Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:8135

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
29-08-2018
Datum publicatie
30-08-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 712 + AWB - 17 _ 2831
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

AW. NIET GEZEGD KAN WORDEN DAT DE (NEGATIEVE) BEOORDELINGEN OP ONVOLDOENDE GRONDEN BERUSTEN.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Maastricht

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB/ROE 17/712 en AWB/ROE 17/2831

uitspraak van de meervoudige kamer van 29 augustus 2018 in de zaken tussen

[naam 1] , te Maastricht, eiseres

(gemachtigde: mr. E.W.M. Sanders),

en

het college van bestuur van de universiteit Maastricht, verweerder

(gemachtigde: mr. M.L.M. van de Laar).

Procesverloop

Bij besluit van 13 september 2016 (het primaire besluit 1) heeft verweerder een beoordeling van het functioneren van eiseres vastgesteld over de periode van 30 september 2015 tot

31 mei 2016. Verweerder heeft de kernactiviteit ‘onderzoek’ als onvoldoende beoordeeld en de kernactiviteit ‘onderwijs’ als voldoende. Totaal score: onvoldoende.

Bij besluit van 13 januari 2017 (het primaire besluit 2) heeft verweerder de beoordeling van eiseres over het tijdvak van 1 juni 2016 tot 20 december 2016 vastgesteld, waarbij de eindscore (final assessment) onvoldoende is.

Bij besluit van 30 januari 2017 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit 1 ongegrond verklaard.

Bij besluit van 18 juli 2017 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit 2 ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, prof. dr. [naam 2] en dr. [naam 3].

Overwegingen

1. Eiseres is sedert 15 augustus 2004 werkzaam als universitair docent bij de Maastricht University, Faculty of Arts en Social Sciences (FASoS), Department of History. De functie van eiseres is ingedeeld in het UFO-functieprofiel universitair docent (UD) 1. Voormeld (functie)profiel is eiseres bij haar aanstelling toegezonden (“job profile enclosed”). In de periode voorafgaand aan het primaire besluit 1 zijn met eiseres verschillende functioneringsgesprekken gehouden, waarbij eiseres is gewezen op het belang van publicaties. Blijkens de beoordeling van eiseres over de periode mei 2013 tot mei 2014 is de kernactiviteit ‘onderzoek’ onvoldoende vanwege: “no published output in 2013”. Deze beoordeling staat in rechte vast. Hierbij is tevens afgesproken dat de volgende beoordeling plaats zal vinden over 2 jaar (mei 2016).

De beoordeling over de periode van 30 september 2015 tot 31 mei 2016 (AWB 17/712).

2. Verweerder stelt zich op het standpunt -kort weergegeven- dat tot de taak van de universitair docent behoort het doen van wetenschappelijk onderzoek en het publiceren daarover. Niet is gebleken dat eiseres gedurende het beoordelingstijdvak wetenschappelijke publicaties heeft verzorgd, ondanks het feit dat zij bij herhaling is gewezen op deze verplichting. Gelet hierop is, volgens verweerder, de beoordeling onvoldoende voor de kernactiviteit ‘onderzoek’ gerechtvaardigd.

3. Eiseres voert in beroep aan -kort samengevat- dat bij haar aanstelling niet is bedongen dat een universitair docent 40% van de werktijd dient te besteden aan onderzoek. Dit leidt eiseres af uit de zin uit het advies van de Awb-adviescommissie (de commissie) “kennelijk is het bij FASOS een geaccepteerd gegeven dat de UD1 60% van de werktijd dient te besteden aan onderwijs en 40% aan onderzoek”. Bij de hoorzitting van de commissie heeft eiseres erop gewezen dat zij wel degelijk publicaties op haar naam heeft staan. In de periode (2 jaar) voorafgaand aan de beoordeling is eiseres vier maanden ziek geweest, met als gevolg dat zij geen eerlijke kans op verbetering heeft gekregen. Tot slot is eiseres van mening dat er aan haar functioneren meer eisen worden gesteld dan aan het functioneren van haar collega’s.

4 De rechtbank overweegt als volgt.

Op grond van artikel 6.7, eerste lid, van de CAO Nederlandse Universiteiten (CAO-NU) wordt periodiek een beoordeling opgemaakt over de wijze waarop de werknemer zijn functie heeft uitgeoefend en over zijn gedragingen tijdens de uitoefening van die functie.

In artikel 8, tweede lid, van het Reglement Jaargesprekken en Beoordeling Universiteit Maastricht 2008 (het Reglement) is bepaald dat de beoordeling wordt opgemaakt ten aanzien van de aan de functie van de medewerker verbonden kernactiviteiten en competenties, met in achtneming van de aan de functie verbonden doelomschrijving.

Ingevolge artikel 6 van het Reglement wordt van iedere medewerker een maal per drie jaar een beoordeling opgemaakt. Hiervan kan worden afgeweken indien het College van Bestuur of de beherend baas van de medewerker dit nodig acht.

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) (bijvoorbeeld de uitspraak van 27 augustus 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7050) is de toetsing van de inhoud van een beoordeling beperkt tot de vraag of die beoordeling op onvoldoende gronden berust. Bij negatieve oordelen moet het bestuursorgaan met concrete feiten onderbouwen dat dat oordeel niet op onvoldoende gronden berust. Niet doorslaggevend is dan of ieder feit juist is vastgesteld of geduid, het gaat erom of het totale beeld van de beoordeling deze toetsing doorstaat.

5. Met betrekking tot de beoordeling van de kernactiviteit ‘onderzoek’ overweegt de rechtbank het volgende.

In het UFO-functieprofiel UD worden de taken op het gebied van onderwijs en onderzoek gedefinieerd. Onderzoekspublicatie (kernactiviteit 8) is een van de kernactiviteiten van de functie. Hierbij worden genoemd:

-opstellen van publicaties voor erkende wetenschappelijke tijdschriften en vaktijdschriften;

-opstellen van conferentiepapers en houden van voordrachten op conferenties;

-houden van presentaties bij externe organisaties;

-aanpassen van de publicatie naar aanleiding van reacties van referenten en collega-onderzoekers.

Vast staat dat eiseres in het te beoordelen tijdvak geen publicaties heeft gedaan als hiervoor omschreven, hetgeen de gemachtigde van eiseres ter zitting ook heeft erkend.

6. Over de stelling van eiseres dat zij geen verplichting had tot publicaties respectievelijk dat zij hiervan niet op de hoogte was overweegt de rechtbank het volgende.

Op zichzelf is niet in geschil tussen partijen dat de functie van eiseres deels bestaat uit het geven van onderwijs en deels uit het doen van wetenschappelijk onderzoek. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting toegelicht dat bij FASoS van wetenschappelijk onderzoek moet blijken door de resultaten van dat onderzoek te publiceren. De ‘onderzoeksoutput’ (het aantal publicaties) is ook (deels) bepalend voor de financiële middelen van de faculteit.

Gelet op het vorenstaande en de inhoud van het functieprofiel, is de rechtbank van oordeel dat op eiseres de verplichting rustte om te publiceren als bedoeld in het functieprofiel.

7. De rechtbank is van oordeel dat eiseres in ieder geval in de periode voorafgaand aan de beoordeling over het tijdvak mei 2013 – mei 2014 wist, althans behoorde te weten, dat van haar verwacht werd dat zij zou publiceren. Eiseres heeft ter zitting ook erkend dat zij naar aanleiding van de functioneringsgesprekken bekend was met de verplichting tot publiceren. Indien bij eiseres, zoals zij stelt, onduidelijkheid bestond over wat (precies) in dit verband van haar werd verwacht, had het op haar weg gelegen om zich hierover nader bij verweerder te informeren. In welke verhouding eiseres haar tijd diende te besteden aan onderwijs en onderzoek kan in het midden worden gelaten, reeds omdat vaststaat dat eiseres gedurende het beoordelingstijdvak in het geheel niets heeft gepubliceerd.

8. Ten aanzien van de stelling van eiseres dat zij in de periode voorafgaand aan de beoordeling enige tijd ziek is geweest en derhalve te weinig tijd heeft gehad om zich te verbeteren overweegt de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van de CRvB van

22 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:5071), dat ziekteverzuim geen beletsel hoeft te zijn voor een beoordeling. Bovendien was eiseres in het te beoordelen tijdvak niet ziek. De rechtbank acht het beoordelingstijdvak ook niet te kort en neemt daarbij in aanmerking dat eiseres, gelet op hetgeen hiervoor onder 1 is overwogen, feitelijk meerdere jaren de tijd heeft gekregen om zich te verbeteren op het gebied van onderzoek en publicatie.

9. Met betrekking tot de stelling van eiseres dat er aan haar functioneren meer eisen worden gesteld dan aan het functioneren van haar collega’s, overweegt de rechtbank dat deze stelling niet is onderbouwd en derhalve moet worden verworpen.

10. Op grond van voorgaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat niet gezegd kan worden dat onderhavige beoordeling (met als totaalscore: ‘onvoldoende’) op onvoldoende gronden berust.

De beoordeling over de periode van 1 juni 2016 tot 20 december 2016 (AWB 17/2831).

11. Bij het primaire besluit 2 heeft verweerder de beoordeling van eiseres over het tijdvak van 1 juni 2016 tot 20 december 2016 vastgesteld, waarbij de eindscore (final assessment) onvoldoende is (kernactiviteit ‘onderwijs’: adequate; kernactiviteit ‘onderzoek’: onvoldoende; competenties ‘conceptual capacity’, ‘environmental orientation’, ‘result orientation’ en ‘presenting’: onvoldoende).

12. Verweerder stelt zich op het standpunt -kort weergegeven- dat wat betreft de datum van het beoordelingsgesprek rekening is gehouden met de ziekte van eiseres. De bedrijfsarts heeft immers verklaard dat zij vanaf 19 december 2016 weer volledig arbeidsgeschikt zou zijn. Aangezien eiseres gedurende het te beoordelen tijdvak geen enkele publicatie heeft gehad, berust de score onvoldoende voor de kernactiviteit ‘onderzoek’ niet op onvoldoende gronden. Op grond van het Reglement kunnen ook de competenties van de medewerker worden beoordeeld, aldus verweerder.

13. Eiseres voert in beroep aan -kort samengevat- dat onderhavige beoordeling te vroeg (4 maanden na vaststelling van de voorgaande beoordeling) heeft plaatsgevonden. Eiseres heeft hierdoor zeer beperkt de tijd gehad om haar functioneren te verbeteren. Voorts is eiseres gedurende de drie weken voorafgaand aan het beoordelingsgesprek ziek geweest, zodat zij dit gesprek onvoldoende kon voorbereiden. Ook is zij van mening dat prof. [naam 2] geen objectieve beoordeling kon vaststellen vanwege de door hem ingediende klachten over haar. Ook was op dat moment nog geen beslissing genomen op het bezwaar van eiseres tegen de vorige beoordeling. Ten aanzien van de inhoud van de beoordeling stelt eiseres dat de kernactiviteit ‘onderwijs/lesgeven’ geen deel heeft uitgemaakt van het beoordelingsgesprek. Bovendien stelt zij dat in de toelichting op dit onderdeel is vermeld: satisfactory, terwijl de beoordeling zelf luidt: adequate. Eiseres is van mening dat sprake is van een inconsistentie bij dit onderdeel. Met betrekking tot de kenactiviteit ‘onderzoek’ stelt eiseres dat zij in de veronderstelling verkeerde dat zij geen verplichting had tot publicatie. Verder heeft zij weliswaar in het bewuste tijdvak niet gepubliceerd, maar wel in de voorgaande jaren. Ter onderbouwing heeft zij een overzicht overgelegd van haar publicaties. Zij is van mening dat haar publicaties in aantal vergelijkbaar zijn met die van haar collega’s. Wat betreft de in de beoordeling benoemde competenties stelt eiseres dat deze nooit eerder aan de orde zijn geweest. De beoordeling van deze competenties is, volgens eiseres, ook niet onderbouwd. Eiseres is van mening dat voornoemde competenties geen onderdeel kunnen uitmaken van de beoordeling.

14 De rechtbank overweegt als volgt.

Over het tijdstip/datum van de beoordeling overweegt de rechtbank dat blijkens de e-mail van 31 mei 2016, op voornoemde datum is overeengekomen dat de volgende beoordeling zes maanden later zou plaatsvinden, waarvoor eiseres blijkens de door verweerder bij het verweerschrift overgelegde afdruk van de elektronische agenda reeds in juni 2016 is uitgenodigd. Vanwege de ziekte van eiseres is het beoordelingsgesprek uitgesteld van

13 december 2016 naar 20 december 2016. Aangezien het moment van de beoordeling reeds in mei 2016 is afgesproken heeft eiseres, naar het oordeel van de rechtbank, voldoende voorbereidingstijd gehad. Voorts staat vast dat eiseres ten tijde van het beoordelingsgesprek arbeidsgeschikt was.

15. Met betrekking tot de stelling van eiseres dat prof. [naam 2] geen objectieve beoordeling zou kunnen vaststellen overweegt de rechtbank dat zij niet inziet waarom de klachten van prof. [naam 2] over eiseres zijn objectiviteit zouden beïnvloeden. Dit is de rechtbank ook niet gebleken. Bij een professioneel leidinggevende als prof. [naam 2] mag er van worden uitgegaan dat hij deze zaken kan scheiden.

16. Voor wat betreft de stelling van eiseres dat de bezwaarprocedure tegen de vorige beoordeling nog niet was afgerond, overweegt de rechtbank dat sprake is van een nieuwe beoordeling over een andere periode. Er bestond dan ook geen reden waarom verweerder had moeten wachten op de uitkomst van voornoemd bezwaar.

17. Over de beoordeling van de kernactiviteit ‘onderwijs’ overweegt de rechtbank het volgende. Aangezien eiseres in onderhavig tijdvak les heeft gegeven, ziet de rechtbank niet in waarom dit onderdeel, zoals eiseres stelt, geen deel zou kunnen uitmaken van de beoordeling. Uit het beoordelingsformulier van 13 januari 2017 volgt ook niet dat ‘onderwijs’ geen onderdeel zou uitmaken van deze beoordeling, zoals eiseres heeft betoogd.

Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat “In-class teaching” satisfactory is, maar in combinatie met de overige factoren (“interaction with colleagues was sometimes problematic”) is de totaalscore voor ‘onderwijs’: adequate. De rechtbank is van oordeel dat verweerder dit in het beoordelingsformulier van 13 januari 2017 voldoende heeft toegelicht. De rechtbank is dan ook van oordeel dat geen sprake is van een inconsistentie bij dit onderdeel, zoals eiseres heeft aangevoerd.

18. Met betrekking tot de beoordeling van de kenactiviteit ‘onderzoek’ overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank stelt vast dat eiseres in het tijdvak waar onderhavige beoordeling betrekking op heeft (wederom) geen publicaties heeft gedaan als beschreven in voornoemd UFO-functieprofiel UD. In dit verband merkt de rechtbank op dat verweerder voldoende heeft toegelicht dat de door eiseres in beroep overgelegde lijst, ten tijde hier van belang, geen relevante onderzoekspublicaties bevat. Met betrekking tot de stelling van eiseres dat zij in de veronderstelling verkeerde dat zij geen verplichting had tot publicaties, verwijst de rechtbank naar hetgeen zij dienaangaande hiervoor heeft overwogen in de zaak AWB 17/712.

19. Met betrekking tot de stelling van eiseres dat de genoemde competenties geen onderdeel kunnen uitmaken van de beoordeling, overweegt de rechtbank als volgt.

Op grond van het bepaalde in artikel 8 van het Reglement wordt de beoordeling opgemaakt ten aanzien van de aan de functie van de medewerker verbonden kernactiviteiten en competenties. Het feit dat onderhavige competenties in de vorige beoordeling (AWB 17/712) niet zijn opgenomen, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat dit in onderhavige beoordeling niet (meer) zou kunnen. De rechtbank stelt vast dat, anders dan eiseres stelt, de score van de beoordeling van de verschillende competenties door verweerder is gemotiveerd in het beoordelingsformulier.

20. Op grond van voorgaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat niet gezegd kan worden dat onderhavige beoordeling (met als eindscore: ‘onvoldoende’) op onvoldoende gronden berust.

21 De beroepen zijn ongegrond.

22 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Schreurs-van de Langemheen (voorzitter), en

mr. K.M.P. Jacobs en mr. P.H. Broier, leden, in aanwezigheid van mr. E.W. Seylhouwer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 augustus 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op: 29 augustus 2018

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.