Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:8273

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
31-08-2018
Datum publicatie
31-08-2018
Zaaknummer
ROE 18/1957
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Vovo hangende bezwaar. Verweerder heeft verzoeker een gebiedsverbod op grond van artikel 172a van de Gemeentewet opgelegd voor twee gebieden in Heerlen, omdat hij structureel overlast heeft veroorzaakt en de openbare orde heeft verstoord. Het opleggen van een gebiedsverbod is naar het oordeel van de voorzieningenrechter een ingrijpende maatregel. Verweerder heeft het opleggen van deze maatregel echter niet deugdelijk gemotiveerd. Hierin ziet de voorzieningenrechter voldoende aanleiding een voorlopige voorziening te treffen en het primaire besluit te schorsen tot de beslissing op bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 18/1957

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 31 augustus 2018 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen:

[Naam 1] , verzoeker en

de ouder met gezag over de minderjarige verzoeker [naam 2], verzoekster

(hierna te noemen: verzoekers)

(gemachtigde: mr. B.H.S. Brinkman),

en

de burgemeester van de gemeente Heerlen, verweerder

(gemachtigde: mrs. J. Devoi en R.J.A.G. Vanderbroeck).

Procesverloop

Bij besluit van 10 augustus 2018 heeft verweerder aan verzoeker een gebiedsverbod opgelegd gedurende de periode van 10 augustus 2018 om 18.00 uur tot en met

10 november 2018 om 18.00 uur.

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2018. Verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. De voorzieningenrechter stelt vast dat aan de eerste twee van de in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb geformuleerde vereisten is voldaan aangezien verzoekers bezwaar hebben gemaakt tegen het besluit ter zake waarvan een voorlopige voorziening is gevraagd en deze rechtbank bevoegd kan worden geacht om van een (mogelijke) hoofdzaak kennis te nemen.

3. De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat ook aan het vereiste van onverwijlde spoed is voldaan, omdat verzoeker door het primaire besluit in aanzienlijke mate wordt beperkt in zijn bewegingsvrijheid.

4. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

5. Uit de door de politie, Eenheid Limburg, Basisteam Heerlen op 15 mei 2018,

16 juni 2018, 4 juli 2018 en 10 augustus 2018 opgemaakte mutatierapporten volgt dat verzoeker op 5 mei 2018 een medewerker van een eetgelegenheid aan de Bongerd 1 in Heerlen heeft mishandeld. Op 8 mei 2018 heeft verzoeker op of in de nabijheid van de Spoorsingel in Heerlen in groepsverband twee personen lastiggevallen, hen uitgescholden en individueel fysiek geweld tegen één van hen gebruikt. Tot slot heeft verzoeker op 24 juli 2018 op of in de nabijheid van de Saroleastraat en de Aurora, beide gelegen in Heerlen, de persoon tegen wie hij op 8 mei 2018 geweld heeft gebruikt, opnieuw individueel ernstig lastig gevallen en deze persoon uitgescholden. Ook heeft verzoeker fysiek geweld gebruikt tegen deze persoon.

6. Gelet op de onder 5. genoemde bevindingen heeft verweerder op 10 augustus 2018 op grond van artikel 172a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Gemeentewet aan verzoeker een gebiedsverbod opgelegd voor de duur van drie maanden, waarbij verzoeker is bevolen zich in de periode van 10 augustus 2018 om 18.00 uur tot 10 november 2018 om 18.00 uur niet te bevinden in de volgende gebieden:

  • -

    Heerlen-Centrum, begrensd door de Groene Boord, Sint Antoniusweg, Sint Franciscusweg, Ruys de Beerenbroucklaan, Burgemeester Gijzelslaan, Welterlaan, Provinciale Weg N281, Looierstraat, Maankwartier, Spoorsingel, alsmede de genoemde wegen zelf, zoals door een blauwe lijn aangeduid op de plattegrond met nummer Geo-02016 én

  • -

    Schandelen-Grasbroek, begrensd door de Euregioweg, Palemigerboord, Schandelerboord, Spoorsingel, Hoppenhof (busstation), Maankwartier zijnde Spoorsingel, Mijnmuseumpad, CBS-weg, Kloosterweg, alsmede de genoemde wegen zelf, zoals door een blauwe lijn aangeduid op de plattegrond met nummer Geo-02004.

Verzoeker woont aan [adres] .

7. Verzoekers hebben op 20 augustus 2018 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit, omdat zij zich daar niet mee kunnen verenigen. Hiertoe hebben verzoekers aangevoerd dat:

  • -

    het gebiedsverbod pas op 11 augustus 2018, een dag na inwerkingtreding daarvan, is uitgereikt. Het gebiedsverbod kan volgens verzoeker pas van kracht zijn op het moment nadat hij daarvan kennis heeft kunnen nemen;

  • -

    verweerder in strijd met de beleidsregels heeft gehandeld door verzoeker niet voorafgaand aan het opleggen van het gebiedsverbod te horen;

  • -

    verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij verzoeker niet in de gelegenheid heeft gesteld een zienswijze te laten indienen. Het argument van verweerder dat daarvan is afgezien vanwege spoed, is volgens verzoeker onbegrijpelijk, nu het laatste incident dateert van 18 dagen voor het opleggen van het gebiedsverbod;

  • -

    verweerder in strijd met de beleidsregels heeft gehandeld door verzoeker niet voorafgaand aan het opleggen van een gebiedsverbod een verwijderingsverbod te geven;

  • -

    de duur van het gebiedsverbod in strijd met de beleidsregels;

  • -

    het primaire besluit onvoldoende is gemotiveerd. Niet is gemotiveerd waarom het besluit tot gebiedsverbod zich dient uit te strekken tot twee zeer uitgestrekte gebieden en zich niet enkel beperkt tot een aantal straten;

  • -

    geen sprake is van het herhaaldelijk verstoren van de openbare orde;

  • -

    niet gemotiveerd is waarom verweerder ten nadele van verzoeker is afgeweken van de duur van het gebiedsverbod als vastgelegd in de beleidsregels;

  • -

    verzoeker onevenredig wordt getroffen in zijn belangen door het primaire besluit. Indien het gebiedsverbod gehandhaafd blijft, betekent dit dat verzoeker niet naar school kan gaan, geen gebruik kan maken van de bibliotheek, geen bijbaantje kan zoeken voor de horeca in het centrum van Heerlen en zijn advocaat niet kan bezoeken. Daarnaast kan verzoeker het treinstation niet bezoeken, waardoor hij niet op visite kan bij familie in Eindhoven.

8. Ter zitting hebben de gemachtigden van verweerder aangevoerd dat het gebiedsverbod is opgelegd op grond van artikel 172a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Gemeentewet. Voor de uitvoering van deze bevoegdheid zijn géén beleidsregels vastgesteld. De beleidsregels waarop verzoekers zich beroepen zijn vastgesteld ter uitvoering van de bevoegdheid op grond van artikel 2:57 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) om een gebiedsontzegging op te leggen. Verweerder stelt dat deze beleidsregels niet naar analogie van toepassing zijn op de bevoegdheid van verweerder een gebiedsverbod op te leggen op grond van artikel 172a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Gemeentewet.

9. Voor de beoordeling door de voorzieningenrechter geldt artikel 172a, eerste lid, aanhef en onder a van de Gemeentewet als wettelijke kader. Hierin is - voor zover hier relevant - bepaald dat de burgemeester aan een persoon die individueel of in groepsverband de openbare orde ernstig heeft verstoord of bij groepsgewijze ernstige verstoring van de openbare orde een leidende rol heeft gehad, dan wel herhaaldelijk individueel of in groepsverband de openbare orde heeft verstoord of bij groepsgewijze verstoring van de openbare orde een leidende rol heeft gehad, bij ernstige vrees voor verdere verstoring van de openbare orde een bevel kan geven zich niet te bevinden in een of meer bepaalde delen van de gemeente.

De voorzieningenrechter ziet in het kader van deze procedure en het te beoordelen verzoek geen aanleiding de eerdergenoemde beleidsregels naar analogie van toepassing te achten op het opgelegde gebiedsverbod. Het voorgaande betekent dat de voorzieningenrechter het betoog van verzoekers, voor zover dat inhoudt dat het gebiedsverbod in strijd is met de beleidsregels, onbesproken zal laten.

10. Ter beantwoording van de vraag of verweerder in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van de bevoegdheid als neergelegd in artikel 172a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Gemeentewet ziet de voorzieningenrechter zich allereerst gesteld voor de vraag of uit het dossier voldoende aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van het herhaaldelijk verstoren van de openbare orde, alsmede of sprake is van ernstige vrees voor verdere verstoring hiervan, zoals door verweerder is gesteld.

Uit de Memorie van Toelichting bij artikel 172a van de Gemeentewet (de Wet maatregelen bestrijding voetbalvandalisme en ernstige overlast, Kamerstukken II, 31 467, nr. 3, p. 15) blijkt dat in het bevel moet worden vermeld door welke gedragingen en op welke tijdstippen en plaatsen de betrokken persoon herhaaldelijk de openbare orde heeft verstoord, dan wel op grond van welke gedragingen de burgemeester tot het oordeel is gekomen dat betrokkene daarbij een leidende rol heeft gehad. Voorts blijkt uit de Memorie van Toelichting dat verweerder zich daarbij dient te baseren op een gedocumenteerd dossier. Het dossier dient onder meer inzicht te geven in: het samenstel van gedragingen respectievelijk de aard van de ordeverstoringen (blijkend uit meldingen, mutaties, processen-verbaal, signalen uit de buurt, waarnemingen zoals bekend bij politie, jeugdzorg e.a.) van de betrokken groep en persoon (Kamerstukken II, 31 467, nr. 3, p. 14 en 15).

De voorzieningenrechter stelt voorop dat een gebiedsverbod een vergaande maatregel is. De inbreuk op het recht van verzoeker zich vrijelijk te verplaatsen moet in verhouding staan tot het te bereiken doel. Doel van de maatregel is dat het patroon van aanhoudende overlast voor langere periode wordt doorbroken en dat wordt voorkomen dat verzoeker in zijn “oude gewoonten” terugvalt. Er dient derhalve evenwicht te worden gezocht tussen bescherming van het algemeen belang bij het voorkomen van verstoring van de openbare orde enerzijds en het belang van het respecteren van de grondrechten van verzoeker anderzijds. Dit betekent dat de maatregel waardoor verzoeker beperkt wordt in zijn bewegingsvrijheid, niet langer mag duren dan strikt noodzakelijk en dat het gebied waarop het verbod ziet, zo beperkt mogelijk moet worden gehouden.

Ten aanzien van de voorwaarde dat het bevel slechts kan worden opgelegd “bij ernstige vrees voor verdere verstoring van de openbare orde” geldt dat de bevoegdheid er blijkens de parlementaire geschiedenis op is gericht een einde te maken aan structurele vormen van (groepsgebonden) overlast. Met andere woorden, de bevoegdheid is niet gegeven voor het beëindigen van één incident, maar voor het beëindigen van een reeks incidenten.

11. De voorzieningenrechter overweegt dat voor het opleggen van een gebiedsverbod niet is vereist dat voor de gedragingen op grond waarvan daartoe wordt besloten een al dan niet onherroepelijke veroordeling door de strafrechter is uitgesproken of dat sprake is van strafbare feiten. Voldoende is dat aannemelijk wordt gemaakt dat overlast gevend gedrag heeft plaatsgevonden.

Anders dan voor het strafrechtelijk ingrijpen, is voor het opleggen van een gebiedsverbod niet vereist dat elk incident met wettig en overtuigend bewijs wordt bewezen, maar gaat het erom dat voldoende aannemelijk is dat verzoeker structureel overlast veroorzaakt. De informatie van de politie biedt voldoende inzicht in het samenstel van gedragingen van verzoeker en de daaruit voortvloeiende ordeverstoringen. Zoals blijkt uit het besluit gaat het erom dat verzoeker steeds wordt aangetroffen bij overlast gevende situaties. Weliswaar is niet in alle gevallen strafrechtelijk ingegrepen, maar volgens voormelde Memorie van Toelichting is het gebiedsverbod juist bedoeld ingeval het gaat om een samenstel van op zichzelf minder ernstige gedragingen waarbij men niet toekomt aan het opleggen van voorlopige hechtenis (p. 9).

12. De voorzieningenrechter is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat verzoeker structureel overlast veroorzaakt en dat verweerders vrees dat verzoeker in de toekomst de openbare orde zal verstoren voldoende gefundeerd is. Er is immers blijkens de door verweerder overgelegde stukken sprake van een serie van gedragingen in de afgelopen periode. Met verweerder is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker niet is benadeeld door het uitreiken van het gebiedsverbod op 11 augustus 2018, de dag na inwerkingtreding daarvan. Immers is onbestreden dat het gebiedsverbod pas vanaf het moment van uitreiking van kracht is.

13. Ten aanzien van de vraag of verweerder het bestreden besluit in redelijkheid heeft kunnen nemen gelet op de belangen van verzoeker overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Ter zitting is naar voren gekomen dat verweerder geen beleid heeft met betrekking tot de toepassing van de bevoegdheid ex artikel 172a van de Gemeentewet. Artikel 172a van de Gemeentewet stelt een dergelijk beleid niet verplicht en verweerder heeft ook zonder een stappenplan de bevoegdheid om in de daar beschreven situatie gebruik te maken van zijn bevoegdheid. Het besluit dient dan uiteraard wel goed gemotiveerd te zijn om op zichzelf de toets aan proportionaliteit en subsidiariteit te kunnen doorstaan en ook overigens niet in strijd te zijn met het recht.

Uit het primaire besluit komt evenwel niet naar voren waarom het opleggen van een gebiedsverbod voor de in eerste instantie maximale duur van drie maanden strikt noodzakelijk is en niet had kunnen worden volstaan met een lichtere maatregel, gezien de geconstateerde drie voorvallen en de persoon van verzoeker. Ook wordt niet gemotiveerd waarom het verbod geldt voor de aangegeven gebieden nu de voorvallen zich in een aanmerkelijk kleiner gebied hebben voorgedaan.

Nu verzoeker geen zienswijze heeft kunnen indienen of op andere wijze zijn belangen naar voren heeft kunnen brengen, is evenmin helder op welke wijze de toepasselijke belangen van verweerder en verzoeker tegen elkaar zijn afgewogen en of verweerder het bestreden besluit in redelijkheid kon nemen. Dat vanwege spoed is afgezien van het laten indienen van een zienswijze, kan de voorzieningenrechter niet volgen. In dit verband overweegt de voorzieningenrechter dat tussen het laatste incident op 24 juli 2018 en het moment van het uitreiken van het gebiedsverbod op 11 augustus 2018, een periode van 18 dagen ligt.

Het bestreden besluit ontbeert thans een deugdelijke motivering en is om die reden in strijd met het bepaalde in artikel 3:46 van de Awb en zal naar het oordeel van de voorzieningenrechter in bezwaar niet ongewijzigd in stand kunnen blijven. Weliswaar is de kans aanwezig dat de thans ontbrekende motivering bij de beslissing op bezwaar alsnog kan worden gegeven en verweerder het gebiedsverbod in deze of andere vorm dan alsnog rechtsgeldig aan verzoeker kan opleggen/voortzetten, maar het onderhavige gebiedsverbod is een ingrijpende maatregel, bij welke oplegging geen twijfel mag bestaan over de juistheid daarvan.

14. Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter voldoende aanleiding een voorlopige voorziening te treffen en schorst het primaire besluit tot de te nemen beslissing op het bezwaar. Verweerder zal bij de beslissing op bezwaar aan de hand van dat dossier in dienen te gaan op de gronden die door verzoekers in bezwaar naar voren zijn (en mogelijk zullen worden) gebracht. De voorzieningenrechter ziet geen termen aanwezig om, overeenkomstig het verzoek van verweerder, thans zelf een minder verstrekkende maatregel aan verzoeker op te leggen.

15. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt hij dat verweerder aan verzoekers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

16. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;

- schorst het primaire besluit tot de bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.002,-;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170,- aan verzoeker te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A. Gruiters, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van

mr. J.W.J. Reuvers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

31 augustus 2018.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.