Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:8468

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
06-09-2018
Datum publicatie
07-09-2018
Zaaknummer
03/659096-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor belaging en smaadschrift jegens een curator. Wederrechtelijke, stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de curator is bewezen. Artikel 261, derde lid van het Wetboek van Strafrecht biedt geen rechtvaardiging voor het handelen van verdachte. Voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden en een taakstraf van 80 uur. Ambtshalve oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en vrijheidsbeperkende maatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03/659096-16

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 6 september 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens verdachte] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. H.P.H.M. Teunissen, advocaat, kantoorhoudende te Venlo.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 29 juni 2018 en 23 augustus 2018.

De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

Feit 1: in de periode van 22 november 2011 tot en met 30 mei 2016, opdracht dan wel feitelijk leiding heeft gegeven aan een rechtspersoon genaamd [naam rechtspersoon] tot belaging van [slachtoffer] en/of als privépersoon [slachtoffer] heeft belaagd;

Feit 2: in de periode van 22 november 2011 tot en met 30 mei 2016, opdracht dan wel feitelijk leiding heeft gegeven aan een rechtspersoon genaamd [naam rechtspersoon] tot smaadschrift ten aanzien van [slachtoffer] en/of als privépersoon zich schuldig heeft gemaakt aan smaadschrift ten aanzien van [slachtoffer] .

3 De voorvragen

De verdachte heeft in zijn pleidooi en laatste woord nadrukkelijk gewezen op falen van het Openbaar Ministerie (hierna: OM). Verdachte heeft daar geen conclusies aan verbonden. Op basis van het op 29 juni 2018 gevoerde preliminaire verweer, begrijpt de rechtbank dat verdachte nogmaals de niet-ontvankelijkheid van het OM wil bepleiten. De rechtbank heeft dit niet-ontvankelijkheidsverweer al verworpen op 29 juni 2018, zodat dit geen verdere bespreking behoeft. De rechtbank verwijst voor deze beslissing naar het proces-verbaal van

de terechtzitting van 29 juni 2018.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat het onder feit 1 primair en onder feit 2 primair tenlastegelegde bewezen zal worden verklaard, gelet op de aangiften van [slachtoffer] van 19 mei 2014, 7 oktober 2015 en 13 januari 2016, de verklaringen van verdachte en het uittreksel van de Kamer van Koophandel van 15 juli 2015. Verdachte bekent de hem verweten gedragingen en uitlatingen, maar stelt dat deze niet strafbaar zijn omdat hij de waarheid spreekt en handelt in het algemeen belang. De officier van justitie heeft ten aanzien van feit 1 verwezen naar de uitspraken van de (toenmalige) Rechtbank Breda d.d. 22 december 20121, het (toenmalig) Gerechtshof Leeuwarden d.d. 12 december 20062 en de Hoge Raad d.d. 29 juni 20103 en ten aanzien van feit 2 naar de uitspraak van de Hoge Raad d.d. 14 juni 20114. Daarbij heeft zij benadrukt dat het verweer van verdachte niet opgaat omdat er in het kader van een civiele procedure onderzoek is gedaan naar het waarheidsgehalte van verdachte’s uitlatingen en verdachte bovendien andere minder vergaande wegen heeft om de -door hem gestelde- curatorfraude aan de kaak te stellen. Verdachte heeft deze wegen voor een deel ook bewandeld, is daarbij in het ongelijk gesteld, kan dit kennelijk niet accepteren en overschrijdt alle grenzen door het plegen van strafbare feiten.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft aangevoerd dat hij [slachtoffer] als curator en vennoot van het advocatenkantoor verwijten maakt en niet als privépersoon (feit 1).

De raadsman heeft ten aanzien van feit 1 (belaging) vrijspraak bepleit. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de afhandeling van het faillissement waarvoor [slachtoffer] als curator verantwoordelijk was, niet goed is verlopen. De gedragingen van verdachte zijn, gelet op het hoge belang van waarheidsvinding, niet wederrechtelijk. Verder zijn de mails aan een groot aantal geadresseerden verstuurd, maar daarmee staat de stelselmatigheid nog niet vast. Ook de aard, de duur en de frequentie waarmee de mails werden verstuurd zijn niet van zodanige aard dat van stelselmatig handelen kan worden gesproken. Bovendien heeft verdachte aangever aangesproken op diens handelen en functioneren als curator en niet als privépersoon. De raadsman is van oordeel dat hiermee het bestanddeel ‘de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer] ’ niet vervuld kan worden. De raadsman heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van de Hoge Raad d.d. 14 juni 20115.

