1] en [naam FIOD ambtenaar 2] dat zij pas vanaf oktober 2011 kennis krijgen van en betrokken raken bij dit onderzoek. Zij ontvangen dan het overzicht en de bevindingen van het Account-onderzoek en zetten hun eigen onderzoek daarop voort. Een van de vele onderzoekshandelingen die zij hebben gedaan, is het horen van [getuige 1] , die het boekenonderzoek bij [naam BV] heeft verricht. [getuige 1] beschrijft als getuige de aanleiding tot het boekenonderzoek bij [naam BV] (G03-01, blz. 2). Een van de vijf redenen voor dat onderzoek is de ‘klikbrief’ over misstanden bij [naam BV] (zie sub g).

De rechtbank is van oordeel dat de in het OPV beschreven gang van zaken helder en transparant is. Van aansturing door de FIOD van het door de Belastingdienst verrichte onderzoek blijkt niet uit het procesdossier.

Ad ii. en ad iii. De stelling van verdachte dat het onderzoek van de Belastingdienst door de FIOD is gestuurd en alleen maar tot doel had om hem te belasten, wordt door verdachte voornamelijk onderbouwd met de redenering dat als het onderzoek ‘eerlijk’ zou zijn uitgevoerd, gebleken zou zijn dat de beschuldigingen die er nu liggen, ongegrond zijn. Dat die beschuldigingen ongegrond zijn, blijkt volgens verdachte uit het gegeven dat zijn bijtelling IB inzake [naam BV] in rechte verminderd is van 1,5 miljoen euro naar 17 duizend euro.

Dat het onderzoek bij [naam BV] slechts met het doel zou zijn ingesteld om informatie te krijgen over [verdachte] en dat van dat onderzoek de vooringenomenheid afstraalt, wordt door de rechtbank niet herkend. Ook de stelling dat het conceptrapport van de Belastingdienst en de door [getuige 1] afgelegde verklaringen in het strafrechtelijke onderzoek alleen meningen bevatten, wordt door de rechtbank niet herkend. Verschillende kwesties die in het rapport van de Belastingdienst over [naam BV] worden beschreven, houden tijdens het FIOD onderzoek stand en waren voor de officier van justitie voldoende concreet om ten laste te leggen. Het betreft ernstige verdenkingen. Of, en in hoeverre die verdenkingen gegrond zijn, is onderwerp van onderhavige strafprocedure. In dat onderzoek zijn de bewijsmiddelen zoals deze zich in het procesdossier bevinden, leidend. Of, en in hoeverre aanslagen IB worden opgelegd en standhouden die verband houden met onderwerpen die ook ten laste zijn gelegd, is voor de rechtbank in deze strafzaak niet maatgevend, alleen al om de reden dat niet op basis van dezelfde stukken wordt geoordeeld. De rechtbank heeft verder ook geen kennis van de genoemde aanslagen IB en de procedures inzake de inkomstenbelasting van verdachte. Kortom, van ongeoorloofde sturing door de FIOD of een “geheim” onderzoek naar [verdachte] is niet gebleken en de (uitkomsten van de) procedures rondom de inkomstenbelasting van [verdachte] in privé hebben geen bewijswaarde in de strafrechtprocedure tegen hem.

Ad iv. In paragraaf 2.2 van het definitief rapport van onderzoek van de Belastingdienst bij [naam stichting 1] en [naam BV] van 15 maart 2013 (bijlage D-231) is het verloop van het onderzoek beschreven. Daaruit blijkt dat de Belastingdienst tijdens het onderzoek alleen gesproken heeft met de accountants en mevrouw [medeverdachte] . [medeverdachte] gaf desgevraagd herhaaldelijk aan dat zij [naam BV] vertegenwoordigde en dat verdachte door haar geïnformeerd werd. Ten tijde van het eerste verhoor van [getuige 1] door de FIOD op 10 november 2011 was het boekenonderzoek nog niet afgerond. [getuige 1] verklaart tijdens dit verhoor dat de uitvoering van het onderzoek gekenmerkt wordt door grote vertraging in het aanleveren van gevraagde gegevens, annuleren van afspraken en opeenvolgende vakanties van personen die bij het onderzoek betrokken zijn. Het conceptrapport dateert van na het verhoor van [getuige 1] . Dit conceptrapport is blijkens de definitieve versie door verdachte becommentarieerd. Uit het in het rapport beschreven verloop van het onderzoek (2.2) blijkt verder dat verdachte op verschillende momenten in de gelegenheid is gesteld om (nader) te reageren. De rechtbank ziet dan ook geen grond voor de stelling van verdachte dat hij nooit de kans heeft gehad op het rapport van de Belastingdienst te reageren. Ter zitting heeft verdachte nog aangegeven dat hij zich bij de bespreking van zijn commentaar op het conceptrapport heeft laten vertegenwoordigen door adviseurs [naam adviseur 1] en [naam adviseur 2] , omdat [naam adviseur 2] hem gezegd zou hebben dat de Belastingdienst liever niet had dat hij bij dit gesprek aanwezig was. De rechtbank acht niet aannemelijk dat de Belastingdienst een dergelijke mededeling zou hebben gedaan.

Ad v. Op de zitting heeft de verdediging toegelicht dat het openbaar ministerie in persberichten gesproken heeft over ‘miljoenenfraude’ en dat dit getuigen bang gemaakt heeft om nog in het voordeel van verdachte te getuigen. De rechtbank merkt allereerst op dat of en in hoeverre sprake is van strafbare gedragingen door verdachte onderwerp is van dit strafrechtelijk onderzoek. Voorts merkt de rechtbank op dat bij de waardering van getuigenbewijs altijd scherp gelet moet worden of en in hoeverre getuigen belang kunnen hebben om een eventueel eigen aandeel in vermeend onjuist handelen van een verdachte te ontkennen of te bagatelliseren.

Ad vi. De rechtbank merkt op dat het in het algemeen niet verkeerd is om getuigen te confronteren met bewijsmiddelen, waaronder verklaringen van andere getuigen. Doorgaans gebeurt dit pas nadat de getuige zijn eigen verklaring heeft gegeven. Uit het dossier blijkt dat dit regelmatig op deze wijze is gebeurd. Verdachte heeft vooral moeite met het confronteren van getuigen met bevindingen uit het belastingonderzoek en/of de als getuige afgelegde verklaringen daarover door [getuige 1] , omdat hij de uitkomsten van dat onderzoek en de verklaringen van die getuige onjuist acht. De rechtbank acht echter de visie van verdachte op de juistheid van een bewijsmiddel niet dragend voor de toelaatbaarheid om een getuige met dat bewijsmiddel te confronteren. Of een getuige door (te vroege) confrontatie beïnvloed is in zijn verklaring en dit de betrouwbaarheid van diens getuigenverklaring aantast, kan onderwerp zijn van debat bij de inhoudelijke behandeling van de strafzaak.

Ad vii. Uit de overwegingen tot nog toe blijkt dat de rechtbank de bezwaren van verdachte over de aanvang van het onderzoek en de wijze waarop het is uitgevoerd, ongegrond vindt. Kleine onjuistheden en onvolkomenheden in onderzoek kunnen in verband met de te behandelen ten laste gelegde feiten worden gecorrigeerd of gesanctioneerd. De uitgangsgedachte van verdachte is echter dat het hele onderzoek tegen hem is opgezet en uitgevoerd met het enkele doel om hem te beschadigen en te belasten. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor de juistheid van die uitgangsgedachte. Heel veel door de verdediging gestelde vragen aan getuigen hadden tot doel om die uitgangsgedachte te onderbouwen. De rechtbank is van oordeel dat de rechter-commissaris om goede redenen die vragen heeft beperkt of belet.

Ad viii. De rechtbank zal bij de bespreking van de onderzoekswensen nader ingaan op de verzochte nadere stukken. Daaruit zal blijken dat de rechtbank van oordeel is dat toevoeging van extra stukken slechts beperkt nodig is.

Er zijn geen aanwijzingen dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren (ernstig) inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

Overschrijding van de redelijke termijn in strafzaken kan niet leiden tot niet- ontvankelijkheid, maar hooguit tot strafvermindering.

De beslissing van de rechtbank van 10 november 2017 over de door de verdediging verzochte nadere onderzoekshandelingen

De rechtbank heeft beoordeeld of er (nog) verdedigingsbelang was bij de verzochte nadere onderzoekshandelingen. Dit belang is aanwezig geacht bij twee van de verzochte getuigen en, gelet op het verdachte onder 3 ten laste gelegde, bij kennisneming van de stukken van de RvT van SGL over de periode 2005 tot en met 2010 die het onderzoeksteam ter beschikking heeft gehad. De overige verzoeken zijn afgewezen. Voor zover de verzoeken zagen op de aanleiding van het strafrechtelijk onderzoek is onder verwijzing naar de overwegingen over de ontvankelijkheid geoordeeld dat er geen aanleiding is tot nader onderzoek of voeging van stukken (het zogenoemde pre-weegdocument en AWR documenten), omdat er geen aanwijzingen waren dat in de stukken het voortraject, de redenen van wetenschap en de gemaakte keuzes onjuist zijn weergegeven. De overige verzoeken zijn afgewezen, omdat deze – kort gezegd – onvoldoende waren onderbouwd. Over de verzoeken tot inzage van stukken en het digitale FIOD-dossier is voorts overwogen dat hetgeen door de verdediging is aangevoerd – wat erop neerkomt dat de verdediging inzage wil om mogelijk ontbrekende, verdachte ontlastende processtukken te zoeken – onvoldoende reden is om inzage of voeging te gelasten.

De zaak is verwezen naar de rechter-commissaris voor het horen van de toegewezen getuigen en de officier is opdracht gegeven om de stukken van de RvT van SGL over de periode 2005 tot en met 2010 die het onderzoeksteam ter beschikking heeft gehad aan het dossier toe te voegen.

De zitting van 12 april 2018

Medio december 2017 heeft de officier van justitie RvT-stukken over de periode 2005 tot en met 2010 aan het dossier toegevoegd. De rechter-commissaris heeft de zaak geretourneerd naar de meervoudige kamer, omdat de verdediging zich op het standpunt stelde dat deze stukken incompleet waren en de verdediging voorafgaand aan de verhoren diende te beschikken over alle van belang zijnde stukken. Daarop is besloten een nadere zitting te houden op 12 april 2018. Daar is aan de orde geweest of de officier van justitie met de overgelegde stukken heeft voldaan aan de opdracht van de rechtbank. De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen aanleiding is te veronderstellen dat de officier niet heeft voldaan aan de opdracht van de rechtbank. De verdediging heeft gemotiveerd gesteld dat de overgelegde RvT-stukken niet compleet zijn. Op deze zitting heeft de verdediging de rechtbank verder verzocht terug te komen op de op 10 november 2017 genomen beslissingen en de verzoeken van de verdediging alsnog integraal toe te wijzen. Dit laatste verzoek heeft de rechtbank afgewezen, omdat er geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren waren gebracht die daar aanleiding toe gaven. Om helder te krijgen wat het onderzoeksteam aan RvT-stukken ter beschikking heeft gehad en wat er mogelijk ontbreekt, is besloten op dit punt (naast de nog te horen getuigen) ook de secretaris van SGL te horen. De getuigenverhoren hebben plaatsgevonden op 23 en 24 mei 2018.

De inhoudelijke behandeling op 19, 20, 22, 25, 26, 27 en 28 juni 2018

Voor aanvang van de inhoudelijke behandeling heeft de verdediging bij brief van 7 juni 2018, onder overlegging van het pre-weegdocument van 1 maart 2011, het verzoek herhaald tot het horen van de getuigen die bij het onderzoek van de Belastingdienst en de FIOD en de beweerde samenwerking tussen de Belastingdienst en de FIOD betrokken waren. Bij brief van 15 juni 2018 heeft de verdediging betoogd dat de door de officier van justitie overgelegde stukken niet de RvT-stukken van SGL zijn en dat de wijze waarop de officier van justitie de rechtbank wil doen geloven dat dit wel het geval is, dermate onbehoorlijk is dat dit tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging moet leiden. Het digitale FIOD-dossier moet volgens de verdediging dan ook alsnog aan de stukken worden toegevoegd.

Vervolgens heeft de verdediging de rechtbank op de zitting van 19 juni 2018 verzocht om terug te komen op haar beslissingen en de gevraagde nadere onderzoekshandelingen toe te wijzen, gelet op de nieuwe informatie die blijkt uit het pre-weegdocument. De rechtbank heeft daarop geoordeeld dat zij geen verschillen van betekenis ziet tussen het pre‑weegdocument en wat over de aanleiding van het onderzoek is opgenomen in het OPV. Zij zag daarom geen aanleiding terug te komen op de genomen beslissingen. Daarbij is aangegeven dat hetgeen de verdediging stelt over mogelijke beïnvloeding van getuigen door het voorhouden van verdenkingen die uiteindelijk niet zijn opgenomen in de tenlastelegging, aspecten zijn die kunnen meewegen bij de beoordeling en de waardering van de getuigenverklaringen. Hiervoor is geen nader onderzoek nodig.

Een beslissing over de al dan niet compleetheid van de stukken van de Raad van Toezicht en het alsnog aan het dossier toevoegen van RvT-stukken is aangehouden tot het moment van bespreking van dit onderdeel van de tenlastelegging. Op de zitting van 20 juni 2018 heeft de verdediging de rechtbank opnieuw verzocht te beslissen dat de verdediging toegang moet krijgen tot het digitale FIOD-dossier, omdat gedurende de behandeling van de zaak blijkt dat [verdachte] zich niet kan verdedigen zonder toegang tot deze stukken. Dit verzoek is afgewezen. Daarbij is overwogen dat voor zover het verzoek gestoeld is op antwoorden van [verdachte] op vragen van de rechtbank het verzoek niet voldoende is onderbouwd en voor zover het verzoek ziet op inzage in het gehele digitale FIOD-dossier, niet gebleken is van nieuwe feiten en omstandigheden. De verdediging heeft haar verzoek tot nadere onderzoekshandelingen vervolgens gedurende de verdere inhoudelijke behandeling meermalen herhaald, laatstelijk bij pleidooi. Uiteindelijk heeft de rechtbank besloten over de al dan niet compleetheid van de stukken van de Raad van Toezicht en de daaraan te verbinden consequenties te beslissen bij uitspraak.

Het verzoek om nadere onderzoekshandelingen

Aanleiding van het onderzoek en de rol van de FIOD en de Belastingdienst

In de beslissing van 10 november 2017 is uitgebreid ingegaan op de aanleiding van het onderzoek zoals dat uit de stukken blijkt. Het door de verdediging later in de procedure ingebrachte pre-weegdocument bevat geen nieuwe informatie die afdoet aan de destijds op grond van deze informatie door de rechtbank getrokken conclusies. Ook hetgeen de verdediging hierover verder naar voren heeft gebracht geeft geen aanleiding tot nader onderzoek en/of bijstelling van het oordeel van de rechtbank. Er zijn geen aanwijzingen dat de FIOD het onderzoek van de Belastingdienst heeft aangestuurd. Beide onderzoeken hebben deels parallel gelopen, maar de rechtbank is nergens uit gebleken dat de rechten van [verdachte] als verdachte in zijn strafprocedure zijn geschonden. Evenmin heeft de rechtbank kunnen constateren dat de onderzoeksresultaten van het strafrechtelijk onderzoek zijn verkregen op een manier die de waarborgen op een eerlijk strafproces heeft geschonden. Het verzoek tot nader onderzoek naar de beweerde ontoelaatbare samenwerking tussen FIOD en Belastingdienst wijst de rechtbank daarom af.

[verdachte] maakt zich erg boos over de rol die [getuige 2] bij de start van het onderzoek heeft gehad. De rechtbank kan hem daarin niet volgen. Uit de stukken blijkt dat [getuige 2] bij meerdere instanties (anoniem) melding heeft gedaan van misstanden die hij stelde te hebben gezien bij zijn voormalige werkgevers (SGL en [naam BV] ). [getuige 2] is vervolgens benaderd door de FIOD en heeft een verklaring afgelegd. Mede op basis van deze verklaring is een redelijk vermoeden van schuld aan strafbare feiten ontstaan tegen de verdachten en is het onderzoek gestart. [getuige 2] verklaart over misstanden, die ernstig zijn en nader onderzoek rechtvaardigen. Veel van wat [getuige 2] heeft verklaard, heeft tijdens het onderzoek bevestiging gevonden in andere bewijsmiddelen. De rechtbank vindt dan ook dat [getuige 2] lof verdient voor het feit dat hij naar buiten is getreden met de misstanden die hij bij SGL en [naam BV] (hierna: [naam BV] ) zag en de rol die [verdachte] daarin volgens [getuige 2] speelde. Hij heeft het ook niet gelaten bij anonieme beschuldigingen. Hij is uit de anonimiteit getreden. [getuige 2] is tijdens het onderzoek door de FIOD nogmaals gehoord en heeft later ook een verklaring afgelegd bij de rechter-commissaris.

Het onderzoek door de FIOD

In de beslissing van 10 november 2017 is ingegaan op wat [verdachte] heeft gesteld over de confrontatie van getuigen met de verklaring van [getuige 1] en de wijze waarop het OM deze zaak in de media heeft neergezet in 2012. Daarbij is overwogen dat eventuele beïnvloeding van getuigen door te vroege confrontatie met andere bewijsmiddelen of de invloed van berichten in de media op verklaringen van getuigen onderwerp kan zijn van inhoudelijk debat. De rechtbank constateert dat de verdediging bij pleidooi dit debat niet is aangegaan en geen enkel concreet voorbeeld heeft gegeven waarin sprak zou zijn geweest van een dergelijke beïnvloeding. De rechtbank acht het verwijt daarom ongegrond.

Stukken van de Raad van Toezicht van SGL over de jaren 2005-2010

De officier van justitie heeft zeven ordners overgelegd met opschriften SGL RvT jaren 2005 tot en met 2010. De ordners zijn verder voorzien van FIOD stickers met bijlagennummer 44992 en codes J-022, J-023, J-018, J-019, J-024, J-021 en J-020. De FIOD heeft aangegeven dat dit een kopie is van een eerder door de FIOD aan de Belastingdienst verstrekte kopie van door de FIOD bij SGL inbeslaggenomen RvT-stukken. De stukken die de FIOD inbeslaggenomen heeft bij SGL en die niet als document in het dossier zijn gevoegd, zijn na afronding van het onderzoek van de FIOD geretourneerd aan SGL2, zodat deze niet meer konden worden overgelegd3. De heer [getuige 4] is op het punt van de door SGL aan het onderzoeksteam verstrekte stukken van de Raad van Toezicht nader gehoord. De heer [getuige 4] heeft een foto getoond van het hardcopy dossier zoals dat bij SGL staat. Daarop staan soortgelijke ordners als ingebracht door de officier van justitie met soortgelijke FIOD stickers. Hij heeft verklaard dat de FIOD-stickers nog op het dossier zitten en dat in het dossier dat SGL terugkreeg van de FIOD een aantal originele stukken ontbrak. Dit sluit aan op het door de FIOD gerelateerde. Het verhoor heeft geen feiten en omstandigheden aan het licht gebracht op grond waarvan verondersteld moet worden dat de FIOD nog andere stukken ter beschikking heeft gehad en gebruikt voor haar onderzoek. Een andere vraag is of deze ordners alle RvT-stukken over 2005 – 2010 bevatten. Deze vraag moet ontkennend worden beantwoord. Uit het verhoor en de door de heer [getuige 4] overgelegde overzichten en uitdraaien van gescande pdf’s van vastgestelde notulen van de RvT blijkt dat er bij SGL digitaal nog stukken aanwezig zijn die niet in de ordners zitten.

De rechtbank heeft vastgesteld dat met de stukken die [getuige 4] ten tijde van het verhoor heeft overgelegd, de notulen van de vergaderingen van de RvT van SGL over de jaren 2005 – 2010 vrijwel compleet zijn. Alleen de notulen van de vergadering van 15 maart 2005 en van de vergaderingen van 12 februari, 24 maart en 15 oktober 2009 ontbreken. Nu er in het dossier geen aanwijzingen zijn dat in een van deze vergaderingen voor de strafzaak relevante informatie is besproken in de Raad van Toezicht, ziet de rechtbank geen aanleiding de zaak (verder) aan te houden voor nader onderzoek op dit punt.

Inzage in het digitale FIOD-dossier

Er is geen noodzaak gebleken alsnog het digitale FIOD-dossier beschikbaar te maken en ter inzage aan de verdediging te geven.

De overige verzoeken

De overige herhaalde verzoeken tot nadere onderzoekshandelingen worden afgewezen. Er is niet gebleken van nieuwe feiten en omstandigheden die nopen op het eerdere standpunt terug te komen en er is overigens ook geen noodzaak gebleken tot nog nader onderzoek.

De verdediging blijft herhalen dat als getuigen maar met de juiste feiten zouden zijn geconfronteerd, zal blijken dat deze strafzaak schromelijk overdreven is. De ‘juiste feiten’ waar de getuigen mee moeten worden geconfronteerd, worden niet geconcretiseerd en al helemaal niet onderbouwd. De verdediging blijft de feiten waarvan [verdachte] wordt beschuldigd bovendien ruimer trekken dan tenlastegelegd. De rechtbank heeft de verdediging er herhaaldelijk op gewezen dat [verdachte] het beleid dat onder zijn leiding door SGL is gevoerd, niet wordt verweten. Hij staat terecht voor verduistering, oplichting en valsheid in geschrifte. Over het door hem bij SGL gevoerde beleid is hem geen strafrechtelijk verwijt gemaakt en de onderzoekswensen die hier betrekking op hebben wijst de rechtbank ook om die reden af.

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Er zijn na 10 november 2017 geen nieuwe feiten en omstandigheden gebleken die nopen terug te komen op de duidelijke beslissing op dit punt van 10 november 2017.

Er zijn geen aanwijzingen dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

Overschrijding van de redelijke termijn in strafzaken kan niet leiden tot niet‑ontvankelijkheid, maar hooguit tot strafvermindering. Op de vraag of sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn en zo ja, welke consequenties daaraan verbonden moeten worden wordt ingegaan in paragraaf 7.

3.2

De geldigheid van de dagvaarding

3.2.1

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding nietig moet worden verklaard. Het ten laste gelegde is dermate obscuur dat [verdachte] zich daar niet tegen kan verzetten, omdat slechts totaalbedragen worden genoemd die zouden zijn verduisterd en niet blijkt waar die bedragen op zien. Daarnaast is niet duidelijk hoe [verdachte] iets kan hebben verduisterd als de goederen waar het om gaat gewoon in de administraties van SGL en [naam BV] zijn verantwoord.

3.2.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] verweten strafbare feiten correct en duidelijk zijn gespecificeerd in de dagvaarding.

3.2.3

De beoordeling door de rechtbank

In ten laste gelegde verduisteringen (feiten 2 en 4) en oplichting (feit 3) wordt weliswaar niet volledig uitgesplitst waar de bedragen en/of goederen die zouden zijn verduisterd of via oplichting zouden zijn verkregen op zien, maar in combinatie met de verwijzingen in de tenlastelegging naar de uitwerking in het dossier, is duidelijk waar [verdachte] van wordt beschuldigd. Er is tijdens de inhoudelijke behandeling ook niet gebleken van enige verwarring bij [verdachte] op dit punt. Het andere door de raadsman naar voren gebrachte argument is een inhoudelijk argument waarom zijn inziens geen sprake kan zijn van verduistering. Dit raakt de geldigheid van de dagvaarding niet en zal bij de bespreking van het bewijs en de beoordeling daarvan worden besproken.

De rechtbank is van oordeel dat de dagvaarding voldoende feitelijk is omschreven en voldoet aan de eisen die artikel 261 Sv.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en is van oordeel dat de dagvaarding geldig is.

4 De beoordeling van het bewijs4

De officieren van justitie hebben zich, zoals vervat in het schriftelijke requisitoir, op het standpunt gesteld dat alle feiten moeten worden bewezenverklaard. De raadsman heeft, overeenkomstig de overgelegde pleitnotities, integrale vrijspraak bepleit. De rechtbank oordeelt als volgt

4.1

Vrijspraakoverwegingen over feit 3: oplichting Raad van Toezicht (feitonderdeel 26)

In feit 3 van de tenlastelegging is aan [verdachte] – kort gezegd – tenlastegelegd dat hij samen met [medeverdachte] de Raad van Toezicht heeft opgelicht. Hij zou namelijk deze Raad hebben bewogen tot afgifte van in totaal € 179.301,-, door aan deze Raad begrotingen SGL over de jaren 2008, 2009 en 2010 voor te leggen met daarin een op valse gronden veel hoger budget voor [naam BV] dan gerechtvaardigd was en door van dat budget geen onderbouwing en risicotaxatie te verstrekken noch jaarlijks informatie te verstrekken over de daadwerkelijk behaalde resultaten.

De rechtbank is van oordeel dat [verdachte] van dit feit moet worden vrijgesproken. De reden daarvoor is dat slechts van oplichting van de Raad van Toezicht sprake kan zijn als de Raad van Toezicht zou zijn bewogen tot afgifte van geld aan [naam BV] . De Raad van Toezicht heeft echter nooit geld aan [naam BV] verstrekt. Ze is ook niet het orgaan van SGL dat daartoe bevoegd is. Het enige dat de Raad van Toezicht in dit verband heeft gedaan, is het goedkeuren van de begrotingen. De officier van justitie heeft tijdens de zitting gepoogd dit manco te repareren door aan te geven dat zonder die goedkeuringen de desbetreffende budgetten niet aan [naam BV] verstrekt hadden kunnen worden. De rechtbank acht dit echter geen steekhoudend argument om daarom de Raad van Toezicht maar als de ‘afgever’ van het geld te beschouwen.

Wat de officier van justitie waarschijnlijk heeft bedoeld, en waar ook zijn requisitoir op geënt lijkt, is dat [verdachte] SGL heeft opgelicht. Die verdenking tot oplichting, zo wordt uitvoerig uiteengezet in het FIOD-onderzoek, lijkt opgebouwd uit (a) het opzetten van een structuur waarop de Raad van Toezicht en de accountant geen zicht hebben, (b) het met en/of via [medeverdachte] daarin verkrijgen van de (feitelijke) zeggenschap, (c) het via een valse samenwerkingsovereenkomst toekennen aan [naam BV] van een veel hoger budget dan zakelijk verdedigbaar was en (d) het misleiden van de Raad van Toezicht tot goedkeuring van dit budget door gebrekkige informatie te geven en/of essentiële informatie te onthouden. Hoewel het niet aan de rechtbank is om aan te geven hoe de tenlastelegging eruit had kunnen zien als alternatief voor de bestaande, dient deze uiteenzetting om aan te geven dat misleiding van de Raad van Toezicht in een eventuele oplichting wel een belangwekkende rol had kunnen spelen, maar dat die Raad daarmee nog steeds niet de opgelichte partij wordt.

Een argument dat ondersteunt dat het veel logischer is om SGL als eventueel opgelichte partij te beschouwen dan de Raad van Toezicht, is dat de in feitonderdeel 27 te bespreken vals opgemaakte samenwerkingsovereenkomst niet bedoeld was om te gebruiken tegenover de Raad van Toezicht, maar als (valse) basis om SGL te bewegen tot afgifte van de in die overeenkomst genoemde voorschotten en bedragen.

Een ander onderdeel uit dit feit van de tenlastelegging dat moeilijk te rijmen is met de feitelijke gang van zaken, is dat de Raad van Toezicht zou zijn bewogen tot afgifte van € 179.301,- aan [naam BV] . Uit de opbouw van dit bedrag en de verwijzingen naar documenten in het FIOD-dossier blijkt dat deze bedragen in wezen dezelfde zijn als de bedragen die in feit 4 als verduistering ten laste zijn gelegd. Het (niet steeds eenvoudig te herleiden) verschil wordt veroorzaakt doordat de periode in feit 3 beperkter in tijd is dan in feit 4 (waardoor het bedrag in feit 4 hoger is). Evident is dat als de Raad van Toezicht iets afgegeven heeft, het de toestemming is geweest tot afgifte van het gehele budget. Als aangenomen zou worden dat de ten laste gelegde oplichting alleen gericht was op de afgifte van deze specifieke bedragen, zou dat impliceren dat [verdachte] op het moment van de gestelde oplichting al beoogde om zich juist die bedragen via [naam BV] toe te eigenen. Voor dat oogmerk ontbreekt bewijs. Het is ook moeilijk voor te stellen dat [verdachte] op het moment van het verkrijgen van de bedragen precies zou weten welke bedragen hij daarna voor privédoeleinden wilde besteden.

Als met de officier van justitie dat oogmerk wel aangenomen zou worden, is vervolgens niet vanzelfsprekend dat bedragen die eerst via oplichting onrechtmatig door [naam BV] zijn verkregen, vervolgens nog eens verduisterd kunnen worden.

De voorgaande gebreken in feit 3 van de tenlastelegging leiden tot vrijspraak voor dit feit. De rechtbank ziet hierom geen noodzaak om de elementen van dit deel van de tenlastelegging nader te onderzoeken. Anders gezegd: de rechtbank ziet geen aanleiding om aan de hand van de bewijsmiddelen te onderzoeken of de Raad van Toezicht is misleid, zoals is ten laste gelegd, nu dat niet tot een bewezenverklaring van oplichting van die Raad van Toezicht kan leiden.

4.2

Juridisch kader verduistering in dienstbetrekking

De rechtbank zal hieronder, omwille van de leesbaarheid en zonder vooruit te willen lopen op een bewezenverklaring van de strafbare feiten, uiteenzetten hoe zij de verschillende gevallen van verduistering die [verdachte] worden verweten, heeft beoordeeld.

Ingevolge artikel 321 jo. 322 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is sprake van verduistering in dienstbetrekking wanneer iemand opzettelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort en dat hij anders dan door misdrijf onder zich heeft, uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking of beroep of tegen geldelijke vergoeding onder zich heeft, zich wederrechtelijk toe-eigent.

De vraag die bij verduistering vaak van belang is, is op welk moment gezegd kan worden dat van toe-eigening sprake is. In de jurisprudentie is daarvoor het criterium ontwikkeld dat daarvan sprake is zodra het besluit om zich de zaak naar eigen goeddunken ten nutte te maken, zich in daden heeft omgezet door er als heer en meester over te beschikken. In gevallen waarin een goed daadwerkelijk buiten de zeggenschap van de werkgever-eigenaar wordt gebracht, is dat moment vaak duidelijk te traceren. In deze zaak zou gezegd kunnen worden dat als [verdachte] besluit om kunstvoorwerpen van SGL in zijn eigen woning op te hangen, de verduistering een feit is zodra hij die voorwerpen in zijn eigen woning heeft ondergebracht.

Ingewikkelder is het als [verdachte] als bestuurder van SGL opdracht geeft een dienst of goed te betalen die niet geleverd wordt of voor een lagere prijs en hij dat geld vervolgens aanwendt om een privéuitgave mee te doen. Dit doet zich bijvoorbeeld voor bij één van de paarden, waarbij SGL een rekening betaalt voor kosten, maar de verdenking is dat [verdachte] hiermee voor zichzelf een paard kocht. De verduistering is in dat geval ‘voltooid’ als de betaling aan de zogenaamde leverancier is voltooid en het geld uit de macht is van SGL. Verdachte heeft zich in die situatie het geld als het ware via een derde (longa manu) toegeëigend. Het paard dat hij voor dat geld van die derde verkrijgt, is dan weliswaar met dat verduisterde geld gekocht, maar is niet het verduisterde object.

Nog verder verwijderd van de ‘klassieke’ verduistering is de situatie dat het verduisterde goed formeel eigendom blijft van SGL, maar [verdachte] er als heer en meester over beschikt of heerst. Dit doet zich in deze zaak voor bij paard [naam paard 6] , maar ook bij de verbouwingskosten. Hoewel de rechtbank deze situaties bij de behandeling van de desbetreffende feitonderdelen zal bespreken, geeft zij hier ter verduidelijking toch een voorbeeld. Onderdeel van de verduistering is het verwijt dat [verdachte] een woning van SGL met geld van SGL inricht met de kennelijke bedoeling om als gebruiker van die woning van die inrichting te profiteren. De vraag is dan of gezegd worden dat het geld dat aan die inrichting is uitgegeven, is verduisterd. De rechtbank is van oordeel dat ook in een dergelijk geval kan worden aangenomen dat verdachte als heer en meester over dat geld is gaan beschikken, mits:

a. de desbetreffende uitgave redelijkerwijs niet te relateren is aan het doel waartoe verdachte in zijn functie bevoegdelijk over dat geld mocht beschikken, en

b. het eigen belang bij de aanwending van dat geld duidelijk blijkt.

Anders gezegd: het goed wordt verduisterd als het aan zijn bestemming wordt onttrokken, ten eigen nutte wordt aangewend en zo dus een ander doel krijgt.

4.3

SGL en [naam BV]

4.3.1

De doelstellingen van SGL en [naam BV]

Blijkens haar statuten is het doel van de Stichting Gehandicaptenzorg Limburg (SGL) het ondersteunen van gehandicapten en chronisch zieken bij het bereiken en handhaven van door henzelf gewenste, maatschappelijk gerechtvaardigde leef- en bestaanswijzen. Onder gehandicapten en chronisch zieken worden hierbij verstaan personen die duurzame beperkingen in de zelfredzaamheid ondervinden door lichamelijke, cognitief-intellectuele en/of psychische gevolgen van ziekte, letsel of aangeboren gebrek.

De stichting tracht haar doel te bereiken door:

a. het beheren, administreren, begeleiden, ondersteunen en voor zover nodig het stichten en exploiteren van instellingen, al dan niet met een eigen rechtspersoonlijkheid;

b. het behartigen van de gemeenschappelijke belangen van de stichting alsmede van de instellingen en rechtspersonen waaraan de stichting in het kader van de onder a. omschreven doelstelling diensten verleend dan wel waarover de stichting het beheer voert;

c. het bevorderen van een samenhangend zorgbeleid, zowel plaatselijk als regionaal, onder meer door het samenwerken met andere instellingen op het gebied van intra- en extramurale zorg en aanverwante sectoren;

d. alle andere wettige middelen, die tot het bereiken van het doel bevorderlijk kunnen zijn of daarmee in de ruimste zin verband houden.5

SGL verstrekt als zorgaanbieder zorg in de ruimste zin van het woord aan cliënten met een lichamelijke, zintuiglijke of meervoudige beperking, waaronder cliënten met een niet aangeboren hersenletsel, zogeheten “NAH-cliënten”.

SGL ontvangt op basis van productieafspraken, die zij met zorgkantoren waaronder CZ Zorgkantoor als grootste zorgkantoor (circa 80%) maakt, jaarlijks vele miljoenen euro’s aan publieke (AWBZ) gelden om deze zorg te financieren (in 2010 circa 40 miljoen euro). De AWBZ-gelden worden verstrekt met een bepaald doel namelijk dat deze gelden gebruikt worden voor het leveren van zorg.6

Blijkens de statuten heeft [naam BV] ten doel:

a. bedrijfsmatige activiteiten, waarbij op commerciële basis diensten worden

aangeboden gericht op de ondersteuning van gehandicapten en chronisch zieken

dan wel andere doelgroepen die bij de hiervoor ontwikkelde aanpak baat

kunnen hebben;

b. de exploitatie van gronden en andere onroerende zaken welke mede kunnen

worden ingezet bij de bedrijfsmatige activiteiten gericht op de ondersteuning

van gehandicapten en chronische zieken dan wel andere doelgroepen die bij de

hiervoor ontwikkelde aanpak baat kunnen hebben;

c. de exploitatie van agrarische- en dierbedrijven welke mede kunnen worden

ingezet bij de bedrijfsmatige activiteiten gericht op de ondersteuning van

gehandicapten en chronisch zieken dan wel andere doelgroepen die bij de

hiervoor ontwikkelde aanpak baat kunnen hebben;

d. het ontwikkelen van concepten die, direct of indirect, op korte of lange termijn,

kunnen bijdragen aan nieuwe bedrijfsmatige activiteiten gericht op de

ondersteuning van gehandicapten en chronische zieken dan wel andere

doelgroepen die bij de hiervoor ontwikkelde aanpak baat kunnen hebben;

e. het oprichten van en/of het deelnemen in en/of het samenwerken met en/of het

besturen van en/of het financieren van andere ondernemingen of organisaties met gelijk of aanverwant doel;

f. het oprichten van en/of het deelnemen in en/of het samenwerken met en/of het

besturen van en/of het financieren van andere ondernemingen of organisaties

met algemeen doel;

g. het verstrekken en aangaan van geldleningen, het beheren van en het

beschikken over registergoederen en het stellen van zekerheden, ook voor

schulden van anderen;

h. het verrichten van alle andere activiteiten die verband houden met hetgeen in dit

artikel is opgenomen of daarvoor bevorderlijk kunnen zijn.7

[naam BV] is op 12 augustus 2005 opgericht door de [naam stichting 1] ( [naam stichting 1] ). [naam stichting 1] is op 21 juli 2005 opgericht door de heer [naam oprichter] . [naam stichting 1] was enig aandeelhouder en bestuurder van [naam BV] . SGL, [naam stichting 1] en [naam BV] waren met elkaar verweven via de [naam stichting 2] , een optieovereenkomst, statutaire bepalingen en deelname van bestuurders in elkaars besturen.8

[naam BV] bood – ten tijde hier van belang – dagbesteding aan in een zorgwinkel, een zorgboerderij en manege.

4.3.2

De samenwerking tussen SGL en [naam BV]

SGL is ingaande 1 april 2007 een deel van de door haar geleverde zorg gaan uitbesteden aan [naam BV] . Deze onder aanneming is overeengekomen bij verschillende samenwerkingsovereenkomsten9. In de overeenkomsten wordt overwogen dat SGL zorg levert voor volwassenen met een lichamelijke, zintuiglijke of meervoudige beperking en daartoe voorzieningen zelf inzet dan wel van derden huurt, dat [naam BV] voorzieningen wenst te ontwikkelen en in te zetten, geschikt voor volwassenen met een lichamelijke, zintuiglijke of meervoudige beperkingen, dat SGL in beginsel bereid is deze voorzieningen voor een langere periode te huren en dat partijen deze overeenkomst aangaan om de samenwerking vorm en inhoud te geven.

In de overeenkomsten is afgesproken dat [naam BV] zorg- en dienstverlening in het kader van dagbesteding en ondersteunende en activerende begeleiding zal aanbieden voor cliënten van SGL in de vorm van een zorgboerderij op de locatie ‘ [naam zorgboerderij] ’ in [plaats 2] , ‘ [naam manege 2] ’ in [woonplaats 2] en een winkel, de ‘ [naam winkel] ’ in [vestigingsplaats] .

De zorgboerderij en de winkel maakten voorheen onderdeel uit van SGL. De manege is op

10 april 2007 aangekocht door [naam stichting 1] .

De zorgconcepten die binnen [naam BV] ontwikkeld zouden worden, golden als vernieuwend. De structuur waarbinnen een en ander uiteindelijk is opgezet ( [naam BV] en [naam stichting 1] ), is binnen SGL geïnitieerd door [verdachte] .

Aanvankelijk werd tussen SGL en [naam BV] overeengekomen dat voor door [naam BV] geleverde zorg facturatie zou plaatsvinden op maandbasis achteraf. Met ingang van 2 april 2008 zijn partijen een budgetverhoging overeengekomen en maandelijkse bevoorschotting op basis van een capaciteitsafspraak waarbij partijen overeenkomen dat [naam BV] jaarlijks een overzicht van de gerealiseerde productie aan SGL zou doen toekomen.10

4.3.3

Rol van [verdachte] en [medeverdachte] binnen SGL en [naam BV]

Uit de gegevens van de Kamer van Koophandel blijkt dat [verdachte] in de periode van 1 januari 2001 tot 1 november 2010 enig gevolmachtigd lid van de Raad van Bestuur van SGL was met zelfstandige bevoegdheid om SGL te vertegenwoordigen. In de tenlastegelegde periode, vanaf 2005 tot zijn aftreden op 1 november 2010 was hij enig bestuurder.11 Op 11 februari 2008 is [verdachte] uit hoofde van zijn functie als bestuurder van SGL ook toegetreden tot het bestuur van [naam stichting 1] .

[medeverdachte] is in 2005 in dienst getreden bij SGL als secretaresse van [verdachte] . In die tijd hebben [verdachte] en [medeverdachte] een relatie gekregen. Vanaf 9 april 2007 is [medeverdachte] in dienst getreden bij [naam BV] als manager backoffice.12 De heer [naam oprichter] , destijds nog enig bestuurder van [naam stichting 1] , heeft [medeverdachte] met ingang van 1 augustus 2007 een onbeperkte volmacht verstrekt [naam BV] te vertegenwoordigen.13 Met ingang van 1 juli 2009 was [medeverdachte] bedrijfsdirecteur bij [naam BV] .14

De rechtbank leidt uit de in dit onderzoek afgelegde getuigenverklaringen af dat [verdachte] nagenoeg absolute zeggenschap had om binnen SGL en [naam BV] te bepalen waaraan geldmiddelen werden uitgegeven. Zo is gebleken dat [verdachte] zich binnen SGL niet aan de procuratieregeling hield.15 [verdachte] heeft zelf verklaard dat hij “geregeld door alle procedures is gefietst”.16 Verschillende werknemers verklaren dat als [verdachte] vroeg om een betaling te doen of een handtekening te zetten, je hem niet tegensprak, omdat je anders niet zeker was van je baan.17 Een voorbeeld waaruit blijkt dat [verdachte] geen kritiek verdroeg op wat hij deed en wilde, is af te leiden uit de verklaring van [getuige 5] .18 Deze verklaart dat, nadat zijn collega [naam collega] aan de hand van een door hem opgestelde notitie zich kritisch had uitgelaten over de financiering van [naam BV] , [verdachte] (volgens die collega) die notitie door de kamer gooide en riep wat ze zich wel verbeeldde (hoewel ze controller en accountant was) en dat daarna haar rol in het management was uitgespeeld.

Uit de verklaringen van [getuige 6]19 en [getuige 7]20 blijkt dat [verdachte] het paardendossier bij SGL helemaal alleen beheerde. Ook [getuige 8]21 en [getuige 3]22 verklaren enkel met [verdachte] zaken gedaan te hebben.

Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat als er binnen [naam BV] grote beslissingen moesten worden genomen zij dit eerst overlegde met [verdachte] . [verdachte] overlegt met [naam oprichter] en koppelt dat aan haar terug23. Uit getuigenverklaringen komt ook naar voren dat [medeverdachte] formeel de directrice was, maar dat alle echte besluiten door [verdachte] genomen werden24.

Uit het dossier blijkt dat op papier sprake was van aparte instellingen (SGL, [naam BV] en [naam stichting 1] ) maar dat in de praktische uitvoering ook op lagere niveau’s de zaken nogal eens door elkaar liepen. Zo verrichtten ook medewerkers van SGL wel werkzaamheden voor [naam BV] .

4.4

Kosten stalling, lessen, concoursbegeleiding [naam manege 1] en terugstorting SGL (feitonderdeel 1):

[verdachte] wordt ervan verdacht dat hij in de periode van 1 februari 2005 tot 1 november 2010 bij SGL samen met [medeverdachte] € 23,695,55 heeft verduisterd door stallingskosten, lessen en concoursbegeleiding te laten betalen door SGL en een bedrag over te laten maken op zijn eigen rekening.

Bewijsmiddelen

In de administratie van [getuige 8] te [woonplaats 1] (verder: [getuige 8] ) is een brief van SGL van 10 februari 2005 aangetroffen met als onderwerp “overeenkomst”.25 Deze brief is gericht aan [naam manege 1] en is ondertekend door [verdachte] als bestuurder. De brief is voor akkoord getekend door [getuige 8] . In deze brief is een aantal afspraken voor een periode van vijf jaar vastgelegd tussen SGL en [naam manege 1] . Deze zien onder andere op stalling en verzorging (€ 6.240,-), lessen met [naam paard 19] en [naam paard 14] (€ 3.300,-) en concoursbegeleiding (€ 3.600,- ). Afgesproken wordt dat er per maand een voorschot van € 1.220,- euro wordt betaald.

Op de specificatie van grootboekrekening 430050 “Promotiekosten en drukwerk” van SGL over het jaar 2005 staan onder de kop “Aanschaf en stalling” maandbijdragen vermeld van € 1.220,- aan [naam manege 1] in de periode februari tot en met december 2005 voor een totaalbedrag van € 17.205,00.26

In de auditfiles 2006 van SGL heeft de FIOD de volgende betalingen aangetroffen voor [naam manege 1]27:

01-01-2006 "Maandbijdrage [getuige 18] & [naam manege 1] " € 1.220,00

27-01-2006 " [naam manege 1] maandbijdr febr" € 1.220,00

10-02-2006 " [naam manege 1] plaats/verzorg j" € 6.230,00

27-03-2006 "Maandbijdrage april [naam manege 1] " € 3.115,00

01-04-2006 " [naam manege 1] mrt 6 ING 49" € 3.115,00

28-04-2006 " [naam manege 1] maandbijdr mei" € 3.115,00

31-05-2006 " [naam manege 1] maandbijdr ju" € 3.115,00

19-06-2006 " [naam manege 1] ondersteuningltr" € 22.000,00

23-06-2006 " [naam manege 1] termijn juli" € 3.115,00

28-07-2006 " [naam manege 1] maandbijdr aug 2" € 3.115,00

01-09-2006 " [naam manege 1] maandbijdr sept" € 3.115,00

10-10-2006 " [naam manege 1] ; oktober" € 3.115,00

27-10-2006 " [naam manege 1] maandbijdr nov" € 3.115,00

SUBTOTAAL € 58.705,00

Getuige [getuige 7], administratief medewerkster bij SGL, heeft op 27 november 2013 verklaard dat er bij SGL geen paardendossier was, maar dat zij op eigen initiatief binnen de administratie wel een en ander hebben bijgehouden, gewoon extracomptabel. [verdachte] bepaalde alles als het ging om de paarden. Hij gaf de opdracht tot betaling van alle uitgaven op paardengebied. In 2005 werden de paarden onder andere gestald bij [getuige 8] .28

Getuige [getuige 6], voormalig intern controller bij SGL, heeft verklaard dat het hele paardendossier werd getrokken door [verdachte] . Hij was de initiatiefnemer. Hij was degene die de paarden kocht. Zij kregen kattenbelletjes (briefjes) of facturen over de paarden van [verdachte] . De bedragen over [naam manege 1] werden vaak betaald, omdat ze door 'kattenbelletjes' die opdracht kregen, waarbij later via [verdachte] de specificaties volgden. Hij gaf ook wel eens een mondelinge opdracht maar dan wilde [getuige 6] dat [verdachte] dit schriftelijk deed en dan kreeg hij de zogenaamde ‘kattenbelletjes’. De administratie kreeg dit en moest dat doen.29

Stallingskosten:

In de administratie van [getuige 8] is een tiental handgeschreven pagina’s aangetroffen. Daarop hield [getuige 8] voor de jaren 2005 en 2006 bij welke diensten hij voor SGL verrichtte en tegen welke kosten. Op enkele van die bladen is geadministreerd welke paarden er in welke maand bij [getuige 8] gestald stonden.30

Uit deze pagina’s blijkt dat dat de paarden [naam paard 14] , [naam paard 13] , [naam paard 2] en [naam paard 1] in de hierna vermelde perioden bij [naam manege 1] zijn gestald en dat voor deze paarden de volgende stallingsgelden verschuldigd waren:

[naam paard 14] :

februari tot en met december 2005: € 260,00 per maand Totaal: € 2.860,00

januari tot en met november 2006: € 260,00 per maand Totaal: € 2.860,00

[naam paard 13] :

februari tot en met mei 2006 € 260,00 per maand Totaal: € 1.040,00

oktober 2006 € 156,00 per maand Totaal: € 156,00

november 2006 € 260,00 per maand Totaal: € 260,00

[naam paard 2] :

december 2005 € 103,99 per maand Totaal: € 103,99

januari tot en met november 2006: € 260,00 per maand Totaal: € 2.860,00

[naam paard 1] :

juni tot en met november 2006: € 260,00 per maand Totaal: € 1.560,00

Het totaalbedrag dat in 2005 en 2006 door [getuige 8] aan SGL aan stallingskosten in rekening is gebracht voor deze paarden, is dus € 11.699,99.

In de auditfiles van SGL hebben de verbalisanten geen mutaties aangetroffen waaruit blijkt dat de paarden [naam paard 13] en [naam paard 14] (dan wel [naam paard 14] ) op enig moment het eigendom zijn geweest van SGL.31

[verdachte] heeft op 19 november 2013 verklaard dat hij de paarden [naam paard 13] , [naam paard 14] en [naam paard 1] in privé heeft gekocht of van iemand heeft overgenomen.32

Getuige [getuige 8] heeft op 12 maart 2014 verklaard dat hij weet dat [naam paard 13] door [verdachte] in privé is aangekocht. Hij heeft dit opgezocht in de bankstukken en hij heeft gezien dat [naam paard 13] via de privérekening van [verdachte] is betaald. [naam paard 13] heeft [verdachte] aangeschaft voor [naam dochter] . [verdachte] reed zelf ook paard. [verdachte] reed in eerste instantie paard op paarden van de manege bij [getuige 8] . Daarna heeft hij bij [getuige 8] een eigen paard gestald. Dat paard heette [naam paard 2] . [getuige 8] heeft verder verklaard dat hij het paard [naam paard 14] niet kent. Hij weet alleen dat het paard [naam paard 14] er was geplaatst en dat SGL de stalling, dat liep via een contract met SGL, betaalde. In eerste instantie heeft [verdachte] de stalling en dergelijke van [naam paard 13] privé betaald, maar naderhand, toen de contracten tussen SGL en [getuige 8] zijn opgesteld, zijn die kosten daarin meegenomen en heeft SGL de kosten van stalling voor [naam paard 13] betaald. [getuige 8] heeft verklaard dat er twee contracten zijn geweest met SGL. SGL betaalde eerst maandelijks een bedrag van ongeveer € 1.220,-. Naderhand zijn daar meer paarden bijgekomen en is het contract aangepast waardoor er maandelijks € 3.115,- door SGL aan [getuige 8] zou worden overgemaakt. [getuige 8] verklaart aan de hand van zijn bankbescheiden dat hij ziet dat hij in januari 2006 nog een betaling heeft ontvangen van € 1.220,-, maar dat hij 10 februari 2006 een betaling heeft ontvangen van € 6.230,- waarbij als omschrijving staat vermeld "Plaatsing en verzorging januari 2006 en februari 2006". Vanaf dat moment zal dus het nieuwe contract in werking zijn getreden. 33

Getuige [getuige 12] heeft op 10 april 2014 verklaard dat [naam paard 13] , [naam paard 14] en daarna [naam paard 1] paarden van [verdachte] zijn geweest. Ook was [naam paard 2] een paard van hem. [naam dochter] kreeg eerst les op [naam paard 13] . Daarna op het paard [naam paard 14] dat ook wel [naam paard 14] werd genoemd.34

Getuige [getuige 10] heeft op 22 november 2013 verklaard dat [naam dochter] voor [naam paard 5] en [naam paard 6] het paard [naam paard 13] had. Daarna kreeg [naam dochter] het paard [naam paard 14] . Dit paard had een heupprobleem en is toen weggegaan. Daarna kwam [naam paard 1] . Die had een probleem in de rug of nek en die is toen ook afgevoerd. Daarna kwamen [naam paard 5] en [naam paard 6] .35

Bewijsoverweging stallingskosten:

Uit deze bewijsmiddelen concludeert de rechtbank dat in opdracht van [verdachte] door SGL aan [getuige 8] de kosten voor stalling zijn betaald voor [naam paard 13] , [naam paard 14] , [naam paard 2] (verder: [naam paard 2] ) en [naam paard 1] , terwijl het hier paarden van [verdachte] zelf betrof. Voor [naam paard 13] en [naam paard 14] blijkt dit uit de hierboven weergegeven bewijsmiddelen, voor [naam paard 2] en [naam paard 1] blijkt dit uit voormelde bewijsmiddelen en voorts uit de hierna te bespreken feitonderdelen 2 en 3. [verdachte] kon uit hoofde van zijn functie als bestuurder van SGL beschikken over gelden van SGL. Uit de verklaringen van [getuige 7] en [getuige 6] blijkt dat [verdachte] alle betalingsopdrachten die op het paardendossier zagen heeft gegeven. Door stallingskosten van eigen paarden te laten betalen door SGL heeft verdachte zich deze gelden wederrechtelijk toegeëigend.

De rechtbank acht daarmee wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] deze stallingskosten verduisterd heeft onder de verzwarende omstandigheid dat hij deze gelden uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich had.

Lessen:

Uit de eerder genoemde overeenkomst tussen [naam manege 1] en SGL blijkt dat het tarief voor een privéles € 16,50 bedroeg.36 Per 1 mei 2006 is dit tarief verhoogd naar € 17,50 per les.37

In de administratie van [getuige 8] zijn lijsten aangetroffen die betrekking hebben op de verantwoording van de gegeven lessen in 2005 door [naam manege 1] in het kader van de samenwerking met SGL.38 Aan de hand van deze lijsten heeft de FIOD overzichten39 gemaakt van lessen die aan [naam dochter] zijn gegeven. Uit dat overzicht blijkt dat [naam dochter] in 2005 voor € 1.707,75 aan privélessen en voor € 462,00 aan groepslessen heeft gevolgd. Zij volgde in 2005 dus voor een totaalbedrag van € 2.169,75 aan lessen.

In de administratie van [getuige 8] zijn verder twee verschillende versies van lijsten aangetroffen die betrekking hebben op de verantwoording van de gegeven lessen in 2006 door [naam manege 1] in het kader van de samenwerking met SGL.40 In de lijst D-674A is het (naast anderen) steeds [naam dochter] die lessen volgt. In de lijst D-674B tot en met 29 november 2006, staan vanaf 5 augustus 2006 ook de namen “ [medeverdachte] ” en “ [verdachte] en [medeverdachte] ” waar in de lijst D-674A de namen “ [getuige 12] ”, “ [naam 3] ” en “ [naam dochter] ” staan ingevuld. Ook van deze lijsten heeft de FIOD overzichten41 gemaakt. Daaruit blijken [naam dochter] , [medeverdachte] en [verdachte] in 2006 voor € 3.985,25 aan paardrijlessen te hebben gevolgd bij [naam manege 1] .

Getuige [getuige 8] heeft verklaard dat er in de contracten met SGL ook privélessen van [verdachte] , [naam dochter] , zijn dochter, en van [medeverdachte] zaten. Zij heet [medeverdachte] met de voornaam. Waarom zij er ook kwam paardrijden kon hij niet meteen plaatsen.42

[verdachte] heeft nooit contant een les betaald en [getuige 8] heeft ook nooit via de bank privélessen van hem voor het paardrijden betaald gekregen. De lijsten onder de nummers D-674B zijn de kladlijsten die [getuige 8] heeft gemaakt op het moment dat de les daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Dat leidt hij onder meer af uit het feit dat hij hierop minder netjes heeft geschreven, nog wel eens een doorhaling heeft geplaatst of onderaan pagina's een extra les heeft vermeld. D-674A is de lijst die hij naderhand, aan de hand van D-674B heeft opgemaakt. Daar heeft hij alles netjes opgeschreven en die lijsten waren bestemd voor de accountant. Als hem gevraagd wordt waarom hij de namen veranderd heeft, weet hij dat niet meer maar kan het volgens hem niet anders zijn dan dat hij dat op verzoek van [verdachte] heeft gedaan.43

Getuige [getuige 28] heeft verklaard dat zij werkzaam is voor de [naam manege 1] en dat [verdachte] hier ook paard heeft gereden. Hij heeft op een gegeven moment een eigen paard gekocht. Dat heette [naam paard 2] . Hij heeft ongeveer een half jaar tot een jaar voorafgaande aan de aankoop van [naam paard 2] hier lessen gevolgd op diverse manegepaarden.44

Getuige [getuige 12] heeft verklaard dat zij met de andere amazones een sponsorcontract heeft gekregen. Op de vraag of [naam dochter] ook een sponsorcontract had, antwoordt [getuige 12] van niet. Zij had ook het idee dat de lessen die [naam dochter] bij [getuige 8] heeft gevolgd gewoon privélessen waren. Voor haar was de situatie van [naam dochter] en die van de rest van de amazones ook echt anders. Zij kregen aan de hand van een sponsorcontract een paard toegewezen waarbij heel nauwkeurig werd gekeken of er een klik was tussen paard en amazone. [naam dochter] kreeg gewoon les op haar paard dat al van haar was.45

Bewijsoverweging lessen:

Uit deze bewijsmiddelen concludeert de rechtbank dat SGL paardrijlessen aan [getuige 8] betaald heeft die aan [naam dochter] , [medeverdachte] en [verdachte] zelf gegeven zijn. [verdachte] heeft aangevoerd dat die lessen werden genomen om expertise op te bouwen in verband met de over te nemen [naam manege 2] . Dit zou passen binnen de strategie om een (zorg)manege te starten. De rechtbank acht dit ongeloofwaardig. Het is onwaarschijnlijk dat de bestuurder van SGL in zijn vrije tijd paardrijlessen gaat volgen om expertise op te doen die noodzakelijk zou zijn bij het aanbieden van zorg op een manege. Hetzelfde geldt voor [medeverdachte] , die in die tijd secretaresse van [verdachte] was. Dat de rijlessen van [verdachte] en [medeverdachte] pasten binnen de strategie van het opzetten van een zorgmanege door SGL middels [naam BV] heeft bovendien geen bevestiging gevonden in notities, notulen van vergaderingen of andere beleidsstukken bij SGL. Voorts valt niet in te zien waarom [getuige 8] de namen van [verdachte] en [medeverdachte] in dat geval niet in de “officiële” lessenverantwoording had kunnen opnemen. Voor [naam dochter] gaat het argument van het “opdoen van expertise” hoe dan ook niet op, omdat [naam dochter] geen enkele formele bemoeienis met SGL of [naam BV] en de zorgmanege had. [verdachte] heeft dus SGL de maandelijkse voorschotten aan [getuige 8] laten betalen, waarin ook de lessen aan [naam dochter] , [medeverdachte] en [verdachte] begrepen waren. Door privélessen van zichzelf, zijn dochter en zijn partner [medeverdachte] te laten betalen door SGL heeft [verdachte] zich deze gelden wederrechtelijk toegeëigend. Hij kon uit hoofde van zijn functie beschikken over gelden van SGL. De rechtbank is dan ook van oordeel dat [verdachte] de bedragen voor die lessen verduisterd heeft onder de verzwarende omstandigheid dat hij deze gelden uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich had.

Concoursbegeleiding:

In de administratie van [getuige 8] zijn lijsten aangetroffen die betrekking hebben op concoursbegeleiding van onder meer [naam dochter] in 2005 en in 2006.46 Aan de hand van deze lijsten heeft de FIOD een overzicht opgesteld van de wedstrijden die [naam dochter] in 2005 en 2006 heeft gereden47.

Uit de eerdergenoemde overeenkomst tussen [naam manege 1] en SGL blijkt dat de vergoeding voor [getuige 8] voor de begeleiding per wedstrijd € 60,00 bedraagt.48

De totale kosten voor concoursbegeleiding van [naam dochter] bedroegen in de jaren 2005 en 2006 € 2.700,00.

Bewijsoverweging concoursbegeleiding:

Net als bij de paardrijlessen acht de rechtbank bewezen dat de beslissing om de kosten van concoursbegeleiding van [naam dochter] bij [getuige 8] door SGL te laten betalen, afkomstig is van [verdachte] . Hij heeft als enige de contacten van SGL met [getuige 8] begeleid. Als enig bestuurder van SGL kon [verdachte] beschikken over de gelden van SGL. Uit de door [getuige 7] en [getuige 6] afgelegde verklaringen volgt dat de administratie betalingen die verband hebben gehouden met de aankoop, stalling en verzorging van paarden heeft verricht in opdracht van [verdachte] . Daarom is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat [verdachte] het bedrag aan kosten dat gemoeid is met de concoursbegeleiding van [naam dochter] verduisterd heeft onder de verzwarende omstandigheid dat hij deze gelden uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich had.

Terugstorting SGL

Bij de bespreking van de stallingskosten is al gewezen op de tien handgeschreven pagina’s waarop [getuige 8] de aan SGL geleverde diensten administreerde. 49 Op een van deze pagina’s staat bij de datum “10-2” een bedrag van € 6.230,00 vermeld,50 dat overeenkomt met de betaling van SGL aan [getuige 8] op 10 februari 2006 die is aangetroffen in de auditfiles van SGL.51 Op genoemde handgeschreven pagina staat bij het bedrag € 6.230,00 een verwijzing met een pijl naar de datum “16-5-2006”, waarbij staat vermeld terugstorting € 3.140,56.

Uit een afschrift van de ING rekening met nummer [rekeningnummer 2] , zijnde de ING bankrekening van [verdachte] ,52 blijkt dat op deze rekening op 23 mei 2006 een bedrag van € 3.140,56 is overgemaakt van rekening 0146501608 onder vermelding van “ [naam manege 1] [adres 1] [woonplaats 1] 0034”.

Getuige [getuige 8] heeft verklaard dat de verrekening van 22 mei 2005 (de rechtbank begrijpt: 2006) betrekking had op het stallen van de paarden en de lessen die hij gaf. Deze kosten waren dus door SGL betaald. SGL betaalde altijd deze kosten en volgens de berekening had [getuige 8] voor de stalling en dergelijke te veel ontvangen. Hij heeft dat rekeningnummer van [verdachte] doorgegeven gekregen. Hij heeft een bedrag van € 3.140,56 overgemaakt. [verdachte] heeft hem nooit medegedeeld dat hij per ongeluk een bedrag van ruim € 3.000 op diens privérekening had overgemaakt.53

Bewijsoverweging terugstorting:

Uit de in de bewijsmiddelen weergegeven gang van zaken blijkt dat [verdachte] het aan SGL toekomende bedrag van € 3.140,56 aan zichzelf heeft laten overmaken. Daarmee heeft [verdachte] zichzelf verrijkt met geld van SGL. [verdachte] was degene die namens SGL de contacten met [getuige 8] onderhield en opdracht gaf tot betalingen aan [getuige 8] . Hij heeft ter zitting aangegeven dat dit niet correct is geweest en niet transparant. Hij stelt dat hij het bedrag echter naar de ruitervereniging van [naam manege 1] heeft overgemaakt. [verdachte] heeft deze stelling niet onderbouwd met stukken, zoals een bankafschrift. Wat verdachte (overigens voor het eerst ter zitting) stelt schuift de rechtbank dan ook ter zijde. De rechtbank kan de redenering ook niet volgen. Niet valt in te zien welk legitiem belang van SGL zou worden gediend met het overmaken van het bedrag aan de ruitervereniging van [naam manege 1] .

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het bedrag van € 3.140,56 van SGL verduisterd heeft onder de verzwarende omstandigheid dat hij dit bedrag uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich had.

Conclusie feitonderdeel 1:

Op grond van voornoemde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] in de periode van 10 februari 2005 tot en met november 2006 met het laten betalen door SGL van de stalling van eigen paarden, de paardrijlessen van zijn dochter, [medeverdachte] en hemzelf bij [naam manege 1] en de concoursbegeleiding door [naam manege 1] van de wedstrijden van zijn dochter en het laten storten van een geldbedrag dat SGL toekwam op zijn eigen rekening een bedrag van € 23.695,55 heeft verduisterd onder de verzwarende omstandigheid dat hij deze gelden uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich had.

De rechtbank acht niet bewezen dat [verdachte] dit samen met [medeverdachte] heeft gedaan. Het dossier bevat onvoldoende bewijs dat [medeverdachte] bij deze verduisteringen een dusdanige rol heeft vervuld dat zij als medepleger is aan te merken.

4.5

[naam paard 2] (feitonderdeel 2)

[verdachte] wordt ervan verdacht dat hij in de periode van 1 februari 2005 tot 1 november 2010 bij SGL samen met [medeverdachte] € 15.000,00 heeft verduisterd door de aankoop van [naam paard 2] , dan wel dit paard heeft verduisterd en dat hij in de periode van 1 december 2005 tot en met 5 december 2010 samen met [medeverdachte] een factuur van [getuige 3] met bijbehorende specificatie valselijk heeft opgemaakt.

Bewijsmiddelen:

In het pand [adres 1] in [woonplaats 1] is een memo van 1 december 2005 aangetroffen afkomstig van [verdachte] en gericht aan [getuige 6] over “paarden en stalling”.54 De tekst van deze memo luidt als volgt: , gaarne overmaken aan dhr. [getuige 3] , [adres 5] uit [woonplaats 2] een bedrag van € 138.800 (honderdachtendertigduizendachthonderd euro). Een specificatie van het bedrag (hoe opgebouwd) krijg je z.s.m. Met dank, [verdachte] ”. Tevens staat op deze memo het nummer “ [rekeningnummer 4] ”.

Deze memo is ook aangetroffen bij SGL met daarbij door [verdachte] getekende verzendbestanden die onder meer betrekking hebben op een bedrag van € 138.800,00.55 Uit deze verzendbestanden blijkt dat het nummer [rekeningnummer 4] het rekeningnummer van [getuige 3] is en dat voornoemd bedrag op 2 december 2005 is overgemaakt van de rekening van SGL naar de rekening van [getuige 3] met omschrijving “paarden en stalling”.

Ook uit een bankrekeningafschrift van [getuige 3] (verder: [getuige 3] ) van de Rabobank met volgnummer 0185 en bladnummer 0001 van 4 januari 2006, betreffende rekeningnummer [rekeningnummer 4] , blijkt dat op 2 december 2005 een bedrag van € 138.800,00 is bijgeschreven vanaf de rekening van SGL. Op dat bankafschrift zijn met pen enkele opmerkingen geplaatst die vermoedelijk op deze boeking betrekking hebben. Bij het bedrag van € 138.800,00 is namelijk een pijl geplaatst naar de geschreven opmerking die als volgt luidt: “Opbr. Paarden [getuige 14] (verkocht aan SGL)”. Daarnaast is met pen bij het bedrag een omcirkeld sterretje geplaatst met een geschreven tekst, waaruit blijkt dat het bedrag ziet op “stalling paarden november en december 2005 a 1.700,-, de rest is aankoop paarden + vooruitbetaling stalling”.56

[getuige 3] heeft naast dit bankafschrift een handgeschreven A4tje verstrekt waarbij aan de rechterbovenzijde omkaderd de naam SGL staat vermeld. Uit de tekst van dit blad blijkt dat het bedrag van € 138.800,00 is opgebouwd uit de “verkoop van 4 paarden van [getuige 14] ” voor € 36.000,00, “10 paarden van [getuige 3] .” voor een totaalbedrag van € 79.000,00 en “Stallingskosten” voor € 23.800,-. In een specificatie van de tien paarden is ook [naam paard 2] opgenomen voor een bedrag van € 15.000,00 met daarachter genoteerd “( [medeverdachte] )”.57

Uit het bankafschrift van [getuige 3] met volgnummer 0185 en bladnummer 0002 van 4 januari 2006, betreffende rekeningnummer [rekeningnummer 4] , blijkt dat op 13 december 2005 een bedrag van € 13.000,00 is overgemaakt aan “ [naam 8] ”. Als omschrijving staat vermeld “ [naam paard 2] ”.58

Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat de € 138.800,- die te zien is op het bankafschrift verder is uitgeschreven op het handgeschreven A4-tje. Die € 138.800,- hadden betrekking op 4 paarden die door zijn zoon [getuige 14] zijn verkocht aan SGL en 10 paarden die door [getuige 3] zijn verkocht aan SGL. Deze 10 paarden zijn nader gespecificeerd. [getuige 3] wil daarbij nog wel opmerken dat hij het paard [naam paard 2] nooit heeft gezien. Dit paard is betaald door [getuige 3] in opdracht van [verdachte] .59

In [adres 1] zijn een factuur voor een bedrag van € 138.800,00 en de specificatie daarvan aangetroffen. De factuur van 1 december 2005 is afkomstig van [getuige 3] en is gericht aan SGL. Deze factuur is voorzien van een accordering en handtekening van [verdachte] . Het bedrag van € 138.800,00 is in de specificatie opgebouwd uit de kosten voor de aankoop van dertien paarden in welke opsomming [naam paard 2] ontbreekt.60


Deze factuur en specificatie zijn niet aangetroffen in de administratie van SGL.61

Bij digitaal onderzoek62 aan de bestanden die zijn veiliggesteld vanaf de server van SGL is op een server van SGL waarop computerdata van [naam BV] en SVL BV stonden63 (digitaal) ook een factuur d.d. 1‑12‑200564 en een specificatie65 van het op die factuur genoemde bedrag aangetroffen in de directory ‘…/oude documenten/ [naam account] /diversen/’. Deze factuur en specificatie zijn gelijk aan de op [adres 1] aangetroffen hierboven genoemde schriftelijke bescheiden. Bij dit digitaal onderzoek zijn de bestandseigenschappen van deze bestanden onderzocht en gebleken is dat de factuur op 17-5-2006 en de specificatie op 14 -2-2007 voor het laatst opgeslagen zijn door het gebruikersaccount “ [naam account] ”.

[getuige 3] heeft verklaard dat het juist is dat hij in ieder geval in 2005 en 2006 diverse warmbloedpaarden heeft verkocht aan [verdachte] , die nagenoeg allemaal zijn betaald door SGL. [getuige 3] heeft geen facturen opgemaakt. Hij heeft wel notities gemaakt over de verkoop van paarden. Deze paarden stonden ook gewoon bij [getuige 3] gestald. Dan kreeg [verdachte] of [medeverdachte] van [getuige 3] een briefje met de kosten die hij hun voor de stalling in rekening bracht. Alles is wel per bank betaald, dus dat is terug te vinden.66

[getuige 3] heeft verklaard dat hij de factuur en de specificatie niet kent, dat hij ze nooit eerder heeft gezien en dus ook niet heeft opgemaakt. [getuige 3] heeft verklaard dat hij denkt dat de kopende partij deze stukken heeft opgemaakt aan de hand van briefjes met de kosten van de paarden en dergelijke.67

[getuige 3] heeft verklaard dat het door hem verstrekte handgeschreven A4’tje is opgemaakt door zijn dochter Mariet. Dat moet goed zijn. De bedragen van de paarden die staan op de specificatie kan hij niet plaatsen. De bovenste paarden zijn aanzienlijk duurder dan dat hij zich kan herinneren. Zijn dochter is altijd zorgvuldig met bedragen en administratie dus die gegevens moeten kloppen.68

[getuige 14] , die aanwezig was bij het vierde verhoor van zijn vader [getuige 3] op 5 november 2013, onderschrijft wat zijn vader verklaart (hierboven opgenomen) en heeft daarnaast verklaard dat [verdachte] zelf alles heeft geregeld voor het paard [naam paard 2] . [verdachte] gaf bij hen aan dat hij ergens buiten hen om een paard had gekocht en [verdachte] gaf hen de opdracht om € 13.000,- te betalen aan [naam 8] . [verdachte] heeft tegen hen gezegd dat zij het paard bij SGL in rekening konden brengen.69

Verdachte [verdachte] heeft verklaard dat het paard [naam paard 2] van hemzelf is geweest. Hij heeft een blauwe maandag het idee gehad om ook op een paard te gaan zitten. Hij heeft ook les gehad. Hij wilde op dat vlak ook iets van expertise opbouwen. Hij heeft dit paard uiteindelijk verkocht aan [naam BV] .70 Ter zitting heeft [verdachte] verklaard dat hij de factuur en de specificatie heeft opgemaakt.

Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat zij de secretaresse van [verdachte] is geweest bij SGL.71

Getuige [getuige 6] heeft verklaard dat hij in 2005 en 2006 bij SGL heeft gewerkt als internal controller. [getuige 6] heeft verklaard dat het hele paardendossier werd getrokken door [verdachte] . Hij was de initiatiefnemer, hij was degene die de paarden kocht. De externe accountant noemde het 'het hippische gebeuren'. Zij kregen kattenbelletjes (briefjes) of facturen voor de paarden van [verdachte] .72 [getuige 6] heeft verklaard dat hij het aan hem geschreven memo van 1 december 2005 herkent. Dit is het briefpapier van SGL. [verdachte] heeft dit geschreven. Het bankrekeningnummer is door [getuige 6] op deze memo geschreven na opgave daarvan door [verdachte] . [verdachte] besliste en regelde alles over het paardendossier. Zij konden alleen maar werkzaamheden uitvoeren en dingen signaleren en deze doorgeven aan de externe accountant in de hoop dat hij er iets aan kon doen. Zij konden alleen maar uitvoeren, geen kritische vragen stellen aan [verdachte] want anders kon je meteen vertrekken.73

Bewijsoverweging:

Uit de hierboven weergegeven bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat [verdachte] het paard [naam paard 2] van ene [naam 8] wilde kopen. Om te voorkomen dat hij dat zelf moest betalen, regelde hij met [getuige 3] dat deze dat paard van die [naam 8] zou kopen en de koopprijs ervan (met een opslag van 2.000 euro) aan SGL in rekening kon brengen. Om te voorkomen dat [naam paard 2] op de balans van SGL terecht zou komen, maakte [verdachte] zelf een factuur (voor hetzelfde bedrag) en specificatie op naam van [getuige 3] waarop [naam paard 2] niet meer voorkwam. De prijs van dat paard verdeelde [verdachte] over de andere paarden. Als enig bestuurder van SGL kon [verdachte] beschikken over de gelden van SGL. Uit de door [getuige 7] en [getuige 6] afgelegde verklaringen volgt dat de administratie betalingen die verband hebben gehouden met de aankoop, stalling en verzorging van paarden heeft verricht in opdracht van [verdachte] .

Daarmee acht de rechtbank ten eerste wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] het aankoopbedrag voor [naam paard 2] ad € 15.000,- verduisterd heeft van SGL onder de verzwarende omstandigheid dat hij deze gelden uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich had. Ten tweede acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] daartoe een factuur en specificatie ten name van [getuige 3] valselijk heeft opgemaakt.

De officier van justitie heeft tenlastegelegd dat verdachte deze feiten tezamen en in vereniging heeft gepleegd. Aanwijzing daarvoor is dat de valselijk opgemaakte factuur en specificatie zijn aangetroffen in het account van medeverdachte [medeverdachte] . De vraag is of deze aanwijzing voldoende is om te kunnen concluderen dat [medeverdachte] die valse factuur en specificatie (mede) heeft opgesteld en op de hoogte was van de valsheid ervan. Op de zitting heeft [verdachte] verklaard dat hij degene is geweest die de factuur en specificatie heeft gemaakt. [medeverdachte] heeft op de zitting verklaard dat zij [verdachte] administratief ondersteunde en het goed kan zijn dat zij op verzoek van [verdachte] die bescheiden bijvoorbeeld heeft geprint en ze daarbij in haar eigen account heeft opgeslagen. De rechtbank acht die verklaringen niet zo onwaarschijnlijk dat ze terzijde gesteld kunnen worden. Met andere woorden: het is niet volstrekt onaannemelijk dat het is gegaan zoals [verdachte] en [medeverdachte] verklaren. Die twijfel over de deelname van [medeverdachte] resulteert erin dat bij [verdachte] moet worden vrijgesproken van het element ‘tezamen en in vereniging met een ander’ en aangenomen zal worden dat hij deze strafbare gedragingen alleen heeft gepleegd.

4.6

[naam paard 1] (feitonderdeel 3)

[verdachte] wordt ervan verdacht dat hij in de periode van 1 februari 2005 tot 1 november 2010 bij SGL samen met [medeverdachte] € 22.000,00 heeft verduisterd door de aankoop van [naam paard 1] , dan wel dit paard heeft verduisterd en dat hij in de periode van 1 december 2005 tot en met 5 december 2010 samen met een ander een brief valselijk heeft opgemaakt waarmee een privébetaling is verhuld.

Bewijsmiddelen

In het pand [adres 1] in [woonplaats 1] is een brief van SGL aan [naam manege 1] aangetroffen met als datum 16 juni 2006. Deze brief bevat de volgende tekst: “In het kader van de verdere ontwikkeling en begeleiding bij een aantal van onze concourspaarden, spraken wij op 14 juni jongstleden af u daarvoor een eenmalige bijdrage van € 22.000,00 te betalen. De ondersteuning/training zal plaatsvinden in 2006 gedurende de reguliere concoursen conform de KNHS-agenda. Het bedrag zal een dezer dagen aan u worden overgemaakt.” De brief is geschreven op briefpapier van SGL en door [verdachte] ondertekend als bestuurder van SGL.74

Uit het bankafschrift van de Rabobankrekening 1465.01.608 op naam gesteld van [naam manege 1] d.d. 19 juni 2006 staat vermeld dat van de “St. Gehandic. Zorg Limb.” een bedrag van € 22.000,00 is bijgeschreven met de omschrijving: “Ondersteuning/training concourspaarden 2006”.75

Getuige [getuige 8] heeft verklaard dat [verdachte] bij hem kwam en dat hij interesse had in het paard [naam paard 1] dat bij hem op de manege stond. Dit was een heel goed paard met een predicaat. Dat betekent dat een keuring plaatsvindt op de bouw van het paard en op de bewegingen van het paard in stap, draf en galop. Het paard was een afstammeling van [naam paard 20] . [naam paard 20] was een grandprix dekhengst om maar eens aan te geven dat het paard die waarde van € 22.000,- ook echt waard was, aldus [getuige 8] . [verdachte] heeft niet afgedongen op de prijs. Hij heeft bij de koop wel verteld dat het anders moest als

anders. Hij heeft die brief opgemaakt waarin staat vermeld dat [getuige 8] een bedrag van € 22.000,- zou ontvangen in het kader van de verdere ontwikkeling en begeleiding van een aantal concourspaarden van SGL. [getuige 8] heeft verklaard dat dit natuurlijk niet waar is. De

€ 22.000,- had enkel betrekking op de verkoop van het paard [naam paard 1] . [getuige 8] kreeg voor de stalling en begeleiding al maandelijks een bedrag overgemaakt. [getuige 8] heeft verklaard dat hij weet dat het paard bestemd was voor [naam dochter] . Zij reed op dat paard en heeft daar ook wedstrijden op gereden. Die bespreking van 14 juni 2006, die in de brief staat vermeld, is natuurlijk ook gewoon de overeenkomst geweest om het paard [naam paard 1] te kopen en meer niet. 76


Tijdens de doorzoeking van het pand [adres 1] te [woonplaats 1] is onder meer een plastic map in beslag genomen met documenten welke betrekking hebben op het paard [naam paard 1] . Hierin is een stamboekbewijs van [naam paard 1] aangetroffen van 20 juni 2005 waarop staat vermeld dat [getuige 8] op dat moment de eigenaar van het paard is.77

Verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij eigenaar is geweest van [naam paard 1] .

Getuige [getuige 7], administratief medewerkster bij SGL, heeft op 27 november 2013 verklaard dat er bij SGL geen paardendossier was, maar dat zij op eigen initiatief binnen de administratie wel een en ander hebben bijgehouden, gewoon extracomptabel. [verdachte] bepaalde alles als het ging om de paarden. Hij gaf de opdracht tot betaling van alle uitgaven op paardengebied. In 2005 werden de paarden onder andere gestald bij [getuige 8] .78

Bewijsoverweging:

De vraag is of voornoemde bewijsmiddelen volstaan als bewijs dat [verdachte] het door SGL aan [getuige 8] betaalde bedrag van € 22.000,- heeft verduisterd voor de aankoop van [naam paard 1] . Voorts is de vraag of hieruit blijkt dat hij ter maskering van die aankoop in privé een onjuiste opdrachtbevestiging valselijk heeft opgemaakt. [verdachte] betwist namelijk dat de inhoud van de opdrachtbevestiging onjuist (vals) is. Hij stelt dat hij [naam paard 1] gewoon contant van [getuige 8] gekocht heeft.

De rechtbank is van oordeel dat zowel de verduistering als de valsheid in geschrifte wettig en overtuigend bewezen verklaard moeten worden. Dit om de volgende redenen.

  • -

    De verklaring van [getuige 8] komt de rechtbank betrouwbaar over. Er is niet gebleken van enig motief bij [getuige 8] om [verdachte] ten onrechte deze verduistering en valsheid in geschrifte in de schoenen te schuiven. Integendeel: [getuige 8] toont zich in zijn verhoor duidelijk gegeneerd dat hij aan deze constructie heeft meegewerkt.

  • -

    [getuige 8] onderbouwt de valsheid van de schriftelijke bevestiging door erop te wijzen dat het onlogisch was om een aparte betaling voor deze werkzaamheden te doen, omdat er al een overeenkomst79 lag op grond waarvan voor die diensten werd betaald. Op de vraag op de zitting aan [verdachte] waarop deze overeenkomst extra zag, kon hij geen antwoord geven. Daar komt nog bij dat de betaling dateert uit 2006, in welk jaar [getuige 8] juist een bedrag terugboekte dat in verband met stalling en concoursbegeleiding te veel was betaald (zie feitonderdeel 1). Een extra betaling in datzelfde jaar van maar liefst € 22.000,- is ook om die reden volstrekt onwaarschijnlijk.

- Tenslotte past de verklaring van [getuige 8] naadloos in het gemak waarmee [verdachte] zichzelf blijkens dit vonnis ten koste van SGL en [naam BV] verrijkte.

Met de betaling aan [getuige 8] heeft [verdachte] € 22.000,- verduisterd om een privéaankoop te financieren, die hij heeft verhuld door het opstellen van de brief aan [getuige 8] . Als enig bestuurder van SGL kon verdachte beschikken over de gelden van SGL. Uit de hiervoor nogmaals opgenomen verklaring van [getuige 7] en de eerder in deze uitspraak opgenomen verklaring van [getuige 6] volgt dat de administratie betalingen die verband hebben gehouden met de aankoop, stalling en verzorging van paarden heeft verricht in opdracht van [verdachte] .

Daarom is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat [verdachte] het bedrag dat gemoeid is met de aanschaf van [naam paard 1] verduisterd heeft onder de verzwarende omstandigheid dat hij deze gelden uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich had.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte dit samen met [medeverdachte] heeft gedaan. Het dossier bevat geen bewijs dat [medeverdachte] bij dit feit enige rol heeft vervuld.

In de tenlastelegging is tevens als verduistering van SGL tenlastegelegd het incasseren door [verdachte] van de verzekeringsuitkering voor [naam paard 1] . [verdachte] had dit paard namelijk tegen ziekte verzekerd.80 Vanwege ziekte heeft deze verzekering op 29 augustus 2008 een bedrag van € 19.800,- aan [verdachte] uitgekeerd81.

De rechtbank is van oordeel dat deze verzekeringsuitkering niet als verduisterd kan worden aangemerkt. Juist is dat [verdachte] [naam paard 1] met van SGL verduisterd geld heeft aangekocht. Daarmee werd hij vervolgens wel eigenaar van [naam paard 1] ; hij is ook degene die de verzekering op [naam paard 1] heeft afgesloten en begunstigde voor de schade-uitkering was. SGL was dus niet de rechthebbende op de verzekeringsuitkering, zodat [verdachte] deze niet van SGL kan hebben verduisterd. [verdachte] zal daarom van dit onderdeel worden vrijgesproken.

4.7

[naam paard 3] en [naam paard 4] (feitonderdeel 4):

[verdachte] wordt ervan verdacht dat hij in de periode van 1 februari 2005 tot 1 november 2010 bij SGL samen met [medeverdachte] € 7.700,00 heeft verduisterd met de aankoop van [naam paard 3] en [naam paard 4] (verder: [naam paard 3] en [naam paard 4] ).

Bewijsmiddelen

De aankoop van de paarden [naam paard 3] en [naam paard 4] kan niet los worden gezien van de aankoop van het paard Wi(l)co.

In het dossier bevindt zich een handgeschreven betalingsopdracht van 14 augustus 2006 van [verdachte] aan [getuige 6] met als onderwerp “aankoop [naam paard 5] compleet”. De betalingsopdracht houdt in dat een bedrag van € 10.500,- moet worden overgemaakt naar de heer [getuige 3] in [woonplaats 2] .82

Uit een rekeningafschrift van SGL blijkt dat dit bedrag op 14 augustus 2006 onder vermelding van “ [getuige 3] spoedopdracht 8371 aankoop [naam paard 5] compleet” is betaald.83

In het dossier bevindt zich een handgeschreven betalingsopdracht van 28 augustus 2006 van [verdachte] aan [getuige 6] met als onderwerp “toetsing/training/verzorging”. De betalingsopdracht houdt in dat een bedrag van € 2.200,- moet worden overgemaakt naar de heer [getuige 3] in [woonplaats 2] / [plaats 2] i.v.m. verzorging van de paarden.84

Bij SGL is een op 28 augustus 2006 door [verdachte] geaccordeerd “Samenvatting Verzendbestand” van de ING bank aangetroffen met daarbij een “Detailoverzicht Verzendbestand”. Hieruit blijkt dat op 28 juni 2006 een bedrag van € 2.200,00 is overgemaakt van de rekening van SGL naar de rekening van [getuige 3] met omschrijving “plaatsing/training/verzorging paarden”.85

In het pand [adres 1] [woonplaats 1] zijn twee facturen van [getuige 3] aangetroffen die in verband staan met voornoemde betalingen van € 10.500,00 en € 2.200,00. Het betreft een factuur van 14 augustus 2006 voor een bedrag van € 10.500,- van [getuige 3] aan SGL met als omschrijving “Aankoop paard [naam paard 5] ”.86 Daarnaast een factuur van 28 augustus 2006 voor een bedrag van € 2.200,00 van [getuige 3] aan SGL met als omschrijving “4 (x) stalling en zadelmak maken september-december 2006 extra in verband met verzorging na operatie”.87

Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat hij de facturen van 14 augustus 2006 en 28 augustus 2006 niet kent, dat hij ze nooit eerder heeft gezien en dus ook niet heeft opgemaakt. [getuige 3] heeft verklaard dat hij denkt dat de kopende partij deze facturen heeft opgemaakt.88

Bij digitaal onderzoek89 aan de bestanden die zijn veiliggesteld vanaf de server van SGL zijn op een server van SGL ook (digitaal) de factuur van 14 augustus 200690 en de factuur van 28 augustus 200691 aangetroffen in de directory ‘…/oude documenten/ [naam account] /diversen/’. Bij genoemd digitaal onderzoek zijn de bestandseigenschappen van deze bestanden onderzocht en gebleken is dat volgens de bestandseigenschappen de laatste wijzigingen bij deze documenten zijn opgeslagen op 28 augustus 2006 door gebruikersaccount “ [naam account] ”.

In de administratie van [getuige 3] zijn handgeschreven pagina’s aangetroffen. Op het ene blad staat geschreven: “28-8-06 Aankoop 2 friese paarden voor SGL € 7.700,-”. Daarnaast staat geschreven “x-post zie B193/3 en B193/5”. Op een tweede blad staat geschreven dat een paard [naam paard 5] voor € 5.000,- is gekocht en dat twee Friese paarden voor € 7.700,- zijn gekocht, dus in totaal voor € 12.700,- door SGL. Dat bedrag is volgens deze notitie in twee keer betaald.92

Uit een bankafschrift Rabobank met volgnummer 0193 en bladnummer 0003 van [getuige 3] van 6 september 2006, betreffende rekeningnummer [rekeningnummer 4] , blijkt dat op 15 augustus 2006 een bedrag van € 10.500,00 is bijgeschreven met de omschrijving “aankoop [naam paard 5] compleet”. Op het bankafschrift is dit bedrag met een pen omcirkeld en daarboven staat de opmerking “x-post” vermeld. Onderaan het bankafschrift staat ook de opmerking “x-post” vermeld, met daarbij de tekst “x-post in kasboek aug. 2006 Aankoop 2 Friezen voor SGL”.93 Op datzelfde bankafschrift is een bedrag van € 5.000,- betaald aan [getuige 8] voor ‘aankoop paard’, waarop met pen is bijgeschreven: ‘ [naam paard 5] voor SGL’.

Uit bladnummer 0005 van hetzelfde bankafschrift bladnummer 0005 blijkt dat op 28 augustus 2006 een bedrag van € 2.200,00 is bijgeschreven met de omschrijving “plaatsing/training/verzorging paarden”. Deze omschrijving is met pen doorgehaald en ook daarbij is het bedrag omcirkeld en staat de opmerking “x-post” vermeld.94

In de administratie van [getuige 3] is een kasstaat over de maand augustus 2006 aangetroffen waarin de aankoop door [getuige 3] van “2 friese paarden voor SGL” voor een bedrag van € 7.700,00 is vermeld.95

In de administratie van [getuige 3] is verder een kladbriefje aangetroffen waarop de transactie van “ [naam paard 5] ” en “2 Friese paarden” nogmaals staat uitgeschreven. De geschreven tekst luidt (gemodereerd): “Door [getuige 3] betaald voor aankoop [naam paard 5] B193/3 5000,= (van [getuige 8] ) per kas 7700,= voor 2 Friese paarden, in totaal 12.700,=. Deze 3 paarden zijn voor SGL. SGL betaalt deze paarden in 2 x, namelijk 10.500,= B193/3 en 2.200,= B193/5, zijnde in totaal 12.700,=”.96

Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat zijn dochter altijd zorgvuldig met bedragen en administratie is, dus die gegevens moeten kloppen.97 [getuige 3] heeft verder verklaard dat hij het niet meer zeker weet maar het kunnen alleen maar [naam paard 4] en [naam paard 3] zijn. Zij hebben in hun tijd maar twee Friese paarden gekocht voor SGL dus dat moet wel om die twee paarden gaan. Er zijn maar twee Friese paarden geweest en dat zijn [naam paard 3] en [naam paard 4] .98

[getuige 14] , die aanwezig was bij het vierde verhoor van zijn vader [getuige 3] op 5 november 2013, heeft verklaard dat zijn zus enorm zorgvuldig is dus wat hier staat klopt. Ook de bedragen kloppen. De twee Friese paarden zijn via de heer [naam 6] gegaan.99

Tijdens de doorzoeking van het pand [adres 1] in [woonplaats 1] is een kopie van een stamboekbewijs aangetroffen van [naam paard 3] , afgegeven op 20 september 2006. Op dit stamboekbewijs staat als eigenaar vermeld: de heer [verdachte] .100

Ook is een kopie van een stamboekbewijs aangetroffen betreffende [naam paard 4] , afgegeven op 20 september 2006. Op dit stamboekbewijs staat eveneens als eigenaar vermeld: de heer [verdachte] .101

Tijdens de doorzoeking van het pand [adres 1] in [woonplaats 1] zijn verder polis bladen in beslag genomen van EFO Paardenverzekering betreffende de paarden [naam paard 3] en [naam paard 4] . Op de polisbladen staat vermeld dat de ingangsdatum van de verzekering van beide paarden 1 september 2006 betreft, dat het beide Friese paarden zijn en dat verzekernemer [verdachte] is.102

[verdachte] heeft verklaard dat hij de paarden [naam paard 3] en [naam paard 4] van ene [naam 6] heeft gekocht.103

Bewijsoverweging:

De rechtbank leidt uit de omschreven bewijsmiddelen af dat [verdachte] de twee Friese paarden [naam paard 3] en [naam paard 4] privé wilde verkrijgen, maar ze heeft laten betalen door SGL. Om dat te bereiken, heeft [getuige 3] die beide paarden voor € 7.700,- gekocht en ze nagenoeg gelijk aan SGL doorverkocht. Gelijktijdig kocht [getuige 3] van [getuige 8] voor SGL het paard [naam paard 5] voor € 5.000,- aan. Om te maskeren dat SGL € 7.700,- betaalde voor een aankoop door [verdachte] in privé, werd gefingeerd dat voor aankoop (€ 10.500,-) en medische kosten (€ 2.200,-) van [naam paard 5] een bedrag van € 12.700,- werd betaald in plaats van de daadwerkelijke koopsom van € 5.000,- Dit is namelijk het bedrag dat [getuige 3] voor dit paard aan [getuige 8] betaalde en voor welk zelfde bedrag [getuige 3] het paard kennelijk vrijwel gelijktijdig ook aan SGL doorverkocht. Door deze constructie acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] € 7.700,- van SGL verduisterd heeft onder de verzwarende omstandigheid dat hij deze gelden uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich had.

De rechtbank acht niet bewezen dat [verdachte] dit feit samen met [medeverdachte] heeft gepleegd. Haar betrokkenheid zou moeten worden afgeleid uit het feit dat de facturen die zijn opgesteld om de werkelijke gang van zaken te vervullen in haar directory zijn aangetroffen. De rechtbank heeft eerder overwogen (zie feitonderdeel 2) dat dit enkele feit onvoldoende bewijs vormt voor strafbare betrokkenheid van [medeverdachte] bij de vals opgemaakte stukken en verduistering(en) die ermee aan het zicht worden onttrokken. [verdachte] moet bij dit feitonderdeel dus worden vrijgesproken van het element ‘tezamen en in vereniging met een ander’.

4.8

Vrijpsraakoverwegingen [naam paard 5] (feitonderdeel 5)

Als onderdeel van feit 4: Paarden 156.155 euro, is [verdachte] de verduistering samen met [medeverdachte] bij [naam BV] tenlastegelegd van het paard [naam paard 5] voor een bedrag van € 10.500,- in de periode van 10 april 2007 tot en met 31 december 2011.104

Bewijsmiddelen

[naam paard 5] is op 14 augustus 2006 door SGL gekocht van [getuige 3] .105

Uit de voorraadlijst van [naam BV] blijkt dat [naam paard 5] door SGL op 1 januari 2008 voor de zogenaamde aankoopprijs van € 10.500,- is overgedragen aan [naam BV] .106 Hoewel in de voorraadlijst 1 januari 2008 is genoteerd als overdrachtsdatum, zijn alle paarden van SGL feitelijk per 10 april 2007 overgegaan, omdat dit de datum is waarop [naam BV] actief werd en de manege van [getuige 3] werd aangekocht.

Onder feitonderdeel 4 heeft de rechtbank bewezen geacht dat de aankoopprijs van [naam paard 5] door SGL in augustus 2006 tot een bedrag van € 10.500,- werd verhoogd om (een gedeelte van) de aankoopprijs van [naam paard 3] en [naam paard 4] te kunnen verduisteren. [naam paard 5] is vervolgens per 31 december 2007 voor die prijs overgedragen aan [naam BV] .107 Op de inventarislijst van [naam BV] is dit paard vermeld als op 1 januari 2008 van SGL overgenomen.108

Getuige [naam dochter] verklaart over [naam paard 5] dat zij vast reed op twee paarden, te weten [naam paard 5] en [naam paard 6] . Die paarden waren van [naam BV] , maar waren niet geschikt voor cliënten.109 Uit een stallingsfactuur van dressuurstal [naam dressuurstal] te Leende van 17 maart 2013 blijkt dat trainingskosten voor [naam paard 5] in rekening worden gebracht aan [naam dochter] .110

Getuige [getuige 16] verklaart dat [naam dochter] (op de [naam manege 2] ) uitsluitend haar eigen paarden [naam paard 5] en [naam paard 6] bereed en dat zij er altijd van uitgegaan is dat dit haar paarden waren.111

Getuige [getuige 12] verklaart dat [naam paard 5] en [naam paard 6] door [naam dochter] zijn uitgezocht en dat volgens haar [verdachte] die paarden voor haar heeft gekocht. Zij weet niet beter dan dat dit privépaarden van [naam dochter] zijn geweest.112

Voor de maanden augustus tot en met december 2007 heeft [naam BV] vijf facturen verstrekt aan [verdachte] voor onder andere stallingskosten voor [naam paard 5] .113 Het totale factuurbedrag is steeds € 384,-. [verdachte] schrijft in een mail aan [naam locatiemanager] [naam zorgboerderij] op 19 september dat hij ‘voor de stalling van zijn vee” maandelijks een bedrag van € 384,- betaalt.114

Bewijsoverweging:

De rechtbank leidt uit de genoemde bewijsmiddelen af dat ondanks dat de formele

eigendom van [naam paard 5] bij SGL en [naam BV] rustte, [verdachte] zich als heer en meester over dit paard is gaan gedragen. Dit blijkt uit het feit dat [verdachte] [naam paard 5] in een mail aan een medewerker typeert als ‘zijn vee’ en er een aantal maanden stallingsgeld voor betaald heeft. Daarnaast verklaren [naam dochter] zelf alsmede enkele getuigen dat [naam paard 5] het paard van [naam dochter] was. Daarmee kan gezegd worden dat [verdachte] het paard [naam paard 5] verduisterd heeft.

Desalniettemin zal de rechtbank verdachte om de volgende reden vrijspreken.

Uit het tenlastegelegde blijkt dat de officier van justitie ervan uitgaat dat verduistering van [naam paard 5] pas heeft plaatsgevonden nadat dit paard door SGL omstreeks 10 april 2007 voor € 10.500,- is overgedragen aan [naam BV] . Hoewel de rechtbank het aannemelijk acht dat [naam paard 5] door verdachte verduisterd is in de zin dat het alleen voor [naam dochter] is aangekocht althans alleen door haar is gebruikt, kan er niet vanuit gegaan worden dat dit (pas) vanaf 10 april 2007 is gebeurd. Uit de verklaring van manegehouder [getuige 8]115 blijkt immers dat dit paard in 2006 niet bij hem gestald stond, maar dat een meisje dat bij hen reed, het (de rechtbank: blijkbaar toen al) jammer vond dat alleen [naam dochter] erop reed. Dit impliceert dat het erop lijkt dat [naam paard 5] al is verduisterd vanaf of tussen het moment van aankoop op 14 augustus 2006 en het moment van overdracht aan SGL op 10 april 2007. Daarmee kan niet bewezen worden dat [naam paard 5] pas in de tenlastegelegde periode is verduisterd en [verdachte] zal daarom van dit feitonderdeel worden vrijgesproken.

4.9

[naam veulen 1] , [naam veulen 2] en [naam veulen 3] (feitonderdeel 7):

[verdachte] wordt ervan verdacht dat hij in de periode van 1 februari 2005 tot 1 november 2010 bij SGL samen met [medeverdachte] € 14 .840,00 heeft verduisterd met de aankoop van [naam veulen 1] , [naam veulen 2] en [naam veulen 3] , dan wel deze veulens heeft verduisterd.

Bewijsmiddelen

In de administratie van [getuige 3] zijn vijf koopovereenkomsten aangetroffen waaruit blijkt dat [getuige 3] op 21 september 2006 vijf veulens heeft gekocht. Het gaat om de veulens met catalogusnummers 53, 17, 27, 28 en 35.116 Aan de koopovereenkomst van nummer 53 is in de administratie van [getuige 3] een briefje gehecht met daarop geschreven “tegoed van SGL (volgt opsomming van de bedragen met daaronder) € 22.260,-”.117 Kopieën van deze koopovereenkomsten zijn aangetroffen in de woning van de [verdachte] , [adres 1] te [woonplaats 1] .118

Volgens het veilingboekje119 en aantekening op de kopieën van de overeenkomsten aangetroffen in [adres 1] betreft het hier de volgende veulens:

Catalogusnummer 53 [naam veulen 1]120

Catalogusnummer 17 [naam veulen 2]121

Catalogusnummer 27 [naam veulen 5]122

Catalogusnummer 28 [naam veulen 6]123

Catalogusnummer 35 [naam veulen 3]124.

De veulens zijn aangekocht voor bedragen inclusief veilingkosten van respectievelijk

€ 3.975,-, € 5.035,-, € 3.445,-, € 3.975,- en € 5.830,-.

In de woning van [verdachte] [adres 1] in [woonplaats 1] zijn de pagina’s van het veilingboekje die betrekking hebben op [naam veulen 1] , [naam veulen 2] en [naam veulen 3] aangetroffen.125

Uit een bankafschrift van [getuige 3] van 4 oktober 2006 blijkt dat door [getuige 3] op 25 september 2006 vijf betalingen zijn verricht aan de Stg. [naam stichting 3] . Deze bedragen komen overeen met de bedragen van de genoemde koopovereenkomsten. Op de bankafschriften staat bij de betreffende afschrijvingen met pen genoteerd “SGL”.126

Bij SGL is een memo van 22 september 2006 aangetroffen afkomstig van [verdachte] en gericht aan [getuige 6] , betreffende “overname veulens/boerderijproject”. De tekst van deze memo luidt als volgt:

“ [getuige 6] , gaarne overmaken naar dhr. [getuige 3] , [adres 5] te [woonplaats 2] een bedrag

van € 22.260,00 o.v.v. "overname veulens". Het betreft 4 veulens t.b.v. ons boerderijproject; specificatie met levensnummers en namen volgt, de [onleesbaar woord] moeten nog gechipt worden. Met dank, [verdachte] .” 127

Uit eerdergenoemd bankafschrift van [getuige 3] blijkt dat op 22 september 2006 een bedrag van € 22.260,00 is overgemaakt naar [getuige 3] van de rekening [rekeningnummer 1] op naam van SGL met omschrijving “overname veulens”.128

In het dossier bevindt zich een overzicht van grootboekrekening 007500 van [naam BV] waarop de paarden staan vermeld die van SGL zijn overgenomen en in 2008 zijn geactiveerd. Op dit overzicht staan de vijf veulens, waaronder [naam veulen 1] , [naam veulen 2] en [naam veulen 3] , niet vermeld.129

In de woning van [verdachte] , [adres 1] in [woonplaats 1] , zijn vijf facturen aangetroffen van [naam BV] aan de [verdachte] . Deze facturen zijn respectievelijk gedateerd 18 september 2007, 25 september 2007 (2x), 30 oktober 2007 en 31 december 2007. Het gefactureerde bedrag bedraagt telkens in totaal € 384,00 inclusief BTW, ten behoeve van “stallingsgelden stal [naam paard 5] ” en “verzorging en voer wei [naam paard 11] , [naam veulen 2] en [naam veulen 1] ”.130

Uit zes bankafschriften van de ING rekening van [verdachte] met rekeningnummer [rekeningnummer 2] blijkt dat op 15 augustus, 14 september, 15 oktober, 15 november en [rekeningnummer 1] december 2007 telkens bedragen van € 300,00 en € 84,00 zijn overgemaakt op rekening [rekeningnummer 3] , zijnde het bankrekeningnummer van [naam BV] .131

Bij SGL is een e-mailbericht aangetroffen afkomstig van [verdachte] en gericht aan [naam locatiemanager] [naam zorgboerderij] [naam BV] d.d. 19 september 2007, voorzien van het onderwerp “RE: Voorstel Productieverhoging 2007 [naam BV] ”.

De tekst van dit e-mailbericht luidt onder meer als volgt:

“[…] Nadien hebben we geformuleerd dat iedere medewerker een paard van zichzelf mag stallen dat hij zelf rijdt. Dat geldt voor iedereen die op de manege werkt (niet voor anderen). Ondergetekende betaalt derhalve voor de stalling van zijn vee op de manege maandelijks een bedrag (zelfs via een machtiging) van € 384, -- . Daarmee is dan ook de integriteitsdiscussie naar/over [naam dochter] geslecht. In dat kader heeft [medeverdachte] het paard [naam paard 15] aangeschaft. Dat om ook te voorkomen dat ook over haar, discussie ontstaat. Als ze paardrijdt, is dat immers op haar eigen paard.[…]” 132

In het dossier bevindt zich een brief van [medeverdachte] namens [naam BV] , gericht aan [naam 1] te Harderwijk van 29 juni 2009 waarbij de originele eigendomsbewijzen worden opgestuurd en het verzoek wordt gedaan om de paarden [naam veulen 3] , [naam veulen 1] , [naam veulen 2] en [naam veulen 4] van de [naam 2] over te schrijven op naam van [verdachte] , [adres 1] , [woonplaats 1] .133 Deze brief is aangetroffen in de op de locatie [adres 1] in [woonplaats 1] veiliggestelde digitale data.

Tijdens de doorzoeking van het pand [adres 1] in [woonplaats 1] zijn drie stamboekbewijzen aangetroffen van de paarden [naam veulen 1] , [naam veulen 2] en [naam veulen 3] , afgegeven op 6 juli 2009 en op naam gesteld van [verdachte] .134

Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat [verdachte] hem wel eens de opdracht heeft gegeven om paarden voor hem te kopen bij veilingen. [verdachte] kocht deze weer van hem. Dat was voor hetzelfde bedrag als waarvoor [getuige 3] het paard bij de veiling kocht.135

[getuige 3] heeft verder verklaard dat hij [naam veulen 2] ( [naam veulen 2] ), [naam veulen 1] ( [naam veulen 1] ), [naam veulen 3] ( [naam veulen 3] ), [naam veulen 5] en [naam veulen 6] op veilingen heeft aangeschaft voor [verdachte] . Op de vraag of de paarden door SGL gekocht zijn of door [verdachte] privé verklaart [getuige 3] dat dat nooit uitgesproken is. Zij gingen er vanuit dat de paarden gekocht werden voor SGL. Op de vraag of het logisch was om dit soort warmbloedpaarden aan te schaffen voor gehandicapten verklaart [getuige 3] dat dat niet zo is. Het zijn eerder paarden die gehandicapten maken, dan dat je er gehandicapten op laat rijden. Verzorgen van een paard zou nog kunnen maar er zijn zoveel andere paarden, zoals koudbloedpaarden, die veel geschikter zijn om zorg mee te verlenen. Die veulens die zij gekocht hebben voor [verdachte] zijn nooit gefokt om zorg voor gehandicapten mee te doen. Die paarden zijn gefokt voor de sport.136

Bewijsoverweging:

Uit de besproken bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat [getuige 3] in opdracht van [verdachte] voor SGL vijf veulens heeft gekocht. Die veulens zijn door [getuige 3] aan SGL in rekening gebracht en door SGL betaald. [naam veulen 1] , [naam veulen 2] en [naam veulen 3] waren drie van die veulens. Niet geheel duidelijk is of deze drie veulens ook daadwerkelijk aan SGL zijn geleverd of dat [verdachte] ze rechtstreeks van [getuige 3] geleverd kreeg. Wat wel uit de bewijsmiddelen blijkt, is dat [verdachte] zich op enig moment na de aankoop als heer en meester over die veulens is gaan gedragen. Zo schrijft [verdachte] aan een medewerker dat hij elke maand voor ‘zijn vee’ € 384,- betaalt. In de facturen die inderdaad gedurende (overigens slechts) vijf maanden door [naam BV] aan hem zijn verstuurd en door hem zijn betaald, zijn voor [naam veulen 1] en [naam veulen 2] stallingskosten in rekening gebracht. Deze pretentie van eigendom door [verdachte] wordt ondersteund door het feit dat de veulens in april 2007 kennelijk niet door SGL aan [naam BV] zijn overgedragen. [naam veulen 3] is evenmin in de overdracht van SGL aan [naam BV] betrokken. De stamboekbewijzen van alle drie de paarden zijn in 2009 op verzoek van [medeverdachte] op naam van [verdachte] gesteld, waarmee hij als ‘eigenaar’ van die paarden werd geregistreerd. Voor de rechtbank is met deze gang van zaken wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] deze drie veulens bij SGL verduisterd heeft.

De vraag is of gezegd kan worden dat [verdachte] deze verduistering samen en in vereniging met [medeverdachte] heeft gepleegd. De voornaamste aanwijzing daarvoor is dat dat [medeverdachte] in 2009 het verzoek heeft gedaan om de drie veulens op naam van [verdachte] te stellen. De rechtbank is van oordeel dat deze handeling die geruime tijd na verduistering van de veulens is verricht, onvoldoende is om te mogen aannemen dat zij deze verduistering heeft medegepleegd. De rechtbank zal voor dit feitonderdeel daarom van dit onderdeel vrijspreken.

4.10

[naam paard 6] (feitonderdeel 8):

[verdachte] wordt ervan verdacht dat hij in de periode van 10 april 2007 tot en met 31 december 2011 bij [naam BV] samen met [medeverdachte] € 36.000,00 heeft verduisterd met de aankoop van [naam paard 6] , dan wel dit paard heeft verduisterd.

Bewijsmiddelen

Uit de auditfiles van [naam BV] blijkt dat op 23 juli 2007 op de grootboekrekening “007500 Paarden” de navolgende mutaties zijn opgenomen:

007500Paarden € 36.000,00

Aan 140400 Crediteuren € 36.000,00

140400 Crediteuren € 36.000,00

Aan 100110 Rabobank [rekeningnummer 3] € 36.000,00.

Als omschrijving bij deze mutaties staat vermeld “ [naam paard 6] 02.09516”.137

In het dossier bevindt zich een overzicht van grootboekrekening 007500 van [naam BV] waarop alle paarden staan vermeld die op enig moment zijn verkregen. Op dit overzicht staat onder het kopje “aankoop [naam BV] ” de naam “ [naam paard 6] 02.09516” vermeld met daarachter een bedrag van € 36.000,00.138

Getuige [getuige 9] heeft verklaard dat hij ergens half januari 2007 op de [naam manege 2] is begonnen als instructeur. In april heeft hij een arbeidscontract ondertekend. Hij zou de paardenverzorging op zich nemen en ook het personeel aansturen voor de verzorging van de paarden. Verder moest hij de meisjes die paardreden lesgeven. Dat waren [naam 3] , [naam 4] , [naam dochter] en [getuige 12] . Tot de dag van zijn ontslag heeft hij het idee gehad dat de manege omgebouwd zou worden tot een zorgmanege. Tot op het moment van zijn ontslag heeft hij daar niets van gezien. Het leek meer een privé speeltuin. [verdachte] reed paard en zelfs [medeverdachte] . Hij is op [adres 2] komen wonen, want volgens [verdachte] moest er altijd iemand op de manege zijn. [getuige 9] denkt dat hij er tot 17 oktober 2007 heeft gewoond. Hij heeft er in heel de periode dat hij daar werkte en woonde niets van gezien dat ze er een manege voor gehandicapten van wilden maken. Overdag gaf hij les aan [naam 3] en [naam 4] en zorgde hij ervoor dat de paarden goed verzorgd werden en ’s avonds moest hij dan terugkomen om de dochter van [verdachte] en haar vriendin [getuige 12] les te geven zodat zij op concours konden rijden. Hij vroeg zich geregeld af wat dit met Stichting Gehandicaptenzorg te maken had.

[getuige 9] heeft verder verklaard dat [medeverdachte] de vriendin van [verdachte] was en dat zij directrice was van de manege, een zorgboerderij [naam zorgboerderij] en één of andere knutseltoestand in [vestigingsplaats] . De gehandicapten die bij [naam zorgboerderij] kwamen konden absoluut niet omgaan met de paarden bij [naam BV] . Hooguit 1 of 2 als je ze goed africhtte. De meeste van de paarden waren niet geschikt om zelfs een gehandicapte bij in de buurt te laten. [getuige 9] heeft regelmatig gezegd dat de paarden bij [naam BV] niet geschikt waren voor gehandicapten. Maar volgens hem was dat ook nooit de bedoeling geweest van [verdachte] want op dat soort paarden kon zijn dochter geen wedstrijden rijden. [verdachte] bepaalde de gang van zaken bij [naam BV] . Dat geldt voor alles. Het beleid en de dagelijkse gang van zaken.

[getuige 9] verklaart dat hij de opdracht van [verdachte] heeft gekregen om een paard te zoeken waar [naam dochter] wedstrijden mee kon rijden. Zij rijdt daar nu nog mee. Hij heeft het paard uiteindelijk gevonden in Someren. Hij is daar met een stalruiter in eerste instantie geweest en later met [verdachte] , zijn dochter, [naam 4] en de familie van [verdachte] . Een half jaar geleden heeft ze nog met dat paard wedstrijden gereden. Dat staat ook in de uitslagen. [naam BV] heeft dat paard betaald. Volgens [getuige 9] heette het paard [naam paard 6] en heeft het zo'n € 40.000 gekost. In die zes jaar dat het paard [naam paard 6] bij [naam BV] is, heeft er nooit iemand anders op gereden.139

Getuige [getuige 10] heeft verklaard dat hij van 2005 tot 2009 ongeveer bij [naam BV] heeft gewerkt. Hij was daar medewerker op stal en later algemeen bedrijfsleider.

[getuige 10] heeft verklaard dat die manege niet is aangekocht of gemaakt voor gehandicaptenzorg. Het geld dat geïnvesteerd werd in de manege is nauwelijks gebruikt om de manege geschikt te maken voor cliënten. [getuige 10] heeft verklaard dat dit niet tegen hem is gezegd maar dat was te merken als je kijkt waar de uitgaven naar toegingen. Het geld ging naar fokkerij, benodigdheden voor de dressuurpaarden, aanschaf en training van de paarden en vervoer naar de wedstrijden. Als de dochter van [verdachte] de hobby tennissen had gehad dan was er een tennisbaan gekomen. Uiteindelijk bepaalde [verdachte] de gang van zaken. [getuige 10] dacht toen dat [naam paard 5] en [naam paard 6] van [naam dochter] waren. [naam paard 7] , [naam paard 8] , [naam paard 4] , [naam paard 2] , [naam veulen 1] , [naam paard 9] , [naam paard 10] , [naam paard 11] en [naam veulen 6] van [verdachte] . Zo zei hij dat. Hij zei dan dat hij die paarden had gekocht. Hij zei wel eens “dat is die van mij”. [naam dochter] trainde de paarden op [naam paard 5] en [naam paard 6] . [getuige 10] denkt dat de paarden zijn aangeschaft voor de dochter en niet voor de zorg voor cliënten. Hij denkt dat omdat de paarden niet geschikt zijn voor gehandicapten. Zelfs niet voor de paralympics. De paarden werden bereden door [naam dochter] en zij kwam daarmee uit op wedstrijden. Als iemand anders op deze paarden wilde rijden was dat not done. Dat waren de paarden van [naam dochter] .140

Getuige [getuige 11] heeft verklaard dat zij in 2005 is geselecteerd voor het Nederlands Paralympisch dressuurteam. Zij heeft toen op diverse nationale en internationale wedstrijden gereden met haar eigen paarden. Haar sponsorcontract met SGL is getekend op de Jumping Indoor Maastricht in 2009. Op de vraag of zij de paarden [naam paard 6] en [naam paard 5] kent, antwoordt [getuige 11] dat [naam paard 5] haar helemaal niets zegt. [naam paard 6] kent zij wel. [naam paard 6] heeft zij wel eens op een wedstrijd gezien onder [naam dochter] . Het was een paard waarvan zij erg onder de indruk was en zij graag had bereden. Het is maar de vraag of zij hem zou hebben kunnen bereiden maar met [naam paard 6] zou zij ontzettend blij zijn geweest. [naam paard 6] is haar niet door [verdachte] aangeboden. [verdachte] maar ook [naam dochter] hebben haar verteld dat [naam paard 6] het paard van [naam dochter] was.141

Getuige [getuige 12] heeft verklaard dat [verdachte] aangaf dat hij een aantal paarden wilde laten opleiden door een aantal ruiters, toevallig waren dit allemaal amazones, met de bedoeling dat deze paarden uiteindelijk bereden zouden worden door gehandicapte ruiters op topniveau. Dat is ergens in 2005 geweest. Het doel was uiteindelijk dat dergelijke ruiters op de Paralympics zouden gaan acteren. Zij heeft met deze andere amazones toen een sponsorcontract gekregen.

Op de vraag of [naam dochter] ook een sponsorcontract had, antwoordt [getuige 12] van niet. Zij had ook het idee dat de lessen die [naam dochter] bij [getuige 8] heeft gevolgd gewoon privé lessen waren. Voor haar was de situatie van [naam dochter] en die van de rest van de amazones ook echt anders. Zij kregen aan de hand van een sponsorcontract een paard toegewezen waarbij heel nauwkeurig werd gekeken of er een klik was tussen paard en amazone. [naam dochter] kreeg gewoon les op haar paard dat al van haar was. Volgens [getuige 12] kreeg ze eerst les op [naam paard 13] . Daarna op het paard [naam paard 14] dat ook wel [naam paard 14] werd genoemd. Volgens [getuige 12] waren deze paarden gewoon van [naam dochter] . Ook de paarden [naam paard 5] en [naam paard 6] , die laatste werd ook wel [naam paard 6] genoemd, zijn door [naam dochter] uitgezocht en volgens [getuige 12] heeft [verdachte] die paarden ook voor haar gekocht. [getuige 12] weet niet beter dat dit privépaarden van [naam dochter] zijn geweest.142

Getuige [naam dochter] heeft verklaard dat haar hobby paardrijden is. Paardrijden met een doel, namelijk deelnemen aan dressuurwedstrijden. Zij heeft verklaard dat zij vast rijdt op twee paarden: [naam paard 5] en [naam paard 6] . Deze paarden zijn van [naam BV] .143

Tijdens de doorzoekingen in het pand [adres 1] in [woonplaats 1] (woonhuis [verdachte] en kantoorpand [naam BV] ) en het pand [adres 3] te [woonplaats 2] (woonhuis van [naam dochter] ) is een aantal schriftelijke bescheiden aangetroffen. Met name in de woning van [naam dochter] is een grote hoeveelheid inschrijvings- en startcoupons van de KNHS op naam van [naam dochter] aangetroffen. Dit betreffen deelnames van [naam dochter] met onder meer het paard “ [naam paard 6] ” op diverse dressuurwedstrijden. Een deel van deze bewijzen over de jaren 2008 tot en met 2011 zit als bijlage D-746 in het dossier.144

Bewijsoverweging:

Uit de besproken bewijsmiddelen blijkt in het algemeen dat de [naam manege 2] weinig weg had van een zorgmanege. [getuige 9] spreekt van een privéspeeltuin en [getuige 13] zegt dat als de dochter van [verdachte] had getennist, dan zou er een tennisbaan gekomen zijn. Meerdere getuigen (zie ook [getuige 3] , elders in dit vonnis) zeggen dat de warmbloedpaarden niet door gehandicapten te bereiden waren,. De enige ‘gehandicapte’ die er wellicht voor in aanmerking kwam, de getuige [getuige 11] , verklaart dat ze graag op [naam paard 6] had willen rijden, maar de kans niet kreeg.

Uit de diverse verklaringen blijkt vervolgens duidelijk dat het paard [naam paard 6] alleen werd aangeschaft om als trainings- en wedstrijdpaard van [naam dochter] te dienen. [getuige 9] verklaart dat hij met dat doel een paard moest zoeken en ook dat na aankoop nooit iemand anders op dat paard gereden heeft. [getuige 10] , [getuige 11] en [getuige 12] verklaren dat ze dachten dat [naam paard 6] het paard van [naam dochter] was. Er mocht niemand anders op [naam paard 6] rijden, dat was “not done”, aldus [getuige 10] . [getuige 11] verklaart zelfs dat [verdachte] en [naam dochter] haar ook vertelden dat dit paard van [naam dochter] was. Daarmee staat voldoende vast dat [verdachte] zich (als vader van [naam dochter] ) als heer en meester over dit paard heeft gedragen.

