Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:8311

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
03-09-2018
Datum publicatie
07-09-2018
Zaaknummer
C/03/246537 / KG ZA 18-86
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot vergoeding van proceskosten valt niet onder schone lei. Artikel 26 juncto 299 FW niet van toepassing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2018/245
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/246537 / KG ZA 18-86

Vonnis in kort geding van 3 september 2018

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. R.W.J.L. Loonen,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. A.F.G. Pennino.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 22 februari 2018, met producties,

  • -

    de mondelinge behandeling van 20 maart 2018, met de pleitnotitie van [gedaagde] , en waar de behandeling is aangehouden,

  • -

    de brief van 24 juli 2018 van [eiser] , met producties,

  • -

    de mondelinge behandeling van 20 augustus 2018, met de pleitnota van [eiser] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Bij vonnis van 14 juni 2017 (kenmerk 162915/ HAZA 11-665) is [eiser] veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding aan [gedaagde] , vanwege een mishandeling door de eerste van de laatste die plaatsvond op 11 juli 2006, en tot betaling van de proceskosten van [gedaagde] van ruim € 12.000,00.

2.2.

Op 22 maart 2016 is [eiser] een “schone lei” verleend in het kader van op
21 maart 2013 door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch verleende toegang tot schuldsanering ingevolge de WSNP (kenmerk: HV 200.121.342/01). Het vaststellen van de uitdelingslijst is evenwel aangehouden tot de uitkomst van de schadevergoedingsprocedure bekend was. De bewindvoerder en de rechter-commissaris hebben daarna de kostenveroordeling buiten de slotuitdelingslijst gehouden.

2.3.

[gedaagde] wenst het vonnis van 14 juni 2017 thans te executeren voor wat betreft de proceskostenveroordeling.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert:

1. [gedaagde] te verbieden het vonnis van de Rechtbank Limburg, locatie Maastricht, tussen [gedaagde] als eiser en [eiser] als gedaagde, gewezen op [de voorzieningenrechter leest in plaats van 16] 14 juni 2017 te executeren, op straffe van een dwangsom,

2. [gedaagde] voorts te veroordelen tot betaling van de proceskosten, daarbij inbegrepen de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente gerekend vanaf 14 dagen na datum van het te wijzen vonnis.

3.2.

[eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat de vordering van [gedaagde] die voortvloeit uit het vonnis in de onrechtmatige- daadsprocedure terzake de mishandeling van [gedaagde] door [eiser] inclusief de proceskostenvergoeding ad € 12.395,31 geheel onder de schone lei valt, omdat de proceskostenveroordeling onlosmakelijk is verbonden met de hoofdveroordeling tot schadevergoeding én deze laatste volgens het gerechtshof

’s-Hertogenbosch in de beslissing van 21 maart 2013 onder de uitgesproken schuldsanering ingevolge de WSNP valt. [eiser] heeft ter zitting op 20 augustus 2018 voorts betoogd dat de procedure die is uitgemond in het vonnis van 14 juni 2017 geschorst had moeten worden en dat de vordering ter verificatie bij de bewindvoerder had moeten worden ingediend. Doordat [gedaagde] dit niet heeft gedaan, heeft hij zelf de proceskosten veroorzaakt. [eiser] stelt spoedeiend belang bij en recht op de gevraagde voorziening te hebben. Hij betwist dat de vordering opeisbaar is.

3.3.

[gedaagde] voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De spoedeisendheid vloeit voort uit de aard van de zaak. [gedaagde] wenst immers over te gaan tot executie van (een deel van) het vonnis van 14 juni 2017.

4.2.

De voorzieningenrechter merkt op dat [eiser] een verbod van executie vordert, terwijl het vonnis van 14 juni 2017 waarvoor dit verbod zou moeten gelden kracht van gewijsde heeft. De vordering ziet aldus op declaratoire uitspraak. Alleen al om die reden moet afwijzing volgen. Voor zover in de vordering het minder absolute, schorsing van de executie, moet worden gelezen, bestaat daartoe ingevolge het arrrest Ritzen-Hoektra alleen grond wanneer [gedaagde] misbruik van zijn bevoegdheid zou maken door thans het vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling te executeren. [eiser] heeft immers niet gesteld en ook overigens is niet gebleken dat het vonnis een feitelijke of juridische misslag bevat. Van misbruik kan sprake zijn als er een wettelijk obstakel is voor de executie of als de executie, vanwege de onevenredigheid tussen het belang van [gedaagde] daarbij en het belang van [eiser] dat daardoor wordt geschaad, in strijd is met de eisen van redelijkheid.

