Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:813

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
23-01-2018
Datum publicatie
26-01-2018
Zaaknummer
03/700298-17, 866209-17 (ter terechtzitting gevoegd), V.I.-zaaknr. 99-000273-24
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vier jaar gevangenisstraf voor het plegen van vijf woninginbraken, vijf pogingen daartoe en het pinnen met een gestolen bankpas. Kenmerkende modus operandi. Schakelbewijs. Recidive. Toewijzen van materiële schadevergoeding aan slachtoffers. Afwijzen vorderingen van immateriële schadevergoeding gelet op 6:101 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0085
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummers: 03/700298-17, 866209-17 (ter terechtzitting gevoegd)

V.I.-zaaknummer: 99-000273-24

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 23 januari 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens verdachte] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] ,

thans gedetineerd in PI Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard.

De verdachte wordt bijgestaan door mr. I.T.H.L. van de Bergh, advocaat, kantoorhoudende te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 9 januari 2018. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte, al dan niet samen met zijn partner:

- vijf woninginbraken heeft gepleegd,

- vijf keer geprobeerd heeft om in een woning in te breken dan wel vernielingen aan die woningen heeft aangebracht,

- heeft gepind met een gestolen bankpas,

- een imitatiewapen voorhanden heeft gehad.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier acht wettig en overtuigend dat de verdachte zich, samen met zijn partner, heeft schuldig gemaakt aan vier woninginbraken en vijf pogingen tot woninginbraak, en aan het pinnen met een gestolen bankpas. Van een vijfde woninginbraak en het voorhanden hebben van een imitatiewapen moet de verdachte wegens gebrek aan bewijs worden vrijgesproken.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er voldoende verdenking was om tot de inzet van bijzondere opsporingsbevoegdheden over te gaan. Er is sprake van dezelfde modus operandi bij alle inbraken of pogingen daartoe. De afzonderlijk tenlastegelegde inbraken moeten daarom niet afzonderlijk worden beschouwd, maar in samenhang met elkaar.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat er volgens de verdachte onvoldoende verdenking was om de inzet alsmede de verlenging van de bijzondere opsporingsbevoegdheden te rechtvaardigen. Als gevolg van die onrechtmatigheid moet alle informatie, verzameld door de inzet van die bijzondere opsporingsbevoegdheden, worden uitgesloten van het bewijs. Daarna resteert er onvoldoende bewijs om tot een bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten te komen.

Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat er per tenlastegelegd feit onvoldoende bewijs is om tot een bewezenverklaring te komen. De tenlastegelegde feiten mogen ook niet gezamenlijk worden beschouwd, waardoor via zogenoemd schakelbewijs tot een bewezenverklaring zou kunnen worden gekomen. Er is namelijk geen sprake van een zodanig specifieke methode in de afzonderlijk tenlastegelegde zaken dat al deze inbraken of pogingen daartoe aan één en dezelfde persoon moeten worden toegeschreven.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

Parketnummer 03/700298-17 1

Inleiding

In de periode van 7 juli 2017 tot en met 18 augustus 2017 worden er verschillende aangiftes gedaan van woninginbraken of pogingen daartoe. Vanaf 10 juli 2017 komen de verdachten [verdachte] en [medeverdachte] in beeld als mogelijke daders van woninginbraken. Er wordt een onderzoek gestart en er worden bijzondere opsporingsmethoden ingezet, zoals het tappen van telefoongesprekken van de verdachten en de inzet van een observatieteam en het plaatsen van een peilbaken onder de auto die [medeverdachte] in gebruik heeft. Gaandeweg het onderzoek, worden nieuwe inbraken gepleegd en breidt de verdenking tegen beide verdachten zich steeds verder uit. De rechtbank zal daarom bij het bespreken van de feiten de chronologische volgorde van opsporingshandelingen en feiten aanhouden.

7 juli 2017

Op vrijdag 7 juli 2017 treft mevrouw [slachtoffer 1] , de bewoonster van de [adres 1] te Hoensbroek , bij thuiskomst een tandenstoker aan, die tussen de deur en het deurkozijn in geklemd zit. Hiervan heeft ze een foto gemaakt en aan de politie verstrekt. Omdat ze het niet vertrouwde heeft ze melding gemaakt van de aangetroffen tandenstoker bij de politie. Zij heeft die dag om 16:00 uur de woning verlaten en is rond 18:00 uur weer thuis gekomen.2

[slachtoffer 1] heeft haar buurman [naam buurman] van de vondst van de tandenstoker in kennis gesteld. [naam buurman] heeft een bedrijf en is in het bezit van beveiligingscamera’s. Op de camerabeelden van 7 juli 2017 is te zien dat omstreeks 17:00 uur een grijze Ford Focus, model station, met opvallend lage snelheid de straat in komt rijden. [naam buurman] weet dat die auto niet van een van de buurtbewoners is. De auto verdwijnt uit het camerabeeld, maar enkele seconden later ziet hij twee personen over het trottoir in de richting van de woning op perceel [adres 1] lopen. Deze personen komen uit de richting waar de Ford uit beeld is verdwenen. Een van de personen is opvallend kleiner van postuur. Beide personen lopen vervolgens via de voortuin van perceel [adres 1] richting de voordeur. Op de beelden is niet te zien wat er bij de voordeur gebeurt. Enkele momenten later komen beide personen weer teruggelopen van de woning en lopen in de richting waar zij ook vandaan zijn gekomen. [naam buurman] verklaart dat hij vanaf dat moment zeer alert is geweest op activiteiten in de straat en met name op activiteiten bij de woning van de overbuurvrouw [slachtoffer 1] .3

10 juli 2017

[naam buurman] verklaart dat hij op 10 juli 2017 aan het werk was in zijn bedrijf en zicht had op de woningen in de straat. Omstreeks 11:20 uur zag hij een grijze Ford Focus stapvoets door de straat rijden. Het model en de kleur van deze auto kwamen overeen met de eerder door hem geziene auto. Hij is naar buiten gegaan om het kenteken te kunnen zien.