Ook hier is de vraag wat er verduisterd is: is dat de aankoopprijs van [naam paard 6] of is dat [naam paard 6] zelf? Hoewel duidelijk blijkt dat al vanaf het moment van aankoop de bedoeling was om een paard exclusief voor [naam dochter] te kopen en de aankoop van dat paard geheel buiten de doelstelling van [naam BV] viel, is het paard wel door [naam BV] betaald en officieel aan haar geleverd. De rechtbank vindt het daarom meer in overeenstemming met de civiele werkelijkheid om ervan uit te gaan dat de verduistering feitelijk plaats heeft gevonden na de levering.

De rechtbank is van oordeel dat [verdachte] deze verduistering samen en in vereniging met [medeverdachte] heeft gepleegd. [medeverdachte] was manager backoffice bij [naam BV] . Zij wist met welk doel [naam paard 6] werd aangekocht en heeft aan die aankoop meegewerkt. [medeverdachte] heeft zich in die tijd en ook niet daarna op enige wijze gedistantieerd van de wijze waarop [verdachte] en [naam dochter] zich als heer en meester over het paard [naam paard 6] gingen gedragen.

4.11

Vrijspraakoverwegingen verkoop [naam paard 2] , [naam paard 4] en [naam paard 3] door verdachte aan [naam BV] (feitonderdeel 9)

[verdachte] wordt ervan verdacht dat hij in de periode van 10 april 2007 tot 31 december 2011 bij [naam BV] samen met [medeverdachte] € 23.000,00 heeft verduisterd met de verkoop door [verdachte] aan [naam BV] van de paarden [naam paard 2] en [naam paard 4] en [naam paard 3] .

Onder de bespreking van feitonderdeel 2 heeft de rechtbank bewezen verklaard dat [verdachte] in december 2005 van SGL € 15.000,- verduisterd heeft om [naam paard 2] te betalen. Onder de bespreking van feitonderdeel 4 heeft de rechtbank bewezen verklaard dat hij in augustus 2006 van SGL € 7.700,- verduisterd heeft om [naam paard 4] en [naam paard 3] te betalen. Daarmee kan gezegd worden dat verdachte genoemde drie paarden met verduisterd geld heeft aangekocht.

In augustus 2008 heeft verdachte [naam paard 2] , [naam paard 4] en [naam paard 3] voor € 23.000,- verkocht aan [naam BV] .145 Deze verkoopprijs is als onderdeel opgenomen van feit 4: Paarden € 156.155,-.146

Gezegd kan worden dat verdachte door deze verkoop de door SGL al betaalde aankoopprijs voor deze paarden nog eens incasseerde. Van verduistering is dan alleen sprake als bewezen kan worden geacht dat de paarden privé bleven en de overdracht alleen een dekmantel vormde om de verkrijging/onttrekking van het zogenaamde verkoopbedrag te maskeren.

In feitonderdeel 10 is onder de verduistering van stalling- en veeartskosten door de officier van justitie aangenomen dat na de overdracht van [naam paard 2] , [naam paard 4] en [naam paard 3] , deze ook daadwerkelijk eigendom van [naam BV] zijn geworden. Immers, die stalling- en veeartskosten worden niet als door [verdachte] voor privé (paarden) verduisterd aangemerkt. Ook voor het overige is er onvoldoende bewijs dat [verdachte] na de overdracht van deze paarden zich als heer en meester over deze paarden is blijven gedragen en/of dat deze paarden geen enkele bijdrage konden leveren aan de doelstelling van [naam BV] . Daarmee is niet bewezen dat het in de tenlastelegging begrepen bedrag van € 23.000,- verduisterd is en zal verdachte [verdachte] van dit feitonderdeel worden vrijgesproken.

4.12

Kosten verzekering, dierenarts en stalling (feitonderdeel 10)

[verdachte] wordt ervan verdacht dat hij in de periode van 10 april 2007 tot en met 31 december 2011 bij [naam BV] samen met [medeverdachte] € 86.655,38 heeft verduisterd door de kosten van verzekering, dierenarts en stalling van paarden die aan verdachten in privé toebehoorden ten laste te brengen van [naam BV] . Deze kosten hebben betrekking op de paarden [naam paard 14] , [naam paard 13] , [naam paard 1] , [naam paard 2] , [naam paard 4] , [naam paard 3] , [naam veulen 1] , [naam veulen 2] , [naam paard 5] , [naam paard 6] , [naam paard 15] , [verdachte] , [naam veulen 3] en [naam paard 17] .

Het bedrag van € 86.655,38 is opgebouwd uit € 22.164,12 aan verzekeringspremies, € 2.334,39 voor het zadelmak maken van [naam veulen 1] , € 29.102,87 voor door [naam BV] betaalde dierenartskosten aan privépaarden van verdachte en € 33.054,00 voor het zonder enige betaling stallen van privépaarden op de zorgmanege van [naam BV] .147

Bewijsmiddelen

Onder de feitonderdelen 1 tot en met 5, 7 en 8 zijn de bewijsmiddelen weergegeven waaruit blijkt dat [naam paard 14] , [naam paard 13] , [naam paard 1] , [naam paard 2] , [naam paard 4] , [naam paard 3] , [naam paard 5] , [naam veulen 1] , [naam veulen 2] en [naam paard 6] privépaarden van [verdachte] waren.

[naam paard 15]

In het dossier bevindt zich een overzicht van de paarden van [naam BV] .148 Op dit overzicht staat het paard [naam paard 15] niet vermeld, terwijl dit paard zich tijdens de schouw wel op de manege bevond.149

Bij SGL is een e-mailbericht aangetroffen afkomstig van [verdachte] en gericht aan [naam locatiemanager] [naam zorgboerderij] [naam BV] van 19 september 2007, voorzien van het onderwerp “RE: Voorstel Productieverhoging 2007 [naam BV] ”.

De tekst van dit e-mailbericht luidt onder meer als volgt:

“[…] Daarmee is dan ook de integriteitsdiscussie naar/over [naam dochter] geslecht. In dat kader heeft [medeverdachte] het paard [naam paard 15] aangeschaft. Dat om ook te voorkomen dat ook over haar, discussie ontstaat. Als ze paardrijdt, is dat immers op haar eigen paard.[…]” 150

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat mevrouw [medeverdachte] verklaarde dat het paard [naam paard 15] een paard van haar zelf was privé.151

[naam veulen 4]

In het dossier bevindt zich een een brief van 29 juni 2009 van [medeverdachte] aan [naam 1] , waarin wordt verzocht om de stamboekpapieren van o.a. [naam veulen 4] van de [naam 2] op naam van [verdachte] , [adres 1] [woonplaats 1] over te schrijven.152 van de [naam 2] wordt ook wel [naam veulen 4] genoemd.153

[naam paard 17] en [naam paard 18]

[naam veulen 3] is de moeder van [naam paard 17] (geboren op 20 mei 2010) en [naam paard 18] (geboren op 5 mei 2011). In het dossier bevinden zich dekbewijzen van [naam veulen 3] waarop deze geboortes zijn vermeld en waarop [verdachte] als geregistreerde met zijn privé e-mailadres dan wel als geadresseerde met zijn adres [adres 1] [woonplaats 1] is genoemd.154

In het overzicht van de paarden van [naam BV] staan de paarden [naam paard 17] en [naam paard 18] niet vermeld.155

Verzekeringspremies [naam paard 6] en [naam paard 13]

In het dossier bevindt zich een overzicht waarboven staat “Mutaties rekening nummer 430051 Verzekering paarden [naam BV] jaren 2007 tot en met 2010”. Daaruit blijkt dat voor [naam paard 6] op 18 september 2007 € 4.306,70, op 14 augustus 2008 € 4.318,41, op 13 augustus 2009 € 4.318,41, op 5 augustus 2010 € 4.318,41 en op 18 augustus 2011 € 4.406,78 is betaald. Daaruit blijkt verder dat op 14 september 2009 een bedrag van € 495,41 voor [naam paard 13] is betaald.156 In totaal betreft dit een bedrag aan verzekeringspremies van € 22.164,12

Zadelmak maken [naam veulen 1]

In de grootboekrekening van [naam BV] “0700303 Paarden Buitenhuis” blijkt dat voor het zadelmak maken van [naam veulen 1] op 31 december 2009 € 1.750,79 en op 21 januari 2010 € 583,60 is betaald.157

Dierenartskosten

Bij [naam BV] is de grootboekrekening “430054 Dierenarts” aangetroffen.158 De FIOD heeft daaruit per jaar die kosten gefilterd die betrekking hebben op de hierboven besproken paarden.159 De totalen per jaar zijn opgeteld voor de jaren 2007 tot en met 2011 € 29.102,87.160

Stallingskosten paarden

De FIOD heeft overzichten161 gemaakt van de stallingskosten van de paarden [naam paard 14] , [naam paard 13] , [naam paard 1] , [naam paard 2] , [naam paard 4] , [naam paard 3] , [naam veulen 1] , [naam veulen 2] , [naam paard 5] , [naam paard 6] , [naam paard 15] , [naam veulen 4] , [naam veulen 3] en [naam paard 17] vanaf het moment van de samenwerkingsovereenkomst tussen SGL en [naam BV] , 10 april 2007 tot en met 2011. Voor de berekening van de kosten is de FIOD uitgegaan van het bedrag aan stalling dat [verdachte] in 2007 enkele maanden heeft betaald voor het paard [naam paard 5] , te weten € 84,00 per maand.162

De FIOD heeft voor [naam paard 14] alleen stallingskosten berekend over de jaren 2007 en 2008, omdat de laatste keer dat voor dit paard dierenartskosten zijn gemaakt (blijkend uit grootboekrekening 430054) 2 januari 2009 was en onbekend is wanneer het paard de manege heeft verlaten.163

De FIOD heeft voor [naam paard 13] de stallingskosten berekend vanaf 10 april 2007 tot aan de laatste vermelding in de grootboekrekening dierenarts van [naam BV] op 5 maart 2008.164

Voor [naam paard 1] zijn de stallingskosten berekend vanaf 10 april 2007 tot en met 14 augustus 2007.165 Op 28 augustus 2007 heeft voor [naam paard 1] de verzekeringsuitkering plaatsgevonden.166

De stallingskosten voor [naam paard 2] , [naam paard 3] en [naam paard 4] zijn berekend vanaf 10 april 2007 tot en met 14 augustus 2007, de datum dat de paarden door [verdachte] zijn verkocht aan [naam BV] .167

Voor [naam veulen 1] , [naam veulen 2] en [naam paard 5] zijn de maanden dat door [verdachte] stallingskosten zijn voldaan buiten beschouwing gelaten. Voor [naam veulen 1] , [naam veulen 2] en [naam paard 5] zijn de stallingskosten berekend vanaf 10 april 2007 tot en met 31 juli 2007 en vanaf 1 januari 2008 tot en met 31 december 2011. De FIOD heeft de stallingskosten voor [naam paard 6] berekend vanaf augustus 2007, de maand volgende op de maand waarin [naam paard 6] is aangekocht tot en met 31 december 2011.168

De eerste vermelding van [naam paard 15] op grootboekrekening ‘430054 Dierenarts’ is 3 augustus 2007. De FIOD heeft de stallingskosten voor [naam paard 15] daarom berekend van 15 augustus 2007 tot en met 31 december 2011.169

De stallingskosten komen voor 2007 op € 4.452,00, voor 2008 op € 6.216,00, voor 2009 op € 6.048,00, voor 2010 op € 7.644,00 en voor 2011 op € 8.694,00, in totaal € 33.054,00.

[medeverdachte] heeft verklaard dat zij op 10 april 2007 bij [naam BV] is begonnen als manager backoffice en is ze gestart met het opzetten van de administratie. Toen ze begon was er geen locatiemanager. In 2007 is wel een locatie manager genaamd [naam locatiemanager] Bos in dienst gekomen. Daarna is er nog een andere locatie manager geweest die leiding had over de verschillende locaties en dat was [getuige 2] . Toen hij wegging heeft zij die functie overgenomen. Ze heeft toen de titel directeur gekregen, omdat ze niet meer alleen de administratie deed. Dat is ergens in 2009 geweest. Het was snel nadat [getuige 2] was vertrokken. Desgevraagd verklaart [medeverdachte] dat zij de baas is van [naam BV] in haar functie als directrice. Ze heeft voor [naam BV] de salarisadministratie verzorgd, de inkoop- en de verkoopadministraties en de betalingen daarvan. Verder heeft ze de jaarrekeningen klaargemaakt van [naam BV] .170

Bewijsoverweging:

De rechtbank leidt uit de besproken bewijsmiddelen af dat de volgende paarden: [naam paard 14] , [naam paard 13] , [naam paard 1] , [naam paard 2] , [naam paard 4] , [naam paard 3] , [naam veulen 1] , [naam veulen 2] , [naam paard 5] , [naam paard 6] , [naam paard 15] , [naam veulen 4] , [naam veulen 3] en [naam paard 17] in de perioden dat de hiervoor vermelde kosten zijn gemaakt privépaarden van [verdachte] en/of [medeverdachte] waren. Van deze veertien paarden waren er nog negen aanwezig op manege Nietthuizen tijdens de schouw op 4 juli 2012.171 Voorts blijkt uit diverse boekhoudkundige stukken dat de kosten van verzekering voor met name [naam paard 6] , het zadelmak maken van [naam veulen 1] en ogenschijnlijk alle dierenartskosten voor de privépaarden allemaal door [naam BV] betaald zijn. Van de stallingskosten heeft de officier van justitie desgevraagd aangegeven dat dit besparingen zijn, zodat zij niet kunnen worden verduisterd. De rechtbank oordeelt hierover anders. De verzorging van paarden kost geld (onder andere voer, stro, schoonmaakkosten van de hokken). Deze kosten zijn door [naam BV] voldaan. Het gaat dus feitelijk niet om “besparingen”, maar om kosten die voor de paarden van [verdachte] en [medeverdachte] zijn gemaakt en waarvoor zij [naam BV] hebben laten betalen. De hoogte van deze kosten blijkt niet uit het dossier. Het bedrag waarmee de FIOD de kosten heeft bepaald (€ 84,- per maand) acht de rechtbank een schatting aan de lage kant. Het bedrag van deze kosten kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook ten minste op het door de FIOD berekende bedrag worden vastgesteld en bewezenverklaard.

[medeverdachte] heeft voormelde privékosten laten betalen door [naam BV] . Zij deed bij [naam BV] onder andere de administratie. Als partner van [verdachte] en directrice van [naam BV] heeft zij geweten dat de paarden privé waren en als zodanig op de manege gestald stonden. Zij heeft ook gevraagd om een wijziging van de tenaamstellingen van paarden. [medeverdachte] liet [naam BV] ook de kosten voor haar eigen paard betalen. [medeverdachte] is dus medepleger.

Door kosten die moesten worden gemaakt voor eigen paarden te laten betalen door [naam BV] hebben [verdachte] en [medeverdachte] deze gelden verduisterd. Met deze gelden kon immers geen zorg meer geleverd worden door [naam BV] . De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] bij [naam BV] samen met [medeverdachte] door kosten voor privépaarden te laten betalen door [naam BV] een bedrag van € 86.655,38 heeft verduisterd onder de verzwarende omstandigheid dat verdachtes mededader [medeverdachte] deze gelden uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking onder zich had.

4.13

Audiovisuele apparatuur (feitonderdeel 11)

[verdachte] wordt ervan verdacht dat hij in de periode van 1 februari 2005 tot 1 november 2010 bij SGL samen met [medeverdachte] € 14 .034,00 heeft verduisterd met de aankoop van audiovisuele apparatuur dan wel de desbetreffende apparatuur heeft verduisterd.

Bewijsmiddelen

In de woning van [verdachte] ( [adres 1] in [woonplaats 1] ) is een order aangetroffen van [naam 41] te Meerssen van 3 juni 2006 (de rechtbank: dit was een zaterdag), voorzien van ordernummer 005149, gericht aan de heer/mevrouw [verdachte] , [adres 6] , [woonplaats 3] , zijnde het adres waar [verdachte] destijds woonde.172 Het betreft een bestelling van een Loewe TV met tv-meubel en een Bose Home cinema System met twee sets statieven voor de boxen voor een bedrag van in totaal € 14 .034,00.173

In de administratie van [naam 41] te Meerssen is een door [verdachte] voor akkoord getekend afschrift van deze orderbon aangetroffen.174

Tijdens de doorzoeking van de woning van [verdachte] en [medeverdachte] ( [adres 1] in [woonplaats 1] ) op 4 juli 2012 zijn foto’s gemaakt van de TV met tv-meubel en de boxen, die in de woonkamer van [verdachte] en [medeverdachte] stonden.175

In de woning is verder een factuur van [naam 41] Meerssen van 8 juli 2006 aangetroffen, voorzien van het nummer 00826206 en gericht aan “Gehandic. Zorg Limburg, Postbus 5036, 6130 PA [plaats 3] ”. Op de factuur staat vermeld “goederen volgens ordernummer 005149” en “in opdracht van: de heer/mevrouw [verdachte] , [adres 6] , [woonplaats 3] ”.176

Blijkens de administratie van [naam 41] is op 9 juni 2006 een bedrag van € 14 .034,00 betaald door SGL aan [naam 41] onder vermelding van “ordernummer 5149”.177

In de administratie van SGL is ook een (kopie van een) orderbon van [naam 41] Meerssen met ordernummer 005149 aangetroffen.178 Deze orderbon is blijkens de daarop gestelde paraaf geaccordeerd door [verdachte] op 6 juni 2006. Op dit exemplaar ontbreekt de naam en het adres van degene die de order heeft geplaatst. Op de order is verder met pen genoteerd “t.b.v. Doenrade”.

[verdachte] heeft verklaard dat hij deze orderbon voor akkoord heeft ondertekend waardoor SGL het verschuldigde bedrag moest overmaken aan leverancier [naam 41] en dat hij deze apparatuur heeft gekocht bij [naam 41] in Meerssen.179 Hij ziet de set op de foto’s staan, die in zijn woonkamer in [woonplaats 1] op 4 juli 2012 zijn gemaakt.180

Uit de auditfiles van SGL 2006 blijkt dat de aankoop van audiovisuele apparatuur op mutatiedatum 9 juni 2006 is geboekt onder inventaris.181

In de auditfiles van SGL is geen verrekening tussen SGL en [verdachte] in privé aangetroffen.182

Getuige [getuige 29], destijds eigenaar van [naam 41] Meerssen, heeft verklaard dat de reguliere gang van zaken is dat er bij aankopen een orderbon wordt opgemaakt, zodat zij weten dat zij het product moeten bestellen en dat zij de klant moeten bellen als het product binnen is. Over het algemeen krijgt de klant een kopie van de orderbon mee. Zij werken niet met afleverbonnen. Zij werken met de orderbonnen. Op basis van de orderbon wordt de bestelling gedaan en dat is ook de bon die de chauffeur meeneemt, zodat hij weet waar hij naartoe moet rijden. Naar zijn weten is het nooit voorgekomen dat de chauffeur de goederen op een ander adres heeft geleverd dan het adres dat op de orderbon staat.183

Bewijsoverweging:

Uit de besproken bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat SGL op 3 juni 2006 bij [naam 41] een TV met bijbehorend meubel en home cinema set heeft gekocht voor € 14 .034,-. Dit is kennelijk gebeurd in opdracht van [verdachte] . De apparatuur is vervolgens aan diens woonadres in [woonplaats 3] afgeleverd. In 2012 is die apparatuur in de woonkamer van [verdachte] aangetroffen. Om te verhullen dat [verdachte] die apparatuur voor eigen gebruik aankocht, zijn op de oorspronkelijke factuur van [naam 41] de toenmalige adresgegevens van [verdachte] verwijderd. Deze feiten en omstandigheden vormen voldoende bewijs dat [verdachte] die in zijn opdracht door SGL gekochte apparatuur verduisterd heeft.

[verdachte] bestrijdt dat hij de apparatuur heeft verduisterd. Hij voert aan dat de apparatuur in de tussentijd op een zorglocatie heeft gestaan. De rechtbank acht dit onaannemelijk. Ten eerste is vastgesteld dat op de zorglocatie die [verdachte] noemt, al die tijd andere apparatuur heeft gestaan. Ten tweede was de door [verdachte] aangeschafte apparatuur vele malen duurder en luxer dan dat gebruikelijk was om op de woonlocaties te plaatsen. Ten derde is er geen enkele getuige die er weet van heeft dat die exclusieve apparatuur ooit op de desbetreffende woonlocatie heeft gestaan.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] de TV met meubel en home cinema set ter waarde van € 14 .034,00 heeft verduisterd onder de verzwarende omstandigheid dat hij deze uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich had.

Dat verdachte dit feit samen met [medeverdachte] heeft gepleegd kan niet worden bewezen. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat [medeverdachte] betrokken is geweest bij de aankoop van de apparatuur of destijds al bij verdachte woonachtig was. Van dit onderdeel zal de rechtbank [verdachte] vrijspreken.

4.14

Fitnessapparatuur (feitonderdeel 12)

[verdachte] wordt ervan verdacht dat hij in de periode van 1 februari 2005 tot 1 november 2010 bij SGL samen met [medeverdachte] € 2.989,21 heeft verduisterd met de aankoop van een loopband ‘Run Forma LT’ bij [naam 9] BV dan wel de desbetreffende loopband heeft verduisterd.

Bewijsmiddelen

Bij digitaal onderzoek aan de gegevensdragers die zijn aangetroffen op de locatie [adres 1] in [woonplaats 1]184 is een e-mailbericht aangetroffen, verzonden op 24 september 2008 door [getuige 17] , inkoper van SGL, naar [verdachte] met als onderwerp “FW: offerte loopband” en de tekst: “Hoi [verdachte] , bijgaand vind je 2 offertes. 1 voor een professioneel apparaat (model excite jog) en 1 voor een zeer goed apparaat tbv thuisgebruik (model de Run Forma (8uur p.w.)).”185

Bij [naam 9] BV is e‑mailverkeer aangetroffen tussen [getuige 17] , inkoper van SGL, en [naam 10] en [naam 11] van [naam 9] BV, dat heeft plaatsgevonden tussen 24 september 2008 en3 oktober 2008. Op 3 oktober 2008 heeft [getuige 17] [naam 11] gemaild: “Beste [naam 11] , we willen kiezen voor de Home products Cardio Run Forma LT. Gelieve mij een nieuwe aanbieding te sturen met korting.

Bij het afleveradres zal het apparaat ofwel naar de 1e verdieping of naar de kelder gebracht

moeten worden, dus altijd trappen op of omlaag. Alvast bedankt. Met vriendelijke groeten,

[getuige 17] , Inkoper SGL”. 186

Dit e-mailbericht is ook in de administratie van SGL aangetroffen, waarbij op de rechterbovenzijde met pen de navolgende tekst is geschreven: “Dit n.a.v. mondeling antwoord [verdachte] d.d. 2/10/08. Bestel de goedkoopste versie”.187

Bij [naam 9] BV is een door [getuige 17] en [verdachte] ondertekende inkooporder van SGL aangetroffen van 13 oktober 2008. Het betreft een inkooporder voor “1 stuk home products – cardio, Run forma LT (loopband), artikelnummer D7453LNALOOGONLS” ter waarde van € 2.317,56. Afgesproken wordt dat de levering op de 1ste etage of de kelder van SGL [woonplaats 1] , [adres 1] , [woonplaats 1] dient plaats te vinden, voor de prijs van € 194,38 netto. Daarnaast wordt afgesproken dat de dag voor levering mevrouw [medeverdachte] moet worden verwittigd.188

Bij [naam 9] BV is een vrachtbrief van [naam 9] BV aangetroffen van14 november 2008 waarop is vermeld dat het apparaat geleverd moet worden op de 1e etage op het adres [adres 1] in [woonplaats 1] . Op de vrachtbrief is aangetekend dat het apparaat is uitgepakt en geïnstalleerd en dat de groene knopinstructie is gegeven. Er is getekend voor ontvangst door [medeverdachte] . De loopband weegt blijkens de vrachtbrief 178 kilo.189

In de administratie van SGL is een factuur aangetroffen van [naam 9] BV van 20 november 2008, gericht aan SGL, over de levering van een “Run Forma LT” op het adres [adres 1] , [woonplaats 1] voor een bedrag van in totaal € 2.989,12 inclusief BTW.190

Uit de administratie van [naam 9] BV blijkt dat op 20 december 2008 door SGL een bedrag van € 2.989,12 is betaald voor de levering en installatie van de Run Forma loopband.191

Uit de auditfiles van SGL 2008 blijkt dat voor de aankoop van een Run Forma bij de firma [naam 9] op 20 november 2008 een mutatie heeft plaatsgevonden onder “Inrichting collectieve ruimten” van € 2.989,21 “aan crediteuren” en op 17 december 2008 eenzelfde bedrag van “crediteuren” aan “Rek. nr. betalingen onderweg”.192

Getuige [getuige 17] heeft over deze aanschaf verklaard dat deze levering hem is opgevallen, omdat het geleverde naar een woonlocatie moest. [verdachte] heeft hem mondeling gevraagd om een aantal offertes op te vragen. Zij hebben een voorkeursleverancier voor deze goederen en dat is [naam 9] BV. Deze leverancier levert ook goederen voor de revalidatiepraktijk. Dat is vaak zeer geavanceerde, zeer prijzige apparatuur. [getuige 17] kan zich niet herinneren dat [verdachte] heeft medegedeeld waarom hij deze offertes moest aanvragen. Als hij naar de loopband kijkt die is besteld, dan is dat niet een model dat gebruikelijk zou zijn aangeschaft voor de revalidatiepraktijk.193

Getuige [getuige 18] heeft over deze aanschaf verklaard dat er binnen SGL nooit opdracht is gegeven om deze loopband te verplaatsen naar een locatie van SGL of [naam BV] .194

[verdachte] heeft verklaard dat de loopband is betaald door SGL betaald en dat hij niets in privé heeft verrekend.195

[verdachte] en [medeverdachte] hebben beiden ter zitting verklaard dat zij vanaf eind 2007 samen woonachtig zijn geweest op het adres [adres 1] te [woonplaats 1] .

Bewijsoverweging:

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [verdachte] inkoper [getuige 17] een voor thuisgebruik goede loopband heeft laten bestellen bij [naam 9] en dat [verdachte] deze loopband heeft laten bezorgen op zijn privéadres. Tegenover [getuige 17] heeft hij het blijkens de opmaak van verschillende documenten doen voorkomen dat het hier een woonlocatie van SGL betrof. Dat [medeverdachte] van een en ander op de hoogte was, blijkt uit het feit dat met haar contact moest worden opgenomen voor de aflevering en uit het feit dat zij de loopband in ontvangst heeft genomen. Uit de vrachtbrief blijkt dat de loopband in de woning is geïnstalleerd en dat bij aflevering uitleg is gegeven over de werking van de loopband.

Dat de loopband zou zijn aangeschaft om te worden gebruikt op de manege bij de daar door [naam BV] aangeboden dagbesteding, is niet aannemelijk geworden. Evenmin acht de rechtbank aannemelijk de verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte] dat de loopband eerst zou zijn uitgeprobeerd in de eigen woning in [adres 1] en vervolgens naar de manege zou zijn overgebracht. Voor deze gang van zaken is geen enkele aanwijzing te vinden in het dossier, anders dan de verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte] . De loopband is niet geschikt voor professioneel gebruik en niet valt in te zien waarom in dat geval de loopband op het privéadres van [verdachte] en [medeverdachte] is geleverd.

Gelet op deze feiten en omstandigheden acht de rechtbank bewezen dat [verdachte] en [medeverdachte] op naam en voor rekening van SGL een loopband hebben gekocht die zij zich vervolgens hebben toegeëigend door deze bij hen thuis te laten afleveren en plaatsen.

Daarmee heeft de [verdachte] tezamen en in vereniging met [medeverdachte] een loopband ter waarde van € 2.989,21 verduisterd onder de verzwarende omstandigheid dat [verdachte] deze loopband uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich had.

4.15

Kunst

[verdachte] wordt verweten dat hij in de periode van 1 februari 2005 tot en met 1 november 2010 samen met [medeverdachte] kunst heeft verduisterd met een totale waarde van € 70.639,-. Het betreft kunst die door SGL is gekocht en die is aangetroffen in de woning van [verdachte] en [medeverdachte] en in [naam manege 2] .

Bewijsmiddelen

Uit het dossier komt naar voren dat [verdachte] vaak namens SGL kunst aanschafte. Een deel van deze kunst werd gekocht bij [naam galerie] te Neeroeteren-Maaseik.

Getuige [getuige 19] heeft verklaard dat [verdachte] vanaf eind 2005 in zijn zaak kwam. Gewoonlijk kwam hij rond de jaarwisseling en dan nog eens halverwege het jaar. Het gebeurde dat [verdachte] alleen kwam, soms samen met mevrouw [medeverdachte] . Van [verdachte] moest [getuige 19] dan de factuur maken op naam van SGL. [getuige 19] heeft daar praktisch nooit andere mensen van ontmoet. De enige andere waar hij contact mee heeft gehad, is de heer [getuige 5] . Alles wat [verdachte] en [medeverdachte] ooit hebben meegenomen, aldus [getuige 19] , is gefactureerd en steeds aan SGL. [verdachte] en [medeverdachte] hebben nooit privé aankopen gedaan.196 [getuige 19] noteerde in zijn administratie het leveringsadres. Hieruit blijkt dat er regelmatig kunst werd afgeleverd bij het woonhuis van [verdachte] en [medeverdachte] in [woonplaats 1] .197

In december 2011 deed SGL een inventarisatie van de door haar gekochte kunstvoorwerpen. Het verloop van deze inventarisatie blijkt uit het KPMG-rapport. Het boekhoudkundig onderzoek werd uitgevoerd door medewerkers van SGL in samenwerking met [naam 12] (hierna: [naam 12] ).198 Uit dit onderzoek bleek dat er in de periode van 20 december 2002 tot 20 september 2010 145 kunststukken door SGL werden aangeschaft met een totale waarde van € 569.610,83.

KPMG trof daarnaast nog voor een bedrag van € 23.178,00 aan kunst in de boekhouding van SGL aan.199

Getuige [getuige 20] van [naam 12] heeft verklaard dat zij op 24 oktober 2011 de woning van [verdachte] in [woonplaats 1] bezochten. Ze werden door [verdachte] binnengelaten en naar de bibliotheek/werkkamer in de kelder geleid en zijn verder niet in het pand geweest. [verdachte] vertelde aan de mensen van [naam 12] dat er in de rest van het pand geen kunst van SGL aanwezig was. Toen ze er aankwamen, aldus [getuige 20] , wierpen ze een blik in de tuin en zagen ze dat er aantal kunstobjecten stond die mogelijk aan SGL toebehoorden.200

Door het ontbreken van een administratie was onbekend waar de kunstwerken zich bevonden. [naam 12] stelde daarom in februari/maart 2012 een lijst op van 41 locaties van SGL waar de kunst zou kunnen zijn. Daarvan werden 25 locaties bezocht.201Sommige locaties, waaronder [naam manege 2] , werden niet bezocht, omdat daar volgens [verdachte] geen kunst aanwezig was.202 De aangetroffen kunst werd gefotografeerd en geregistreerd en op dat moment werd voor een bedrag van € 260.554,- aan kunst niet gevonden.

Op 4 juli 2012 zijn de locaties [adres 1] in [woonplaats 1] en [adres 2] in [woonplaats 2] door de FIOD doorzocht.203

In [adres 1] in [woonplaats 1] zijn de volgende kunstvoorwerpen aangetroffen204:

Deze voorwerpen stonden in de privévertrekken van [verdachte] en [medeverdachte] en zijn betaald door SGL.

Verder zijn in [adres 1] in [woonplaats 1] de volgende kunstvoorwerpen aangetroffen205:

Getuige [getuige 20] van [naam 12] heeft verklaard, nadat haar foto’s zijn getoond die zijn genomen tijdens de doorzoeking, dat zij op de foto’s nog een voorwerp herkende dat eigendom van SGL was.206

Het betreft het volgende kunstvoorwerp207:

In [adres 2] in [woonplaats 2] zijn de volgende kunstvoorwerpen aangetroffen208:

Uit de aantekeningen van [getuige 19] blijkt dat de objecten met codes O-02, O-11, O-23, O‑24, O-65 en O-73 door [getuige 19] in [woonplaats 1] zijn afgeleverd. [getuige 19] heeft voor het eerst op 16 november 2017 een in [woonplaats 1] aangetroffen kunstwerk afgeleverd in [adres 1] [woonplaats 1] .209

[verdachte] heeft verklaard dat er buiten het schaakspel nooit iets met SGL is verrekend voor aangekochte kunst.210 Ter zitting heeft [verdachte] daaraan toegevoegd dat er nooit een registratie is geweest of een overeenkomst van bruikleen voor de kunstvoorwerpen van SGL die bij hem en in de manege van [naam BV] zijn aangetroffen.

Bewijsoverweging:

In totaal bedraagt de in de woning van [verdachte] en [medeverdachte] en op de manege aangetroffen en door SGL betaalde kunst: € 14 .500 + € 6.284,00 + € 3.200,00 + € 56.655,34 = € 80.639,34. Van dit bedrag heeft de officier van justitie een bedrag van € 10.000,- niet ten laste gelegd voor een schaakspel dat [verdachte] op rekening van SGL kocht, maar dat hij in januari 2011 aan SGL terugbetaalde. Dit schaakspel komt overigens niet voor op de lijsten met kunstvoorwerpen die in [woonplaats 1] dan wel [woonplaats 2] zijn aangetroffen (en maakt dus geen deel uit van de waarde van de gevonden kunstvoorwerpen van € 80.639,34). In de tenlastelegging leidt dit tot een totaalbedrag aan verduisterde kunst van € 70.639,34.

De rechtbank constateert dat uit de inventarisatielijst van [naam 12] blijkt dat de voorwerpen O-79 (€ 12.499,94), O-80 (€ 3.200,-), O-81 (€ 3.200,-) en het voorwerp 35 (Unica graal 414: € 3.200,-) op 31 december 2004 zijn gekocht. Deze datum valt buiten de tenlastegelegde pleegperiode van 1 februari 2005 tot en met 1 november 2010. Van deze voorwerpen kan om die reden niet worden bewezen dat ze zijn verduisterd in de pleegperiode. Daarmee dient de waarde van de tenlastegelegd verduisterde kunst met € 22.099,94 te worden verlaagd.

De voorwerpen O-05 (€ 1.500,-), O- 14 (€ 1.749,-) en O-68 (€ 2.150,-) komen niet voor op de inventarisatielijst van SGL en er bevinden zich geen facturen van deze voorwerpen in het dossier. Van deze kunstvoorwerpen kan dus niet worden vastgesteld dat ze eigendom zijn geweest van SGL en dat ze van SGL zijn verduisterd. De rechtbank zal daarom ook voor deze kunstvoorwerpen vrijspreken, waarmee de waarde van de verduisterde kunst nog eens met € 5.399,- wordt verminderd.

Het totaalbedrag van de in [woonplaats 1] en [woonplaats 2] aangetroffen en door SGL in de ten laste gelegde periode betaalde kunst bedraagt dus: € 53.140,40 (€ 80.639,34 minus € 22.099,94 minus € 5.399,-).

Uit het dossier komt het beeld naar voren dat [verdachte] doorgaans degene was die kunstaankopen door SGL initieerde. Regelmatig kocht hij als bestuurder van SGL persoonlijk kostbare kunstvoorwerpen die door SGL werden betaald. In de periode 2002‑2010 gaat het om een bedrag van meer dan € 500.000,-. Een deel van deze kunstvoorwerpen liet hij (soms direct na aankoop) plaatsen in de privévertrekken van zijn woning in [woonplaats 1] en op de manege van [naam BV] in [woonplaats 2] . Deze plaatsing in de woning van [verdachte] en [medeverdachte] of in de manege van [naam BV] werd niet gemeld aan SGL; er werd ook geen administratie bij SGL van bijgehouden . Door deze gang van zaken werden de kunstvoorwerpen van SGL buiten het zicht en buiten de zeggenschap van SGL gebracht. Toen in 2011 een grootschalige inventarisatie van de kunst werd gedaan waarvan [verdachte] op de hoogte was, zweeg hij over de in zijn woning en in de manege aanwezige kunst. Pas in 2012, na doorzoekingen van de FIOD, werd de kunst gevonden. Hieruit blijkt dat [verdachte] zich over deze kunststukken van SGL als heer en meester is gaan gedragen. In sommige gevallen kocht hij samen met [medeverdachte] namens SGL kunstvoorwerpen waarvan het al bij aankoop zijn bedoeling was om zich deze toe te eigenen: hij liet ze namelijk rechtstreeks afleveren aan zijn woonhuis. De stelling van verdachte dat geen sprake was van verduistering omdat in de woonkamer ook wel eens werd vergaderd, schuift de rechtbank terzijde. Nog los van het feit dat van een structureel zakelijk gebruik van de woonkamer niet is gebleken, staat vast dat de kunstvoorwerpen in de woning in [woonplaats 1] verspreid waren over de ruimtes die behoorden tot de woonvertrekken van [verdachte] en [medeverdachte] . Er mag dan ook vanuit worden gegaan dat deze daar dienden voor hun persoonlijk woongenot. Alles wijst erop dat [verdachte] zichzelf de kunstvoorwerpen toe-eigende door ze in zijn woning te plaatsen zonder dat SGL daar weet van of zicht op had.

De SGL-kunst op de manege (een locatie van [naam BV] ) was daar volgens [verdachte] aanwezig, omdat het plan bestond om op [adres 2] een winkel te beginnen met kunstvoorwerpen, deels gemaakt door cliënten van [naam BV] . Deze verklaring treft geen doel. De stelling dat er voornemens waren daar een winkel te starten vindt geen steun in de dossierstukken en geeft bovendien geen antwoord op de vraag waarom dit rechtvaardigt dat kunst van SGL, waarnaar al langere tijd werd gezocht en met een waarde van tienduizenden euro’s daar aanwezig was.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] kunstvoorwerpen van SGL ter waarde van € 53.140,40 verduisterd heeft.

Voor wat het medeplegen van deze verduisteringen door [medeverdachte] betreft, is de rechtbank van oordeel dat voldoende bewijs voorhanden is om aan te nemen dat de kunst die met ingang van 16 november 2007 (de datum waarop [getuige 19] voor het eerst een kunstwerk aflevert in [woonplaats 1] ) is gekocht en die is aangetroffen in de woning in [woonplaats 1] , door [verdachte] samen met [medeverdachte] is verduisterd. [medeverdachte] is immers regelmatig meegegaan met [verdachte] om bij [getuige 19] kunst te kopen. Uit het dossier blijkt voorts dat [verdachte] en [medeverdachte] ook omstreeks die datum samen op het adres in [woonplaats 1] gingen wonen. Het betreft de voorwerpen O-02 (€ 2,300,-), O‑11 (€ 1.500,-), O-23 (€ 2.550,) en O‑24 (€350,) (totaal: € 6,700,). Ditzelfde geldt voor de kunstvoorwerpen die [verdachte] en [medeverdachte] bij [getuige 19] hebben aangeschaft op of na 1 december 2007 én bij hen thuis in [woonplaats 1] zijn afgeleverd én tijdens de huiszoeking in de [naam manege 2] zijn aangetroffen. Het betreft de kunststukken: O-65 (€ 5.650,-),O-71 (€ 2.100,-), O-73 (€ 1.800,) en O-74 (€ 7.250,40) (totaal: € 16.800,40). De totale waarde van de voor [medeverdachte] bewezen verklaarde verduisterde objecten bedraagt € 23.500,40.