Ten aanzien van feit 2 (smaad) heeft de verdediging zich beroepen op artikel 261, derde lid van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Dit zal onder paragraaf 5 besproken worden.

4.3

Het oordeel van de rechtbank 6

Vrijspraakoverwegingen met betrekking tot de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten

Bij vonnis van heden heeft de rechtbank de [naam rechtspersoon] vrijgesproken. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de ten laste gelegde handelingen niet aan deze [naam rechtspersoon] kunnen worden toegewezen. Dat betekent dat verdachte van de beide primair ten laste gelegde feiten, te weten het leidinggeven aan de litigieuze handelingen van de [naam rechtspersoon] , zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

De rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich als privépersoon schuldig heeft gemaakt aan belaging en smaadschrift ten aanzien van [slachtoffer] .

Op 19 mei 2014 deed [slachtoffer] aangifte7. Hij verklaarde als volgt:

Op 7 juli 2009 ben ik door de toenmalige rechtbank Roermond aangesteld als curator in de afhandeling van het faillissement van [naam bedrijf 1] .

Van [verdachte] weet ik het navolgende. Hij heet [verdachte] en is geboren op 1 mei 1951 te Amsterdam. Hij woont op het adres [adresgegevens verdachte] .

Deze [verdachte] was het niet eens met de afhandeling van het faillissement. Nadat het faillissement in afhandeling klaar was, werd ik geconfronteerd met allerhande berichten van [verdachte] . Hij is de media gaan aanschrijven en beschuldigingen aan mijn adres op internet gaan publiceren.

De beschuldigingen gingen vooral over vermeende frauduleuze handelingen aan mijn adres. Mijn integriteit werd hierdoor sterk in twijfel getrokken. Zo schreef hij dergelijke brieven naar de directeur van [naam organisatie 1] omdat ik in die tijd lid van de raad van Commissarissen van de [naam organisatie 2] was. Ik begreep hieruit dat [verdachte] bezig was om mij in een zo groot mogelijke kring te beschadigen. Ik ondervond van zijn manier van werken behoorlijke hinder en schade. Crediteuren uit een ander door mij afgehandeld faillissement kregen ook dergelijke brieven waarin ik werd afgeschilderd als een leugenaar en een fraudeur in afhandeling van faillissementszaken. Dit alles leidde uiteindelijk tot een kort geding en een vonnis van de rechtbank Roermond d.d. 30 oktober 2012. De voorzieningenrechter veroordeelde de [naam rechtspersoon] van [verdachte] tot het staken en gestaakt houden van onrechtmatige publicaties, alsmede tot rectificatie. Met het uitspreken van dit vonnis hoopte ik dat [verdachte] zijn acties jegens mij zou stoppen. Tot op heden is dat niet gebeurd, sterker nog, hij heeft nooit gerectificeerd en zijn acties ten aanzien van het mij valselijk beschuldigen zijn verhevigd zowel bij mensen en instanties in mijn werkkring als privé. Hij heeft een aantal standaard brieven gemaakt die hij een open brief noemt. Deze brieven zijn ondertekend door hem in persoon. Deze brieven zijn tevens bijgevoegd in het door mij aan u ter beschikking gestelde dossier. Die bedoelde brief heeft hij inmiddels aan een 1000-tal personen in mijn kring doorgestuurd. Dit zijn dan een 700-tal advocaten, en de overige die ik kortheidshalve noem zijn doorverwijzers en klanten en potentiële klanten. Het lijkt er op dat hij op het internet naspeurt in welke zaken ik betrokken ben en welke sponsoractiviteiten mijn bedrijf ontplooit. Vervolgens worden alle emailadressen aangeschreven. Voorbeelden hiervan zijn de [naam organisatie 3] , [naam organisatie 4] , [naam organisatie 5] , [naam organisatie 6] , [naam organisatie 7] , [naam organisatie 8] , [naam organisatie 9] , [naam organisatie 11] etc. etc. Ik zelf, maar ook mijn kantoor leidt er nu schade door. Ik word zowel zakelijk als ook privé aangesproken door ontvangers van dergelijke brieven en ik moet steeds uitleg geven over de situatie. Ik ondervind er steeds meer hinder van.

De tijdsperiode dat ik berichten over dat mailen ontving, is gestart direct na het uitspreken van het vonnis. Toen was dat iedere maand of om de paar weken. Sinds 28 maart van dit jaar (2014) gebeurt het weer wekelijks. Afgelopen donderdag

15 mei 2014 ontving ik het laatste bericht hiervan.

De reden dat ik nu aangifte doe is het feit dat deze aantijgingen echt moeten stoppen. Ondanks alle eerdere ingezette middelen blijft [verdachte] volharden in zijn acties.

De door [verdachte] verspreide brieven alsmede de e-mailadressen van de ontvangers en andere samenhangende papieren bescheiden worden als bijlage bij deze aangifte gevoegd.

Verbalisant [verbalisant]8 heeft op 3 maart 2015 zijn bevindingen in een proces-verbaal opgetekend. Hij relateerde als volgt:

Op 20 november 2014 ontving ik een mail van [slachtoffer] . Hierin stond vermeld dat er weer berichten waren verstuurd naar relaties van [slachtoffer] . Deze berichten werden als bijlagen hierbij gevoegd.

In de periode van 4 november 2014 tot en met 7 januari 2015 werden er aldus diverse relaties van aangever [slachtoffer] aangeschreven door de verdachte [verdachte] . Vrijwel elke keer werden er twee brieven bijgevoegd, waarin [slachtoffer] ervan beticht wordt frauduleuze handelingen te verrichten.

Op 23 april 2015 ontving verbalisant [verbalisant] een aanvullende aangifte van [slachtoffer] over belaging tussen 30 oktober 2014 en 20 april 2015. Verbalisant [verbalisant] relateerde9 als volgt:

Door aangever [slachtoffer] werd op 22 april 2015 een aanvullende aangifte gedaan van belaging. De periode ligt tussen 30 oktober 2014 en 20 april 2015. Tevens werd er een overzicht bijgevoegd. Hierin staan de e-mailadressen van de personen die door [verdachte] werden aangeschreven. Hierin staat ook het bericht dat naar deze mensen gestuurd wordt. In dit bericht wordt aangever [slachtoffer] beschreven als zijnde een curator die nog steeds zijn beroep uitoefent, terwijl hij zich bezighoudt met het plegen van strafbare feiten. Dit overzicht is als bijlage gevoegd.

Verbalisant [verbalisant]10 heeft op 11 mei 2015 zijn bevindingen in een proces-verbaal opgetekend. Hij relateerde als volgt:

Op 7 mei 2015 ontving ik van [slachtoffer] wederom een mail, waarin hij aantoont dat hij nog steeds door verdachte [verdachte] wordt belaagd, door diverse mails te sturen naar cliënten, collega’s van benadeelde.

Op 24 april 2015 wordt aan tientallen adressen een bericht gestuurd, waarin staat vermeld dat mr. [slachtoffer] , ondanks dat hij frauduleuze handelingen verricht, nog steeds werkzaam is als curator. De mail is ondertekend door R. [verdachte] . Op 28 april 2015 en 6 mei 2015 worden wederom tientallen adressen gemaild met hetzelfde bericht als hierboven.

In korte tijd, ongeveer 2 weken, worden op deze wijze ongeveer 75 adressen gemaild. De inhoud van de mail is er duidelijk op gericht om [slachtoffer] aan te wijzen als een curator die frauduleuze handelingen heeft verricht.

Op 7 oktober 2015 deed [slachtoffer] wederom aangifte11. Hij verklaarde als volgt:

Op 19 mei 2014 heb ik aangifte gedaan van smaad(schrift), laster/ belaging in de periode van 22 november 2011 tot en met 19 mei 2014.

Door de aanhoudende smaad(schrift) leed en lijd ik hieronder. Ik ben bang dat ook mijn gezin hieronder lijdt. Ik ben bang dat [verdachte] straks verder gaat. Geestelijk kan ik dit niet langer verwerken. Er moet hier een eind aan komen. Ook voor mijn werk heeft dit gevolgen. Potentiële nieuwe klanten, die eveneens deze mails kregen, hebben laten weten niet met mij verder te willen werken.

Op 7 mei 2015 werd deze aangifte aangevuld door mij met gegevens die aantonen dat de belaging bleef aanhouden. Dit vond plaats binnen de periode van 24 april tot en met 6 mei 2015. In deze 2 weken werden ongeveer 75 personen/instanties aangeschreven/gemaild met de inhoud als hierboven omschreven.

Op 27 mei 2015 werd wederom deze aangifte aangevuld door mij met gegevens die aantonen dat de belaging middels smaad(schrift) bleef aanhouden. Dit vond plaats in de periode van 7 mei tot en met 27 mei 2015.

Op 15 juni 2015 werd deze aangifte aangevuld door mij met gegevens die aantonen dat de belaging nog steeds bleef aanhouden. Tussen 1 juni en 15 juni 2015 werden wederom honderden personen/ instanties aangeschreven/ gemaild met de inhoud als hierboven omschreven.

Vandaag wens ik nogmaals aangifte te doen tegen [verdachte] . Middels brieven word ik beschuldigd van het plegen van frauduleuze handelingen in mijn functie als curator. Deze brieven en mails zijn inmiddels al naar duizenden adressen verstuurd.

Als bijlage gaat hierbij een overzicht lastercampagne over de periode van 11 mei 2015 tot en met 2 oktober 2015. Daaruit valt af te leiden dat [verdachte] gewoon doorgaat met het verspreiden van de laster over mij.

Op 13 januari 2016 deed [slachtoffer] voor de derde keer aangifte12. Hij verklaarde als volgt:

Wederom wil ik aangifte doen terzake stalking/belaging/belediging. Al sinds

22 november 2011 wordt ik belaagd middels smaadschrift door een man, genaamd [verdachte] . Middels mailberichten worden personen of instanties gewezen op berichtgevingen waarbij ik, als curator, in een kwaad daglicht wordt gesteld. Ook ikzelf krijg regelmatig mailberichten en brieven.

Als bijlagen heb ik hierbij gevoegd een overzicht lastercampagne van 12 oktober 2015 tot 11 januari 2016 en een overzicht van mailberichten die werden verstuurd.

Verbalisant [verbalisant]13 heeft op 15 maart 2016 zijn bevindingen in een proces-verbaal opgetekend. Hij relateerde als volgt:

Op dinsdag 8 maart 2016 stuurde aangever [slachtoffer] via de mail een aanvulling op de aangifte die door hem op 13 januari 2016 was gedaan tegen verdachte [verdachte] .

Bijgevoegd was een overzicht van de lastercampagne van verdachte [verdachte] gericht op aangever [slachtoffer] . De lastercampagne was gelegen tussen 18 januari 2016 en 8 maart 2016. In deze periode werden aan diverse e-mailadressen berichten gestuurd, waarbij een document als bijlage was gevoegd. In het document werd aangever [slachtoffer] omschreven als een curator die fraude heeft gepleegd. De bijlage werd getekend door R. [verdachte] .

Bijlage: overzicht lastercampagne van 18 januari 2016 en 8 maart 2016.

Verdachte verklaarde ter terechtzitting van 29 juni 2018 - zakelijk weergegeven - onder meer als volgt:

U houdt mij voor dat u begrijpt dat ik mij genegeerd voelde en dat ik de curator verwijt onjuist gehandeld te hebben in de afwikkeling van het faillissement. Dit zou de aanleiding zijn geweest over te gaan tot het versturen van de berichten. U houdt mij tevens voor dat u begrijpt dat ik zeg dat de [naam rechtspersoon] een hoop berichten heeft verstuurd aan een hoop mensen, waarvan afdrukken in het dossier zitten. Tevens houdt u mij voor dat u begrijpt dat ik zeg dat de [naam rechtspersoon] die berichten heeft gestuurd als belangenbehartiger van tientallen mensen en met een algemeen doel, namelijk het aankaarten van curatorfraude. Ik zeg u dat dit klopt. Ik zeg u dat de berichten door de [naam rechtspersoon] zijn verspreid en dat mijn naam eronder staat. U houdt mij verder voor dat ik zeg dat de [naam rechtspersoon] de e-mails en brieven heeft gestuurd en dat ik die heb ondertekend in hoedanigheid van bestuurder van de [naam rechtspersoon] . Ik zeg u dat dat klopt.

U houdt mij voor dat u heeft gelezen dat ik beoog [slachtoffer] te bewegen met de gedupeerden aan tafel te gaan zitten en met hen het gesprek aan te gaan. Ik zeg u dat dat klopt.

Overwegingen met betrekking tot feit 1

Persoonlijke levenssfeer

De verdediging heeft aangevoerd dat aangever is aangesproken op diens handelen en functioneren als curator en niet als privépersoon en dat er derhalve geen sprake kan zijn van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangever.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt als volgt.

Hoewel de inhoud van de berichten de activiteiten van aangever [slachtoffer] als curator betreffen, is de verspreiding en de teneur van de (mail)berichten zodanig laatdunkend geweest dat dit niet anders kan worden gezien als mede een inbreuk in het leven van curator [slachtoffer] als persoon. De mate waarin dit is gebeurd en de aard van de berichten zijn zodanig geweest dat dit ook doorwerkt in de persoonlijke levenssfeer en persoonlijke integriteit van de curator [slachtoffer] . De verdachte heeft zozeer op de man en niet op de bal gespeeld, dat dit niet anders kan worden geduid als persoonlijke aantijgingen. Daarom moet dit -anders dan de verdediging stelt- gezien worden als een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer] .

Wederrechtelijkheid

De verdediging heeft verder aangevoerd dat de afhandeling van het faillissement niet goed is verlopen en dat verdachte, gelet op het hoge belang van waarheidsvinding, niet

wederrechtelijk heeft gehandeld.

De rechtbank is van oordeel dat noch in het geschreven, noch in het ongeschreven recht een grond bestaat die het rechtvaardigt dat verdachte een inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van aangever [slachtoffer] . Bovendien is aan de zijde van de verdediging een dergelijke grond niet in concreto aangevoerd. De beweerdelijke dienstbaarheid aan het algemeen belang kan als zodanig niet gelden. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging.

Stelselmatigheid

Door de verdediging is bepleit dat enkel het versturen van e-mailberichten aan een grote groep personen onvoldoende is om de stelselmatigheid aan te nemen en in combinatie met de aard, duur en frequentie waarmee de mails werden verstuurd, leidt dit niet tot een ander oordeel.

De rechtbank overweegt als volgt.

Uit de aangiften blijkt dat er meerdere berichten in verschillende periodes zijn verstuurd naar een groot aantal personen. De rechtbank acht dit voldoende om stelselmatigheid aan te nemen. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat het verzenden van één bericht aan een grote groep geadresseerden als stelselmatig is aan te merken. Het verweer van de verdediging wordt dan ook verworpen.

Concluderend is de rechtbank van oordeel dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de hiervoor vastgestelde gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van [slachtoffer] zodanig zijn geweest dat van een stelselmatige inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer sprake is geweest. Uit de inhoud van de mails en de brede verspreiding ervan komt naar voren dat de verdachte op obsessieve en beschuldigende wijze over [slachtoffer] heeft bericht met als doel het hem aan tafel te krijgen met door verdachte gestelde gedupeerden. [slachtoffer] heeft - zelfs door middel van een gerechtelijke procedure - aan de verdachte te kennen gegeven niet gediend te zijn van diens gedragingen. De rechtbank acht daarmee bewezen dat de verdachte zich aan de ten laste gelegde belaging schuldig heeft gemaakt.

De rechtbank vindt met de officier van justitie en de verdediging dat er eveneens wettig en overtuigend bewijs is voor smaadschrift (feit 2). Het beroep van de verdediging op de rechtvaardigingsgrond van artikel 261, derde lid, Sr bespreekt de rechtbank onder paragraaf 5.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

1.

in de periode van 22 november 2011 tot en met 4 maart 2016, in Nederland, meermalen, telkens wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer] , met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen en te dulden, immers heeft hij, verdachte, - veelvuldig aan die [slachtoffer] en zakelijke en privé-contacten van voornoemde [slachtoffer] en derden (mail)berichten (inhoudende - kort gezegd - dat voornoemde [slachtoffer] heeft gefraudeerd in zijn functie als curator in een faillissement) verstuurd;

2.

in de periode van 22 november 2011 tot en met 4 maart 2016, in Nederland, meermalen, telkens opzettelijk, de eer en de goede naam van [slachtoffer] heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middel van geschriften verspreid, door veelvuldig aan die [slachtoffer] en zakelijke en privé-contacten van voornoemde [slachtoffer] en derden (mail)berichten (inhoudende - kort gezegd - dat voornoemde [slachtoffer] heeft gefraudeerd in zijn functie als curator in een faillissement) te sturen.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De verdediging heeft betoogd dat verdachte een beroep toekomt op artikel 261, derde lid Sr.

Daartoe is aangevoerd dat verdachte te goeder trouw heeft aangenomen dat zijn beschuldiging, dat het faillissement niet correct was afgewikkeld, waar was en dat het algemeen belang het openbaren ervan eiste.

De rechtbank is van oordeel dat het beroep van verdachte op het algemeen belang niet opgaat.

De beweringen van verdachte zijn in een vroeg stadium onderzocht door daartoe aangewezen en bevoegde deskundigen. Dit onderzoek heeft niet geleid tot de constatering van onregelmatigheden, zoals door verdachte wordt beweerd. Verdachte was op de hoogte van dit onderzoek en de uitkomsten daarvan. De kanttekeningen die hij achteraf heeft gemaakt, maken dit niet anders. Voorts is verdachte bij vonnis van de (toenmalige) rechtbank Roermond d.d. 30 oktober 2012 in het ongelijk gesteld. Verdachte mocht dus niet in redelijkheid uitgaan van de waarheid van zijn beweringen. Daarnaast is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat verdachte minder vergaande middelen had kunnen inzetten als hij het niet eens was met de afhandeling van het faillissement. Een beroep op het algemeen belang gaat daarom niet op. Evenmin kan gesteld worden dat de wijze waarop hij aan een en ander ruchtbaarheid wilde geven, is te bestempelen als algemeen belang dienend, nu zijn acties specifiek op de persoon van één curator waren gericht. Verdachte zelf heeft een brief overgelegd van J.G. Scholten (d.d. 9 juni 2008) waarin het probleem van curatorenfraude onder de aandacht wordt gebracht. Hierin worden geen curatoren bij naam genoemd. Dit maakt dat de acties van verdachte onnodig waren om het gestelde algemene probleem van curatorenfraude onder de algemene aandacht te brengen. Zoals de rechtbank hiervoor heeft gesteld, heeft verdachte zozeer op de man en niet op de bal gespeeld, dat dit moet worden uitgelegd als een persoonlijke aanval op de [slachtoffer] . Van het dienen van een algemeen belang is daarmee geen sprake.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat artikel 261, derde lid Sr geen rechtvaardiging biedt voor het handelen van verdachte.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Ten aanzien van de feiten 1 en 2:

de eendaadse samenloop van

belaging, meermalen gepleegd

en

smaadschrift, meermalen gepleegd.

6 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

7 De straf en/of de maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan de verdachte op te leggen een voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht en met daaraan gekoppeld een proeftijd van 3 jaar en de bijzondere voorwaarde dat verdachte geen (in)direct contact op zal nemen met aangever [slachtoffer] . Daarnaast acht de officier van justitie een geldboete van € 1.500,00 passend.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van een op te leggen straf en/of maatregel.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft zich meermalen en over een lange periode schuldig gemaakt aan belaging van [slachtoffer] en zijn eer en goede naam aangetast (smaadschrift). Verdachte heeft in de bewezenverklaarde periode herhaaldelijk [slachtoffer] en een groot aantal personen, mede uit de nabije leef- en werkomgeving van [slachtoffer] , aangeschreven omtrent diens persoonlijk handelen. Verdachte heeft daarmee een zeer ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer] en hem gepoogd te dwingen het gesprek aan te gaan en deze inbreuk te dulden. Tevens heeft verdachte hierdoor de reputatie van [slachtoffer] geschaad, terwijl er geen enkele reden is om aan te nemen dat [slachtoffer] foutief heeft gehandeld. Bijna dagelijks heeft [slachtoffer] aan mensen in zijn omgeving uitleg moeten geven over de situatie en gepoogd zijn naam te zuiveren. Uit de verklaringen van [slachtoffer] blijkt dat de handelingen van verdachte een grote impact hebben gehad op zowel zijn zakelijke situatie als zijn privéleven en dat deze nu nog, 2,5 jaar later, sporen in het leven van [slachtoffer] nalaten. Bovendien heeft aangever zich door het handelen van verdachte genoodzaakt gevoeld tot het treffen van veiligheidsmaatregelen. Verdachte heeft [slachtoffer] het leven zuur gemaakt en totaal geen oog gehad voor de gevolgen. Ook later heeft hij zich daar geen rekenschap van gegeven. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op het uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister d.d. 1 juni 2018, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld en dat verdachte na de bewezenverklaarde feiten niet meer met politie of justitie in aanraking is gekomen. Voorts heeft de rechtbank ook acht geslagen op de psychologische rapportage Pro Justitia d.d. 22 juni 2016.

De rechtbank is van oordeel dat in beginsel slechts de zwaarste sanctie, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, passend is. Evenwel, gelet op het tijdsverloop, waarin verdachte zich sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis aan de gestelde voorwaarden heeft gehouden, is de rechtbank van oordeel dat dit thans niet meer opportuun is.

De rechtbank overweegt dat verdachte heeft laten zien dat hij zeer vasthoudend kan zijn in zijn streven het -in zijn ogen- frauduleus handelen van [slachtoffer] aan de kaak te stellen. Verschillende onderzoeken naar het handelen van [slachtoffer] , de aangiften en de waarschuwing van de officier van justitie in november 2015, hebben hem er niet van weerhouden door te gaan met het versturen van berichten en [slachtoffer] in een kwaad daglicht te stellen. Verder heeft verdachte ter terechtzitting van 29 juni 2018 nog verklaard dat hij een andere vereniging achter de hand heeft om de activiteiten voort te zetten. De rechtbank acht de kans op recidive dan ook hoog. Ook al is niet gebleken dat verdachte aangever [slachtoffer] na de bewezenverklaarde feiten nog lastiggevallen heeft, wil de rechtbank wel bewerkstelligen dat dit zo blijft. Om die reden zal de rechtbank aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur opleggen. De rechtbank ziet in vorengaande ook aanleiding om aan deze voorwaardelijke straf een proeftijd van 3 jaar te verbinden.

De rechtbank acht de feiten die verdachte heeft gepleegd té ernstig om thans te volstaan met louter een voorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank acht om die reden ook een geldboete niet aan de orde en zal daarom aan verdachte een taakstraf opleggen.

Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf van

12 maanden opleggen, met daaraan gekoppeld een proeftijd van 3 jaren en de bijzondere voorwaarden zoals hierna in het dictum genoemd, alsmede een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 80 uur, subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis.

De rechtbank komt, gelet op de ernst van de feiten, tot een hogere strafoplegging dan de officier van justitie heeft ge-eist.

De maatregel ex artikel 36f Sr

Aangever [slachtoffer] heeft zich niet als benadeelde partij in het strafproces gevoegd terzake zijn vordering tot schadevergoeding. De rechtbank acht termen aanwezig ambtshalve een schadevergoedingsmaatregel op te leggen, zijnde een tegemoetkoming aan [slachtoffer] in diens geleden schade. De rechtbank zal beslissen tot het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel van € 1.000,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 20 dagen.

De maatregel ex artikel 38v Sr

Artikel 38v Sr bepaalt (voor zover hier relevant) dat een contactverbod opgelegd kan worden bij een veroordeling voor een strafbaar feit ter voorkoming van strafbare feiten.

De rechtbank is, gelet op het hiervoor overwogene, van oordeel dat een contactverbod, op de wijze zoals hierna omschreven, noodzakelijk is ter voorkoming van strafbare feiten.

De maatregel zal worden opgelegd voor de duur van drie jaar en bepaalt de vervangende hechtenis voor de duur van 14 dagen voor iedere keer dat de verdachte zich niet aan de maatregel houdt.

Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt, beveelt de rechtbank de dadelijke uitvoerbaarheid van de maatregel.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 38v, 38w, 55, 57, 285b en 261 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 4.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 5 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden, met een proeftijd van 3 jaren;

  • -

    bepaalt dat de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd:

  • -

    zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit of

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de Identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of

- stelt voorts de volgende bijzondere voorwaarden, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd heeft te voldoen:

  1. veroordeelde zal op geen enkele wijze contact hebben met de heer [slachtoffer] , bijvoorbeeld niet de heer [slachtoffer] benaderen als privépersoon en ook niet in zijn hoedanigheid van faillissementscurator of advocaat. Ook mag veroordeelde op geen enkele wijze de heer [slachtoffer] privé of in zijn hoedanigheid van faillissementscurator of advocaat benoemen in schriftelijke stukken of e-mailberichten of via de website aan derden. Deze voorwaarde geldt voor veroordeelde in privé, alsmede voor de [naam rechtspersoon] , waarvan veroordeelde voorzitter is;

  2. veroordeelde treedt niet in de publiciteit over de individuele zaak met de heer

[slachtoffer] en geeft daaraan ook anderszins geen ruchtbaarheid en veroordeelde zal de heer [slachtoffer] , in welke hoedanigheid dan ook, niet benoemen;

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 80 uren;

  • -

    beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 dagen;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze taakstraf in mindering zal worden gebracht, naar rato van twee uren per dag;

Maatregel

Ten aanzien van de maatregel ex artikel 36f Sr

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een bedrag van € 1.000,00 ten behoeve van [slachtoffer], bij niet betaling en verhaal te vervangen door 20 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

Ten aanzien van de maatregel ex artikel 38v Sr

  • -

    legt de veroordeelde op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van drie jaren, inhoudende dat de veroordeelde wordt bevolen: noch middellijk, noch onmiddellijk contact op te nemen met [slachtoffer] en personen van wie hij in gemoede moet aannemen dat deze de informatie aan [slachtoffer] zullen doorgeven;

  • -

    beveelt dat, voor het geval de veroordeelde niet aan de maatregel voldoet, vervangende hechtenis zal worden toegepast;

  • -

    bepaalt dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van twee weken, met een totale duur van ten hoogste zes maanden;

  • -

    bepaalt dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is;

Voorlopige hechtenis

- heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Dit vonnis is gewezen door mr. V.P. van Deventer, voorzitter, mr. L. Feuth en

mr. C.C.W.M. Aretz, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. Geene, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 6 september 2018.

Buiten staat

mr. C.C.W.M. Aretz is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

de [naam rechtspersoon] , in of omstreeks de periode van 22 november 2011 tot en met 30 mei 2016, in de gemeente Venray, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer] , in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer] , in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft voornoemde [naam rechtspersoon] , - veelvuldig aan die [slachtoffer] en/of zakelijke en/of privé-contacten van voornoemde [slachtoffer] en/of derden (lasterlijke) (mail)berichten (inhoudende - kort gezegd - dat voornoemde [slachtoffer] heeft gefraudeerd in zijn functie als curator in een faillissement) verstuurd, tot het plegen van welk bovenomschreven strafbaar feit hij, verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven

verboden gedraging verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven,

en/of

hij, in of omstreeks de periode van 22 november 2011 tot en met 30 mei 2016, in de gemeente Venray, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer] , in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer] , in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte, - veelvuldig aan die [slachtoffer] en/of zakelijke en/of privé-contacten van

voornoemde [slachtoffer] en/of derden (lasterlijke) (mail)berichten (inhoudende - kort gezegd - dat voornoemde [slachtoffer] heeft gefraudeerd in zijn functie als curator in een faillissement) verstuurd;

2.

de [naam rechtspersoon] , in of omstreeks de periode van 22 november 2011 tot en met 30 mei 2016, in de gemeente Venray, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk, de eer en/of goede naam van [slachtoffer] heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middel van geschriften of afbeeldingen verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen en/of door geschriften waarvan de inhoud openlijk ten gehore werd gebracht, door veelvuldig aan die [slachtoffer] en/of zakelijke en/of privé-contacten van voornoemde [slachtoffer] en/of derden (lasterlijke) (mail)berichten (inhoudende - kort gezegd - dat voornoemde [slachtoffer] heeft gefraudeerd in zijn functie als curator in een faillissement) te sturen, tot het plegen van welk bovenomschreven strafbaar feit hij, verdachte (telkens)

opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging

verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven,

en/of

hij, in of omstreeks de periode van 22 november 2011 tot en met 30 mei 2016, in de gemeente Venray, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk, de eer en/of de goede naam van [slachtoffer] heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middel van geschriften of afbeeldingen verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen en/of door geschriften waarvan de inhoud openlijk ten gehore werd gebracht, door veelvuldig aan die [slachtoffer] en/of zakelijke en/of privé-contacten van voornoemde [slachtoffer] en/of derden (lasterlijke) (mail)berichten (inhoudende - kort gezegd - dat voornoemde [slachtoffer] heeft gefraudeerd in zijn functie als curator in een faillissement) te sturen.

1 ECLI:NL:RBBRE:2006:AZ4838.

2 ECLI:NL:GHLEE:2006:AZ4596.

3 ECLI:NL:HR:2010:BL8642.

4 ECLI:NL:HR:2011:BP0287.

5 ECLI:NL:HR:2011:BP0287.

6 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie, eenheid Limburg, district Noord- en midden-Limburg, registratienummer PL2300-2018036488 Z, gesloten d.d. 5 april 2018, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 1010.

7 Proces-verbaal van aangifte d.d. 19 mei 2014, pagina’s 10-13, met bijlagen op pagina’s 435-443, 446-460 en 463-523.

8 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 maart 2015, pagina’s 571 en 572, met bijlagen op pagina’s 574-596.

9 Proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 23 april 2016, pagina’s 631 en 632, met bijlagen op pagina’s 633-669.

10 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 mei 2015, pagina 670, met bijlagen op pagina’s 671-677.

11 Proces-verbaal van aangifte d.d. 7 oktober 2015, pagina’s 678-681, met bijlagen op pagina’s 683-783.

12 Proces-verbaal van aangifte d.d. 13 januari 2016, pagina’s 818 en 819, met bijlagen op pagina’s 827-879.

13 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 maart 2016, pagina 880, met bijlage op pagina’s 881-948.