Dat betrof: [kenteken 1] .

De zoon van [naam buurman] heeft gezien dat de bijrijder van de auto uit de Focus stapte en het paadje richting de Ligtenbergstraat inloopt. De bijrijder omschrijft hij als een licht getinte man, ongeveer 1.70 meter groot, smal postuur, ongeveer 30 jaar oud, kalend en Nederlands sprekend. De vrouwelijke bestuurder en een kind blijven in de auto zitten. De vrouw is licht getint, ongeveer 30 jaar oud, flinker postuur, zwart/bruin gekleurd haar, Nederlands sprekend. De zoon van [naam buurman] ziet ook dat de man vanaf het paadje een zijpaadje inloopt, dat aan de achterzijde van de [adres 1] ligt en dat de man over de schutting kijkt van dat perceel. Samen met zijn vader [naam buurman] heeft hij de persoon aangesproken, die aangaf dat hij moest plassen. Toen [naam buurman] de man wilde vastpakken, rende deze weg en stapte weer in de auto. De man zei dat hij de politie zou gaan bellen. De auto reed weg, maar keerde tien minuten later terug in de straat. [naam buurman] verklaart dat hij op dat moment een stuk hout vastgepakt had, om zich eventueel te kunnen verdedigen. De man zei dat hij vader en zoon [naam buurman] aan het filmen was. Toen de man doorkreeg dat ook zoon [naam buurman] aan het filmen was, reed de auto snel weg.4

Op 10 juli 2017 ontvangt de meldkamer een melding van [medeverdachte] , die meldt dat haar man net ergens ging plassen en dat hij door een man werd gewurgd. [medeverdachte] belt vanaf het telefoonnummer [telefoonnummer 1] . Een man, die zich voorstelt als [verdachte] , neemt het gesprek over en vertelt dat hij in een paadje wilde plassen toen hij werd aangesproken door een man en een jongen. Hij geeft tijdens het gesprek met de meldkamer aan terug te rijden naar de straat waar het is gebeurd om de straatnaam door te geven. Het blijkt om de [adres 1] te gaan. Aan het einde van het gesprek meldt [verdachte] dat de man nu met een stuk hout voor hem staat.5

Naar aanleiding van deze gebeurtenissen wordt door de politie onderzoek verricht in de informatiesystemen. Zo blijkt de Ford Focus met het kenteken [kenteken 1] in de politiesystemen gekend wegens betrokkenheid bij woninginbraken.6 De auto blijkt op naam te staan van [naam grootmoeder medeverdachte] . Deze [naam grootmoeder medeverdachte] blijkt de grootmoeder te zijn van [medeverdachte] .7 Na controle op 12 juli 2017 blijkt de auto geparkeerd te staan voor de woning van [verdachte] en [medeverdachte] .8

8 juli 2017 tot en met 10 juli 2017 (feit 6)

Verder blijkt dan dat de heer [slachtoffer 2] op 10 juli 2017 aangifte heeft gedaan van inbraak in zijn woning aan de [adres 2] te Hoensbroek . Hij had op 8 juli 2017 zijn huis verlaten en op

10 juli 2017 is hij teruggekeerd. Bij thuiskomst zag hij zwarte vlekken op de voordeur, de cilinder van het deurslot stak uit en bij het openen van de deur viel een deel van het cilinderslot er uit. Men had een schroef in het slot gestoken en aangever vermoedt dat het slot is getrokken. Weggenomen zijn een iPad, sieraden, een fotocamera, gereedschap, een notebook en een envelop met een geldbedrag van € 700,00.9

De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij op zaterdag 8 juli 2017, tussen 16:30 uur en 17:00 uur, een zilverkleurige Ford Focus, model station met het kenteken [kenteken 1] stapvoets door de [adres 2] zag rijden. De [adres 2] is een doodlopende straat. De auto werd bestuurd door een blanke vrouw met een fors postuur, opgestoken blond haar en ongeveer 40 jaar oud. De bijrijder was een man met een licht getint uiterlijk, smal en spits gezicht, donker kort haar, en ongeveer 40 jaar oud. De auto verdween uit zicht en kwam na twintig minuten weer terug. De getuige zag dat de auto stapvoets reed en dat de man en vrouw rondkijkend en wijzend in de auto zaten. Ze leken vooral aandacht te hebben voor de woningen, waarvan de voordeur achter de berging verscholen lag.10

Uit later onderzoek in de verstrekte historische verkeersgegevens blijkt dat [verdachte] ’ gsm op

9 juli 2017 tussen 03:07 uur en 03:17 uur de mast Vaesraderbosweg te Hoensbroek aanstraalt. Om 03:08 uur en om 03:17 uur belt [verdachte] met [naam taxibedrijf] . De [adres 2] te Hoensbroek ligt in de directe nabijheid van de genoemde mastlocatie.11

7 juli 2017 tot en met 12 juli 2017 (feit 4)

Uit haar aangifte van 12 juli 2017 blijkt dat mevrouw [slachtoffer 3] slachtoffer is geworden van een inbraak in haar woning aan de [adres 3] te Heerlen . De inbraak moet hebben plaats gevonden tussen 7 juli 2017 en 12 juli 2017, toen zij op vakantie was. Bij thuiskomst zag ze dat het cilinderslot uit de voordeur was verwijderd. Ze mist sieraden, een geldkistje, een fotocamera van het merk Canon, twee draadloze ontvangers voor een modelvliegtuig, een muntenverzameling, een koffer en twee leren jassen.12

Ter hoogte van haar voordeur is op 12 juli 2017 een tandenstoker veilig gesteld.13 Aan het deel van een tandenstoker, dat ter hoogte van de voordeur was aangetroffen, is door het NFI DNA-onderzoek verricht. Als in september 2017 de resultaten van dat onderzoek binnen komen, blijkt het aangetroffen DNA op de tandenstoker te matchen met het DNA van de verdachte [verdachte] .14

Uit later onderzoek in de verstrekte historische verkeersgegevens blijkt dat [verdachte] op 8 juli 2017 om 03:20 uur gebeld heeft naar het nummer van [medeverdachte] , waarbij de mastlocatie KSG-straat te Heerlen aangestraald werd. Op 12 juli 2017 om 03:09 uur straalt de gsm met het nummer van [verdachte] ook voornoemde mastlocatie aan. De mastlocatie KSG-straat Heerlen ligt in de directe nabijheid van de [adres 3] te Heerlen .15

Er heeft sporenonderzoek plaats gevonden in de woning van mevrouw [slachtoffer 3] op 13 juli 2017. Uit dat onderzoek is niet duidelijk geworden of het cilinderslot deels uitstak of dat de slotplaat verwijderd was, waardoor het cilinderslot deels was vrij gekomen. In ieder geval concludeert de verbalisant dat de dader de voordeur heeft benaderd en met een breekvoorwerp, zoals bijvoorbeeld een steeksleutel, het cilinderslot heeft gebroken. Vervolgens heeft de dader met een voorwerp het sluitmechanisme gemanipuleerd, waarna de dader het slot heeft ontgrendeld. De dader heeft door de geopende deur de woning betreden en weer verlaten.16

Vanaf 21 juli 2017: aanvragen inzet bijzondere opsporingsbevoegdheden

Gelet op vorenstaande bevindingen is er een verdenking ontstaan dat [verdachte] en [medeverdachte] zich bezig houden met strafbare feiten. Daar komt nog bij dat er op dat moment al een onderzoek loopt naar verdachte wegens betrokkenheid bij een woninginbraak in januari 2017 te Stein. Daar is op een glasscherf in het kozijn van een ingeslagen raam bloed aangetroffen waarvan het DNA matcht met het DNA van de verdachte. Om de verdenkingen verder te onderzoeken en om een mogelijke heterdaadsituatie te creëren, wordt toestemming gevraagd om verschillende bijzondere opsporingsbevoegdheden in te zetten.

Daarna worden de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] opgevraagd van 1 januari 2017 tot en met 20 juli 2017. Met dit nummer is namelijk op

10 juli 2017 door de verdachten naar 112 gebeld. Ook wordt door de officier van justitie een bevel afgegeven tot stelstelmatige observatie van de verdachten [verdachte] en [medeverdachte] in de periode van 24 juli 2017 tot en met 21 oktober 2017. Hieronder valt tevens de inzet van een peilbaken onder de Ford Focus. Ten slotte wordt de aanvraag gedaan tot het opnemen van de telecommunicatie van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] van 26 juli 2017 tot en met

8 augustus 2017. Die aanvraag wordt op 26 juli 2017 toegewezen door de rechter-commissaris.

Vanaf 29 juli 2017: bevel tap en vordering historische verkeersgegevens [telefoonnummer 2]

Uit de tot dan toe afgeluisterde telefoongesprekken en verkregen historische verkeersgegevens blijkt dat [verdachte] gebruikt maakt van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] . [medeverdachte] wordt namelijk op het nummer [telefoonnummer 1] meermalen gebeld vanaf het nummer [telefoonnummer 2] . De gebruiker van laatstgenoemd nummer is een man, die door een verbalisant aan de stem wordt herkend als [verdachte] . Een nieuwe aanvraag wordt op 29 juli 2017 mondeling gedaan om ook dat telefoonnummer te mogen tappen van 29 juli 2017 tot en met 11 augustus 2017. Schriftelijke bevestiging van die vordering volgt op

31 juli 2017. Door de rechter-commissaris wordt deze aanvraag mondeling geaccordeerd op 29 juli 2017 en schriftelijk bevestigd op 31 juli 2017. Ook worden de historische verkeersgegevens van dit telefoonnummer op 13 juli 2017 gevorderd over de periode van

1 mei 2017 tot en met 28 juli 2017.

De rechtbank merkt op dat zij, gelet op bovenstaande bevindingen, in het hierna volgende ervan uit gaat dat het telefoonnummer [telefoonnummer 1] in gebruik is bij [medeverdachte] en het telefoonnummer [telefoonnummer 2] bij [verdachte] . Ter terechtzitting hebben zij het gebruik van deze telefoonnummers niet ontkend.

22 juli 2017 tot en met 29 juli 2017 (feit 7)

Blijkens de aangifte van [slachtoffer 4] is er tussen 22 juli 2017 en 29 juli 2017 geprobeerd om in de te breken in zijn woning aan de [adres 4] te Brunssum . De bewoners waren op vakantie. Bij thuiskomst constateerde [slachtoffer 4] dat er iets in het slot was gestoken. Men was niet de woning binnen gekomen.17

Tijdens het onderzoek aan de woning op 29 juli 2017 wordt een tandenstoker aangetroffen onderaan de voordeur tussen de deur en het kozijn. Deze wordt veiliggesteld.18 Deze tandenstoker is door het NFI onderzocht op DNA-sporen. Als in september 2017 de resultaten van dat onderzoek binnen komen, blijkt het aangetroffen DNA te matchen met het DNA van verdachte [verdachte] .19

Uit het onderzoek in de verstrekte historische verkeersgegevens blijkt dat het nummer van verdachte [verdachte] op 28 juli 2017 gedurende de nachtelijke uren verschillende telefonische contacten heeft met [naam taxibedrijf] . Het nummer van [verdachte] straalt die nacht mastlocaties in Bocholtz en Simpelveld aan, en ook in Hoensbroek. Om 04:08 uur, 04:13 uur, 04:21 uur, 04:37 uur en 04:42 uur wordt de mastlocatie Akkerweide te Hoensbroek aangestraald. Deze mastlocatie is in de directe nabijheid gelegen van de [adres 4] te Brunssum .20

3 augustus 2017: vordering machtiging openen postpakket

Uit het onderzoek is gebleken dat [medeverdachte] verschillende telefoongesprekken voerde met een medewerker van het bedrijf [naam webshop] . In deze gesprekken informeerde [medeverdachte] naar de status van de door haar bestelde producten via lockpickshop. De bestelde producten waren een cilinder eater en cilindertrekkerschroeven van 4.2 en 4.8 mm. Het bedrijf [naam webshop] blijkt een webshop te hebben via de website [naam website] . Op die site worden allerlei producten aangeboden voor het (geforceerd) openen van sloten en deuren. Verder blijkt uit de telefoongesprekken dat [medeverdachte] steeds [verdachte] op de hoogte stelt van de status van de bestelling.21

Het pakket is door de politie onderschept en in beslag genomen. De officier van justitie heeft op 3 augustus 2017 verzocht om machtiging door de rechter-commissaris om het postpakket te mogen openen en de rechter-commissaris heeft deze machtiging verstrekt op 10 augustus 2017. Uit het dossier blijkt niet of het pakket is geopend en wat er in het pakket zat.

4 augustus 2017: aanvragen verlenging bijzondere opsporingsbevoegdheden

Door de officier van justitie wordt op 4 augustus 2017 aan de rechter-commissaris machtiging verzocht om de bevelen tot het opnemen van de communicatie van de telefoonnummers [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] te mogen verlengen. De rechter-commissaris keurt dit goed. Als gevolg daarvan wordt bevolen dat het telefoonnummer van [verdachte] wordt getapt in de periode van 12 augustus 2017 tot en met 8 september 2017. De tap op het telefoonnummer van [medeverdachte] wordt verlengd van 9 augustus 2017 tot en met

5 september 2017. Bovendien vordert de officier van justitie de verstrekking van de historische verkeersgegevens van beide telefoonnummers over de genoemde periodes.

Aan genoemde vorderingen tot verlenging liggen ten grondslag de processen-verbaal van verdenking, die –sinds de oorspronkelijke vorderingen– zijn aangevuld op 3 augustus 2017.

De aanvullingen zien op de volgende onderzoeksbevindingen.

De leden van het observatieteam hebben de Ford Focus met kenteken [kenteken 1] met daarin [medeverdachte] en [verdachte] op 27 juli 2017 stapvoets zien rijden door enkele straten in de Brunssumse wijk Treebeek. In de directe nabijheid van deze straten vindt tussen 27 juli en 29 juli 2017 een woninginbraak plaats. Uit tapgesprekken blijkt dat [verdachte] zich op 29 juli 2017 omstreeks 05:45 uur laat ophalen als hij in de wijk Treebeek verblijft. Ze rijden op 27 juli 2017 ook stapvoets door een paar straten van Simpelveld. Ook in de directe nabijheid van die straten vindt vervolgens tussen 29 juli en 30 juli 2017 een inbraak plaats. De politie vermoedt dat er overdag sprake is van voorverkenningen.

Ook is gebleken uit tapgesprekken en mastgegevens dat [verdachte] in de avonduren door [medeverdachte] met de auto ergens wordt afgezet en dat [verdachte] vervolgens in de late avond en nacht inbraken pleegt. Vanwege de vakantieperiode houdt de politie er rekening mee dat nog niet alle inbraken zijn ontdekt. Op 31 juli 2017 laat [verdachte] zich om 03:28 uur ophalen in Oirsbeek. Ook in de daaropvolgende nachten laat [verdachte] zich ophalen door ofwel [medeverdachte] ofwel door een man die hij [naam taxichauffeur] noemt en die zich aan de telefoon meldt met [naam taxibedrijf] .

Voorts is gebleken dat de webshop [naam website] is bezocht en dat [medeverdachte] schroeven en een HPC cilinder eater heeft besteld. [verdachte] informeert blijkens de getapte gesprekken regelmatig bij [medeverdachte] of de goederen al zijn aangekomen.

Ten slotte wordt benoemd dat op 2 augustus 2017 om 05:30 uur een telefoongesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte] plaats vindt, waarin [verdachte] aan [medeverdachte] de opdracht geeft om hem een tas te brengen met een schroevendraaier.

28 juli 2017 tot en met 4 augustus 2017 (feit 5)

Uit de aangifte van [slachtoffer 5] blijkt dat er tussen 28 juli 2017 en 4 augustus 2017 is ingebroken in zijn woning aan de [adres 5] te Hoensbroek . De bewoners waren op vakantie. De schoonouders van [slachtoffer 5] zijn op 31 juli 2017 en op 2 augustus 2017 nog beneden in de woning geweest. Zij zijn toen binnen gekomen via de achterdeur. Bij thuiskomst op

4 augustus 2017 constateerde [slachtoffer 5] dat het slot van de voordeur los was: bij het in het slot steken van de sleutel werd een gedeelte van de cilinder uit het slot getrokken. Aan de binnenzijde van de voordeur bleken schroeven en het andere deel van de cilinder op de grond te liggen. De slaapkamers op de bovenverdieping waren doorzocht. [slachtoffer 5] mist een kluis. Deze kluis was met kracht uit de kledingkast losgerukt. In de kluis zaten het trouwboekje, het geboorteboekje van zijn dochter, een videoband van de bruiloft, een sleutelbos met vijftien sleutels en € 600,00 verdeeld over twee spaarpotten. Ten slotte mist [slachtoffer 5] een zilveren kinderring.22

In de woning van [slachtoffer 5] vindt op 5 augustus 2017 forensisch sporenonderzoek plaats. Op basis van het ingestelde onderzoek concludeert de verbalisant dat de voordeur door de dader werd benaderd via de openbare weg. Door een schroef in het cilinderslot te draaien en te trekken, werd het cilinderslot in tweeën getrokken en werd de voordeur met een schroevendraaier, bouwsleutel of ander voorwerp geopend. De afgebroken buitencilinder werd weer teruggeplaatst, zodat de braak vanaf de openbare weg niet opviel. Via de voordeur werd vervolgens de woning betreden en na doorzoeking ook weer verlaten.23

Zoals reeds vermeld werd er op dat moment onderzoek gedaan naar historische verkeersgegevens van de telefoonnummers van de verdachten [verdachte] en [medeverdachte] en werden die telefoonnummers ook getapt. Uit de mastgegevens blijkt dat [verdachte] op 2 augustus 2017 om 04:39 uur, 04:49 uur en 05:28 uur contact heeft met [naam taxibedrijf] . Zijn telefoonnummer straalt dan de mast Economiestraat te Hoensbroek aan. De Overbroekerstraat te Hoensbroek ligt binnen het gebied van die telefoonmast. Uit de getapte gesprekken blijkt dat twee gesprekken gaan over de locatie waar [naam taxibedrijf] [verdachte] moet ophalen. In het derde gesprek, om 05:28 uur, geeft [verdachte] aan [naam taxibedrijf] opdracht om zijn vriendin te bellen en te zeggen dat zij de tas moet brengen en dat zij [verdachte] moet bellen. Om 05:30 uur en 05:45 uur vinden er dan inderdaad telefoongesprekken tussen [verdachte] en [medeverdachte] plaats. Het telefoonnummer van [verdachte] maakt bij die beide gesprekken weer gebruik van de mast Economiestraat te Hoensbroek. Tijdens het gesprek om 05:45 uur straalt het nummer van [medeverdachte] de mast aan de Klinkertstraat te Hoensbroek aan. De [adres 5] te Hoensbroek ligt ook binnen het bereik van deze mast. In het eerste gesprek geeft [verdachte] aan [medeverdachte] opdracht om hem een zwarte tas met schroevendraaier te brengen. In het tweede gesprek wordt gesproken over waar [medeverdachte] moet stoppen.

Vervolgens worden er op 3 augustus 2017, daags na de inbraak, twee telefoongesprekken opgenomen tussen [medeverdachte] en twee banken: zij informeert bij de SNS-bank en GWK Travelex te Heerlen naar de mogelijkheid om een spaarpot vol met kleingeld in te leveren.24

6 augustus 2017 (feit 1)

Blijkens de aangifte door mevrouw [slachtoffer 6] is op 6 augustus 2017 omstreeks 06:50 uur geprobeerd om in te breken in haar woning aan de [adres 6] te Brunssum . [slachtoffer 6] heeft verklaard dat zij op genoemd tijdstip een geluid bij haar voordeur hoorde. Ze is gaan kijken en heeft de voordeur van binnenuit geopend. Een onbekende man stond toen voor haar. Hij stond iets voorover gebukt. Ze schrok en ook de man schrok zichtbaar. Ze wilde de deur verder opentrekken, maar de man trok de deur met kracht dicht. Een gebroken deel van de slotcilinder van de voordeur viel toen aan de binnenzijde naar binnen, waardoor de voordeur niet meer geopend kon worden. Voordat de man van [slachtoffer 6] via de achterzijde van de woning de straat had bereikt, was de onbekende man al verdwenen.

Als signalement geeft [slachtoffer 6] op: een man, licht getint, rond de veertig jaar oud, met een spits gezicht. Een grimmig muizengezicht verduidelijkt ze, zonder snor of baard. Geen bril en geen zichtbare tatoeages. Zijn donkere haar was heel kort geknipt of geschoren. De man was tenger. De lengte van de man kan ze moeilijk bepalen, omdat hij voorover gebukt stond. Ze vermoedt echter dat de man groter is dan zij zelf. Zij is 1.70 meter.25

Op 6 augustus 2017 wordt sporenonderzoek in de woning van [slachtoffer 6] verricht. Op basis van dit sporenonderzoek verklaart de verbalisant over de modus operandi dat de voordeur van de woning via de openbare weg werd benaderd. Er waren geen sporen op de schildplaat aanwezig en daarom vermoedt de verbalisant dat de cilinder van de voordeur met een slotentrekker in tweeën is gebroken. Door voornoemde handelingen werd de bewoonster wakker en zij heeft de dader op heterdaad betrapt. Volgens de bewoonster waren de rolluiken aan de voorzijde van de bovenverdieping gesloten in verband met straatwerkzaamheden. Mogelijk heeft de dader daardoor gedacht dat de bewoners op vakantie waren.26

Uit de ingezette bijzondere opsporingsbevoegdheden blijkt het volgende. Op 6 augustus 2017 vond er omstreeks 06:32 uur een telefoongesprek plaats tussen [verdachte] en [medeverdachte] . Beide nummers stralen op dat moment een mast aan de Akerweide te Hoensbroek aan. De [adres 6] te Brunssum ligt binnen het gebied van diezelfde mast. De inhoud van het telefoongesprek is getapt. Het gesprek gaat over waar [medeverdachte] is en of ze moet komen of daar kan blijven staan. Het peilbaken, geplaatst onder de Ford Focus met het kenteken

[kenteken 1] , werd op 6 augustus 2017 op verschillende tijdstippen uitgepeild in de directe omgeving van de [adres 6] te Brunssum .27

11 augustus 2017 (feit 2)

[slachtoffer 7] heeft op 16 augustus 2017 aangifte gedaan van inbraak in zijn woning aan de [adres 7] te Brunssum . De inbraak heeft op 11 augustus 2017 plaats gevonden. Toen was [slachtoffer 7] op vakantie. De buurvrouw, mevrouw [naam buurvrouw] , heeft op 11 augustus 2017 omstreeks 06:50 uur de politie gebeld, nadat zij verdachte geluiden had gehoord en na controle had geconstateerd dat de cilinder van het slot uit de voordeur was weggenomen.

Met name op de eerste verdieping was alles overhoop gehaald en was de inhoud van kasten doorzocht. [slachtoffer 7] mist echter enkel een sleutel, waarmee alle deuren op de benedenverdieping geopend kunnen worden. De woning is voorzien van bewakingscamera’s en uit de beelden daarvan blijkt dat op vrijdag 11 augustus 2017, omstreeks 06:30 uur, een persoon naar de voordeur loopt en via de voordeur naar binnen gaat. Ook is te zien dat de politie arriveert en op de oprit van de woning een gesprek met de buurvrouw voert. Op de camerabeelden is te zien dat de dader dan nog in de woning is. Zichtbaar is hoe hij vanachter het gordijn naar buiten gluurt. Op enig moment wordt het rolluik aan de achterzijde van de woning omhoog gehaald en verlaat de dader de woning met behulp van de sleutel van de achterdeur. [slachtoffer 7] omschrijft de dader als volgt: een man, in zwart gekleed, petje en handschoenen, mogelijk niet al te groot. De camerabeelden heeft [slachtoffer 7] vrijwillig ter beschikking van het onderzoek gesteld.28 Op die beelden herkent verbalisant [verbalisant] de verdachte [verdachte] als de dader. De verbalisant is ambtshalve in contact geweest met [verdachte] .29

In de woning van [slachtoffer 7] is sporenonderzoek verricht. Op basis van dit onderzoek concludeert de verbalisant dat de dader het rozetplaatje van de slotcilinder van de voordeur heeft verwijderd en de slotcilinder heeft gebroken. De dader is de woning binnen gegaan en heeft op enig moment de achterdeur naar het terras geopend. Waar de dader de woning heeft verlaten, wordt uit het sporenonderzoek niet duidelijk.30

Uit onderzoek aan de historische verkeersgegevens is gebleken dat er op 11 augustus 2017 omstreeks 05:24 uur en omstreeks 05:27 uur een telefoongesprek plaatsvond tussen [verdachte] en [medeverdachte] . Beide telefoonnummers straalden op het moment van de telefoongesprekken de mast Nicolaes Maesstraat 1 te Brunssum aan. De [adres 7] te Brunssum valt ook binnen het gebied van deze mast. Beide gesprekken zijn getapt door het onderzoeksteam.

Om 05:24 uur vraagt [verdachte] aan [medeverdachte] waar ze is en legt zij hem dit uit. Tijdens het gesprek om 05:27 uur vraagt [medeverdachte] waar [verdachte] blijft. [verdachte] zegt: “he als ik door jou vastzit dan vermoord ik je meisje” en “je kan toch niet zo ver gaan staan”. Verder wordt er over en weer gescholden als blijkt dat er een misverstand is over waar ze elkaar treffen.

Ten slotte werd het peilbaken, geplaatst onder de Ford Focus met het kenteken [kenteken 1] , op vrijdag 11 augustus 2017 op verschillende tijdstippen tussen 04:46 uur en 05:35 uur en tussen 6:28 uur en 07:06 uur uitgepeild in de directe omgeving van de [adres 7] te Brunssum .31

12 augustus 2017 tot en met 14 augustus 2017 (feit 3)

Blijkens de aangifte van [slachtoffer 8] en zijn aanvulling daarop, is er tussen 12 augustus 2017 en 14 augustus 2017 ingebroken in zijn woning aan de [adres 8] te Doenrade . Hij mist verschillende sieraden, handschoenen en een kluis met inhoud. Die kluis was verankerd met bouten in de bodem van een bergkast op de eerste verdieping. [slachtoffer 8] was op vakantie ten tijde van de inbraak.32 Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij op maandag 14 augustus 2017, omstreeks 06:20 uur, wakker werd van gestommel bij de buren op huisnummer [adres 8] . Hij wist dat de buren op vakantie waren. Hij heeft vervolgens naar buiten gekeken en zag een persoon op de oprit van huisnummer [adres 8] lopen richting een aankomende auto. [getuige 2] zag dat de persoon een kluis in zijn handen had en deze in de auto plaatste. Vervolgens stapte de persoon in de auto en reed deze weg in de richting van Merkelbeek. De persoon omschrijft hij als ongeveer 40 jaar oud, kaal hoofd, slank postuur en ongeveer 1.80 meter groot. Hij droeg donkere dikke handschoenen. De personenauto was een grijze Ford Focus met het kenteken [kenteken 1] .33

In de woning van [slachtoffer 8] is op 14 augustus 2017 sporenonderzoek gedaan. Op basis van dat onderzoek stellen de verbalisanten met betrekking tot de modus operandi dat de dader de woning aan de voorzijde heeft benaderd. De dader heeft met een onbekend werktuig mogelijk een schroef in het cilinderslot van de voordeur gedraaid. Vervolgens heeft de dader met mogelijk een slotentrekker of een deukentrekker het buitendeel van het cilinderslot uit de deur getrokken. De dader heeft het slot gemanipuleerd, de deur geopend en zich zo de toegang tot de woning verschaft. Het afgebroken deel van het cilinderslot werd door de dader weer terug in het slot geduwd om mogelijk geen argwaan te wekken bij eventuele passanten. De dader heeft de benedenverdieping ongemoeid gelaten, maar heeft de bovenverdieping vrij grof doorzocht. Met behulp van een breekijzer en een stootijzer heeft de dader de verankerde kluis los gebroken. Het breekijzer en het stootijzer zijn aangetroffen en uit telefonisch contact met de aangever is gebleken dat die werktuigen niet van hem waren.34

Uit de ingezette bijzondere opsporingsbevoegdheden blijkt het volgende.

Op maandag 14 augustus 2017 vond omstreeks 06:18 uur en omstreeks 06:19 uur een telefoongesprek plaats tussen [verdachte] en [medeverdachte] . Beide telefoonnummers straalden tijdens die gesprekken de mast Valderensweg te Doenrade aan. De Beekstraat te Doenrade valt ook binnen het gebied van die mast. Uit de inhoud van de gesprekken blijkt dat [verdachte] aan [medeverdachte] vraagt om hem zo dichtbij mogelijk op te halen. In het tweede gesprek zegt [verdachte] dat [medeverdachte] op de oprit bij die mensen voor de deur moet parkeren. Als [medeverdachte] dit niet wil, zegt [verdachte] dat ze hem moet vertrouwen. Daarop zegt [medeverdachte] dat ze nu komt.

Ten slotte blijkt uit de gegevens van het peilbaken dat de Ford Focus met het kenteken

[kenteken 1] op 14 augustus 2017 op verschillende tijdstippen in de directe omgeving van de [adres 8] te Doenrade was. Opvallend is dat de auto een uur na de inbraak weer in de directe omgeving van de Beekstraat te Doenrade is, maar na drie minuten weer wegrijdt. Aangezien er inbrekerswerktuig is achter gebleven, vermoedt de politie dat men dit nog wilde ophalen maar de politie toen al ingeschakeld was door de getuige [getuige 2] .35

14 augustus 2017 (feit 10)

Tijdens de inbraak bij [slachtoffer 8] is, zoals gezegd, een kluis buit gemaakt. In die kluis bevond zich ook een bankpas met pasnummer 005 van bankrekening

[bankrekeningnummer 1] en een briefje met daarop de pincode van die bankpas.

[slachtoffer 8] heeft de Rabobank onderzoek laten doen naar de pintransacties met de gestolen bankpas en daaruit bleek dat op 14 augustus 2017, omstreeks 08:56 uur, bij de pinautomaat gelegen op de Doctor Erensstraat 6 te Valkenburg aan de Geul een geldbedrag van € 350,00 met deze pas is gepind.36

De camerabeelden van deze transactie zijn door de officier van justitie gevorderd en op deze beelden is de persoon zichtbaar die de transactie met de gestolen pas uitvoert. De persoon draagt een grijze gewatteerde jas met opvallende zwarte mouwboorden. Tijdens de doorzoeking van de woning van [verdachte] en [medeverdachte] is een soortgelijke jas aangetroffen, die qua kleur en vormgeving overeenkomt met de jas die door de pinnende persoon gedragen wordt. Ook valt op dat de persoon kijkt naar een wit voorwerp. Dat voorwerp lijkt op een briefje.37 Uit de gegevens van het peilbaken blijkt dat de Ford Focus met het kenteken [kenteken 1] zich op maandag 14 augustus 2017 om 08:54:43 uur op de Sint Pietersstraat te Valkenburg bevond. Dit is in de directe nabijheid van de pinautomaat, waar tussen 08:55 uur en 08:56 uur de transactie met de gestolen pinpas plaats vond.38

14 augustus 2017 tot en met 16 augustus 2017 (feit 9)

Blijkens de aangifte van [slachtoffer 9] op 23 september 2017, is tussen 14 augustus 2017 en 16 augustus 2017 geprobeerd om in te breken in haar woning aan de [adres 9] te Heerlen. Zij was toen op vakantie. Op 16 augustus 2017 had haar zoon geconstateerd dat er iets met het cilinderslot aan de voordeur was, omdat hij de sleutel niet in het slot kreeg. De zoon had gezien dat er een soort afgebroken boortje in het cilinderslot zat. Het slot zat wel nog in de deur. Niemand is echter in de woning geweest en er is niets weggenomen.39

Uit de ingezette bijzondere opsporingsbevoegdheden blijkt het volgende. Het observatieteam doet op donderdag 17 augustus 2017 enkele waarnemingen in de nabije omgeving van de [adres 9] . Eerst zien ze om 03:58 uur [verdachte] lopen met een telefoon aan zijn oor. Ook zien ze de Ford Focus met het kenteken [kenteken 1] omstreeks 04:01 uur rijden. Op dat moment zit alleen een vrouw in de auto. Ze zien dat de auto stopt om 04:02 uur en om 04:03 uur weer wegrijdt. Om 04:05 uur ziet het observatieteam dat [verdachte] als bijrijder in de auto zit.40 Het observatieteam heeft [verdachte] dus omstreeks 03:58 uur met een telefoon aan zijn oor gezien. Blijkens de mastgegevens heeft er om die tijd een telefoongesprek plaatsgevonden tussen [verdachte] en [medeverdachte] . Het telefoonnummer van [verdachte] straalt dan de mast Unescostraat te Heerlen aan en het nummer van [medeverdachte] de mast Emmaweg te Brunssum. Omstreeks 04:00 uur vindt tussen beiden een tweede telefoongesprek plaats. Beide telefoonnummers stralen dan dezelfde masten aan als tijdens het eerste gesprek. De [adres 9] is gelegen binnen het gebied van de mast Unescostraat te Heerlen. De twee telefoongesprekken zijn getapt. Uit deze gesprekken blijkt dat [verdachte] en [medeverdachte] met elkaar op fluistertoon bespreken waar [medeverdachte] [verdachte] moet ophalen. Uit de gegevens van het peilbaken onder de Ford Focus met kenteken [kenteken 1] blijkt dat de auto op 17 augustus 2017 op verschillende tijdstippen werd uit gepeild in de omgeving van de [adres 9] .41