4.16

Horloges (feitonderdeel 14 )

[verdachte] wordt ervan verdacht dat hij in de periode van 1 februari 2005 tot 1 november 2010 bij SGL samen met [medeverdachte] € 34.502,00 heeft verduisterd voor de aankoop van zes horloges danwel de desbetreffende horloges heeft verduisterd.

Het betreft de aankoop van de volgende horloges voor de volgende bedragen:

Seiko Sportura SLQ019 J1 € 3.059,00

[naam 44] Oris Team Lefty € 3.199,00

U-boat Nightvision € 2.800,00

[naam 44] Zenith ZC Defy Classic € 6.681,50

[naam 44] Zenith Defy Xtrem Open € 12.981,50

[naam 44] Longines L2.715.8.78.3 € 5.781,50

Totaal € 34.502,50 211

Bewijsmiddelen

Seiko Sportura SLQ019 J1

Dit horloge is door [verdachte] besteld blijkens een in de administratie van SGL aangetroffen uitdraai van een e-mailbericht van [naam 42] aan [verdachte] van 22 november 2006. Het e-mailbericht bevestigt de bestelling van een product met artikelnummer SLQ019-J1 voor een bedrag van € 3.059,00 leveringsadres [adres 10] te [plaats 3] . Aantal en naam van het product zijn op de uitdraai onleesbaar gemaakt en op de uitdraai staat met pen geschreven “ [naam 43] , het bedrag” en een pijl bij de prijs van € 3.059,00.212

Uit de administratie van SGL blijkt dat op 30 november 2006 door SGL een betaling van € 3.059,00 is verricht aan [naam 42] . Deze aankoop is verantwoord op de grootboekrekening “overige bestuurskosten”.213

[naam 44] Oris Team Lefty

Dit horloge is blijkens een schermafdruk dat is overgelegd door de eigenaar van [naam 44] , op 26 november 2006 via internet besteld bij [naam 44] . Het is een bestelling van drie horloges voor in totaal € 4.097,00, waaronder een “Oris Team Lefty” voor een bedrag van € 3.199,00. Deze bestelling is gedaan door [verdachte] , [adres 10] te [plaats 3] .214

De bijbehorende factuur van 13 december 2006 is gericht aan dhr. [verdachte] , [adres 10] te [plaats 3] .215

Uit de administratie van SGL blijkt dat op 28 november 2006 een betaling van € 4.097,00 is verricht met omschrijving mutatie “[naam 44] ; 12x horloge”. Deze aankoop is verantwoord op de grootboekrekening “overige bestuurskosten”.216

In de administratie van SGL is een uitdraai aangetroffen van een e-mailbericht van 26 november 2006 aan [verdachte] , waarin deze bestelling aan [verdachte] wordt bevestigd. Op deze uitdraai staat achter de eerste “1” van het horloge met stuksprijs € 3.199,00 een “0” geschreven, waardoor het lijkt alsof het“10” horloges betreft en dus in totaal voor dit bedrag “12” horloges zijn gekocht. Deze bestelling is blijkens de paraaf op de uitdraai geaccordeerd door [verdachte] op 27 november 2006.217

U-boat Nightvision

Dit horloge is blijkens een bestelformulier en een uitdraai van een e-mailbericht van 28 november 2006, aangetroffen in de administratie van SGL, besteld door SGL, [verdachte] , e-mail: [e-mailadres] , [adres 10] te [plaats 3] bij [naam 45] . Op de uitdraai van het e-mailbericht is handmatig geschreven “bedrag is € 2.800,-” en de naam, het adres en het rekeningnummer van [naam 45] De bestelling is blijkens de daarop gestelde paraaf geaccordeerd door [verdachte] op 28 november 2006.218

Uit de administratie van SGL blijkt dat op 30 november 2006 een betaling van € 2.800,00 is verricht met omschrijving mutatie “U-boatwatch.nl”. Deze aankoop is verantwoord op de grootboekrekening “overige bestuurskosten”.219

[naam 44] Zenith ZC Defy Classic

Dit horloge is blijkens een schermafdruk die is overgelegd door de eigenaar van [naam 44] op 9 februari 2007 via internet bij [naam 44] besteld voor een bedrag van € € 6.371,55 (inclusief korting en verzendkosten). De bestelling is gedaan door de heer [verdachte] , [adres 10] te [plaats 3] , e-mailadres [e-mailadres] .220

In de administratie van SGL is een factuur van [naam 44] aangetroffen, gericht aan dhr. [verdachte] voor een Zenith ZC Defy Classic voor een totaalbedrag van € 6.681,50 (inclusief korting en verzendkosten). Deze factuur is nog ongedateerd in verband met garantie vanaf het moment van levering. De factuur is blijkens de daarop gestelde paraaf geaccordeerd door [verdachte] op 12 februari 2007.221

Uit de administratie van SGL blijkt dat op 12 februari 2007 een betaling van € 6.681,50 is verricht met omschrijving mutatie “ [naam 44] ”. Deze aankoop is verantwoord op de grootboekrekening “representatiekosten”.222

[naam 44] Zenith Defy Xtrem Open

Dit horloge is blijkens een schermafdruk die is overgelegd door de eigenaar van [naam 44] op 8 augustus 2007 via internet bij [naam 44] besteld voor een bedrag van € 12.981,50 (inclusief korting en verzendkosten). De bestelling is gedaan door de heer [verdachte] , [adres 10] te [plaats 3] , e-mailadres [e-mailadres] .223

In de administratie van SGL is een handgeschreven notitie van 8 augustus 2007 van [verdachte] aangetroffen met de navolgende tekst: “ [naam 47] , gaarne overmaken op bankaccount [rekeningnummer 5] ten name van [naam 44] te Nijmegen een bedrag van E 12.981,50. Vermelden ZDCD Extrem. Het betreft via een tussenhandel een veegaanpassing aan de trekker zodat cliënten kunnen gaan vegen (terrein). Met dank, [verdachte] ”224

In de administratie van SGL is een uitdraai van een verzendbestand aangetroffen met opdracht tot betaling aan [naam 44] op rekeningnummer [rekeningnummer 5] van een bedrag van € 12.981,50 met omschrijving ‘ZDCD Extrem’. De opdracht is blijkens daarop gestelde paraaf op 8 augustus 2007 door [verdachte] geaccordeerd.225

Uit de administratie van SGL blijkt dat op 9 augustus 2007 een betaling van € 12.981,50 is verricht met omschrijving mutatie “ [naam 44] , veegaanpasing.tre”. Deze aankoop is verantwoord op de grootboekrekening “inventaris”.226

[naam 44] Longines L2.715.8.78.3

Blijkens een schermafdruk die is overgelegd door de eigenaar van [naam 44] is op 21 december 2009 via internet bij [naam 44] een horloge “Longines L2.717.8.78.3” besteld voor een bedrag van € 5.781,50 (inclusief korting en verzendkosten). De bestelling is gedaan door de heer [verdachte] , [adres 10] te [plaats 3] , e-mailadres [e-mailadres] .227

In de administratie van SGL is een uitdraai aangetroffen van een e-mailbericht van [naam 44] van 21 december 2009 aan [verdachte] , waarin de bestelling wordt bevestigd. Blijkens daarop gestelde paraaf heeft [verdachte] deze bestelling geaccordeerd op 22 december 2009.228

Uit de administratie van SGL blijkt dat op 22 december 2009 een betaling van € 5.781,50 is verricht met omschrijving mutatie “ [naam 44] ; Horloges, jubilari”. Deze aankoop is verantwoord op de grootboekrekening “diverse personeelskosten”.229

In het dossier bevindt zich een e-mailwisseling tussen Leon [naam 46] van [naam 44] en [verdachte] . Op 23 december 2009 bericht [naam 46] dat het gewenste Longlines L2.717.8.78.3 model niet op voorraad is, maar wel een kleiner model L2.715.8.78.3 dat

€ 500,00 goedkoper is. Dezelfde dag bericht [verdachte] dat hij het kleinere model wil bestellen.230 Deze bestelling wordt diezelfde dag door [naam 46] bevestigd.231

In het dossier bevindt zich een factuur voor het desbetreffende horloge van 6 januari 2010 voor een bedrag van € 5.281,50.232

De terugbetaling van de € 500,00 die te veel was betaald, is niet teruggevonden in de administratie van SGL of de administratie van [naam 44] .233

Verrekening

In de auditfiles en andere documenten is geen verrekening in privé of anderszins van horloges door verdachte [verdachte] aangetroffen.234

Getuige [getuige 30], die [verdachte] als bestuurder is opgevolgd bij SGL en aangifte heeft gedaan tegen [verdachte] , heeft verklaard dat uit onderzoek naar voren is gekomen dat [verdachte] voor € 76.109,68 aan horloges heeft gekocht. Hiervan zijn horloges met een totaalwaarde van ongeveer € 44.000,- niet meer te traceren binnen SGL. Ze zijn niet besteed aan jubilarissen of medewerkers. De heer Poels heeft de horloges die besteld werden bij [naam 44] en de U-boat genoemd als voorbeelden van horloges die door [verdachte] zijn aangeschaft, maar die SGL niet meer kan vinden.235

Getuige [getuige 7], administratief medewerkster bij SGL, heeft verklaard dat de handtekening van [verdachte] volstond voor de goedkeuring van een factuur vanwege zijn hiërarchische positie en dat niet-naleving van de (interne) procuratieregeling niet in de weg stond aan een betaling en de verwerking in de financiële administratie als [verdachte] de betaling had geaccordeerd.236

[getuige 7] heeft verder verklaard dat er een heleboel horloges zijn aangeschaft waaronder een paar dure. Alle horloges werden gekocht door [verdachte] . Ook hier gold de procuratieregeling niet, tenminste de afdeling Inkoop werd gewoon gepasseerd. Ook bij de Administratie werden zij gepasseerd, zij betaalden wel maar niet conform de procuratieregeling. Zij kregen handgeschreven notities van [verdachte] over deze aankopen, daarnaast mogelijk een uitdraai van een internetbestelling of een factuur. Aan de hand van deze documenten werd door hen betaald.237

[verdachte] heeft ter terechtzitting verklaard dat er dingen fout zijn gegaan. Als voorbeeld noemde hij daarbij desgevraagd de horloges.

Bewijsoverweging:

Uit de besproken bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat in alle zes gevallen [verdachte] via internet horloges bestelde. Dit deed hij op eigen naam, hoewel hij een mailadres opgaf van SGL. De horloges liet hij op zijn werkadres afleveren. De facturen voor die horloges werden door SGL geadministreerd en voldaan. De opdrachten tot die betalingen gaf [verdachte] steeds zelf. In één geval ( [naam 44] Oris Team Lefty) werd op de factuur het aantal horloges veranderd van één in tien. In een ander geval ( [naam 44] Zenith Defy Xtrem Open) werd op aangeven van [verdachte] een onjuiste omschrijving aan de betaling gegeven. In een derde geval ( [naam 44] Longines L2.715.8.78.3) werd ten onrechte gesuggereerd dat de aankoop bestemd was voor een jubilaris, terwijl dit niet het geval was.

Hoewel het erop lijkt dat bij de aankoop van alle horloges [verdachte] al vanaf het moment van aankoop het voornemen had om zich de horloges toe te eigenen, heeft hij steeds gedaan alsof SGL ze kocht en heeft SGL ze ook steeds betaald. Om te verhullen dat de aankoop van deze dure horloges geen enkel doel diende van SGL, heeft [verdachte] in de drie hierboven genoemde gevallen geprobeerd om aan die aankopen een meer begrijpelijke reden te geven door in strijd met de werkelijkheid te suggereren dat ze als relatie- of jubilarisgeschenk werden aangekocht.

[verdachte] heeft wisselend verklaard over het doel van de aanschaf van (een deel van) de horloges: ze zouden zijn gebruikt als ruilmiddel in de paardenhandel of ze zouden zijn gekocht vanwege bedreigingen aan het adres van [verdachte] . De rechtbank acht deze verklaringen onaannemelijk. [verdachte] heeft zijn verklaringen niet onderbouwd met verifieerbare feiten en voor de verklaringen is geen steun te vinden in de dossierstukken. Sterker nog, de dossierstukken spreken de verklaring van [verdachte] deels tegen. Zo heeft hij verklaard dat de laatste drie horloges zouden zijn aangeschaft met het doel paarden voor de manege te verwerven. De aankoop van [naam veulen 1] , [naam veulen 2] en [naam veulen 3] heeft echter al op 22 september 2006 plaatsgevonden, terwijl de bedoelde horloges pas op 9 februari 2007, 8 augustus 2007 en 21 december 2009 zijn gekocht. Getuige [getuige 3] , oud-manegehouder en paardenhandelaar, heeft bovendien bestreden dat het gebruikelijk zou zijn paarden te kopen in ruil voor dure horloges. Ook [verdachte] heeft deze stellingname kennelijk verlaten, want in zijn laatste woord ter terechtzitting kwam hij met de verklaring dat hij geconfronteerd werd met bedreiging met brandstichting op [naam manege 2] en dat de horloges dienden om deze bedreigingen af te kopen. Dat [verdachte] pas in zo’n laat stadium een dergelijke, toch wel opmerkelijke, verklaring aflegt, komt de geloofwaardigheid daarvan niet ten goede. Nergens blijkt bovendien uit dat [verdachte] werd bedreigd of dat hij daarvan een melding of aangifte heeft gedaan.

De rechtbank acht op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] de horloges ter waarde van € 34.502,- heeft verduisterd onder de verzwarende omstandigheid dat hij ze uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich had. Dat [verdachte] dit feit samen met [medeverdachte] heeft gepleegd, kan niet worden bewezen. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat [medeverdachte] betrokkenheid heeft gehad bij de aankoop van de horloges. Van het medeplegen op dit onderdeel zal de rechtbank verdachte vrijspreken.

4.17

Werknemer (feitonderdeel 15)

[verdachte] wordt ervan verdacht dat hij in de periode van 10 april 2007 tot en met 31 december 2011 samen met [medeverdachte] € 33.620,00 heeft verduisterd bij [naam BV] met indienstneming van [getuige 21] .

Bewijsmiddelen

In het dossier bevinden zich een arbeidsovereenkomst238 en loonstaten239 die betrekking hebben op het dienstverband dat is aangegaan tussen [naam BV] en [getuige 21] .

Uit de arbeidsovereenkomst blijkt dat [getuige 21] met ingang van 22 oktober 2007 in dienst trad bij [naam BV] als instructeur. Deze overeenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd tot 21 oktober 2008 voor acht uur per week, met een salaris van € 65,79 per uur. Deze arbeidsovereenkomst is door medeverdachte [medeverdachte] namens [naam BV] en door [getuige 21] ondertekend.

Uit de loonstaten blijkt dat [getuige 21] in 2007 netto afgerond € 3.837,- heeft verdiend en in 2008 netto afgerond € 18.957,-, zijnde in totaal € 22.794,-. Bruto is dit een bedrag van afgerond € 33.620,-. Dit bedrag komt overeen met het bedrag in de tenlastelegging.

Getuige [getuige 21] heeft verklaard dat hij is benaderd door [naam dochter] , de dochter van [verdachte] , of [getuige 12] , een vriendin van [naam dochter] . Er is door één van de meiden gevraagd om aan hen les te geven. Hij heeft 9 uur per week les gegeven. Hij heeft eerst een proefles gegeven aan [getuige 12] en [naam dochter] . Dat klikte en hij is vervolgens aangenomen door [verdachte] . Dat was op de manege. [verdachte] heeft aangegeven dat zijn hoofdtaak was het lesgeven aan [naam dochter] en [getuige 12] . [medeverdachte] heeft het contract ondertekend omdat zij bedrijfsleidster was en deze zaken afhandelde. [getuige 21] heeft verder verklaard dat op het moment dat hij daar kwam werken er nog geen gehandicapte ruiters waren die de ruitersport zouden gaan beoefenen. In de gehele periode dat hij bij [naam BV] heeft gewerkt heeft hij ook geen gehandicapte ruiters gezien die de ruitersport daar hebben beoefend. [getuige 21] had de verwachting dat de doelstelling van het bedrijf was om gehandicapten op een hoog niveau te laten paardrijden, omdat een aantal paarden rijklaar moesten worden gemaakt. Dat er uiteindelijk geen gehandicapten van dat niveau bij [naam BV] zijn terechtgekomen, vond hij jammer want daar had hij natuurlijk wel op gerekend. [verdachte] was de persoon

die bij [naam BV] alles aanstuurde, het beleid voerde en met ideeën kwam en [medeverdachte]

was meer belast met de uitvoering daarvan.240

Getuige [naam dochter] heeft op 4 juli 2012 verklaard dat [getuige 21] haar paardrijles heeft gegeven. Dat is ongeveer vijf jaar geleden geweest. [getuige 21] heeft ook les gegeven aan [getuige 12] . De lessen zijn betaald door haar vader. [getuige 21] heeft geen les gegeven aan cliënten.241

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat [naam dochter] en [getuige 12] ruiter les kregen van [getuige 21] . [getuige 21] was een subtopruiter van Nederland. Hij gaf privéles aan [naam dochter] en [getuige 12] . Hij heeft nooit lesgegeven aan cliënten.242

Getuige [getuige 12], die een sponsorcontract had bij SGL en tot eind 2008 bij [naam BV] heeft gereden, heeft verklaard dat bij [naam BV] in het begin ongeveer 5 à 6 cliënten per dag de manege bezochten om de paarden te verzorgen. Naderhand is dat teruggelopen. Het paardrijden op niveau is nooit van de grond gekomen. Er zijn geen gehandicapte ruiters van niveau bij [naam BV] gaan rijden. De paarden die op initiatief van [verdachte] door sponsorruiters naar een hoger niveau zijn gebracht, zijn uiteindelijk niet bereden door gehandicapte ruiters. Ze heeft geen inspanningen gezien bij [naam BV] om gehandicapte ruiters van topniveau "binnen" de manege te krijgen. Geen advertenties of iets dergelijke waarbij dergelijke topruiters werden gevraagd. Wat ze weet, is dat er een site was waarop een en ander stond vermeld en dat er af en toe open zondagen waren, waarbij mensen konden komen kijken welke activiteiten konden plaatsvinden op de manege. Zij heeft verder verklaard dat [getuige 21] ruiter van naam is in Nederland en van zo iemand wil eigenlijk iedereen wel les hebben. Zij heeft [getuige 21] niet benaderd om te komen werken bij [naam BV] als instructeur. Voor zover zij zich kan herinneren, heeft [verdachte] [getuige 21] gevraagd om te komen werken als instructeur. [getuige 21] heeft alleen [naam dochter] en haar ( [getuige 12] ) lesgegeven. Het was de bedoeling om [naam dochter] en haar naar een hoger niveau te brengen. Waarom [naam dochter] en zij naar een hoger niveau moesten worden gebracht, is nooit echt uitgesproken. Het was wel duidelijk dat als het paard waarop zij reed door een gehandicapte ruiter op niveau bereden zou kunnen worden dat zou dit gebeuren. Maar zoals zij al vertelde, is dat in haar periode niet gebeurd en heeft zij die inspanningen om dergelijke ruiters binnen te halen bij [naam BV] ook niet gezien. Op de vraag of op een gegeven moment [getuige 21] , die toch een aanzienlijke naam heeft binnen de paardensport, is gebruikt om gehandicapte ruiters op niveau aan te trekken, antwoordt [getuige 12] dat zij dat zeker nooit zo heeft gezien. Hij was er om hen te begeleiden en om op [naam BV] te rijden. [getuige 12] heeft verder verklaard dat [verdachte] het voor het zeggen had bij [naam BV] , dat bleek uit alles want hij bepaalde alles. Hij had als bestuurder ook een bepaalde dominantie en die had [medeverdachte] , die in de ogen van [getuige 12] alleen op papier directeur was, niet.243

Getuige [getuige 16] heeft verklaard dat in de manege topruiters, zoals [naam 13] , [getuige 21] en [naam 14] uit [adres 1] , les hebben gegeven aan [naam dochter] . Die topruiters deden niets anders in de manege.244

Getuige [getuige 11], amazone met een lichamelijke beperking245 die een sponsorcontract heeft gehad met SGL, heeft verklaard dat zij een paard en lesgeld heeft gehad van SGL en eenmalig een kledingpakket met logo van SGL. Het is nooit de bedoeling geweest dat daar de naam [naam BV] op kwam te staan. Ze weet niet waarom. Het was de bedoeling dat ze een voorbeeldfunctie zou gaan vervullen en laten zien aan mensen met een beperking dat je kunt schitteren op je eigen niveau. Ze wilde niet alleen reclame maken voor SGL tijdens wedstrijden, maar ook aan mensen met een beperking laten zien wat je kunt bereiken in de sport. Daar waren ze best enthousiast over. Reclame heeft zij op wedstrijden wel kunnen doen, omdat ze het logo droeg en ook een trainingsset had met het logo van SGL, maar het aspect om aan mensen met een beperking te laten zien wat je in de sport kunt bereiken, is er niet van gekomen. Ze heeft ooit een demonstratie gegeven op de manege in

[woonplaats 2] maar dat was helemaal niet voor mensen met een beperking. Ze heeft daar

gereden voor personeel van SGL die daar zijn komen kijken met aanhang en kinderen. Op de vraag of [verdachte] ooit tegen haar heeft gezegd dat er warmbloedpaarden op de manege aanwezig waren die door amazones, zoals [naam dochter] , naar een hoog dressuurniveau werden gebracht zodat ze uiteindelijk door gehandicapte ruiters of amazones op topniveau konden worden uitgebracht, heeft zij verklaard dat [verdachte] of iemand anders haar dat nooit heeft verteld. Ze kan niet plaatsen waarom haar één van die andere paarden niet is aangeboden. Er is nooit tegen haar gezegd "kom eens kijken op de manege om eens te kijken naar de paarden om te zien of één van deze paarden een optie is".246

Blijkens de doelstelling van [naam BV] zijn de activiteiten van [naam BV] gericht op de ondersteuning van gehandicapten en chronisch zieken dan wel andere doelgroepen die bij de hiervoor ontwikkelde aanpak baat kunnen hebben247.

Bewijsoverweging:

Uit voormelde bewijsmiddelen blijkt dat dat [getuige 21] door [verdachte] en [medeverdachte] in oktober 2007 is aangesteld bij [naam BV] met als taak het geven van paardrijlessen aan [naam dochter] , de dochter van [verdachte] , en [getuige 12] . Tijdens zijn dienstverband heeft hij vrijwel niets anders gedaan dan les geven aan [naam dochter] en haar vriendin [getuige 12] .

SGL ontplooide sponsoractiviteiten voor de promotie van de mogelijkheden van gehandicapten. [getuige 12] had in dat kader van [verdachte] een sponsorcontract met SGL gekregen om paarden in te rijden voor gehandicapte ruiters van niveau. Wat daar ook van zij, uit de bewijsmiddelen blijkt dat binnen [naam BV] nooit serieus werk is gemaakt van het aantrekken van ruiters en amazones van goed niveau met een lichamelijke beperking. Niet in de periode waarin [getuige 21] les heeft gegeven op de manege, maar ook niet daarna. Zelfs aan [getuige 11] (een topruiter met een lichamelijke beperking) is geen aanbod gedaan om op de manege een rol van betekenis te spelen in dit kader, terwijl dit voor de hand had gelegen en [getuige 11] dat ook heel graag had gedaan. [getuige 11] is niet eens de mogelijkheid geboden op de manege te rijden. De stelling van [verdachte] dat het op de manege (mede) de bedoeling was om gehandicapten de mogelijkheid te bieden op hoog niveau paard te rijden, vindt dan ook geen ondersteuning in de feiten. [naam dochter] had bovendien geen sponsorcontract en de sponsoring ging uit van SGL, niet van [naam BV] .

Wanneer deze omstandigheden worden bezien in het licht van de doelstelling van [naam BV] , moet worden geconcludeerd dat niet valt niet in te zien waarom [naam BV] [getuige 21] heeft gecontracteerd. Dit is enkel te verklaren vanuit het doel [naam dochter] , als dochter van [verdachte] , lessen te laten volgen bij een ruiter van naam. Op deze manier hebben [verdachte] en [medeverdachte] geld van [naam BV] besteed aan een doel dat niets met de bedrijfsvoering van [naam BV] te maken had en privé is geweest.

[medeverdachte] kon uit hoofde van haar dienstbetrekking bij [naam BV] met bijbehorende volmacht om op te treden namens bestuurder [naam stichting 1] , beschikken over de geldmiddelen van [naam BV] . [verdachte] had blijkens de stukken in feite de leiding binnen [naam BV] . Door [getuige 21] in dienst te nemen bij [naam BV] om les te geven aan de dochter van [verdachte] en haar vriendin [getuige 12] hebben [verdachte] en [medeverdachte] de loonkosten verduisterd die [naam BV] heeft moeten betalen voor dit dienstverband.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] tezamen en in vereniging met [medeverdachte] met de indienstneming van [getuige 21] € 33,620,00 heeft verduisterd onder de verzwarende omstandigheid dat [medeverdachte] deze gelden uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking onder zich had.

4.18

[adres 7] [plaats 1] (feitonderdeel 16)

[verdachte] wordt ervan verdacht dat hij in de periode van 1 februari 2005 tot 1 november 2010 bij SGL samen met [medeverdachte] € 1.107.924,00 heeft verduisterd met de verbouwing en inrichting van het pand aan de [adres 7] in [plaats 1] .

Bewijsmiddelen

Dit pand is in 2005 door SGL (vertegenwoordigd door [verdachte] ) gekocht van de heer [naam verkoper] voor € 520.000,00 inclusief overname van roerende zaken voor € 15.000,00. Uit de afrekening van de notaris van 17 augustus 2005 blijkt dat SGL voor deze aankoop in totaal een bedrag van € 552.396,45 moest betalen.248

De Raad van Toezicht van SGL heeft op 13 juli 2005 toestemming gegeven voor de aankoop van het pand.249

Blijkens notulen van de Raad van Toezicht van 20 september 2005 is in die vergadering bij agendapunt 3 ‘mededelingen’ een overzicht van de gebeurtenissen in de zomermaanden gegeven, waarbij is vermeld dat in [plaats 1] een woonhuis is aangekocht dat zal worden gebruikt als kantoorpand in combinatie met niet-permanente bewoning.250

Het pand is verbouwd onder directie van [naam architecten] , die meerdere bouwprojecten van SGL begeleidden. In het dossier bevinden zich verslagen van overleggen die hebben plaatsgevonden tussen [verdachte] , [getuige 18] , hoofd technische dienst van SGL, en [getuige 22] van [naam architecten] over de projecten van SGL, waaronder het pand [adres 7] [plaats 1] . De verslagen hebben betrekking op overleggen van 7 juli 2006251, 19 september 2006252, 1 november 2006253 en 14 februari 2007254.

In de vergadering van 7 juli 2006 is besloten dat [naam 16] uit Tegelen opdracht krijgt de verbouwing uit te voeren en dat [verdachte] nog zal nadenken over wel of niet een 2e fase voor tuinhuis en tuinontwerp.

Ten tijde van de vergadering van 19 september 2006 is [naam 16] inmiddels gestart. De oplevering is voorzien voor Kerstmis. In deze vergadering is besloten dat de 2e fase voorlopig niet wordt aangevraagd. [getuige 22] zal het tuinontwerp hierop aanpassen. Verder staat vermeld ‘Afspraak te plannen door [medeverdachte] om inrichting te bespreken i.v.m. plaatsen stopcontacten etc. [verdachte] / [getuige 22] / [getuige 18]

In het verslag van 1 november 2006 staat vermeld dat de oplevering voor Kerstmis door [naam 16] niet haalbaar zal zijn. De interieurtekeningen worden besproken. [getuige 22] zal offertes aanvragen bij de interieurbouwer van de huidige inrichting en bij [naam 17] . Tevens wordt afgesproken dat sauna, koeling en geluidsinstallatie in de bouw meegenomen worden.

In het verslag van 14 februari 2017 is vermeld dat de oplevering is gepland op 28 februari 2007. Het bijgewerkte stichtingskostenoverzicht van 14 februari wordt besproken. De offerte voor uitvoering van het terras aan de achterzijde en bordes bij de voordeur wordt akkoord bevonden in de vergadering. Aangegeven is dat deze met de meeste spoed door aannemer wordt uitgevoerd. De offerte van hovenier [naam hovenier 1] is nog niet binnen.

In de administratie van SGL is een overzicht aangetroffen van de kosten van “project [plaats 1] ” (bijlage D-400).255 Uit het overzicht blijkt dat het merendeel van de kosten is gefactureerd in 2007. De bij SGL aangetroffen facturen256 die zien op het project zijn gevoegd in het dossier (bijlagen D-404 tot en met D-423).

Uit het overzicht bijlage D-400 blijkt dat aan kosten verbouwing in totaal € 993.756,25 in de administratie is verantwoord. Onder inventaris is een bedrag van € 17.966,60 opgenomen, waaronder de nota van [naam 18] (zie hierna). Onder onderhoudskosten is in totaal € 92.858,77 verantwoord, waaronder een bedrag van € 54.063,33 voor onderhoud van de tuin en diverse aankopen ‘divers klein materiaal’. Deze laatste omschrijving omvat blijkens het overzicht rekeningen van bijvoorbeeld Ikea, [naam 19] , [naam 20] en de Makro (zie ook hierna). Verder is een bedrag van € 1.333.85 vermeld voor een Miele wasmachine en droger. Tot slot zijn diverse kosten gemaakt, waaronder schoonmaakkosten derden in 2007 (€ 6.377,21), en afschrijvingskosten.

De aangetroffen facturen zijn bij SGL veelal geaccordeerd door [getuige 18] en daarnaast door [verdachte] als het bedrag van de factuur meer dan € 5.000,- was. Een aantal facturen is uitsluitend door [verdachte] geaccordeerd, waaronder een factuur van Herlebouw van € 42.878,08. Deze factuur is via [naam architecten] gegaan.

De begeleiding van de verbouwing door [getuige 22] van [naam architecten] heeft in totaal € 58.938,64 gekost. Uit de onderliggende nota’s257 blijkt dat vanaf november 2006 divers aanvullend tekenwerk heeft plaatsgevonden. Ook zijn in totaal 59 uur gedeclareerd voor interieuradvisering en tuinontwerp door de heer [naam 21] .

De werkzaamheden van aannemer [naam 16] hebben inclusief meerwerk € 453.802,51 gekost voor de verbouwing van de woning en € 117.219,76 voor het buitenterras258.

[naam 17] Interieurbouw heeft voor in totaal € 54.963,72 incl. BTW geleverd in de villa, waaronder een keuken, keukenapparatuur, tafels, een servieskast, een garderobekast, nachtkastjes en een dressoir.259

De firma [naam 22] heeft voor in totaal € 29.151,43 vier krukken voor de keuken, een leren bank van € 8.666,- en twee fauteuils van € 1.294,- voor de zithoek, 10 eetkamerstoelen van € 971,- voor de eethoek en een bureaustoel van € 2.008,-, twee eetkamerstoelen van € 971,- en een relaxfauteuil met voetenbank van € 2.390,- voor het kantoor/study geleverd. Deze nota van 27 april 2007 staat op naam van SGL, waarbij onder ‘uw referentie’ mevrouw [medeverdachte] staat vermeld.

[naam hovenier 1] Hoveniersbedrijf heeft tussen 15 mei 2007 en 30 september 2007 SGL tien facturen gestuurd voor in totaal een bedrag van € 188.535,86 voor de aanleg van de tuin, waaronder grondwerk, bestratingen, de aanleg van een zwemvijver met vlonder en beplanting.260

Blijkens het overzicht is voor € 18.385,- aan tuinmeubilair geleverd door [naam 23] . De onderliggende nota zit niet bij de stukken.

[naam 24] Bedrijfskeukens heeft blijkens nota’s van 24 mei 2007 voor € 4.107,88 een wijnbewaarkast en een wijnklimaatkast en voor € 378,42 een koffiezetapparaat geleverd in de villa. Deze nota’s zijn alleen door [verdachte] geaccordeerd.261

De firma [naam 18] heeft in mei 2007 voor in totaal € 12.799,60 zes boxspringbedden en matrassen en toebehoren (waaronder lakens en kussens) geleverd in [plaats 1] . De nota is van 20 juli 2007 en verzonden aan SGL tav [verdachte] . Deze nota is alleen door [verdachte] geaccordeerd.262

Blijkens een bon van [naam 25] is daar op zaterdag 7 april 2007 voor € 2.987,- aan verlichting gekocht door SGL. De bon is alleen door [verdachte] geaccordeerd, waarbij is aangegeven dat het om lampen in [plaats 1] gaat.263

In het dossier zit verder een factuur van de Makro, waar op vrijdag 11 mei 2007 om 21:08 uur voor een bedrag van in totaal € 1.370,64 aan keukengerei is gekocht. Ook deze nota is alleen door [verdachte] geaccordeerd.264

In het KPMG-rapport wordt een e-mailbericht van 12 juli 2007 vermeld van het directiesecretariaat aan [verdachte] , waarin wordt meegedeeld dat de heer [getuige 24] heeft gebeld. Namens hemzelf en de buurt heeft hij een aantal opmerkingen. De doelstelling van SGL is vergaderen, maar de vergunning van het pand is wonen, aldus [getuige 24] . Het is een kapitaal pand en er word veel geld uitgegeven dat wordt betaald met geld uit de publieke sector. ’s Avonds branden alle lichten in het pand. Hij wil absoluut teruggebeld worden over het pand in [plaats 1] , anders gaat hij andere maatregelen nemen.265

In het KPMG-rapport is opgenomen dat in het taxatierapport van het pand van 15 augustus 2007 de volgende beschrijving van de woning is opgenomen:

"Nadere omschrijving van het object: Het betreft een zeer luxe uitgevoerd vrijstaand woonhuis in 2007 geheel gemoderniseerd en uitgebouwd met berging in tuin.

Indeling: Begane Grond: Hal, toilet, schuifdeur naar woonkeuken met luxe inbouwapparatuur, schuifpui naar terras, grote woonkamer ca. 56 m2 (naar achteren uitgebouwd) met separate studeerkamer (ca. 24 m2), split-level naar hoger gelegen gedeelte, vanuit hal 2 slaapkamers naar hoger gelegen gedeelte, vanuit hal 2 slaapkamers toegankelijk (één met inbouwkast) beide met airco, badkamer met douche, ligbad, toilet, twee wastafels. Vanuit hal is souterrain bereikbaar: kelderhal, waskelder, bergruimte, sauna, badkamer met douche toilet en wastafel, c. v. -kast/berging, slaapkamer.

De aard of kwaliteit wijkt aanmerkelijk af van de objecten in de directe omgeving: Ja, door zeer luxe afwerkingsniveau wijkt de woning af.

Wordt het object thans volledig bewoond door de eigenaar: Nee, pand was bedoeld voor

incidenteel gebruik door huidige eigenaar.

Bijzonderheden ten aanzien van het gebruik van de woning: De woning is kwalitatief zeer

hoogwaardig afgewerkt.

Nadere mededelingen

Het zeer exclusieve afwerkingsniveau komt tot uitdrukking door o.a. het c.v.-systeem dat is

uitgerust met een koelsysteem, screens toegepast overal, airco, alle ruimten voorbereid voor

draadloos internet (ook op terras) en c.a.i. -en telefoonaansluitingen, alarminstallatie,

muziekinstallatie in de hele woning, vloerverwarming (ook als koelsysteem te gebruiken), luxe open haard op gas, afwerking van keuken, zwemvijver met zelfregulerend systeem voor filtering e.d. tuinaanleg en zonnewering.266

Uit de koopovereenkomst blijkt dat SGL de villa op 30 augustus 2007 heeft verkocht aan de heer [getuige 24] voor € 910.000,-, inclusief € 81.000,- aan roerende zaken.267

Getuige [getuige 18], hoofd technische dienst bij SGL, heeft verklaard dat [verdachte] hen voorhield dat de locatie in [plaats 1] bedoeld was om te vergaderen met de Raad van Toezicht en voor het houden van teamvergaderingen. Zo werd het door [verdachte] gepresenteerd.268 Of die vergaderingen hebben plaatsgevonden, weet hij niet. Hij is wel betrokken geweest bij de verbouwing van het pand in [plaats 1] , hij was de coördinator tussen de architect [getuige 22] en [verdachte] . Hij kan zich niet voorstellen dat dit huis is gebruikt voor of door cliënten.269 [getuige 18] heeft voorts verklaard dat [naam 27] van de Raad van Toezicht van SGL het pand in [plaats 1] , [adres 1] en het appartement in [woonplaats 2] liefdesnestjes van [verdachte] noemde.