Staat er een wettelijke regel in de weg aan executie van het vonnis?

4.3.

Het gerechtshof overweegt in rov. 3.3 en 3.4.8 van het arrest van 21 maart 2013 dat de vordering tot schadevergoeding ten gevolge van de mishandeling, die op 11 juli 2006 is gepleegd en waarvoor [eiser] is veroordeeld, op dat moment is ontstaan. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit niet anders kan worden begrepen dan dat het hof doelt op de vergoeding voor de (materiële en immateriële) schadelijke gevolgen van de mishandeling – die onrechtmatige daad is de grondslag voor de schadevergoeding – en niet op de kosten ter vaststelling van de omvang van die schade en het verkrijgen van vergoeding daarvan. Die laatste waren immers ten tijde van de mishandeling niet aan de orde. Deze kosten zijn – onder meer – ontstaan doordat [eiser] weliswaar de aansprakelijkheid erkende, maar het causaal verband tussen zijn handelen en de schade van [gedaagde] alsmede de omvang van die schade heeft betwist. Nu de procedure niet is geschorst ten tijde van het WSNP-traject – door [eiser] is geen bewijs aangebracht waaruit blijkt dat hij daarop heeft aangedrongen, zodat de voorzieningenrechter ervan uit moet gaan dat dit niet is geschied – en evenmin een minnelijke regeling is bereikt, is inzake de proceskosten aldus – en mede door de procesopstelling van [eiser] – een nieuwe schuld ontstaan die buiten de WSNP valt. De grondslag voor de verschuldigdheid van deze proceskosten is gelegen in het veroordelend vonnis van 14 juni 2017. Tegen dit vonnis is geen rechtsmiddel ingesteld, zodat het kracht van gewijsde heeft. Het gaat derhalve om een vordering die is ontstaan en een veroordeling die onherroepelijk is geworden na de verlening van de schone lei. Zowel de bewindvoerder als de rechter-commissaris hebben de kostenveroordeling om die eerste reden terecht buiten de slotuitdelingslijst gehouden. Het beroep tegen de beslissing van de rechter-commissaris is niet-ontvankelijk verklaard, zodat ook de uitdelingslijst vaststaat.

4.4.

[eiser] heeft ter zitting op 20 augustus 2018 nog betoogd dat de vordering op grond van artikel 26 juncto 299 lid 2 Faillissementswet uitsluitend door aanmelding ter verificatie had kunnen worden ingesteld. De voorzieningenrechter stelt vast dat de schadevergoedingsprocedure reeds aanhangig was op het moment dat [eiser] tot de WSNP werd toegalaten, zodat de aangehaalde wetsartikelen niet van toepassing zijn.

Staat de redelijkheid in de weg aan de executie van het vonnis?

4.5.

De voorzieningenrechter kan [eiser] niet volgen in zijn stelling dat het, nu hij met een schone lei uit de schuldsanering is gekomen en juist nu hij zijn leven weer op orde heeft, onredelijk zou zijn dat hij nog met een “na-ijlende” vordering geconfronteerd wordt.

Dit persoonlijke belang en niet door enige rechtsregel beschermde belang van [eiser] weegt niet op tegen het belang van [gedaagde] om door executie te krijgen waarop hij recht heeft: betaling van de buiten de WSNP vallende proceskosten krachtens een onherroepelijk vonnis.

Proceskosten

4.6.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Deze worden aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op
€ 291,00 aan griffierecht en € 980,00 aan salaris advocaat, tezamen € 1.271,00.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 1.271,00,

5.3.

verklaart dit vonnis onder 5.2. uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.P. van Unen en in het openbaar uitgesproken.1

1 type: EvB coll: