Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:8349

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
04-09-2018
Datum publicatie
07-09-2018
Zaaknummer
C/03/249484 / KG ZA 18-245
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Geen spoedeisend belang. De situatie ter plaatse van de percelen van partijen bestaat al geruime tijd - van sommige omstandigheden is misschien al meer dan twintig jaar sprake - en onvoldoende is onderbouwd dat er gewijzigde omstandigheden zijn op grond waarvan de verwijdering van de begroeiing onmiddellijk noodzakelijk is. Afwijzen vorderingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer: C/03/249484 / KG ZA 18-245

Vonnis in kort geding van 4 september 2018

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. N.P.H. Vissers te Roermond,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. M.A.W. Graus te Maastricht.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 4 mei 2018 met producties

  • -

    de aanvullende productie 9 van eiser

  • -

    de mondelinge behandeling van 29 mei 2018

  • -

    de pleitnota (conclusie van antwoord) van gedaagde

  • -

    de aanhouding van het vonnis tot en met 20 juni 2018

  • -

    het verzoek van partijen van 19 juni 2018 om de aanhouding met vijf weken te verlengen

  • -

    de verlenging van de aanhouding van het vonnis met vijf weken

  • -

    het verzoek van partijen van 25 juli 2018 om de aanhouding opnieuw te verlengen

  • -

    het bericht van eiser van 31 juli 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis nader bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Eiser is eigenaar van het perceel met het woon/winkelpand aan de [adres 1] te [woonplaats] . Het perceel met het pand aan de [adres 2] te [woonplaats] is van gedaagde en wordt door hem als woonhuis verhuurd.

2.2.

EFF EFF Bouwpathologie heeft in opdracht van eiser op 10 juli 2017 een onderzoek ingesteld naar de vocht/waterdoorslag in het pand van eiser. Zij heeft van haar bevindingen op 2 november 2017 een rapport (productie 2 bij dagvaarding) uitgebracht, waarin onder andere is vermeld:

Mededelingen (…)

(…) De klimop tegen de buitenzijde van de gevel is begin juli 2017 verwijderd. Een klein deel van de klimop is nog aanwezig, maar als gevolg van het rooien van de plant niet meer levend.

()

Beoordeling bouwkundige situatie zoals aangetroffen

(…)

De vocht- en waterdoorslag in de keukenruimte van het pand van (lees: eiser) kan eenduidig verklaard worden door de aard van de constructie (massief metselwerk zonder spouw) en de staat daarvan (slecht voegwerk). Kalkhoudend voegwerk wordt relatief snel aangetast door klimop. Deze plant tast op zichzelf het voegwerk niet aan, maar de aanwezigheid van de klimop zorgt ervoor dat de gevel niet kan drogen. Bij gevolg treedt snel vochtdoorslag op. Een permanent vochtige gevel is ook gevoelig voor vorstschade, en met name dat effect zorgt voor de achteruitgang van kwaliteit van het voegwerk.

(…)

Aan de binnenzijde van de keukenmuur is niet in overtuigende mate zichtbaar dat water naar binnen gedrongen is. Het is veeleer een kwestie van het binnendringen van enkele druppels water op veel plaatsen. Met name die plekken waar de klimop door de voegen tot in de spouw van de voorzetwand is gedrongen, zal water naar binnen gedrongen zijn.

(…)

Zoals beschreven, is het mogelijk dat indringen van water plaatsvindt op plekken waar de klimop door het metselwerk is gedrongen.

Voor het overige zal sprake zijn (geweest) van het binnendringen van vocht tot in de woning c.q. de spouwruimte tussen gevel en voorzetwand.

De verhouding tussen het binnendringen van vocht en water is van minder belang, nu als gevolg van de aanwezigheid van de klimop zowel waterindringing als het vochtig blijven van de muur beiden hebben bijgedragen tot de kwalitatieve achteruitgang daarvan.

(…)

Herstel van het voegwerk van de betreffende gevel (circa 12,4 x 3,2 m) vergt, uitgaande van uitruimen, voegen met kalkmortel en benodigde hulpmaterieel een investering van circa € 2.000,-- inclusief BTW.

Kijkend naar de gebouwstructuur, is het aannemelijk dat de betreffende zijgevel tot het oorspronkelijke, in 1917 gebouwde pand behoort. Normale veroudering zou alsdan geleid hebben tot een technische slijtage van het voegwerk van circa 70 tot 100%. Het is nooit exact te voorspellen wat de slijtage van het voegwerk zou zijn geweest zonder begroeiing. Daartoe ontbreekt inzicht in de kwaliteit van het oorspronkelijke voegwerk en de wijze van afwerken daarvan.

(…)”.

3 Het geschil

3.1.

Eiser heeft bij bericht van 31 juli 2018 de vorderingen onder 1 en 2 van het petitum van de dagvaarding ingetrokken. Eiser vordert thans nog, samengevat:

I primair: veroordeling van gedaagde om binnen twee weken na datum betekening van dit vonnis alle begroeiing die zich op het perceel van gedaagde aan de [adres 2] te [woonplaats] binnen de verboden afstand tot het perceel van eiser bevindt, te verwijderen en verwijderd te houden, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom;

subsidiair:

1. veroordeling van gedaagde om binnen twee weken na datum betekening van dit vonnis er voor te zorgen dat wortels die vanaf zijn perceel onder het perceel van eiser groeien zullen zijn verwijderd en dat maatregelen worden getroffen die ervoor zorgen dat niet opnieuw wortels het perceel van eiser zullen bereiken, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom;

2. veroordeling van gedaagde om binnen twee weken na datum betekening van dit vonnis er voor te zorgen dat begroeiing op het perceel van gedaagde niet hoger zal zijn dan de scheidsmuur tussen de percelen van partijen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom;

II veroordeling van gedaagde om de zaken die door of in opdracht van gedaagde, respectievelijk de bewoner van het pand van gedaagde, aan de muur van eiser zijn aangebracht, waaronder de poort, te verwijderen en verwijderd te houden van de muur van eiser, zulks op straffe van een dwangsom;

III veroordeling van gedaagde in de kosten van deze procedure.

3.2.

Eiser stelt dat hij een spoedeisend belang heeft bij de gevorderde voorzieningen. Hij onderbouwt dit belang, alsmede de grondslag van de vorderingen - samengevat - als volgt.

3.2.1.

In de tuin van het pand van gedaagde bevindt zich begroeiing, die onder andere bestaat uit leibomen en klimop. Door de beplanting van de gedaagde is schade ontstaan aan het voegwerk van de muur van eiser ter plaatse van de keuken en serre. Eiser stelt voorts dat de leibomen van gedaagde zich bevinden in de “verboden zone” tot het perceel van eiser en dat die bomen eveneens overlast en schade op het perceel van eiser veroorzaken. Ter plaatse van de serre groeien de wortels van de leibomen door en drukken die wortels de tegels omhoog, aldus eiser. Gelet op het voorjaar / de zomer zullen al die overlast en schade toenemen. De verwijdering van de bomen binnen de verboden zone en van de overige, voornoemde begroeiing is dan ook urgent, aldus eiser.

3.2.2.

Eiser zal het beschadigde voegwerk van de muur tot aan de serre moeten repareren en schilderen. Doordat gedaagde (de huurder) aan/op de achterzijde van de muur van eiser twee poorten (ijzeren poortje en rolluik) en een zwart ijzeren ornament (zie foto / pagina 42 van de producties bij dagvaarding) heeft bevestigd kan eiser werkzaamheden aan die muur echter niet onbelemmerd uitvoeren. Voor de uitoefening van die werkzaamheden zal een steiger bij de muur geplaatst moeten worden. Tevens veroorzaken de poorten geluids-overlast en trillingen en ondervindt eiser ook daardoor hinder.

3.3.

Gedaagde betwist het gestelde spoedeisend belang en voert - samengevat - aan dat de situatie ter plaatse van de genoemde percelen al geruime tijd bestaat en niet recent is gewijzigd. Gedaagde is van mening dat uit het rapport van EFF EFF Bouwpathologie niet volgt dat de staat van het voegwerk zodanig is dat onmiddellijk ingrijpen c.q. herstel noodzakelijk is en een uitspraak in een eventuele bodemprocedure hieromtrent niet zou kunnen worden afgewacht. De vorderingen van eiser tot verwijdering van de begroeiing en het aan de muur bevestigde ijzeren poortje zijn bovendien verjaard en dan ook ongegrond, aldus gedaagde. De vordering ter zake van de verwijdering van de leibomen is ook ongegrond, omdat die bomen zich op een voldoende afstand van de perceelgrens bevinden. Gedaagde heeft op de mondelinge behandeling aangevoerd dat er een opname is geweest door het Kadaster en dat het Kadaster heeft bevestigd dat de muur op het perceel van gedaagde staat, op ongeveer 80 cm vanaf de erfgrens. Overigens kan eiser op grond van artikel 5:44 BW, overhangende takken en doorgeschoten wortels zelf verwijderen. Het rolluik bij de onderdoorgang bevindt zich volledig op het perceel van gedaagde en gedaagde betwist dat bij het gebruik van het rolluik en het ijzeren poortje onrechtmatig hinder zou worden veroorzaakt.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang is onvoldoende onderbouwd. De situatie ter plaatse van de percelen van partijen bestaat al geruime tijd - van sommige omstandigheden is misschien al meer dan twintig jaar sprake - en onvoldoende is onderbouwd dat er gewijzigde omstandigheden zijn op grond waarvan de verwijdering van de begroeiing onmiddellijk noodzakelijk is. Eiser heeft voldoende aangetoond dat (mede) in verband met het hoge vochtgehalte in de keuken van eiser het voegwerk van de muur, ook aan de zijde van het perceel van gedaagde, hersteld moet worden, maar hij heeft niet aangetoond dat dit herstel onmiddellijk moet gebeuren. Het door eiser overgelegde deskundigenrapport toont een dergelijke noodzaak immers niet aan. In dat rapport is bovendien te lezen dat de betreffende zijgevel tot het oorspronkelijke, in 1917 gebouwde pand behoort en dat normale veroudering van de muur leidt tot slijtage van het voegwerk. Bovendien is de klimop tegen de buitenzijde van de gevel begin juli 2017 kennelijk deels verwijderd en een klein deel van de klimop nog aanwezig, maar als gevolg van het rooien van de plant niet meer levend. Voorshands valt dan ook niet in te zien waarom er een spoedeisend belang bestaat tot het verder verwijderen dan wel snoeien van de beplanting en waarom de uitspraak in een eventuele bodemprocedure hieromtrent niet zou kunnen worden afgewacht. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat evenmin voldoende is onderbouwd dat de begroeiing, ten opzichte van voorgaande jaren, dit voorjaar excessief was en dat daardoor onmiddellijk moet worden ingegrepen.

4.2.

De voorzieningenrechter overweegt, wat betreft de vordering onder III, nog het volgende. Ten aanzien van die vordering is volgens eiser het spoedeisend belang met name daarin gelegen dat de aanwezigheid van de betreffende zaken het uitvoeren van de nodige werkzaamheden belemmert. Nu eiser zijn vorderingen ertoe strekkende dat hij wordt toegelaten op het perceel van gedaagde om de muur te inspecteren en aan de muur werkzaamheden te (laten) verrichten, heeft ingetrokken (zie rechtsoverweging 3.1), heeft eiser zijn spoedeisend belang bij (meer specifiek) deze vordering onvoldoende onderbouwd.

4.3.

Zelfs indien sprake zou zijn geweest van een spoedeisend belang kunnen de vorderingen van eiser niet voorshands worden toegewezen. Gedaagde heeft immers bestreden dat de leibomen te dicht bij de erfgrens staan en ook het eigendom van (een deel van) de muur op/bij de erfgrens staat tussen partijen ter discussie. Eiser heeft verder gesteld dat door het gebruik van de poorten hinder ontstaat, doch hij heeft niet onderbouwd dat die overlast niet past bij een normaal gebruik en kwaliteit van die poorten en daardoor onrechtmatig zou zijn. Al het vorenoverwogene maakt dat er een nadere bewijslevering door eiser dient plaats te vinden en dat in deze procedure niet met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld, dat de vorderingen van eiser in een bodemprocedure zullen worden toegewezen. Dit kort geding leent zich immers niet voor een dergelijke bewijslevering.

4.4.

De vorderingen van eiser dienen derhalve te worden afgewezen.

4.5.

Eiser zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van gedaagde worden begroot op totaal € 1.271,00

(€ 291,00 griffierecht plus € 980,00 salaris advocaat).

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt eiser in de proceskosten, aan de zijde van gedaagde tot op heden begroot op € 1.271,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.H.A. Venner-Lijten en in het openbaar uitgesproken.1

1 type: CM