[getuige 18] heeft bij de rechter-commissaris, als antwoord op de vraag of er bouwteams waren, verklaard dat de directievoering gebeurde door de architect of een projectbureau. Hij zat vaak bij de bouwteams vanuit SGL. [verdachte] zat er in de voorfase en aan het begin van het project bij als zij gingen bouwen. Daarna niet meer. Er werden geen besluiten genomen als [verdachte] er niet bij was. [getuige 18] heeft verklaard dat hij een procuratieregeling had tot 5000 euro, maar ook als het onder de 5000 euro was, was steeds overleg nodig, dan was toch de goedkeuring van [verdachte] nodig. [getuige 22] en [getuige 18] hadden een periodiek overleg met [verdachte] . Daarvan deed [getuige 22] verslag. De begroting van de bouwprojecten werd opgesteld door de architect. De bewaking van het budget was een taak van de architect. Hij koppelde dat terug aan [verdachte] . [getuige 18] controleerde ook mee met de begrotingen en de offertes. Hij was ook erbij betrokken als er meer of minder werk was. Naar aanleiding van de vraag of [verdachte] altijd bij de bouwvergadering was, verklaart [getuige 18] : als er beslissingen over specifieke zaken werden genomen wel.270

Getuige [getuige 22] van [naam architecten] heeft verklaard dat hij [verdachte] al kende voor hij bestuurder werd bij SGL. Een uitermate actief figuur, een echte pionier. Vanaf het moment dat hij gescheiden was in 2006/2007 veranderde [verdachte] in zijn ogen helemaal en gebeurde er een aantal dingen die volgens hem niet in het belang van SGL waren. Het begon bij het project in [plaats 1] net aangekocht voor de echtscheiding van [verdachte] . Het zou een vestiging voor SGL in Noord-Limburg worden, maar dat kon niet als kantoor want het was een woonhuis. De verbouwing en inrichting van dat pand hadden niets meer te maken met het oorspronkelijke doel. Er was overigens wel een kleine kantoorruimte aanwezig. Bij zijn opdracht door [verdachte] had [getuige 22] het ontwerp, de inrichting, het tuinontwerp, de regie en bouwbegeleiding in handen. Met de inrichting viel het in het begin wel mee, waarna [medeverdachte] in beeld kwam, die zich uitdrukkelijk met de inrichting ging bemoeien. Zo ging zij met een collega van [getuige 22] exclusief meubilair kopen. Dit was extreem. Er kwam commotie rondom dit huis met stukken in de krant en dat heeft uiteindelijk geleid tot de verkoop van dat huis. [getuige 24] , de uiteindelijke koper, heeft het pand voor een heel redelijke prijs gekocht. SGL heeft op dat project tonnen verloren. Vrij kort na [plaats 1] kwam het kasteelappartement in [woonplaats 2] en daarna werd [adres 1] in [woonplaats 1] gekocht, een knots van een woonhuis en daar begon het circus opnieuw zoals bij [plaats 1] en [woonplaats 2] . Je kon in alle drie de projecten wonen. 271

[getuige 22] heeft verder verklaard dat zij voor projecten, waaronder het project in [plaats 1] , als huisarchitect werden benaderd door [getuige 18] of [verdachte] en dat zij regelmatig overleg hadden. Zij stelden een offerte samen en die werd vervolgens besproken met [verdachte] en [getuige 18] . Na goedkeuring ging het desbetreffende project van start. Als het ging om pure goedkeuring dan nam [verdachte] de beslissingen en had [getuige 18] niets te zeggen. [verdachte] bepaalde uiteindelijk wat er diende te gebeuren. Er zijn geen besprekingen geweest waar [getuige 18] niet bij betrokken was, maar [verdachte] nam de beslissingen.272

[getuige 22] heeft verklaard dat er bij alle SGL projecten altijd dezelfde deelnemers waren namelijk: [verdachte] , [getuige 18] en hijzelf. Deze vergaderingen vonden altijd bij SGL in [plaats 3] plaats. [verdachte] was de baas en bepaalde alles. Als voorbeeld was [plaats 1] extreem van hetgeen daar heeft plaatsgevonden. Het oorspronkelijk idee was kantoor met woonmogelijkheid. Dit was het eerste wat [verdachte] [getuige 22] vertelde. Inrichting als kantoor en dan zou [verdachte] vanaf donderdag tot en met het weekend in [plaats 1] verblijven, dus dan werd het pand gebruikt als woning. Het extreme gedoe groeide met name over de inrichting van de villa en de inrichting van de tuin. In de tuin kwam er een natuursteen terras, een zwemvijver en duur tuinmeubilair. Het meubilair in de woning werd uitgezocht door [medeverdachte] , die op dat moment ook nog secretaresse van [verdachte] was. Zij hadden op dat moment, dus in 2006, ook een privérelatie. Bij het bekijken van meubilair bij diverse leveranciers is wel eens een collega van [getuige 22] met [medeverdachte] mee geweest. Geld speelde nimmer een rol. Het kon niet op. De keukens voor die projecten werden door [getuige 22] ontworpen, waarbij rekening gehouden werd met de wensen van voornamelijk [verdachte] . In [adres 1] , de uiteindelijke woning waar beiden gingen wonen, werd ook rekening gehouden met de wensen van [medeverdachte] . Omdat die projecten werden beschouwd als SGL projecten liften ze mee in de vaart der volkeren. Het viel niet zo op als die projecten afzonderlijk hadden gespeeld. Met opvallen bedoelt [getuige 22] de extreme uitgaven voor deze projecten. Op de vraag waarom niet met budgetten werd gewerkt, antwoordt [getuige 22] dat in dit soort gevallen gewoon werd begonnen. De aangevraagde offertes werden besproken en al dan niet werd in zee gegaan met de desbetreffende leverancier. Er was geen maximumbedrag. Het waren geen taakstellende budgetten waar men zich aan diende te houden.273

Getuige [getuige 23], van beroep werkvoorbereider bij [naam 17] Interieurbouw, heeft verklaard dat zijn contacten met [verdachte] voornamelijk liepen via [getuige 22] van [naam architecten] en [getuige 18] van SGL. [naam 17] Interieurbouw is betrokken geweest bij een viertal projecten met een privéachtergrond namelijk in [plaats 1] , [adres 7] ; [adres 4] , [woonplaats 2] ; [adres 1] , [woonplaats 1] en een levering in 2009 aan de zorgboerderij. Als SGL iets nodig had dan namen zij altijd contact op met [getuige 23] . Deze contacten vanuit SGL liepen via [getuige 18] of iemand anders van de Technische Dienst van SGL. [getuige 23] ging dan naar de plaats waar zij iets gemaakt wilden hebben en hij deed de opname. Vervolgens werd een offerte door [naam 17] uitgebracht, de werkzaamheden vonden plaats en dan kreeg SGL van [naam 17] de factuur. Deze facturen werden keurig op tijd betaald door SGL. De facturen (factuur 0704008, 5-4-2007, groot € 28.250,60, factuur 0704030, 19-4-2007, groot € 12. 179,65, factuur 0705062, 29-5-2007, groot € [rekeningnummer 1] .533,47) waren gericht aan SGL. [getuige 23] heeft in hun boekhouding gezien dat deze facturen betaald werden. Het project in [plaats 1] betrof een villa en zij hebben daar het volgende gedaan: gestart met de keuken vervolgens een badkamer; tafels, kasten aanpassen en als laatste een aanvullende factuur met garderobe, dressoir in de woonkamer, slaapkamerkastjes. Wat zij aan [verdachte] geleverd hebben, was boven de middelmaat.274

Getuige [getuige 24] heeft verklaard dat hij [verdachte] heeft aangesproken en heeft gevraagd wat de bedoeling was van het huis. De verbouwing was inmiddels klaar. De villa was volledig ingericht met luxueuze woonmeubelen en [getuige 24] zag bij de rondleiding die [verdachte] hem gaf dat het bed beslapen was. [verdachte] had deze villa gekocht, zo zei hij, om met zijn staf te vergaderen. [getuige 24] kreeg tijdens de rondleiding zeker niet de indruk dat het hier ging om een woonlocatie voor gehandicapte patiënten of dat het hier zou handelen om een vergaderlocatie. De villa was gewoon ingericht als woonhuis met zeer luxueuze woonmeubels.275

In het dossier bevindt zich een brief van [getuige 25], [adres 8] te [plaats 1] , gedateerd 10 juli 2012, ingekomen bij FIOD kantoor Haarlem.

In deze brief schrijft [getuige 25] onder meer het volgende: “In 2005 heeft dhr. [verdachte] in naam van Stichting gehandicapten zorg Limburg de woning op [adres 7] gekocht. De enige bewoners die wij zien op nr 70 zijn dhr. [verdachte] met zijn inmiddels nieuwe vriendin [medeverdachte] ; alleen of samen met vrienden genietend van het zwembad. Activiteiten van SGL hebben er nooit plaats gevonden. Er is wekelijks onderhoud in de tuin gepleegd door hoveniersbedrijf [naam hovenier 1] en wekelijks kwam een poetsbedrijf.” 276

Getuige [getuige 7] heeft verklaard dat door [verdachte] geen kosten zijn verrekend voor de villa in [plaats 1] .277

Blijkens haar statuten is het doel van SGL het ondersteunen van gehandicapten en chronisch zieken bij het bereiken en handhaven van door henzelf gewenste, maatschappelijk gerechtvaardigde leef- en bestaanswijzen.278

Bewijsoverweging:

Uit voormelde bewijsmiddelen blijkt dat [verdachte] in 2005 namens SGL het woonhuis aan de [adres 7] te [plaats 1] heeft aangekocht voor € 520.000,-. De woning is in 2006 tot vlak voor de verkoop in augustus 2007 ingrijpend verbouwd voor meer dan een miljoen euro. Die verbouwing werd geheel naar de wensen van [verdachte] zeer luxueus uitgevoerd, waarbij voor herinrichting van de tuin compleet met zwemvijver circa € 188.000,- werd uitgegeven, voor inrichtingskosten van onder andere de keuken circa € 53.000,- en voor woonmeubilair circa € 30.000,-.

Er zijn geen beleidsstukken, notulen van vergaderingen of andere stukken aangetroffen bij SGL waarin aankoop en/of verbouwing van het pand worden gemotiveerd tegen de achtergrond van de doelstelling van de stichting. Uit getuigenverklaringen komt naar voren dat [verdachte] binnen SGL heeft aangegeven dat het pand een kantoorfunctie zou krijgen voor bestuur, management en Raad van Toezicht. De Raad van Toezicht is blijkens de notulen in de vergadering van 20 september 2005 door [verdachte] meegedeeld dat in [plaats 1] een woonhuis is aangekocht dat zal worden gebruikt als kantoorpand in combinatie met niet-permanente bewoning.279 Later is vanuit SGL naar buiten toe gecommuniceerd dat ook personeel en cliënten incidenteel in het pand zouden overnachten, zo blijkt uit een krantenartikel van 10 juni 2006.280 Dat de villa gebruikt zou gaan worden als kantoor en voor verblijf door cliënten leidde tot protesten van bewoners en de gemeenteraad van [plaats 1] . Volgens hen strookte dit gebruik niet met de woonbestemming van het pand. Ter zitting heeft [verdachte] verklaard dat het om een beleggingsobject ging dat gebruikt kon worden als onderpand bij het aangaan van leningen. SGL breidde in die tijd uit naar Noord-Limburg en het pand stond op een gunstige plek als vergaderlocatie in die regio. [verdachte] heeft er ook wel eens overnacht, bij zijn weten nooit met [medeverdachte] . Toen de protesten in [plaats 1] toenamen, is de villa noodgedwongen en met veel verlies verkocht. Een verhuur als woning, hoewel de bestemming van het pand dit toestond, is nooit beproefd, aldus [verdachte] .

De verbouwing en inrichting van het pand en inrichting van de tuin kan in beide scenario’s (vergaderen of incidentele overnachting door cliënten) niet worden begrepen. In de woning is geen enkele voorziening voor gehandicapten aangebracht. Daarnaast duidt de uiteindelijke indeling en inrichting van het pand niet op gebruik als vergaderlocatie. Geen enkel personeelslid van SGL of lid van de Raad van Toezicht heeft verklaard ooit in [plaats 1] te hebben vergaderd of overnacht. De verbouwing van het pand en aanleg van tuin passen gezien de luxueuze uitvoering evenmin bij de aankoop van een woning als beleggingsobject. De aanschaf van de inboedel is in dit kader al helemaal niet te plaatsen. Ook is niet goed denkbaar dat een dergelijke strategische keuze zonder gedegen (financiële) onderbouwing kan worden gemaakt. SGL heeft uiteindelijk ruim zes en een halve ton verlies gemaakt op het project [plaats 1] . Bovendien, als het woonhuis als beleggingsobject was gekocht en een gebruik als kantoor of incidenteel overnachtingadres niet mogelijk bleek, had het in de rede gelegen een andere exploitatie zoals verhuur als woonhuis te onderzoeken. Dat is niet gebeurd. De rechtbank acht de verklaringen van [verdachte] over waarom de villa is verbouwd en ingericht op de wijze waarop dat is gebeurd dan ook volstrekt onaannemelijk.

De rechtbank vindt daarentegen dat de bewijsmiddelen geheel passen in de verdenking dat [verdachte] de verbouwing en inrichting uiteindelijk heeft laten uitvoeren met het oog op bewoning door hemzelf en [medeverdachte] . Haast alle uitgaven en de verklaringen daarover ademen het gebruik van de villa als woning. Naast de extreme kosten aan tuin, zwemvijver, woninginrichting en keukenapparatuur blijkt het ook uit kleinere uitgaven: hoofdkussens, een wijnklimaatkast, een dunschiller, koekenpannen en een knoflookpers. Uit de verklaring van [getuige 24] en de brief van [getuige 25] kan worden afgeleid dat [verdachte] na de verbouwing daadwerkelijk, zij het incidenteel, de woning heeft bewoond. De intentie om deze woning op kosten van SGL voor henzelf te bestemmen, wordt bevestigd doordat [naam stichting 1] (lees: [verdachte] ), nadat SGL om politieke redenen genoodzaakt is om de woning in [plaats 1] af te stoten, een woonhuis in [woonplaats 1] aankoopt, waar [verdachte] – wederom na luxueuze verbouwing en inrichting op kosten van anderen – kort erna samen met [medeverdachte] gaat wonen (zie de bespreking hierna).

De verbouwings- en inrichtingskosten heeft [verdachte] door SGL laten betalen, terwijl de kosten voor hemzelf zijn gemaakt. Op die manier heeft [verdachte] zich gelden van SGL wederrechtelijk toegeëigend. [verdachte] kon uit hoofde van zijn functie als bestuurder van SGL beschikken over gelden van SGL. Onder zijn leiding werden bij SGL facturen en betaalopdrachten altijd uitgevoerd als hij ze had geaccordeerd.

De officier van justitie heeft ten laste gelegd dat in totaal een bedrag van € 1.107.924,00 is verduisterd. De onderbouwing van dit bedrag in het dossier is de rechtbank niet helemaal duidelijk.

De rechtbank is ook van oordeel dat niet van alle verbouwingskosten op grond van het dossier kan worden geoordeeld dat deze als privé gemaakt zijn aan te merken. Op grond van de stukken kan niet worden bewezen dat [verdachte] van meet af aan de intentie heeft gehad de villa (enkel) zelf te gaan gebruiken. [getuige 22] heeft bijvoorbeeld verklaard dat het een vestiging voor SGL in Noord-Limburg zou worden, maar dat een kantoorfunctie niet mogelijk was en dat de uiteindelijke verbouwing niets meer te maken had met het oorspronkelijke doel. Blijkens het krantenartikel dat in het dossier is gevoegd, woedde de discussie met de buurt en de gemeente medio 2006 nog. Gelet op de aanvraag van de bouwvergunning was ook in het oorspronkelijke plan een verbouwing gepland. Hoe die plannen er precies uitzagen en op welke onderdelen daar bij de uiteindelijke uitvoering van afgeweken is, kan niet uit de stukken worden gehaald.

Er is dus een moment geweest waarop er een omslag heeft plaatsgevonden en de verbouwing niets meer te maken had met het oorspronkelijke doel, maar nog slechts kan worden begrepen vanuit het doel van privébewoning. Op grond van wat wel bekend is, kan dat punt naar het oordeel van de rechtbank in elk geval worden bepaald op het meerwerk van de aannemer, de inrichting van de tuin en de luxueuze aankleding van de woning.

De rechtbank acht daarom van de kosten van de oorspronkelijke offerte van aannemer [naam 16] niet bewezen dat deze privé zijn gemaakt. Dit betreft een bedrag van (€ 262.762,- ex 19% BTW=) € 312.686,78 incl. BTW. De kosten van [naam architecten] zijn om dezelfde reden ook maar deels toe te rekenen aan de uiteindelijke verbouwing en inrichting. De rechtbank acht de werkzaamheden die gefactureerd zijn vanaf moment dat extra tekenwerk is uitgevoerd en het interieuradvies aan te merken als privé. Dit zijn de facturen van ná 30 november 2006. Deze belopen een bedrag van in totaal € 23.893, 14 .

Aan de hand van het overzicht van de kosten van bijlage D‑400 en voormelde overwegingen acht de rechtbank bewezen dat het bedrag dat is verduisterd met de kosten van verbouwing en inrichting van het pand op (€ 993.756,25 (balans, post verbouwing) - € 312,686,78 - € 35.045,50 + € 17.966,60 (balans, post inrichting) + € 34.352,76 (exploitatie, post onderhoud tuin jaren 2006 en 2007) + € 11.807,70 (exploitatie, post onderhoud, posten div. klein materieel, statische berekening verbouwing en wasmachine en droger) + € 6.377,21 (exploitatie, post schoonmaakkosten derden 2007) + € 7.027,82 (exploitatie, post energiekosten 2006 en 2007) + € 408,59 (exploitatie, post telefoonkosten 2007) + € 686,59 (exploitatie, post voeding/schoonmaak/huishoudelijke artikelen) =) kan worden gesteld op € 724.651,24. Daarbij zijn in aanmerking genomen de onderhoudskosten over de periode dat bewezen is dat [verdachte] het pand enkel voor zichzelf heeft aangewend.

Dient tot slot de rol van [medeverdachte] te worden bezien en de vraag of zij dit feit heeft medegepleegd. De rechtbank ziet hiervoor alleen aanleiding voor wat de inrichting van de woning betreft. Het dossier bevat onvoldoende bewijs dat [medeverdachte] zich intensief met de verbouwing van [plaats 1] heeft bemoeid. Wat over haar in het bouwverslag van 19 september 2006 staat, is voor tweeërlei uitleg vatbaar omdat [medeverdachte] in die tijd secretaresse was van [verdachte] . Hoewel zij als vriendin van [verdachte] wel eens in de villa geslapen, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden bewezen dat de woning mede op haar aanwijzingen ten behoeve van bewoning door haar is verbouwd.

Dit ligt naar het oordeel van de rechtbank anders bij de inrichting van de woning. Uit de dossierstukken komt naar voren dat [verdachte] en [medeverdachte] op enig moment na hun ontmoeting medio 2005 een liefdesrelatie kregen. In augustus 2006 maakt [medeverdachte] huishoudgeld over naar [verdachte] . Kennelijk was er op dat moment sprake van een serieuze relatie en van een (op zijn minst ten dele) gezamenlijke huishouding. Op het moment dat vanaf eind 2006 tot en met voorjaar 2007 aanzienlijke uitgaven worden gedaan voor de inrichting van de villa, mag worden aangenomen dat niet alleen [verdachte] , maar ook [medeverdachte] het voornemen had om de villa privé te gaan gebruiken. Blijkens de verklaring van [getuige 22] is [medeverdachte] zich uitdrukkelijk met de inrichting van het pand gaan bemoeien waarna de kosten aanzienlijk stegen. [medeverdachte] zocht het meubilair voor de woning uit. Bij de factuur van [naam 22] staat ook haar naam als referentie. Het gegeven dat [medeverdachte] in april 2007 als secretaresse bij SGL met een onbegrijpelijke ontslagvergoeding (getekend door haar en [verdachte] ) naar [naam BV] vertrok, duidt erop dat [medeverdachte] toen al een hecht team met [verdachte] vormde waar het om zelfverrijking ten koste van SGL gaat. De rechtbank leidt hieruit af dat [medeverdachte] wist dat de aankopen die zij namens SGL voor de woning in [plaats 1] deed, niks van doen hadden met de doelstelling van SGL en alleen het belang van [verdachte] en haar diende. Uit verklaringen van [getuige 18] en [getuige 25] blijkt bovendien dat [medeverdachte] in de villa heeft geslapen. Daarom acht de rechtbank bewezen dat [verdachte] de verduistering samen en in vereniging met [medeverdachte] heeft gepleegd voor zover het gaat om de inrichting van de woning.

Naar het oordeel kunnen van de kosten opgenomen in overzicht D-400 aan de hand van de omschrijving en/of onderliggende facturen en moment dat de kosten zijn gemaakt (2007) de volgende kosten worden aangemerkt als inrichtingskosten: [naam 28] verlichting € 14 .222,70; [naam 29] BV, interieur € 276,09; [naam 25] , verlichting € 2.897,00; [naam 30] interieur & slaapcomfort, gordijnen/rails € 18.747,68; [naam 22] , inrichting keuken/zithoek/eethoek € 32.644,89; [naam 24] bedrijfskeukens BV keukenapparatuur € 4.486,30; [naam 23] tuinmeubilair € 18.385,00; [naam 18] , bedden en toebehoren € 12.799,50; en de bijdragen onder onderhoud geboekt van Ikea (€ 129,30), [naam 19] (€ 2.236,80), [naam 20] (€ 3.600,-), [naam 31] (312,31), Miele (€ 1.333,85) en Makro (€ 1.370,64), in totaal € 113.442,06.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met de verbouwing en inrichting van het pand in [plaats 1] een bedrag van € 724.651,24 heeft verduisterd onder de verzwarende omstandigheid dat hij deze gelden uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich had. Van dit bedrag is voor een gedeelte van € 113.442,06 sprake geweest van medeplegen met [medeverdachte] .

4.19

Vrijspraakoverwegingen ten aanzien van [adres 4] [woonplaats 2] (feitonderdeel 17)

De rechtbank acht dit onderdeel van de tenlastelegging niet wettig en overtuigend bewezen. Hoewel uit het dossier blijkt dat dit huurobject grondig is verbouwd en voor veel geld is ingericht door SGL, kan niet vastgesteld worden dat deze verbouwing en inrichting alleen privédoelen van [verdachte] en/of [medeverdachte] dienden Omdat daarmee niet is voldaan aan de voor verduistering in dienstbetrekking vereiste wederrechtelijke toe-eigening, zal de rechtbank [verdachte] vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.

4.20

[adres 1] [woonplaats 1] (feitonderdelen 18, 19, 20 en 21)

[verdachte] wordt verweten dat hij voor de verbouwing en inrichting van de villa aan de [adres 1] in [woonplaats 1] samen met [medeverdachte] € 153.744,- heeft verduisterd van SGL en € 34.456,- van [naam BV] .

De officier van justitie heeft uitgelegd dat de € 153.744,- is opgebouwd uit € 60.000,00 voor de overname van de inventaris van verkoper [naam 32] alsmede facturen van [naam 33] voor de tuinaanleg. Dit laatste betreft facturen van 13 december 2007 van € 37.012,83281 en van 6 november 2007 van € 56.732,06282, in totaal een bedrag van (afgerond) € 93.744,-. Deze kosten zouden ten laste zijn gekomen van SGL na doorbelasting door [naam BV] .283

Het bedrag van € 34.456,- is volgens de officier van justitie gebaseerd op de factuur van [naam 17] Interieurbouw van 29 februari 2008 die door [naam BV] is betaald.284 Dit laatste bedrag is het restant (incl. BTW) van een totaalbedrag aan geleverde goederen van € 58.955,- (ex BTW) dat na een termijnfactuur van januari 2008 van € 30.000,- (ex BTW) nog betaald moest worden.

Bewijsmiddelen

Aankoop en bewoning van het pand

[naam stichting 1] kocht in 2007 het registergoed [adres 1] in [woonplaats 1] . In het dossier bevindt zich een akte van levering d.d. 9 augustus 2007, waaruit blijkt dat het pand werd geleverd voor een bedrag van € 900.000,00, inclusief een bedrag van € 20.000,00 voor de overname van roerende goederen.285

[naam stichting 1] verhuurde [adres 1] vervolgens aan [naam BV] .286 [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte] gingen in het pand wonen. De kantoorruimte in het souterrain van de woning werd gebruikt als kantoorruimte en werd door [naam BV] gedeeltelijk onderverhuurd aan SGL.287

Uit de dossierstukken en de verklaringen van verdachte ter terechtzitting blijkt dat het pand werd gekocht als investering in onroerend goed. Er is nooit een huurder voor het pand gezocht of onderzoek gedaan naar de wijze waarop het pand kon worden geëxploiteerd. [verdachte] heeft op vragen van de rechtbank verklaard dat niet lang na de aankoop van het pand het idee ontstond dat hij en [medeverdachte] hier zouden gaan wonen.

[verdachte] stond vanaf 30 november 2017 tot 22 oktober 2013 als bewoner van [adres 1] in [woonplaats 1] ingeschreven. [medeverdachte] heeft nooit op dit adres ingeschreven gestaan.288 Uit de dossierstukken, waaronder de verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte] ter zitting, komt echter naar voren dat zij eind 2017/begin 2018 verhuisden naar de villa in [woonplaats 1] en daar samen gingen wonen.

Voor [medeverdachte] werd in een bijlage bij haar arbeidsovereenkomst met [naam stichting 1] op 1 december 2007 vastgelegd dat zij gebruik zou maken van een dienstwoning gelegen te [adres 1] , [woonplaats 1] voor een gebruikersvergoeding van € 500,00 per maand en € 200,00 per maand aan gas, water en licht.289 Er zijn geen notities aangetroffen waarom deze clausule is opgenomen. [medeverdachte] betaalde dus vanaf december 2007 € 500,00 per maand voor het bewonen van de villa.

[verdachte] betaalde geen huur of anderszins een vergoeding voor de bewoning van het pand. In het dossier bevindt zich een e-mailbericht van [verdachte] aan [naam oprichter] van 18 april 2012, waarin [verdachte] schrijft: “Zoals bekend ben ik in januari 2008 in de dienstwoning gaan wonen. Ik heb al in de conceptrapportage aangegeven dat het nog te vergoeden deel (we

mogen het geen huur noemen in een dienstwoning), betaald zou worden op het moment dat de taxaties beschikbaar zouden zijn. Bij [medeverdachte] wordt op haar salaris een bedrag van € 500,-- + € 200,-- ingehouden. Ik denk dat daar gezien de taxaties een bedrag van € 1.000,-- per maand bij zal moeten. Mogelijk wat lager, maar dat zien we dan wel en dat kan dan verrekend worden. Ik heb derhalve vandaag een bedrag van 4 jaren (2008, 2009, 2010, 2011), is vier maal 12 maanden, maal € 1.000,-- = € 48.000,-- overgemaakt.” 290

In zijn reactie op het KPMG-rapport zegt [verdachte] hierover nog dat “ [verdachte] maandelijks 1.000 euro betaalt aan vergoeding voor wonen een en ander conform afspraak na taxatie door de fiscus”.291

Bij bestudering van de in beslag genomen administraties is echter gebleken dat door [verdachte] nooit een bedrag aan [naam BV] of aan welke rechtspersoon dan ook is overgemaakt voor het bewonen van de villa [adres 1] in [woonplaats 1] .292

Ter terechtzitting van 22 juni 2018 heeft [verdachte] bevestigd dat het bedrag van € 48.000,00 nooit is overgemaakt.

Verbouwingskosten

KPMG is tijdens haar onderzoek tot de volgende opstelling gekomen van de verdeling op 31 december 2010 van door hen geïdentificeerde verbouwings- en inrichtingskosten van de villa in [woonplaats 1] over de administraties van SGL, [naam stichting 1] en [naam BV] :293

Administratie SGL € 153.810,00

Administratie [naam stichting 1] € 296.928,00294

Administratie [naam BV] € 34.600,00

Uit het rapport blijkt dat verschillende overboekingen van kosten tussen de administraties heeft plaatsgevonden. Zo is een deel van de kosten die SGL voor haar rekening heeft genomen uiteindelijk via de rekening-courant tussen SGL en [naam BV] uit de administratie van SGL geboekt en bij [naam BV] en [naam stichting 1] verantwoord295.

Van de verbouwings- en inrichtingskosten werden op verschillende plekken schriftelijke bescheiden aangetroffen:

Bij de Belastingdienst is een aantal facturen aangetroffen, die zijn opgenomen in het dossier als documenten D‑066 7/41, D-066 16/41 tot en met 30/41296.Tijdens de doorzoeking in de woning [adres 1] in [woonplaats 1] is een aantal facturen en offertes gevonden die betrekking hebben op de verbouwing, welke zijn opgenomen in het dossier als documenten D-481 tot en met D-493297 en D-496 tot en met D-531298.Bij de doorzoeking bij SVL, [adres 9] te [plaats 2] , is een aantal facturen en offertes die betrekking hebben op de verbouwing van [adres 1] in [woonplaats 1] , welke zijn opgenomen in het dossier als documenten D-532 tot en met D-547.299Bij Deloitte Accountants zijn facturen en offertes over de verbouwing van [adres 1] in [woonplaats 1] gevonden, welke zijn opgenomen in het dossier als documenten D-548 tot en met D-557.300 Bij SGL tot slot is een aantal schriftelijke bescheiden aangetroffen, namelijk facturen en een betaalopdracht van SGL die betrekking hebben op de verbouwing van [adres 1] te [woonplaats 1] , welke zijn opgenomen in het dossier als documenten D-560 tot en met D-564.301

Uit deze documenten blijken de volgende bijzonderheden:

  1. De verbouwingen zijn uitgevoerd in de periode september 2007 tot en met januari/februari 2008.

  2. Het merendeel van de facturen en offertes is gericht aan [naam BV] , al dan niet ter attentie van mw. [medeverdachte] . Verschillende facturen heeft [naam BV] vervolgens doorberekend aan SGL.

  3. Uit de eindafrekening van 6 juni 2008 van Herlebouw blijkt dat de villa ingrijpend is verbouwd. 302

4. Uit de factuur van [naam 17] Interieurbouw van 29 februari 2008 blijkt dat [naam 17] al op 20 juli 2007 een deel van de posten waarop de factuur ziet heeft geoffreerd. Deze offerte dateert dus van vóór de levering van [adres 1] op 9 augustus 2007. De factuur ziet onder meer op de aanschaf van een nieuwe keuken voor een bedrag van € 17.520,00, een wijnkast voor € 3.364,00 en keukenapparatuur voor ruim € 12.000,00, waaronder een Godin fornuis van € 9.177,00.303

5. Een van de twee facturen van Kurnig Licht van € 5.533, 14 heeft betrekking op een design kroonluchter en drie buitenlantaarns van in totaal meer dan € 3.000,00.304

6. In 2010 verricht [naam hovenier 2] hovenier voor ruim € 5.000,- aan tuinonderhoud, dat betaald wordt door [naam BV] .305

In de woning van [verdachte] en [medeverdachte] is de factuur aangetroffen van [naam 33] aan [naam BV] van in totaal € 56.732,06 voor werkzaamheden aan de bestrating en de groenvoorziening van [adres 1] en een factuur van 20 december 2007 van [naam BV] aan SGL, waarin [naam BV] deze kosten in rekening brengt bij SGL.

Bij SGL is een exemplaar van deze laatste factuur van 20 december 2007 aangetroffen van [naam BV] aan SGL, waarin [naam BV] een bedrag van € 56.732,06 in rekening brengt bij SGL met omschrijving ‘Tuin [adres 1]’. Deze factuur is blijkens daarop gestelde aantekeningen door [verdachte] geaccordeerd en op 21 december 2007 betaald per giro.

In de woning van [verdachte] en [medeverdachte] is de factuur van 13 december 2007 aangetroffen van [naam 33] aan [naam BV] van in totaal € 37.012,83 voor werkzaamheden aan de bestrating en de groenvoorziening bij [adres 1] en een factuur van 31 december 2007 van [naam BV] aan SGL, waarin [naam BV] deze kosten in rekening brengt bij SGL306.

Bij SGL is een exemplaar van deze laatste factuur d.d. 31 december 2007 aangetroffen van [naam BV] aan SGL, waarin [naam BV] een bedrag van € 37.012,83 in rekening brengt bij SGL met omschrijving ‘Tuin [adres 1]’. Deze factuur is blijkens daarop gestelde aantekeningen door [verdachte] geaccordeerd en op 8 februari 2008 betaald per giro307.

In de woning van [verdachte] en [medeverdachte] is de factuur van 29 februari 2008 van [naam 17] Interieurbouw aan [naam BV] aangetroffen van € 34.456,46. Deze factuur is blijkens daarop gestelde aantekening op 12 mei 2008 betaald via [naam BV] .

Getuige [getuige 22] heeft over de verbouwing van de villa in [woonplaats 1] verklaard dat het project [adres 1] bestond uit een landhuis met in het keldergedeelte een kantoorruimte en voor de restwoonruimte. In [adres 1] zou het kantoor komen van [naam BV] en voor de rest zou het pandgebruikt worden als woonhuis voor [verdachte] . In de kelder is een nieuw kantoor ingericht voor [verdachte] privé, dat niets te maken had met het officiële kantoorgedeelte. In het woongedeelte: een elektrische installatie; armaturen van Kurnig; een dure keuken geleverd door [naam 17] ; een gas open haard; inbouw wijnkoelkast naast de open haard. Het fornuis in de keuken was de exclusieve keuze van [medeverdachte] . Verder de tuin op een behoorlijke wijze gerenoveerd inclusief de aanleg van parkeerplaatsen, terrasgedeelte en de trap naar het woongedeelte308. [getuige 22] heeft over de betrokkenheid van [verdachte] en [medeverdachte] bij de inrichting van de villa in [woonplaats 1] verklaard dat het kopen van meubilair zich herhaalde (na de villa in [plaats 1] en het appartement in [woonplaats 2] ) bij de villa aan de [adres 1] . Geld speelde nimmer een rol. Het kon niet op. De keukens voor die projecten werden door [getuige 22] ontworpen waarbij rekening gehouden werd met de wensen van voornamelijk [verdachte] . In [woonplaats 1] , de uiteindelijke woning waar verdachten gingen wonen,

werd ook rekening gehouden met de wensen van [medeverdachte] . Het ontwerp van de keuken werd

gemaakt door [naam 17] Interieurbouw, waarbij een klassiek - duur - fornuis gekocht werd op

uitdrukkelijke wens van [medeverdachte] .309

Overname roerende zaken [naam 32]

De villa aan de [adres 1] te [woonplaats 1] werd geleverd voor een bedrag van € 900.000,00, inclusief een bedrag van € 20.000,00 voor de overname van roerende goederen, welke - volgens de akte van levering - zijn vermeld op een lijst die aan deze akte zou worden gehecht.310

In het dossier bevindt zich een lijst met roerende zaken van augustus 2007 van in totaal € 20.000,00. Op deze lijst staat vermeld “planken, div. kasten, tafel, bureau en kantoorbenodigdheden” voor in totaal € 1.100,-.311

Uit de administratie van SGL blijkt echter dat SGL op 26 juli 2007 een bedrag van € 90.000,00 heeft betaald aan [naam 32] , met omschrijving “Overname inventaris etc.”.312

Uit de bankgegevens van [naam 32] blijkt dat [naam 32] op 27 juli 2007 een bedrag van € 90.000,00 van SGL heeft ontvangen.313

In het dossier bevindt zich een brief van [naam 32] aan SGL ter attentie van [verdachte] van 1 augustus 2007. Deze brief bevat de volgende tekst: “Door middel van dit schrijven bevestig ik op 27 juli 2007 van uw Stichting een bedrag te hebben ontvangen van € 90.000 voor de overname van de complete inventaris ten behoeve van acht werkplekken. Het voornoemde bedrag werd ontvangen op mijn Rabo-rek.: [rekeningnummer 6] .”314

In het dossier bevindt zich een memo van 25 juli 2007 afkomstig van [verdachte] en gericht aan [naam 47] , betreffende “kantoorinventaris”. De tekst van deze memo luidt als volgt: “ [naam 47] , gaarne i.v.m. de aanschaf van de kantoorinventaris van ongeveer 8 werkplekken een bedrag van € 90.000,- overmaken naar [naam 32] , [woonplaats 1] Rabobank: [rekeningnummer 6] (opgave goederen volgt). Met dank, [verdachte] .”315

Uit het “overzicht materiele vaste activa inventaris [adres 1] ” blijkt dat de inventaris van [naam 32] op 27 juli 2007 in de administratie van SGL is geboekt en geactiveerd.316

Getuige [naam 32] heeft verklaard dat in de lijst van de overname van roerende zaken te zien is dat hij [verdachte] daarvoor een bedrag heeft betaald van € 20.000,-. De zaken die hierop vermeld staan heeft hij geschat op die waarde en te zien is dat dit behoorde tot de inboedel van de villa. Over de overname zaken verklaart [naam 32] dat hij nog meer ontvangen heeft en wel een bedrag van € 90.000,-. Dit bedrag heeft hij gekregen van de stichting waarvan [verdachte] bestuurder was. De hoogte van dat bedrag kwam uit de koker van [verdachte] . Zowel de makelaar als [naam 32] zelf stonden raar te kijken. Die roerende zaken bestonden voor een deel uit kantoormeubilair en meubilair uit het woongedeelte van de villa. De makelaar noemde hiervoor een bedrag van ongeveer € 90.000,-, en dit bedrag kwam voort uit nattevingerwerk. [verdachte] onderhandelde niet en heeft [naam 32] dit bedrag een week voordat de akte passeerde overgemaakt. SGL heeft dat bedrag overgemaakt. Het grootste gedeelte van het bedrag, ongeveer 2/3, bestond uit woonmeubilair . Waarom dat bedrag niet werd opgenomen in de leveringsakte snapt [naam 32] niet. [naam 32] herkent deze akte, hierin had het totale bedrag aan roerende zaken dienen te worden opgenomen. Op de vraag waarom deze roerende goederen dan niet in de akte werden opgenomen, verklaart [naam 32] dat hij daar niets mee te maken had. Het is een idee van [verdachte] geweest en hij zal er over gesproken hebben met de makelaar. Als hem de brief van 1 augustus 2017 wordt getoond, verklaart [naam 32] dat hij die brief op verzoek van [verdachte] heeft geschreven en dat [verdachte] hem dicteerde wat hij op moest schrijven. Volgens [naam 32] bestaat het bedrag van € 90.000,- voor het grootste gedeelte uit privémeubilair en niet, zoals in de brief vermeld, uit acht werkplekken. Bij het schrijven van de brief, heeft [naam 32] zich dit niet gerealiseerd. Hij verklaart dat hij in de villa geen acht werkplekken had. Dat is onzin, aldus [naam 32] .317

Getuige [getuige 22] heeft verklaard dat bij aanvang van de verbouwing van de villa in [woonplaats 1] in het woongedeelte een en ander stond en in de kelderruimte - dus het kantoorgedeelte - stonden een paar stalen tafels met wat stoelen, verder enige wandkasten. Als een opkoper dat zou komen opkopen dan denkt [getuige 22] dat [verdachte] hiervoor € 1.000,- zou krijgen. Normaal zouden dergelijke spullen worden weggegooid en waren deze rijp voor een afvalcontainer. Het in de leveringsakte genoemde bedrag voor overname van roerende zaken voor een bedrag van € 20.000,- slaat nergens op. Het is volgens [getuige 22] oude troep waarvoor je maximaal € 1.000,- kunt krijgen als je geluk hebt. Waar die overname uit zou bestaan, is voor [getuige 22] een compleet raadsel. Hij heeft hooguit drie werkplekken gezien, daar was maar plaats voor.318

[verdachte] heeft verklaard dat hij ervoor heeft gezorgd dat SGL een bedrag van

€ 90.000,- heeft overgemaakt aan [naam 32] voor de overname van meubilair voor acht werkplekken. Hij (of beter gezegd SGL) zal het briefje omstreeks 1 augustus 2007 hebben ontvangen van [naam 32] . [verdachte] heeft aan [naam 47] van SGL opdracht gegeven om het bedrag van € 90.000,- over te maken.319 Ter terechtzitting is [verdachte] erbij gebleven dat de extra betaling van € 90.000,- te maken had met overname van kantoormeubilair. De hoogte van dit bedrag zal volgens [verdachte] zijn afgestemd met de makelaar. Volgens [verdachte] is er ook een CD-rom met foto’s geweest, zodat duidelijk was wat er werd overgenomen.

Bewijsoverweging:

Op grond van vorenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] deels samen met [medeverdachte] in de periode 1 juli 2007 tot en met februari 2008 een bedrag van € 153.744,- (€ 93.744 + € 60.000,-) van SGL heeft verduisterd. Dit zijn de kosten voor de verbouwing en inrichting van het woonhuis en de tuin aan de [adres 1] in [woonplaats 1] . [verdachte] had dit geld uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich. Daarnaast heeft hij samen met [medeverdachte] in de periode van 9 augustus 2007 tot en met 31 december 2011 de verbouwingskosten ter grootte van een bedrag van € 34.456,- toebehorende aan [naam BV] verduisterd.

De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen af dat [verdachte] en [medeverdachte] al tijdens of kort na de koop/ levering van de woning de bedoeling hadden om samen de villa te gaan bewonen en de kelder te gebruiken als kantoorruimte. [verdachte] heeft zelf verklaard dat kort na de aankoop voor hem en [medeverdachte] al duidelijk was dat zij er zouden gaan wonen. Dit wordt bevestigd doordat er geen enkele inspanning is verricht een huurder voor de woning te vinden. Dit betekent dat zij ten tijde van de verbouwing en inrichting van die woning wisten dat de uitgaven daaraan direct of indirect aan hen ten goede zouden komen. Onder deze omstandigheden zou het ter voorkoming van belangen in de rede hebben gelegen dat [verdachte] en [medeverdachte] die verbouwing en inrichting niet zelf coördineerden, maar dit door een onafhankelijker iemand zouden laten doen. Dit hebben zij niet gedaan. Integendeel, uit de bewijsmiddelen blijkt dat [verdachte] en [medeverdachte] zich uitdrukkelijk met de verbouwing, aanleg van de tuin en inrichting hebben bemoeid.

[getuige 22] verklaart in dit verband dat met het ontwerp van de keuken rekening werd gehouden met de wensen van [verdachte] en [medeverdachte] . [getuige 22] verklaart ook dat [medeverdachte] de keuken uitzocht inclusief een wijnkoelkast en een fornuis van € 9.177,00.

Voor wat de factuur van [naam 17] betreft blijkt dat deze betrekking heeft op verschillende posten waaronder zaken die zijn aangebracht in de kelder van de woning. Dit alles voor € 58.955,01, waarvan € 28.955,01 ex BTW, € 34.456,- incl. BTW, is tenlastegelegd. De rechtbank is van oordeel dat een normale huiseigenaar die uitgaven niet zou hebben gedaan voor een huurder. [verdachte] heeft aangevoerd dat de posten die zien op de kelder betrekking hadden op het gedeelte dat door SGL gehuurd werd. De rechtbank stelt vast dat aan SGL alleen een ruimte in het souterrain werd verhuurd waarin een vergadertafel met stoelen stonden. Daarnaast bevonden zich in het souterrain van de woning twee privé kantoren van [verdachte] en [medeverdachte] . De vergaderkamer die aan SGL verhuurd was, werd feitelijk niet door SGL gebruikt; de huurconstructie lijkt enkel bedoeld om aan de woning nog enige schijn van zakelijke bestemming te verlenen. Leden van de Raad van Toezicht van SGL verklaren dat ze er nooit geweest zijn. De rechtbank acht het daarom verantwoord om aan te nemen dat alle voorwerpen op de factuur van [naam 17] uitsluitend door [verdachte] en [medeverdachte] voor eigen gebruik zijn aangeschaft. Doordat binnen hun bevoegdheid op naam en voor rekening van [naam BV] te doen, hebben zij die goederen, althans de aankoopprijs daarvoor, van [naam BV] verduisterd. De rechtbank merkt ten overvloede op dat het tenlastegelegde deel van de factuur de posten die niet zien op de kelder ruimschoots dekt.

De facturen van [naam 33] ter hoogte van € 93.744,- hebben betrekking op tuinaanleg en bestrating. [verdachte] en [medeverdachte] hebben derhalve opdracht gegeven aan dit tuindersbedrijf om hun toekomstige tuin voor dit extreem hoge bedrag in te richten. Het hoeft geen betoog dat een normale verhuurder deze kosten nimmer voor een toekomstige huurder zou hebben gemaakt. [verdachte] en [medeverdachte] hebben aangevoerd dat de bestrating nodig was om parkeerplaatsen aan te leggen voor bezoekers van SGL. De rechtbank acht dit niet aannemelijk. Ten eerste blijkt nergens uit dat de bestrating bedoeld was voor de aanleg van parkeerplaatsen. Ten tweede is niet gebleken dat het daadwerkelijk de bedoeling was om de door SGL gehuurde ruimte ook door SGL te laten gebruiken. Na verloop van tijd werd de aan SGL in rekening te brengen (onder)huur door [naam BV] zelfs niet meer geadministreerd. Dit betekent dat de rechtbank tot de conclusie komt dat de aanleg van de tuin geen redelijk doel diende voor [naam BV] en dat [verdachte] en [medeverdachte] die tuin geheel voor eigen gebruik hebben laten aanleggen. Door dat op naam van [naam BV] en na doorbelasting voor rekening van SGL te doen, hebben zij het geld dat SGL daaraan heeft uitgegeven, verduisterd.

In het verduisterde bedrag zit tot slot een bedrag van € 60.000,00 aan meubilair dat van [naam 32] is overgenomen. De hoogte van dit bedrag sluit aan bij de verklaring van [naam 32] dat twee derde deel van de extra betaling van € 90.000,- privémeubilair betrof. [verdachte] stelt dat het gehele bedrag van € 90.000,- betrekking had op kantoorinventaris. Hij verwijst daarvoor naar een verklaring van [naam 32] van 1 augustus 2007, waarin deze de ontvangst van € 90.000,= bevestigt “voor de overname van de complete inventaris ten behoeve van acht werkplekken”. [naam 32] verklaart echter dat hij die bevestiging op verzoek van [verdachte] heeft opgesteld waarbij de inhoud hem door [verdachte] zou zijn gedicteerd. Hij erkent in zijn verklaring de onjuistheid van die verklaring, maar zegt dat hij het gewicht van de onjuistheid niet besefte. Hij had niet door dat het diende om verduistering te maskeren.

De rechtbank heeft zich afgevraagd of het kan zijn dat [naam 32] liegt en er wel degelijk acht werkplekken extra zijn verkocht. Een andere mogelijkheid is dat er helemaal geen inventaris verkocht is en de betaling van € 90.000,- gewoon een extra ‘zwarte’ betaling was. Dit laatste neemt de rechtbank echter niet aan, omdat [verdachte] noch [naam 32] in deze richting verklaren. Vastgesteld moet worden dat wat er ook geleverd is voor € 90.000,=, dit na de levering niet in de woning is aangetroffen. Zowel [getuige 22] als [getuige 18] verklaren namelijk dat wat er in de woning aan inventaris achtergebleven was, een waarde van enkele duizenden euro’s niet overtrof. Als bedacht wordt dat in de koopakte ook al € 20.000,= aan inventaris overgenomen was, is nog duidelijker dat dan die extra inventaris van € 90.000,- nagenoeg geheel uit de woning moet zijn verdwenen ergens tussen het moment van levering en de aanvang van de verbouwingen.

Er is geen enkele directe aanwijzing dat het [verdachte] is geweest, die die inventaris (althans een overgroot deel daarvan) verduisterd heeft. Desondanks vind de rechtbank voldoende bewijs voor deze verduistering door [verdachte] . Deze hele transactie blijkt namelijk alleen maar uit de schriftelijke betalingsopdracht ervoor door [verdachte] aan een medewerker van SGL met als enige motivering dat het om ongeveer acht werkplekken gaat waarvoor nog een opgave volgt. Die opgave is er nooit gekomen. Deze schimmige manier van handelen (een stiekeme betaling voor onbepaalde goederen) past naadloos bij de intentie om datgene wat (echt) geleverd werd, te kunnen verdonkeremanen. Hoewel [naam 32] niet weet wat er met de door hem achtergelaten inventaris is gebeurd, zegt hij wel dat die inventaris zeker niet bestond uit acht werkplekken. De rechtbank hecht geloof aan deze verklaring. Ten eerste is niet in te zien waarom [naam 32] op dit punt niet de waarheid zou verklaren. Ten tweede – en dat voert [naam 32] zelf aan – pasten in het kantoorgedeelte van de woning geen acht werkplekken en had hij zelf ook helemaal geen 8 werkplekken in zijn woning. [naam 32] werkte als zelfstandig psycholoog. Ook binnen dat verband is niet goed voor te stellen waarom hij acht werkplekken benodigde. De rechtbank houdt het er dan ook voor dat [verdachte] liegt als hij schrijft en volhoudt dat voor de € 90.000,- acht werkplekken zijn gekocht. Ook de verklaring van [naam 32] over het verzoek van [verdachte] om achteraf nog schriftelijk te bevestigen dat en wat er is betaald, is geloofwaardig en passend in de strategie van [verdachte] om deze betaling alsnog een zakelijk karakter te verlenen. Nu de rechtbank voldoende reden ziet om [naam 32] te volgen in zijn verklaring dat tweederde deel van de extra inventaris woonmeubilair betrof én deze na de levering niet in de woning is teruggevonden én [verdachte] deze hele koopconstructie heeft opgezet en uitgevoerd, kan de conclusie geen andere zijn dan dat [verdachte] die inventaris vervolgens verduisterd heeft. Daarbij weegt mee dat [verdachte] ook geen moment heeft gesteld dat enig deel van die inventaris door andere oorzaak uit de woning is verdwenen.

Het vorenstaande betekent dat de rechtbank ook bewezen vindt dat [verdachte] de bevestigingsbrief van [naam 32] (D-148) valselijk heeft opgemaakt.

4.21

[adres 3] [woonplaats 2] (feitonderdelen 23 en 24)

[verdachte] wordt ervan verdacht dat hij samen met [medeverdachte] een bedrag van € 10.792,- aan verbouwingskosten van [naam BV] heeft verduisterd. Dit bedrag is uitgegeven aan het opknappen/inrichten van [adres 3] op het moment dat de dochter van [verdachte] daar ging wonen.

Uit de dossierstukken blijkt dat [naam stichting 1] het complex [adres 5] in [woonplaats 2] (woonhuizen, manege en landhuis), in april 2007 kocht en verhuurde aan [naam BV] . Verkoper [getuige 3] en zijn vrouw bleven in de woning [adres 3] wonen en sloten daarvoor een huurovereenkomst met [naam stichting 1] . Zij betaalden maandelijks € 970,- huur.320 Eind 2008 vertrok [getuige 3] .321 Vervolgens ging de dochter van [verdachte] , [naam dochter] , in de woning wonen. Zij sloot daarvoor een “overeenkomst antikraak woonruimte” met [naam stichting 1] . [naam dochter] betaalde geen huur of andere vergoeding voor het gebruik van de woning.322

Net voor dat zij in de woning trok, werd in de woning schilderwerk gedaan en werden er nieuwe gordijnen gekocht. In het dossier bevindt zich een offerte van [naam 34] B.V. met offerte-nummer 20090064 voor een bedrag van € 5.048,66 aan gordijnen gericht aan [naam BV] t.a.v. [medeverdachte] .323 Per e‑mailbericht van [medeverdachte] namens [naam BV] van 23 februari 2009 werd met deze offerte akkoord gegaan.324 In het dossier bevindt zich verder een overzicht van de onderhoudskosten van [adres 5] in 2009, waarop dit bedrag is terug te vinden en waarop verder staat vermeld dat [naam BV] aan [naam 35] € 4.593,52 en € 1.150,10 heeft betaald voor schilderwerk bij [adres 3] .325 In de woning van [verdachte] ( [adres 1] te [woonplaats 1] ) zijn twee facturen van [naam 35] Schilderwerken aangetroffen: een factuur van 11 februari 2009 voor een bedrag van € 4.593,52326 en een factuur van 4 maart 2009 voor een bedrag van € 1.150,10327. Beide facturen zijn gericht aan [naam BV] ter attentie van [medeverdachte] . In totaal gaat het dus om een bedrag van € 10.792,- (€ 4.593,52 + € 1.150,10 + € 5.048,-).

Getuige [naam dochter] heeft verklaard dat zij vanaf begin 2009 op nummer 63 woont. Dit is de voormalige woning van [getuige 3] . Voordat zij er is gaan wonen, is de keuken opgeknapt. Dat wil zeggen dat de keukenkastjes zijn opgeschuurd. Haar vader heeft aan haar voorgesteld om er te gaan wonen en zij vond het goed idee. Zij betaalt nu € 600,- per maand voor deze woning. Het bedrag wordt van haar loon ingehouden sinds zij in september 2011 voor de manege is gaan werken. Daarvóór hoefde zij niets voor de woning te betalen. Zij ging ervan uit dat haar vader dit voor haar betaalde. Zij heeft verklaard dat zij wel weet wat een anti-kraakovereenkomst inhoudt. Zij weet dat dit pand binnen een kleine cirkel van de bedrijfsruimte ligt en daarom niet verhuurd kan worden. Haar vader heeft haar dit verteld en dat dit via een constructie moest. Haar vader heeft haar deze constructie voorgesteld zodat zij in het pand [adres 3] gratis kon wonen. Nadat haar vader aan haar heeft gevraagd of zij interesse had in de woning is zij met hem gaan kijken. Zij vond het pand prima om te bewonen maar haar vader stelde voor om de keukenkastjes te renoveren. Zij heeft gezegd dat zij een lichte kleur mooi vond en haar vader regelde de rest. Zij heeft samen met [medeverdachte] de gordijnen uitgezocht in [woonplaats 1] op het industrieterrein.328

Bewijsoverweging:

Op grond van voornoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] en [medeverdachte] omstreeks februari 2009 de verbouwings-/inrichtingskosten voor [adres 3] voor een bedrag van € 10.792,- toebehorende aan [naam BV] hebben verduisterd. [verdachte] deed dit samen met [medeverdachte] die het geld uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking onder zich had. [naam dochter] is de dochter van [verdachte] en kwam, middels een constructie van een anti-kraak overeenkomst, gratis op [adres 3] wonen. Vlak voordat ze in de woning trok werd deze ingericht/opgeknapt voor de genoemde bedragen. Dit gebeurde op initiatief van [verdachte] en [medeverdachte] en in overleg met [naam dochter] . Deze kosten waren op geen enkele wijze zorggerelateerd en ook de anti-kraakovereenkomst, wat daar verder ook van zij, bood geen basis voor de uitgaven die zijn gedaan. Kortom, [verdachte] en [medeverdachte] eigenden zich het bedrag van € 10.792,- toe en besteedden dit aan het verfraaien van de woning van de dochter van [verdachte] , terwijl dit op geen enkele manier te maken had met de door [naam BV] geleverde zorg en hiervoor ook anderszins geen grondslag was.

4.22

Valsheid in geschrifte van de Aanvulling II Samenwerkingsovereenkomst Zorgfaciliteiten van 2 april 2008 (feitonderdeel 27)

Bewijsmiddelen

In het kader van de uitbesteding van zorg in de vorm van dagbestedingen is op een samenwerkingsovereenkomst gesloten tussen SGL en [naam BV] . De overeenkomst is gedateerd op 10 april 2007 en ondertekend door [verdachte] namens SGL en door medeverdachte [medeverdachte] (namens [naam oprichter] ) voor [naam BV] . In deze overeenkomst is opgenomen dat [naam BV] dagbesteding en ondersteunende en activerende begeleiding zal aanbieden voor cliënten van SGL met een budget van

€ 1.478.898,00 (54 cliënten x 255 openstellingsdagen x 2 dagdelen x € 53,70).329

Er is een eerste Aanvulling op deze samenwerkingsovereenkomst opgemaakt gedateerd 16 april 2007, waarbij is afgesproken dat naast het reguliere tarief van € 53,70 per dagdeel, wanneer er bij een cliënt sprake is van niet-aangeboren hersenletsel (NAH) het tarief voor het jaar 2007 zal bedragen: € 87,60 per dagdeel. Deze tweede aanvulling is ook ondertekend door [verdachte] namens SGL en door medeverdachte [medeverdachte] (namens [naam oprichter] ) voor [naam BV] . 330

Op 2 april 2008 is een tweede Aanvulling op deze samenwerkingsovereenkomst opgemaakt.331 Ook deze tweede aanvulling is ondertekend door [verdachte] namens SGL en door medeverdachte [medeverdachte] (namens [naam oprichter] ) voor [naam BV] .

In deze tweede aanvulling is opgenomen dat:

“2.2 Op basis van de in de hoofdovereenkomst en de aanvullende overeenkomst van

16 april 2007 genoemde tarieven, zal SGL vanaf 2 april 2008 [naam BV] maandelijks

vooraf gaan betalen voor de te leveren zorg- en dienstverlening.

2.3

Op jaarbasis betreft het een totaal bedrag van € 2.387.976,-. Dit bedrag is gebaseerd

op de tarieven 2007 en zal conform artikel 3.2. van de hoofdovereenkomst jaarlijks

worden geïndexeerd.

2.4

Maandelijks zal een bedrag van € 198.998,- (€ 2.387.976 : 12) op voorhand worden

overgemaakt aan [naam BV] .

2.5

Na verloop van een periode van twaalf maanden zal [naam BV] aan SGL een

overzicht doen toekomen van de totaal gerealiseerde productie dagbesteding en

ondersteunende en activerende begeleiding aan cliënten van SGL.”

In het dossier bevindt zich een handgeschreven notitie met als opschrift ‘contractaanpassing’ en gedateerd 19 maart 2008 waarop kennelijk een berekening van het budget wordt gemaakt voor [naam BV] . Bij die berekening wordt aangenomen dat in totaal 46 cliënten nagenoeg alle dagen van de week zorg zullen afnemen bij de verschillende onderdelen van [naam BV] (in totaal 27.360 dagdelen) tegen het NAH tarief (87,60 euro), uitkomend op € 2.387.976 oftewel € 198.998,- per maand.332

Getuige [getuige 26] herkent het handschrift van deze notitie als het handschrift van [verdachte] .333

De FIOD heeft gerelateerd dat deze notitie op 4 februari 2014 aan de FIOD overhandigd door de heer [getuige 5] onder mededeling dat dit stuk was opgemaakt door [verdachte] en dat destijds door [verdachte] was aangegeven dat dit de manier was waarop de berekening moest worden gemaakt.334

Er is onderzoek gedaan naar de omvang en samenstelling van de van SGL ontvangen

vergoedingen voor de dagbesteding aan gehandicapten door [naam BV] en naar de omvang en samenstelling van de werkelijk geleverde dagbesteding door [naam BV] aan cliënten in het aantal dagdelen in relatie tot de door [naam BV] ontvangen vergoeding daarvoor van SGL.335 Dit onderzoek is onder meer gebaseerd op de aangetroffen presentielijsten, waarop dagelijks per zorglocatie werd bijgehouden aan wie wanneer en hoe lang zorg werd verleend. Verder staat ook het tarief weergegeven dat per cliënt van toepassing is op de geleverde zorg door [naam BV] aan SGL.336Bij het onderzoek is gebruik gemaakt van de door SGL gemaakte aansluitingen van de productiecijfers waaronder de (daadwerkelijke) productie bij [naam BV] over de jaren 2008, 2009, 2010 en 2011”.337 Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat in 2008 24% van de cliënten van SGL die dagbesteding afnamen bij [naam BV] NAH-cliënt was en dat in de periode 2008 tot en met 2011 gemiddeld 21 % NAH-cliënt was.338

Bewijsoverweging:

Op grond van voornoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] samen [medeverdachte] in de ten laste gelegde periode een “Aanvulling II Samenwerkingsovereenkomst Zorgfaciliteiten”, gedateerd 2 april 2008 valselijk heeft opgemaakt. Als bestuurder van SGL en feitelijk leidinggever van [naam BV] heeft [verdachte] kennis gehad van de productie van [naam BV] . [verdachte] heeft vervolgens voor [naam BV] willens en wetens een budget vastgesteld dat niet op de werkelijkheid was gebaseerd, omdat niet 100% van de cliënten van SGL waarvoor dagbesteding door SGL werd ingekocht bij [naam BV] NAH-cliënt was (met het hoge tarief), maar slechts gemiddeld 21 %. In de overeenkomst wordt gelet op het bepaalde onder 2.2 gesuggereerd dat ook thans nog wordt uitgegaan van de tarieven zoals die zijn genoemd in de hoofdovereenkomst (€ 53,70) en in de eerste aanvulling van 16 april 2007 (€ 53,70 regulier en € 87,60 in geval sprake is van cliënten met NAH (NAH-tarief)), terwijl bij de bepaling van het budget enkel van het hoogste tarief, het NAH-tarief, is uitgegaan. Ook [medeverdachte] moet duidelijk zijn geweest dat het budget in de tweede Aanvulling niet gebaseerd kon zijn op de werkelijke verhouding NAH – niet-NAH van de cliënten van SGL die bij [naam BV] dagbesteding volgden en derhalve niet klopte. Zij had immers de dagelijkse leiding over [naam BV] . Dat het een zogenoemd capaciteitscontract betrof, maakt niet dat hier anders over geoordeeld moet worden. De afgesproken capaciteit moet immers wel (op termijn) redelijkerwijs realiseerbaar zijn en dat kon in dit geval gelet op de daadwerkelijke verhouding NAH – niet-NAH. [verdachte] en [medeverdachte] hebben deze overeenkomst opgemaakt met het oogmerk deze als echt en onvervalst te gebruiken. De aanvulling op de samenwerkingsovereenkomst is jegens SGL immers gebruikt om tot betaling van de betreffende bedragen aan [naam BV] te komen, waar gelet op de daadwerkelijke verhouding tussen het aantal reguliere en NAH-cliënten helemaal geen recht op was.

4.23

Valsheid in geschrifte van een volmacht van [naam stichting 1] aan [verdachte] (feitonderdeel 28)

Bewijsmiddelen

In het pand [adres 1] te [woonplaats 1] is een schriftelijk bescheid aangetroffen, zijnde een volmacht van [naam stichting 1] op naam gesteld van [verdachte] . In deze volmacht staat de volgende tekst: “Hierbij bevestigen wij dat wij als bestuurder van [naam stichting 1] , aan onze medebestuurder, de heer [verdachte] , algehele volmacht hebben verleend om namens de [naam stichting 1] te handelen. Deze volmacht hebben wij verleend vanaf infunctietreding van de heer [verdachte] per 11 februari 2008.”339

De volmacht is ondertekend door de toenmalige bestuurders [naam oprichter] , [naam bestuurder 1] en [naam bestuurder 2] van [naam stichting 1] .

Daarbij is een exemplaar van de volmacht aangetroffen met dit verschil dat onderaan de pagina staat vermeld 934722/tw/pl340.

Bij deze volmacht is verder een pagina van een ander document pagina’s aangetroffen waarin volmacht wordt gegeven aan iedere medewerker van het kantoor van mr. R.M.J. van Gent, mr. A.P.C.G. Wolfs en mr. H.A.G.G. Knops, notarissen te Heerlen voor bepaalde handelingen door voornoemde bestuursleden en waarop de namen en de handtekeningen van voornoemde bestuursleden staan vermeld op dezelfde wijze als op voormelde volmacht. Op deze pagina staat onderaan vermeld 934722/tw/pl.341

Tot slot is bij de volmacht een document aangetroffen waarbij het bovenste deel van de volmacht met plakband is geplakt aan het deel van het document met onderaan de vermelding 934722/tw/pl waarop de handtekeningen en namen van voornoemde bestuursleden staan.

In het dossier bevindt zich verder een e-mailbericht van [naam adviseur 1] , accountant van Deloitte, aan medeverdachte [medeverdachte] van 27 oktober 2011, met als onderwerp “RE: bijlage [naam stichting 1] )”. De tekst luidt als volgt: “Hallo [medeverdachte] . Dank je. Wat erg belangrijk nog is, is de verklaring dat de overige bestuurders aan bestuurder [verdachte] de volmacht hebben gegeven om namens de Stichting zelfstandig te mogen handelen cq zelfstandig bevoegd is. Ik heb begrepen dat de secretaris dit zou opstellen. Ik hoor het graag van je. Groet [naam adviseur 1] ”.342

In het e-mailbericht van medeverdachte [medeverdachte] aan [naam adviseur 1] van 5 december 2011, met als onderwerp “Volmacht” antwoordt [medeverdachte] . De tekst luidt als volgt: “Hallo [naam adviseur 1] . Dit is de volmacht van [naam stichting 1] . Met vriendelijke groeten, [medeverdachte] ”.343 In de e-mail is een “pdf.bestand” gevoegd met de titel “Volmacht [naam stichting 1] ”. Een uitdraai hiervan bevindt zich in het dossier344 en dit document is identiek aan de vervalste volmacht.

Verder is op een USB-stick een pdf-bestand aangetroffen met de bestandsnaam “volmacht [naam stichting 1] ”. Dit bestand is geprint en aan het dossier toegevoegd als D-282.345 Dit document is identiek aan het als bijlage gevoegde pdf-bestand dat medeverdachte [medeverdachte] op 5 december 2011 per e-mail naar [naam adviseur 1] heeft gestuurd. Uit digitaal onderzoek is gebleken dat het pdf-bestand met bestandsnaam “volmacht [naam stichting 1] ” op 5 december 2011 voor het laatst is bewerkt.346

[verdachte] heeft verklaard dat er buiten [medeverdachte] en hij niemand op [adres 1] woonde. Hij heeft de volmacht nooit gebruikt. Of hij het gemaakt heeft, weet hij niet meer. Hij zal het wel gemaakt hebben.347 Ter terechtzitting heeft [verdachte] in gelijke zin verklaard.

Bewijsoverweging:

Op grond van de in de woning van [medeverdachte] en [verdachte] aangetroffen volmacht en de daarbij aangetroffen documenten hiervoor opgenomen onder de bewijsmiddelen staat buiten twijfel dat de volmacht is vervalst. De volmacht is aan de accountant overgelegd. Op grond van voornoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] samen met [medeverdachte] in de periode van 27 oktober 2011 tot en met 5 december 2011 een volmacht valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk die volmacht als echt en onvervalst te gebruiken.

4.24

Eindconclusie:

Overwegingen ten aanzien van feit 1:

De rechtbank is, gelet op voornoemde bewijsmiddelen en overwegingen, van oordeel dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het valselijk (laten) opmaken van:

- een factuur d.d. 1 december 2005 en een bijbehorende specificatie (D-220 6/11 en 7/11);

- een brief d.d. 16 juni 2006 van SGL aan [naam manege 1] over de afspraak rondom de betaling van € 22.000 door SGL;

- een brief d.d. 1 augustus 2007 van [naam 32] aan SGL t.a.v. dhr. [verdachte] over de overname van inventaris voor een bedrag van € 90.000,-;

- de Aanvulling II Samenwerkingsovereenkomst Zorgfaciliteiten d.d. 2 april 2008 tezamen en in vereniging met [medeverdachte] ;

- een schriftelijke volmacht tezamen en in vereniging met [medeverdachte] .

Overwegingen ten aanzien van feit 2:

De rechtbank is, gelet op voornoemde bewijsmiddelen en overwegingen van oordeel dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering van gelden en goederen die hij uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als bestuurder van SGL onder zich had, waarvan een deel tezamen en in vereniging met [medeverdachte] , te weten:

Medeplegen

Alleen plegen

Paarden

[naam manege 1] en terugstorting

€ 23.695,55

[naam paard 2]

€ 15.000,00

[naam paard 1]

€ 22.000,00

[naam paard 3] & [naam paard 4]

€ 7.700,00

[naam veulen 1] , [naam veulen 2] & [naam veulen 3]

€ [rekeningnummer 1] .840,00

Audiovisuele apparatuur

€ [rekeningnummer 1] .034,00

Fitnessapparatuur

€ 2.989,21

Kunst

€ 23.500,40

€ 29.640,00

Horloges

€ 34.502,50

Onroerend goed

[adres 7] [plaats 1]

€ 113.442,06

€ 611.209,18

[adres 1] [woonplaats 1]

€ 93.744,00

€ 60.000,00

Totaal

€ 233.675,67

€ 832.621,23

Overwegingen ten aanzien van feit 4:

De rechtbank is, gelet op voornoemde bewijsmiddelen en overwegingen van oordeel dat [verdachte] zich tezamen en in vereniging met [medeverdachte] schuldig heeft gemaakt aan verduistering van gelden en voorwerpen die [medeverdachte] uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking bij [naam BV] onder zich had, te weten:

Medeplegen

Alleen plegen

Paarden

[naam paard 6]

€ 36.000,00

Verzekering, dierenarts, stalling, zadelmak maken [naam veulen 1]

€ 86.655,38

Werknemer

€ 33.620,00

Onroerend goed

[adres 1] [woonplaats 1]

€ 34.456,00

[adres 3] [woonplaats 2]

€ 10.792,00

Totaal

€ 201.523,38

4.25

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

1

in de periode van 1 december 2005 tot en met 5 december 2011 in Nederland, meermalen, telkens een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt,

immers heeft verdachte, toen aldaar -zakelijk weergegeven-

- een factuur, gedateerd 1 december 2005 en gericht aan SGL te Sittard en een bijbehorende specificatie opgemaakt en in die factuur valselijk en in strijd met de waarheid vermeld/opgenomen dat deze afkomstig was van [getuige 3] te [woonplaats 2] en blijkens de bijbehorende specificatie betrekking had op de aankoop van 13 paarden voor een bedrag van 138.800 euro, zulks terwijl die factuur en die specificatie voornoemd in werkelijkheid niet afkomstig waren van [getuige 3] te [woonplaats 2] en in werkelijkheid genoemd bedrag van 138.800 euro betrekking had op de aankoop van 14 paarden en stallingskosten; en

- een brief opgemaakt en ondertekend, gedateerd 16 juni 2006 en blijkens opschrift afkomstig van Stichting Gehandicaptenzorg Limburg (SGL) en gericht aan [naam manege 1] , en in die brief valselijk en in strijd met de waarheid vermeld/opgenomen dat de afspraak van 14 juni 2006 wordt bevestigd dat in het kader van de verdere ontwikkeling en begeleiding van een aantal concourspaarden een eenmalige bijdrage van 22.000 euro wordt betaald door SGL, zulks terwijl genoemd bedrag in werkelijkheid betrekking had op de verkoop door [naam manege 1] aan verdachte in privé van een paard ( [naam paard 1] ); en

- een brief laten opmaken door [naam 32] , gericht aan Stichting Gehandicapte Zorg Limburg t.a.v. dhr. [verdachte] en in die brief valselijk en in strijd met de waarheid laten bevestigen dat hij, [naam 32] , op 27 juli 2007 van de Stichting (SGL) een bedrag van 90.000 euro heeft ontvangen voor de overname van de complete inventaris ten behoeve van acht werkplekken, zulks terwijl in werkelijkheid de overgenomen inventaris voor het grootste gedeelte bestond uit privémeubilair,

zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en/of door (een) ander(en) te doen gebruiken;

en

in de periode van 1 december 2005 tot en met 5 december 2011 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, meermalen, telkens een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt,

immers hebben hij, verdachte, en zijn medeverdachte toen aldaar -zakelijk weergegeven-

- de "Aanvulling II Samenwerkingsovereenkomst Zorgfaciliteiten" tussen de Stichting Gehandicaptenzorg Limburg (SGL) en [naam BV] , gedateerd 2 april 2008 opgemaakt, op basis waarvan SGL aan [naam BV] jaarlijks een bedrag van 2.387.976 euro zou betalen in verband met door [naam BV] te ontwikkelen en in te zetten voorzieningen, geschikt voor zorg aan volwassenen met een lichamelijke, zintuiglijke of meervoudige beperking, welk jaarlijks budget door verdachte valselijk en in strijd met de waarheid was gebaseerd op de omstandigheid dat op alle cliënten van [naam BV] uitsluitend het hoge zogenaamde NAH-tarief (van 87,60) van toepassing was, zulks terwijl in werkelijkheid minder dan 25% van de cliënten van [naam BV] een NAH-indicatie had; en

- een schriftelijke volmacht opgemaakt, waarin door het bestuur van de [naam stichting 1] aan verdachte als medebestuurder per 11 februari 2008 algehele volmacht wordt verleend om namens de [naam stichting 1] te handelen en op/in die volmacht valselijk en in strijd met de waarheid vermeld/opgenomen de handtekeningen van bestuursleden van de [naam stichting 1] , te weten [naam oprichter] en [naam bestuurder 2] en [naam bestuurder 1] , zulks terwijl die bestuursleden de hiervoor omschreven volmacht in werkelijkheid niet hadden ondertekend,

zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en/of door (een) ander(en) te doen gebruiken;

2.

op tijdstippen in de periode van 1 februari 2005 tot 1 november 2010 in Nederland en te Neeroeteren, telkens tezamen en in vereniging met een ander of alleen, meermalen, telkens opzettelijk geldbedragen en/of goederen voor in totaal 1.066.296 euro waarvan tezamen en in vereniging met een ander 233.675 euro, te weten aan Paarden 83.235 euro; Kunstvoorwerpen 53.140 euro waarvan tezamen en in vereniging met een ander 23.500 euro; Horloges 34.502 euro; Onroerend goed [plaats 1] 724.651 euro, waarvan tezamen en in vereniging met een ander 113.442 euro; Onroerend goed [woonplaats 1] 153.744 euro, waarvan tezamen en in vereniging met een ander 93.744 euro; audiovisuele apparatuur 14 .034 euro; en fitnessapparatuur 2.989 euro, geheel tezamen en in vereniging met een ander, toebehorende aan Stichting Gehandicaptenzorg Limburg (SGL) en welke geldbedragen en goederen verdachte telkens uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als bestuurder van SGL onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

4.

in de periode van 10 april 2007 tot en met 31 december 2011 in Nederland, tezamen en in vereniging met [medeverdachte] , meermalen, telkens opzettelijk geldbedragen en een goed voor in totaal 201.523 euro, te weten aan Paarden 122.655 euro, Loon werknemer 33.620 euro, Onroerend goed [adres 1] [woonplaats 1] 34.456, Onroerend goed [adres 3] [woonplaats 2] 10.792 euro, toebehorende aan [naam BV] en welke geldbedragen en welk goed zijn medeverdachte [medeverdachte] telkens uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking van Manager backoffice of Bedrijfsdirecteur van [naam BV] onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Ten aanzien van feit 1:

Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

en

Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 2:

Medeplegen van verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd;

en

Verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 4:

Medeplegen van verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

6 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

7 De straf en/of de maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van tweeënveertig maanden met aftrek van voorarrest.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat het optreden van de belastingdienst en de FIOD bestuurlijk dermate onbehoorlijk is, dat dit een strafverminderende omstandigheid is.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden. Zij weegt hierbij de volgende feiten en omstandigheden mee.

[verdachte] is vanaf 2001 enig bestuurder van SGL en brengt zichzelf in de jaren daarna in een positie waarin hij zijn gang kan gaan met een groot deel van de gelden van SGL. In 2005 worden [naam stichting 1] en [naam BV] opgericht, die als onderaannemer van SGL gaan fungeren. Rond diezelfde tijd krijgt verdachte een relatie met medeverdachte [medeverdachte] , die op dat moment zijn secretaresse is. Zij wordt in april 2007 manager back-office bij [naam BV] en later (in 2009) directeur. De feitelijke zeggenschap bij [naam stichting 1] / [naam BV] ligt bij [verdachte] . In 2008 wordt hij, naast zijn positie bij SGL, bestuurder bij [naam stichting 1] . [verdachte] [medeverdachte] gebruiken hun positie om vanaf 2008 grote geldbedragen van SGL naar [naam BV] te laten overmaken. Uit het dossier komt het beeld naar voren dat mensen die kritiek op [verdachte] hadden of hem tegenspraken, konden vertrekken. Anderen, zoals leden van de Raad van Toezicht van SGL, werd bewust informatie onthouden, zodat geen zicht bestond op wat er daadwerkelijk met de budgetten van SGL gebeurde. Mensen van wie [verdachte] iets gedaan wilde krijgen, werden met geld van SGL gefêteerd en [verdachte] liet ook zijn dochter meeprofiteren van de middelen die hij via SGL tot zijn beschikking had.

In de positie die [verdachte] op deze manier voor zichzelf creëerde, heeft hij zich gedurende ten minste vijf jaar herhaaldelijk schuldig gemaakt aan verduistering en valsheid in geschrifte. [verdachte] leidde (deels samen met [medeverdachte] ) op kosten van SGL en [naam stichting 1] / [naam BV] een luxe leven. De door SGL en [naam stichting 1] gekochte villa’s in [plaats 1] en [woonplaats 1] werden op kosten van SGL en [naam stichting 1] / [naam BV] voor extreme bedragen verbouwd en ingericht voor privégebruik. Voor het bewonen van de villa in [woonplaats 1] , waar [verdachte] enkele jaren woonde, betaalde hij niets. [verdachte] initieerde de aankoop van een manege en verduisterde veel geld om voor zichzelf en zijn dochter volbloedpaarden te verwerven. De kosten voor de stalling, verzorging en verzekering van deze paarden en de kosten voor de paardrijlessen liet hij door SGL dan wel [naam BV] betalen. Verdachte kocht op rekening van SGL verder voor enkele tonnen aan kunst, dure horloges en een TV-/home cinema-set. Door een opzettelijk gebrekkige administratie, het niet-naleven van inkoopregels en het vervalsen van stukken kwam verdachte hier jarenlang mee weg. [verdachte] deed deze uitgaven met geld dat bestemd was voor AWBZ-zorg. Het betrof met andere woorden gemeenschapsgeld, bedoeld voor het bekostigen van zorg voor mensen die zorg nodig hebben. Een bestuurder van een stichting als SGL zou een voorbeeldfunctie moeten vervullen. [verdachte] heeft echter gedurende een lange periode, bij herhaling en op ernstige wijze misbruik gemaakt van de positie waarin hij zich bevond. [verdachte] heeft zich gedragen alsof SGL, [naam stichting 1] en [naam BV] zijn privébezit waren en hij aan niemand verantwoording schuldig was. Hij was immers de man die SGL op de kaart had gezet. Dit heeft bij verdachte kennelijk de grenzen ernstig doen vervagen. De rechtbank rekent dit [verdachte] zwaar aan.

De rechtbank weegt verder in het nadeel van [verdachte] mee dat hij nooit verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen. Hij ontkent dat hij zich aan enig strafbaar feit schuldig heeft gemaakt en vindt dat zijn optreden op een enkel punt hooguit “niet handig” was. [verdachte] schuift de schuld daarnaast vaak af op anderen, die hem verkeerd zouden hebben geadviseerd of (stilzwijgend) hun akkoord zouden hebben gegeven. Hij miskent daarmee volledig zijn eigen rol en verantwoordelijkheid. [verdachte] verschuilt zich daarnaast achter beleidskeuzes die SGL destijds heeft gemaakt, zoals de keuze om in onroerend goed en in een zorgmanege te investeren. [verdachte] wordt echter niet verweten dat bepaalde beleidskeuzes werden gemaakt. Hem wordt verweten dat hij geld en goederen van SGL en [naam BV] verduisterde en voor het bereiken van dat doel valsheid in geschrifte pleegde.

[verdachte] neemt het het openbaar ministerie kwalijk dat zij in 2013 naar buiten bracht dat hij zich schuldig had gemaakt aan een “miljoenenfraude met zorggelden”. De media-aandacht die daarop volgde was heel zwaar voor [verdachte] en zijn [medeverdachte] en [verdachte] heeft sindsdien geen werk meer kunnen vinden. De rechtbank acht media-aandacht voor een zaak als deze onvermijdelijk. Het persbericht van het openbaar ministerie van destijds wijkt overigens ook niet ver af van waarvoor [verdachte] nu wordt veroordeeld, namelijk onder meer verduistering voor een bedrag van in totaal € 1.267.820,28 aan geld dat bedoeld was voor AWBZ-zorg. Daarnaast merkt de rechtbank op dat [verdachte] zijn positie heeft gebruikt om gelden en goederen te verduisteren. Diezelfde positie leidt er nu toe dat hij negatieve publiciteit krijgt. Dit is echter aan [verdachte] zelf te wijten en kan dus niet tot strafvermindering leiden.

Wat de rechtbank wel ten voordele van [verdachte] meeweegt, is het feit dat hij geen strafblad heeft.

Bij de hoogte van de straf heeft de rechtbank ook gekeken naar de redelijke termijn van berechting. Uitgangspunt is dat binnen twee jaar na aanvang van vervolging een vonnis moet worden gewezen. Als moment van aanvang van de redelijke termijn neemt de rechtbank de dag van de doorzoeking van het huis van [verdachte] in juli 2012. Dit betekent dat de redelijke termijn eindigde in juli 2014. In oktober 2014 was het onderzoek gereed. Het betrof een omvangrijke en complexe zaak. [verdachte] heeft geen medewerking verleend aan het onderzoek en ook zijn proceshouding (met vele herhaalde verzoeken en opeenvolgende wrakingsprocedures) zijn de doorlooptijd van het proces niet ten goede gekomen. Anderzijds begrijpt de rechtbank dat het voor [verdachte] heel zwaar is geweest dat hij gedurende zes jaar in onzekerheid heeft geleefd over het verloop en de uitkomst van het strafrechtelijk onderzoek en proces tegen hem. Alles afwegende compenseert de rechtbank dit door de beoogde straf te matigen met zes maanden.

Bij een benadelingsbedrag van 1 miljoen euro of meer, zoals hier het geval is, worden in vergelijkbare gevallen gevangenisstraffen van 24 maanden tot 4 jaar opgelegd. Rekening houdend met de feiten en omstandigheden die hiervoor zijn besproken en in ogenschouw genomen dat [verdachte] voor feit 3 wordt vrijgesproken, legt de rechtbank aan [verdachte] een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op voor de duur van 30 maanden.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 47, 57, 225, 321, en 322 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het onder feit 3 ten laste gelegde;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 4.25 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 5 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van dertig (30) maanden;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.H. Dethmers, voorzitter, mr. C. Wapenaar en

mr. C.M. Nollen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.A.E. van de Venne, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 4 september 2018.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging tenlastelegging, ten laste gelegd dat

1.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 december 2005 tot en met 5 december 2011 in de gemeente(n) [woonplaats 3] en/of [woonplaats 1] en/of Amsterdam en/of te [plaats 1] in de gemeente Venlo en/of te [woonplaats 2] in de gemeente [plaats 2] , in elk geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van

enig feit te dienen valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst en/of valselijk heeft doen en/of laten opmaken en/of vervalsen,

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of (één of meer van) zijn medeverdachte(n) toen aldaar -zakelijk weergegeven-

-een factuur, gedateerd 1 december 2005 en gericht aan SGL te [plaats 3] (D-220 6/11) en/of een bijbehorende specificatie (D-220 7/11) opgemaakt en/of doen en/of laten opmaken en in/op die factuur voornoemd valselijk en/of in strijd met de waarheid vermeld/opgenomen en/of doen en/of laten vermelden/opnemen dat deze afkomstig was van [getuige 3] te [woonplaats 2] en/of blijkens de bijbehorende specificatie voornoemd betrekking had op de aankoop van 13 paarden voor een bedrag van 138.800 euro, zulks terwijl die factuur en/of die specificatie voornoemd in werkelijkheid niet afkomstig was/waren van [getuige 3] te [woonplaats 2] en/of terwijl in werkelijkheid genoemd bedrag van 138.800 euro betrekking had op de aankoop van 14 paarden en stallingskosten (D-007) en/of

-een brief opgemaakt, gedateerd 16 juni 2006 en blijkens opschrift afkomstig van Stichting Gehandicaptenzorg Limburg (SGL) en gericht aan [naam manege 1] en ondertekend door verdachte (D-678) en in/op die brief voornoemd valselijk en/of in strijd met de waarheid vermeld/opgenomen dat de afspraak van 14 juni 2006 wordt bevestigd dat in het kader van de verdere ontwikkeling en begeleiding van een aantal concourspaarden een eenmalige bijdrage van 22.000 euro wordt betaald door SGL, zulks terwijl genoemd bedrag in werkelijkheid betrekking had op de verkoop door [naam manege 1] aan verdachte in privé van een paard ( [naam paard 1] ) en/of

-een brief laten opmaken door [naam 32] , gericht aan Stichting Gehandicapte Zorg Limburg t.a.v. dhr. [verdachte] (D-148 3/3) en die brief voornoemd valselijk en/of in strijd met de waarheid laten bevestigen dat hij, [naam 32] , op 27 juli 2007 van de Stichting (SGL) een bedrag van 90.000 euro heeft ontvangen voor de overname van de complete inventaris ten behoeve van acht werkplekken, zulks terwijl in werkelijkheid de overgenomen inventaris voor het grootste gedeelte bestond uit privémeubilair, in elk geval uit niet meer dan drie kantoorwerkplekken en/of

-de "Aanvulling II Samenwerkingsovereenkomst Zorgfaciliteiten" tussen de Stichting Gehandicaptenzorg Limburg (SGL) en [naam BV] , gedateerd 2 april 2008 (D-252) opgemaakt en/of doen en/of laten opmaken, op basis waarvan SGL aan [naam BV] jaarlijks een bedrag van 2.387.976 euro zou betalen in verband met door [naam BV] te ontwikkelen en in te zetten voorzieningen, geschikt voor zorg aan volwassenen met een lichamelijke, zintuiglijke of meervoudige beperking, welk jaarlijks budget voornoemd was gebaseerd op het door verdachte en/of (één of meer van) zijn medeverdachte(n) valselijk en/of in strijd met de waarheid aangegeven/bepaald aantal van 46 cliënten en/of 27.260 dagdelen te verlenen zorg en/of de omstandigheid dat op alle cliënten van [naam BV] uitsluitend het hoge zogenaamde NAH-tarief (van 87,60) van toepassing was, zulks terwijl in werkelijkheid slechts ongeveer 28 cliënten, in elk geval aanzienlijk minder dan de 46 cliënten voornoemd een dagbesteding genoten bij [naam BV] en/of gedurende slechts gemiddeld ongeveer de helft van het aantal dagdelen voornoemd, althans aanzienlijk minder dan de 27.260 dagdelen voornoemd en/of minder dan 25% van de cliënten van [naam BV] een NAH-indicatie had en/of

-een schriftelijke volmacht opgemaakt, waarin door het bestuur van de [naam stichting 1] aan verdachte als medebestuurder per 11 februari 2008 algehele volmacht wordt verleend om namens de [naam stichting 1] te handelen (D-212 1/12) en op/in die volmacht voornoemd valselijk en/of in strijd met de waarheid vermeld/opgenomen de handtekening(en) van één of meer bestuursleden van de [naam stichting 1] , te weten [naam oprichter] en/of [naam bestuurder 2] en/of [naam bestuurder 1] , zulks terwijl één of meer van die bestuursleden voornoemd de hiervoor omschreven volmacht in werkelijkheid niet had(den) ondertekend,

zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door (een) ander(en) te doen gebruiken;

2.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 februari 2005 tot

1 november 2010 in de gemeente(n) [woonplaats 3] en/of [woonplaats 1] en/of Meerssen en/of Amsterdam en/of te [plaats 1] in de gemeente Venlo en/of te [woonplaats 2] in de gemeente [plaats 2] , in elk geval in Nederland en/of te Neeroeteren in de deelgemeente Maaseik, in elk geval in België, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk één of meer geldbedrag(en) en/of één

of meer goed(eren) (voor in totaal 1.659.530 euro of daaromtrent) (Paarden 103.035 euro (RD-AH-01, hfdst. 9, p. 103), Kunstvoorwerpen 70.639 euro (RD-AH-02, hfdst. 13, p. 60), Horloges 34.502 euro (RD-AH-03, hfdst. 6, p. 40), Onroerend goed [plaats 1] 1.107.924 euro (RD-AH-04, p. 113, AH-052, D-400 t/m D-424), Onroerend goed [woonplaats 2] 172.663 euro (RD-AH-04, p. 117, AH-054, D-340, D-426/1 t/m D-479), Onroerend goed [woonplaats 1] 153.744 euro (AH-055, D-487 t/m D-490, D-588, D-596, D-355 en G26-01), Diversen: audiovisuele apparatuur 14 .034 euro en fitnessapparatuur 2.989 euro (RD-AH-05, p. 24 en

34)), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Stichting Gehandicaptenzorg (Limburg), hierna te noemen "SGL", in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of (één of meer van) zijn medeverdachte(n), en welk(e) geldbedrag(en) en/of goed(eren) verdachte en/of (één of meer van) zijn medeverdachte(n) (telkens) uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking van/als bestuurder van SGL, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft/hebben

toegeëigend;

3.

hij, in zijn hoedanigheid van bestuurder van de Stichting Gehandicaptenzorg (Limburg), hierna te noemen "SGL", op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 2 april 2008 tot 1 november 2010 in de gemeente(n) [woonplaats 3] en/of [woonplaats 1] en/of te [woonplaats 2] in de gemeente [plaats 2] , in elk geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen, (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door één of meer listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels, de Raad van Toezicht van SGL, althans een meerderheid van de Raad van Toezicht van SGL, althans één of meer lid/leden van de Raad van Toezicht van SGL, heeft bewogen tot de afgifte(n) door SGL aan [naam BV] van één of meer geldbedrag(en) (van in totaal 179.301 euro of daaromtrent) (Paarden 50.829 euro (RD-AH-06, p. 89, 90 en 93, D-748, D-749 3/6 t/m 5/6, D-697), Loon werknemer 27.884 euro (RD-AH-07 en D-064), Onroerend goed 102.588 euro (Onroerend goed [adres 1] [woonplaats 1] 34.456 euro (D-499 t/m D-501, RD-AH-04, (o.a. p. 30) en RD-AH-08 (o.a. p. 20) en AH-055), huur [adres 1] [woonplaats 1] 34.000 euro (RD-AH-04, p. 29 en 30 en RD-AH-08, p. 18 en 63), huur [adres 3] [woonplaats 2] 21.340 euro (RD-AH-08, p. 22 en 63), Onroerend goed [adres 3] [woonplaats 2] 10.792 euro (ontnemingsp-v, p. 48, D-066 5/41, D-066 11/41, overzicht 8 bij OPV-01, D-650 en D-651), in elk geval één of meer (geld)bedrag(en), in elk geval enig goed, hebbende hij, verdachte, en/of (één of meer van) zijn medeverdachte(n) toen aldaar (telkens) met voren omschreven oogmerk -zakelijk weergegeven- (telkens) opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

de Raad van Toezicht van SGL, althans een meerderheid van de Raad van Toezicht van SGL, althans één of meer lid/leden van de Raad van Toezicht van SGL, onjuiste en/of onvolledige schriftelijke en/of mondelinge informatie en/of gegevens verstrekt en/of voor de uitoefening van diens/hun taak noodzakelijke informatie en/of gegevens en/of stukken onthouden door:

-de begroting over 2008 en/of 2009 en/of 2010 aan de Raad van Toezicht van SGL ter goedkeuring voor te leggen, in welke begroting(en) onder meer het jaarlijkse door SGL aan [naam BV] te verstrekken budget van 2.387.976 euro voor te verlenen zorg was opgenomen/begrepen, terwijl dit budget voornoemd was gebaseerd op een door verdachte en/of (één of meer van) zijn medeverdachte(n) ten onrechte en in strijd met de waarheid te hoog aangegeven/bepaald aantal cliënten en/of dagdelen te verlenen zorg en/of cliënten, waarop uitsluitend het hoge NAH-tarief van toepassing was en/of

-geen informatie en/of gegevens en/of stukken te verstrekken over de onderbouwing van het in de begroting van 2008 aanzienlijk verhoogde en in 2009 en/of 2010 gehandhaafde, jaarlijkse door SGL aan [naam BV] te verstrekken budget van 2.387.976 euro en/of

-geen informatie en/of gegevens en/of stukken te verstrekken over de financiële risico's van de (te) hoge bevoorschotting aan [naam BV] en/of

-geen informatie/inzicht te geven over/in de jaarlijkse werkelijk behaalde resultaten/omzet en/of vermogenspositie van [naam BV] en/of

-geen informatie te verstrekken over de adviezen van de afdeling Beleidsondersteuning Beheer van SGL om het jaarlijkse budget voor [naam BV] in neerwaartse zin bij te stellen in verband met de achtergebleven daadwerkelijk gerealiseerde productie/omzet en/of heldere uitgangspunten te formuleren voor de voorschotberekening ten behoeve van [naam BV] en/of het periodiek verkrijgen van inzicht in de financiële positie van [naam BV] ,

waardoor de Raad van Toezicht van SGL, althans een meerderheid, althans één of meer lid/leden van de Raad van Toezicht van SGL voornoemd (telkens) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte(n);

4.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 10 april 2007 tot en met 31 december 2011 in de gemeente(n) [woonplaats 3] en/of [woonplaats 1] en/of te [woonplaats 2] in de gemeente [plaats 2] , in elk geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met [medeverdachte] en/of een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk één of meer geldbedrag(en) (van in totaal 235.023 euro of daaromtrent),

(Paarden 156.155 euro (RD-AH-06, p. 101, RD-AH-01, AH-078, p. 10, D-391, D-174, RD-AH-06 (o.a. p. 89, 90 en 93), D-748, D-749, D-697 en ontnemingsp-v 22.07.2015, p. 45/59) , Loon werknemer 33.620 euro (RD-AH-07, p. 5 en D-064), Onroerend goed [adres 1] [woonplaats 1] 34.456 euro (D-499 t/m D-501, RD-AH-04, (o.a. p. 30) en RD-AH-08 (o.a. p. 20) en AH-055), Onroerend goed [adres 3] [woonplaats 2] 10.792 euro (ontnemingsp-v, p. 48, D-066 5/41 en D-066 11/41, overzicht 8 bij OPV-01, D-650 en D-651), in elk geval enig(e) geldbedrag(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[naam BV] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of (één of meer van) zijn medeverdachte(n), en welk(e) geldbedrag(en) en/of goed(eren) verdachte en/of (één of meer van) zijn medeverdachte(n) en medeverdachte [medeverdachte] (telkens) uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking van/als Manager back office en/of Bedrijfsdirecteur van [naam BV] onder zich had(den) en/of welk(e) geldbedrag(en) en/of goed(eren) verdachte (telkens) anders dan door misdrijf, te weten als

feitelijk leidinggevende van [naam BV] onder zich had, in elk geval welk(en) geldbedrag(en) en/of goed(eren) verdachte en/of (één of meer van) zijn medeverdachte(en) (telkens) anders dan door misdrijf onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend.

BIJLAGE II: Onderzoek Mustang, schema van behandeling

PAARDEN

1. [2005-2006] Verdenking: verduistering SGL via [getuige 8] voor stalling, lessen, concoursbegeleiding en storting ad in totaal 23.695,55 euro (feit 2 en ontn.)

2. [2005-12] [2005-12] Verdenking: verduistering SGL van [naam paard 2] voor 15.000 euro door vervalsen van factuur van [getuige 3] (feit 1,1 en 2 en ontn.)

3. [2006-06] [2006-06] Verdenking: verduistering SGL van [naam paard 1] voor 22.000 euro door vervalsen factuur en opmaken van een valse brief + het ontvangen van verzekeringsgeld ad 19.800 euro (feit 1.2 ALLEEN [verdachte] en 2 en ontn.)

4. [2006-08] [2006-08] Verdenking: verduistering SGL van [naam paard 4] en [naam paard 3] voor 7.700 euro (feit 2 en ontn.)

5. [2006-08] [2006-08] Verdenking: verduistering [naam BV] van [naam paard 5] voor 10.500 euro (feit 4 en ontn.)

6. [2006-08] [2006-08] Verdenking: valsheid in geschrifte van twee facturen van 10.500 euro en 2.200 euro in verband met de aankoop van [naam paard 4] , [naam paard 3] en [naam paard 5] (feiten 1.2 en 1.3 ALLEEN [medeverdachte] )

7. [2006-09] [2006-09] Verdenking: verduistering SGL van [naam veulen 1] , [naam veulen 2] en [naam veulen 3] voor 14 .840 euro (feit 2 en ontn.)

8. [2007-07] [2007-07] Verdenking: oplichting RvT van 36.000 euro door aankoop van [naam paard 6] door [naam BV] (feit 4 en ontn.)

9. [2007-08] [2007-08] Verdenking: oplichting RvT van 23.000 euro wegens verkoop van [naam paard 2] , [naam paard 4] en [naam paard 3] aan [naam BV] terwijl die paarden eerder van SGL verduisterd waren (feit 3 en ontn.)

10. [2007-2011] [2007-2011] Verdenking: verduistering [naam BV] én oplichting RvT wegens het door [naam BV] betalen van verzekeringspremies, veeartskosten, zadelmak maken van [naam veulen 1] en stallingskosten voor in totaal 86.655,38 euro (feit 4 en ontneming) en 50.829 euro (feit 3)

AUDIO EN FITNESS

11. [2006-06] [2006-06] Verdenking: verduistering van audiovisuele apparatuur voor 14 .034 euro (feit 2 en ontn.)

12. [2008-11] [2008-11] Verdenking: verduistering van een fitness apparaat voor 2.989 euro (feit 2 en ontn.)

KUNST

13. Verdenking: verduistering van door SGL aangekochte kunst voor 70.693 euro (in de tll) en 23.984 euro (in de ontn) (feit 2)

HORLOGES

14 . Verdenking: verduistering van door SGL gekochte en betaalde horloges voor 34.502 euro (Feit 2 en ontn.)

WERKNEMER

15. Verdenking: verduistering van [naam BV] én oplichting RvT door het door [naam BV] laten betalen van een werknemer die privé voor verdachten werkte voor een bedrag van 33.620 euro (in feit 4) en 27.884 euro (in feit 3) en 22.794 euro (ontneming)

ONROEREND GOED

16. Verdenking: verduistering SGL van Onroerend Goed [adres 7] [plaats 1] voor 1.107.924 euro (Feit 2)

17. Verdenking: verduistering SGL van Onroerend Goed [adres 4] [woonplaats 2] voor 172.633 euro ( Feit 2)

18. Verdenking: verduistering [naam BV] én oplichting RvT van Onroerend Goed [adres 1] [woonplaats 1] voor 34.456 euro (feit 3 en 4)

19. Verdenking: Oplichting RvT van 34.000 euro aan niet betaalde huurpenningen voor [adres 1] [woonplaats 1] (feit 3)

20. Verdenking: verduistering SGL van Onroerend Goed [adres 1] [woonplaats 1] voor 153.744 euro (Feit 2)

21. Verdenking: valsheid in geschrifte van de aankoop van inventaris van de verkoper ( [naam 32] ) van [adres 1] [woonplaats 1] ad 90.000 euro (feit 1.3 ALLEEN [verdachte] en ontn.)

22. Vordering wederrechtelijk verkregen voordeel voor het gebruik van [adres 1] [woonplaats 1] ad 183.394 euro

23. Verdenking: verduistering van SGL én oplichting RvT van 21.340 euro aan niet betaalde huurpenningen voor [adres 3] (feit 3)

24. Verdenking: Oplichting RvT van 10.792 euro aan verbouwingskosten voor [adres 3] (feit 3)

25. Vordering wederrechtelijk verkregen van 29.400 aan voordeel woning [adres 3]

OPLICHTING RvT

26. Verdenking: Oplichting van de Raad van Toezicht in de periode van 2 april 2008 tot 1 november 2010 (feit 3).

27. [2008-04] [2008-04] Verdenking: valsheid in geschrifte van de Aanvulling II Samenwerkings-overeenkomst Zorgfaciliteiten van 2 april 2008 (feit 1.4)

28. [2008-02] [2008-02] Verdenking: valsheid in geschrifte van een volmacht van [naam stichting 1] aan [verdachte] (feit 1.5)

ONTNEMING SOORTGELIJK

29. Vordering Ontneming van 86.000 euro wegens verhoging van de garantiepremie

30. Vordering Ontneming van 9.864 euro wegens aankopen bij Bol.com

31. Vordering Ontneming van 46.000 euro wegens aanschaf van medische apparatuur en schenking ervan aan Stichting [naam stichting 4]

32. Vordering Ontneming van 25.000 euro wegens het verstrekken van een ontslagvergoeding aan [medeverdachte]

1 ECLI:NL:RBLIM:2017:10932

2 Bijlage T-021, pagina’s 2558 en 2559.

3 Proces-verbaal m.b.t. de door de rechtbank toegekende onderzoekswensen en de inbreng van stukken van 18 december 2017 opgemaakt door [naam 36] en [naam 37] .

4 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van Belastingdienst/FIOD/kantoor Eindhoven, dossiernummer 44992, gesloten d.d. 14 oktober 2014, alsmede de aanvullingen d.d. 21 november 2014 en 19 januari 2015, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 8510 (nummering pdf-document).

5 Artikelen 2 en 3 van de statuten van de Stichting Gehandicaptenzorg, zoals laatstelijk gewijzigd op 21 juli 2005, D-055, pagina 3002.

6 OPV, pagina 12.

7 Artikelen 2 van de statuten van [naam BV] , zoals laatstelijk gewijzigd op 11 februari 2008, D‑050, pagina 2962.

8 Zie D-052, pagina’s 2984 tot en met 2990; D-083, pagina’s 3596 tot en met 3602 en D-084, pagina’s 3602 tot en met 3605.

9 D-015, pagina’s 2671 tot en met 2676, D-016, pagina’s 2677 tot en met 2679, D-017, pagina’s 2680 tot en met 2682 en D-18, pagina’s 2683 tot en met 2687.

10 D-017, pagina’s 2681 en 2682.

11 D-053, pagina’s 2991 tot en met 2999.

12 D-004, pagina’s 2634 tot en met 2636.

13 Zie D-750, pagina’s 8306 tot en met 8309 en D-041, pagina’s 2906 tot en met 2908.

14 D-005, pagina’s 2637 tot en met 2642.

15 Verklaring [getuige 4] (pagina’s 1446 en 1460), verklaring [getuige 17] (pagina 1478), verklaring [getuige 18] (pagina’s 1526 en 1527), verklaring [getuige 7] (pagina’s 1591, 1598 en 1599) en verklaring [getuige 6] , pagina 1575.

16 Pagina 1004.

17 Verklaring [getuige 4] (pagina’s 1443, 1444), verklaring [getuige 18] (pagina 1528), verklaring [getuige 7] (pagina 1588) en verklaring [getuige 6] (pagina 1575).

18 Pagina 1632.

19 Pagina 1575 en 1577.

20 Pagina 1614.

21 Pagina 1655.

22 Pagina 1119.

23 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 4 juli 2012, V02-01 op pagina 1076 en pagina 1078.

24 Verklaring [getuige 2] , pagina 1098, verklaring [getuige 22] , pagina 1564, verklaring [getuige 10] , pagina’s 1670 en 1671, verklaring [getuige 9] , pagina 1675, verklaring [getuige 27] , pagina 1707.

25 D-672, pagina’s 7480 en 7481.

26 D-221, pagina’s 4528 en 4529.

27 Rubrieksproces-verbaal SGL Paarden, RD-AH-01, pagina 442.

28 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 11 november 2013, pagina 1614.

29 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 23 oktober 2013, pagina’s 1577, 1578 en 1579.

30 D-675, pagina’s 7559 tot en met 7569.

31 Rubrieksproces-verbaal SGL Paarden, RD-AH-01, pagina 431.

32 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 19 november 2013, pagina 993.

33 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 12 maart 2014, pagina’s 1660 tot en met 1663.

34 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 10 april 2014, pagina 1697.

35 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 22 november 2013, pagina 1673.

36 D-672, pagina’s 7480 en 7481.

37 RD-AH-01, pagina 435.

38 D-673 9/29 tot en met 29/29, pagina’s 7492 tot en met 7512.

39 D-673 1/29 tot en met 8/29, pagina’s 7484 tot en met 7491.

40 D-674A, pagina’s 7523 tot en met 7539 en D-674B, pagina’s 7540 tot en met 7556.

41 D-674, pagina’s 7513 tot en met 7522.

42 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 12 maart 2014, pagina 1661.

43 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 5 juni 2014, pagina’s 1664 tot en met 1668.

44 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 5 juni 2014, pagina’s 1713 en 1714.

45 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 10 april 2014, pagina’s 1695 tot en met 1698.

46 D-676, pagina’s 7572 tot en met 7575.

47 D-676, pagina’s 7570 en 7571.

48 D-672, pagina’s 7480 en 7481.

49 D-675, pagina’s 7559 tot en met 7569.

50 D-675 3/12, pagina 7559.

51 RD-AH-01, pagina 440.

52 Proces-verbaal Onderzoek bankrekening [rekeningnummer 2] ( [verdachte] ) d.d. 18 december 2013, AH-078, pagina’s 2243 tot en met 2260.

53 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 12 maart 2014, pagina 1662.

54 D-309, pagina 5538.

55 D-682, pagina’s 7582 tot en met 7584.

56 D-007 1/2, pagina 2652.

57 D-007 2/2, pagina 2653.

58 D-384, pagina 5942.

59 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 22 december 2011, pagina 1128.

60 D-220 6/11 en 7/11, pagina’s 4522 en 4523.

61 RD-AH-01, pagina 387.

62 Proces-verbaal onderzoek naar digitale versies documenten D-220 (facturen) d.d. 8 april 2014, AH-122, pagina’s 2451 en 2452.

63 Zie AH-122, pagina 2451.

64 D-715, pagina 7667.

65 D-176, pagina 7668.

66 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 26 maart 2013, pagina 1132.

67 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 26 maart 2013, pagina’s 1132 en 1133.

68 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 5 november 2013, pagina’s 1148 en 1149.

69 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 5 november 2013, pagina 1150.

70 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 19 november 2013, pagina’s 994 en 995.

71 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 5 juli 2012, pagina 1074.

72 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 23 oktober 2013, pagina 1577.

73 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 23 oktober 2013, pagina 1579.

74 D-678, pagina 7577.

75 D-679, pagina 7578.

76 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 12 maart 2014, pagina 1662.

77 D-684, pagina’s 7586 en 7587.

78 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 11 november 2013, pagina 1614.

79 De overeenkomst van 10 februari 2005, D-672, pagina’s 7480 en 7481; zie hiervoor onder feitenonderdeel 1.

80 Zie de polis: D-685, pagina 7588.

81 Zie rekeningafschrift rekening [verdachte] : D-699, pagina 7621.

82 D-333, pagina’s 5732 en 5733.

83 D-688, pagina 7592.

84 D-689, pagina 7593.

85 D-690, pagina’s 7594 en 7595.

86 D-220 3/11, pagina 4519.

87 D-220 2/11, pagina 4518.

88 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 26 maart 2013, pagina’s 1132 en 1133.

89 Proces-verbaal onderzoek naar digitale versies documenten D-220 (facturen) d.d. 8 april 2014, AH-122, pagina’s 2451 en 2452.

90 D-712, pagina 7664.

91 D-711, pagina 7663.

92 D-354, pagina’s 5760 en 5761.

93 D-010, pagina 2657.

94 D-366, pagina 5899.

95 D-353, pagina 5759.

96 D-365, pagina 5898.

97 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 5 november 2013, pagina 1148.

98 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 5 november 2013, pagina 1150.

99 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 5 november 2013, pagina 1150.

100 D-692, pagina’s 7597 en 7598.

101 D-693, pagina 7599.

102 D-694 en D-695, pagina’s 7600 en 7605.

103 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 20 november 2013, pagina 999.

104 RD-AH-06, pagina 841.

105 D-688, pagina 7592, zie ook hiervoor onder feitonderdeel 4.

106 D-307, pagina 5533.

107 D-174, pagina 4080.

108 D-307, pagina 5533.

109 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 4 juli 2012, pagina 1234.

110 D-761, pagina 8332.

111 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 30 oktober 2013, pagina 1259.

112 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 10 april 2014, pagina 1696.

113 D-697, blz. 7610

114 D-696, pagina’s 7607 en 7608.

115 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 23 november 2013, pagina 1658.

116 D-310 2/11 tot en met 6/11, pagina’s 5540 tot en met 5544.

117 D-310 1/11, pagina 5539.

118 D-310 7/11 tot en met 11/11, pagina’s 5545 tot en met 5549.

119 D-364

120 D-364 65/75, pagina 5887.

121 D-364 34/75, pagina 5856.

122 D-364 42/75, pagina 5864.

123 D-364 43/75, pagina 5865.

124 D-364 50/75, pagina 5872.

125 D-709, pagina’s 7659 tot en met 7661.

126 D-356, pagina’s 5766 en 5767.

127 D-341, pagina 5746.

128 D-011, pagina 2658.

129 D-174, pagina 4080.

130 D-697 1/5 tot en met 5/5, pagina’s 7610 tot en met 7614.

131 D-698 16 tot en met 6/6, pagina’s 7615 tot en met 7620.

132 D-696, pagina’s 7607 en 7608.

133 D-700, pagina’s 7622 en 7623.

134 D-701 1/3 tot en met 3/3, pagina’s 7624 tot en met 7629.

135 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 22 december 2011, pagina 1127.

136 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 5 november 2013, pagina 1146.

137 RD-AH-06, pagina 817.

138 D-174, pagina 4080.

139 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 21 november 2013, pagina’s 1675 tot en met 1681.

140 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 22 november 2013, pagina’s 1669 tot en met 1674.

141 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 4 juni 2014, pagina’s 1709 tot en met 1712.

142 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 10 april 2014, pagina’s 1695 tot en met 1698.

143 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 4 juli 2012, pagina 1234.

144 D-746, pagina’s 8261, 8263, 8265, 8266, 8267, 8268, 8269, 8272, 8275 en 8276.

145 D-391, pagina 5957.

146 RD-AH-06, pagina 841.

147 RD-AH-06, pagina 833.

148 D-307, pagina’s 5533 en 5534.

149 RD-AH-06, pagina 827.

150 D-696, pagina’s 7607 en 7608.

151 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 10 november 2011, pagina 1159.

152 D-700, pagina’s 7622 en 7623.

153 RD-AH-06, pagina 825.

154 D-704, pagina’s 7636 en 7637.

155 D-307, pagina’s 5533 en 5534.

156 RD-AH-06, pagina 829 en D-311, pagina 5550.

157 RD-AH-06, pagina 797.

158 D-748, pagina’s 8278 tot en met 8299.

159 D-749, pagina’s 8300 tot en met 8305.

160 RD-AH-06, pagina 829.

161 RD-AH-06, pagina’s 831 tot en met 833.

162 RD-AH-06, pagina 830.

163 RD-AH-06, pagina 832.

164 RD-AH-06, pagina 831.

165 RD-AH-06, pagina 831.

166 D-699, pagina 7621.

167 RD-AH-06, pagina 831.

168 RD-AH-06, pagina’s 831 tot en met 833.

169 RD-AH-06, pagina’s 831 tot en met 833.

170 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 4 juli 2012, pagina’s 1076 en 1077.

171 Zie de foto’s van deze paarden die toen gemaakt zijn op pagina’s 808 tot en met 825.

172 D-297 4/5, pagina 5433.

173 D-153, pagina 4036.

174 D-154, pagina 4037.

175 D-259, pagina 5165 en D-260, pagina 5166.

176 D-152, pagina 4035.

177 Bankafschriften van 14 juni 2006 van de bankrekening van [naam 41] , D-155, pagina’s 4038 en 4039.

178 D-206, pagina 4391.

179 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 20 november 2013, pagina 1004.

180 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 20 november 2013, pagina 1006.

181 RD-AH-05, pagina 718.

182 RD-AH-05, pagina 726.

183 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 10 december 2012, pagina’s 1287 tot en met 1291.

184 AH-023, pagina’s 1932 en 1933.

185 D-288, pagina’s 5312 tot en met 5314.

186 D-284, pagina’s 5302 tot en met 5306.

187 D-296, pagina 5428.

188 D-285, pagina’s 5307 en 5308.

189 D-286, pagina’s 5309 en 5310.

190 D-587, pagina 6677.

191 D-287, pagina 5311.

192 RD-AH-05, pagina 734.

193 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 25 juli 2013, pagina’s 1478 en 1479.

194 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 28 oktober 2013, pagina’s 1540 en 1541.

195 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 20 november 2013, pagina 1008.

196 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 30 september 2013, pagina’s 1715 tot en met 1718.

197 RD-AH-02, pagina 506.

198 D-076 124/354, pagina 3324.

199 D-076 125/354, pagina 3325.

200 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 16 april 2014, pagina 1704.

201 D-076 126/354, pagina 3326.

202 D-731, pagina 7698.

203 RD-AH-02, pagina 490.

204 RD-AH-02, pagina 491.

205 RD-AH-02, pagina 494

206 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 16 april 2014, pagina 1704.

207 RD-AH-02, pagina 496.

208 RD-AH-02, pagina 497.

209 RD-AH-02, pagina 506.

210 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 25 november 2013, pagina 1069.

211 RD-AH-03, pagina 523.

212 KPMG-rapport bijlage E.5, D-076 232/354, pagina 3432.

213 RD-AH-03, pagina 527.

214 RD-AH-03, pagina 529 en D-352, pagina 5758.

215 D-351, pagina 5757.

216 RD-AH-03, pagina 529.

217 KPMG-rapport, bijlage E.6, D-076 234/354, pagina 3434.

218 KPMG-rapport, bijlage E.9, D-076 244 en 245/354, pagina’s 3444 en 3445.

219 RD-AH-03, pagina 531.

220 D-348, pagina 5754.

221 KPMG-rapport, bijlage E.13, D-076 262/354, pagina 3462.

222 RD-AH-03, pagina 532.

223 D-350, pagina 5756.

224 KPMG-rapport, bijlage E. 14 , D-076 264/354, pagina 3464.

225 KPMG-rapport, bijlage E. 14 , D-076 265 en 266/354, pagina’s 3465 en 3466.

226 RD-AH-03, pagina 534.

227 D-344, pagina 5750.

228 KPMG-rapport, bijlage E.15, D-076 270/354, pagina 3470.

229 RD-AH-03, pagina 536.

230 D-345, pagina 5751.

231 D-346, pagina 5752.

232 D-343, pagina 5749.

233 RD-AH-03, pagina 536.

234 RD-AH-03, pagina 557.

235 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 16 november 2012, pagina’s 1279 en 1280.

236 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 29 oktober 2013, pagina 1591.

237 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 11 november 2013, pagina’s 1599 tot en met 1602.

238 D-230, pagina’s 4662 tot en met 4664.

239 D-064, pagina’s 3054 tot en met 3070.

240 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 17 april 2013, pagina’s 1313 tot en met 1321.

241 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 4 juli 2012, pagina 1237.

242 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 8 december 2011, pagina 1100.

243 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 10 april 2014, pagina’s 1697 en 1698.

244 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 30 oktober 2013, pagina 1621.

245 [getuige 11] is in 2005 geselecteerd voor het Nederlands Paralympisch dressuurteam en heeft in 2009 deelgenomen aan de Europese kampioenschappen dressuur.

246 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 4 juni 2014, pagina’s 1709 tot en met 1712.

247 Statuten van [naam BV] zoals laatstelijk gewijzigd op 11 februari 2008, D-050, pagina’s 2962 tot en met 2977.

248 D-401 1/3, pagina 6001 en RD-AH-04, pagina 18, dossier pagina 581.

249 D-402 1/5 en 2/5, pagina’s 6004 en 6005.

250 D-543, pagina 6352.

251 D-598, pagina’s 6681 en 6682.

252 D-590, pagina’s 6683 tot en met 6685.

253 D-591, pagina’s 6686 tot en met 6688.

254 D-592, pagina’s 6689 tot en met 6691.

255 D-400, pagina’s 5999 en 6000, zie ook grootboekkaarten D-418, pagina’s 6124 tot en met 6139.

256 AH-052, pagina’s 2102 tot en met 2105.

257 D-404, pagina’s 6011 tot en met 6023.

258 D-405, pagina’s 6024 tot en met 6068.

259 D-408, pagina’s 6081 tot en met 6086.

260 D-415, pagina’s 6101 tot en met 6119.

261 D-416, pagina’s 6120 en 6121.

262 D-417, pagina 6122.

263 D-410, pagina 6091.

264 D-421, pagina 6149.

265 KPMG-rapport, p. 71, D-076, pagina 3274.

266 KPMG-rapport, p. 67, D-076, pagina 3270.

267 D-085, pagina’s 3606 tot en met 3616.

268 G25-01, p. 4, pagina 1525.

269 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 28 oktober 2013, G25-03, pagina 1539.

270 Proces‑verbaal van verhoor van getuigen, opgemaakt door mr. M.J.H. van den Hombergh, rechter‑commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, d.d. 25 mei 2016, door de rechter‑commissaris en de griffier ondertekend.

271 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 23 oktober 2013, pagina 1562.

272 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 23 oktober 2013, pagina 1564.

273 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 23 oktober 2013, pagina’s 1572 en 1573.

274 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 21 maart 2014, pagina’s 1691 tot en met 1694.

275 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 13 december 2013, pagina’s 1686 tot en met 1690.

276 D-396, pagina’s 5982 en 5983.

277 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 29 oktober 2013, pagina 1591.

278 Statuten van SGL zoals laatstelijk gewijzigd op 31 mei 2007, D-055, pagina’s 3002 tot en met 3009.

279 D-543, pagina 6352.

280 D-397, pagina 5984.

281 D-488, pagina 6283.

282 D-490, pagina 6285.

283 D-487, pagina 6282 en D-489, pagina 6284.

284 D-499, pagina’s 6300 tot en met 6303.

285 D-073, pagina’s 3183 tot en met 3188.

286 D-077, pagina’s 3556 tot en met 3581.

287 D-079, pagina’s 3585 tot en met 3587.

288 RD-AH-04, pagina 577.

289 D-005, pagina 2640.

290 D-558, pagina’s

291 Pagina 877.

292 Pagina 147.

293 KPMG-rapport, p. 153, D-076, p. 156/354, pagina 3353.

294 Zie ook [naam stichting 1] grootboekkaart rekening 00310/verbouwing, D-495, pagina 6296.

295 KPMG-rapport, p. 147, 153 en 154, D-076 p. 150, 156 en 157/354, pagina’s 3350, 3356 en 3357.

296 Pagina’s 3096 en 3105 tot en met 3119.

297 Pagina’s 6275 tot en met 6288.

298 Pagina’s 6297 tot en met 6340.

299 Pagina’s 6341 tot en met 6363.

300 Pagina’s 6364 tot en met 6373.

301 Pagina’s 6376 tot en met 6381.

302 D-066 21/41 tot en met 27/41, pagina’s 3110 tot en met 3116.

303 D-499, pagina’s 6300 tot en met 6303.

304 D-504, pagina 6308.

305 D-529, pagina 6338 en D-530, pagina 6339.

306 D-488 en D-487, pagina’s 6283 en 6282.

307 D-532, pagina 6341.

308 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 23 oktober 2013, G27-01, pagina’s 1566 en 1567.

309 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 6 februari 2014, pagina 1573.

310 D-073, pagina’s 3183 tot en met 3188.

311 D-599, pagina 6714.

312 D-588, pagina 6678.

313 D-596, pagina 6709.

314 D-355 1/3, pagina 5762.

315 D-355 2/3 en 3/3, pagina’s 5763 en 5764.

316 D-559, pagina 6375.

317 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 13 november 2013, pagina 1559.

318 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 23 oktober 2013, pagina 1567.

319 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 24 november 2013, pagina 1053.

320 D-108, pagina’s 3846 tot en met 3849.

321 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 22 december 2011, pagina 1124.

322 D-067, pagina’s 3131 tot en met 3133.

323 D-066 11/41, pagina 3100.

324 D-066 9/41, pagina 3098.

325 Document 66 5/41, pagina 3094.

326 D-650, pagina 7421.

327 D-651, pagina 7422.

328 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 4 juli 2012, pagina’s 1238 en 1239.

329 D-250, pagina’s 5137 tot en met 5142.

330 D-251, pagina’s 5143 tot en met 5145.

331 D-252, pagina’s 5146 tot en met 5148.

332 D-605, pagina 6757.

333 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 17 juli 2014, pagina 1514.

334 Proces-verbaal van ambtshandeling inbeslagname bij SGL 4-2-2014, AH-111, pagina’s 2418-2420.

335 Proces-verbaal Omtrent het verstrekte budget door SGL aan [naam BV] , omzet en cliënten d.d. 15 juli 2014, AH-125, pagina’s 2459 tot en met 2495.

336 D-026, pagina’s 2812 tot en met 2841.

337 D-647, pagina’s 7125 tot en met 7415.

338 Pagina 2470.

339 D-212 1/12, pagina 4402.

340 D-212 2/12, pagina 4403.

341 D-212 3/12, pagina4404.

342 D-758, pagina’s 8326 en 8327.

343 D-759 1/2, pagina 8328.

344 D-759 2/2, pagina 8329.

345 D-282, pagina 5290.

346 Proces-verbaal DIGI vermoedelijk valse volmacht [naam stichting 1] d.d. 4 juli 2013, AH-085, pagina 2285 en D-283 10/11, pagina 5300.

347 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 25 november 2013, pagina 1062.