Overigens is dezelfde Ford Focus ook op 15 augustus 2017, omstreeks 9:50 uur en omstreeks 20:41 uur, en op 16 augustus 2017 omstreeks 04:35 uur uitgepeild in de directe omgeving van de [adres 9] te Heerlen.42

15 augustus 2017 tot en met 18 augustus 2017 (feit 8)

Uit het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 10] blijkt dat tussen 15 augustus 2017 en 21 augustus 2017 geprobeerd is om in te breken in haar woning aan de [adres 10] te Brunssum. Bij thuiskomst na haar vakantie zag [slachtoffer 10] dat het cilinderslot van de voordeur was afgebroken en gedeeltelijk was verdwenen. Ook zag ze een afgebroken gedeelte van een tandenstoker tussen het kozijn en de voordeur zitten.43

Door de politie is op 22 augustus 2017 sporenonderzoek in de woning van [slachtoffer 10] verricht. Op basis van dat onderzoek stelt de verbalisant over de modus operandi dat de dader de woning aan de voorzijde heeft benaderd. Hij heeft mogelijk een schroef in het cilinderslot gedraaid en heeft vervolgens met een werktuig, mogelijk een slotentrekker, het cilinderslot overgetrokken. De dader heeft het slot niet verder gemanipuleerd om de voordeur te kunnen openen.44 Het bleek niet mogelijk om de tandenstoker op DNA te onderzoeken, omdat de DNA-concentratie van het monster te laag werd bevonden.

Uit de ingezette bijzondere opsporingsbevoegdheden blijkt het volgende. Het observatieteam ziet dat [verdachte] op donderdag 17 augustus 2017 omstreeks 03:29 uur vanaf de bijrijderskant uit de Ford Focus met het kenteken [kenteken 1] stapt. De auto staat dan op de hoek van de Kruisbergstraat met de Haansberg te Brunssum. Vervolgens zien ze [verdachte] omstreeks 03:33 uur in een haag, behorend tot de woning Karel Doormanstraat 46 te Brunssum, liggen. Beide locaties liggen op een steenworp afstand van de [adres 10] Brunssum. Daarna zien ze [verdachte] in versnelde pas de Karel Doornmanstraat oversteken. Om 03:43 uur ziet het team dat de Ford Focus met het kenteken [kenteken 1] stopt op de hoek van de Kruisbergstraat met de Haansberg te Brunssum. Ze zien [verdachte] vanuit de bosschage langs de Karel Doormanstraat naar de Ford Focus lopen, die enkele momenten later wegrijdt. Op 17 augustus 2017 vond, blijkens de mastgegevens, omstreeks 03:36 uur een telefoongesprek plaats tussen [verdachte] en [medeverdachte] . Het nummer van [verdachte] straalde op dat moment de mast Emmaweg te Brunssum aan en dat van [medeverdachte] de mast Professor Tinbergenlaan te Hoensbroek. Omstreeks 03:39 uur vond er weer een telefoongesprek plaats tussen [verdachte] en [medeverdachte] . Beide nummers stralen dan de mast Emmaweg te Brunssum aan. De [adres 10] valt binnen het gebied van deze telefoonmast. De twee genoemde gesprekken zijn door het opsporingsteam getapt. Uit de inhoud van deze gesprekken blijkt dat [verdachte] op fluistertoon bij [medeverdachte] informeert hoe lang het duurt voordat ze daar is. Uit de gegevens van het peilbaken blijkt dat de Ford Focus met het kenteken [kenteken 1] op donderdag 17 augustus 2017 op verschillende tijdstippen tussen 03:25 uur en 03:44 uur wordt uitgepeild in de directe omgeving van de [adres 10] .45 Verder blijkt uit de gegevens van het peilbaken dat de Ford Focus ook op 15 augustus 2017, omstreeks 09:43 uur en 20:27 uur, en op 16 augustus 2017, omstreeks 05:09 uur, 05:10 uur en 05:49 uur, op de [adres 10] in Brunssum is dan wel in de directe omgeving van die straat.46

18 augustus (inval/feit 11)

Na deze periode van intensief onderzoek wordt bij de rechter-commissaris een aanvraag gedaan tot doorzoeking van de woning van [verdachte] en [medeverdachte] aan de [adresgegevens verdachte] en door de rechter-commissaris toegewezen.47 De doorzoeking vindt op

18 augustus 2017 plaats onder leiding van de rechter-commissaris. Direct daaraan voorafgaand worden [verdachte] en [medeverdachte] op 18 augustus 2017 buiten heterdaad aangehouden op bevel van de officier van justitie.

Tijdens de doorzoeking in de woning van [verdachte] en [medeverdachte] is onder andere aangetroffen:

- een zwart buideltasje met inbrekerswerktuig en handschoenen in het traphalletje onder de kapstok;

- divers gereedschap in de babykamer, waaronder een slotentrekker;

- een zwarte bivakmuts;

- een airgun van het merk Swiss Arms in een kastje op de ouderslaapkamer.48

Ook de Ford Focus met het kenteken [kenteken 1] , die voor de woning staat, wordt doorzocht. Hierin wordt onder andere aangetroffen:

- een klein doorzichtig plastic zakje met daarin een cilindertrekkerschroef onder de bijrijdersstoel;

- een zwarte bivakmuts achter de bijrijdersstoel;

- een platte schroevendraaier onder de bestuurdersstoel;

- een zwarte handschoen in het vak van het bestuurdersportier;

- een papier van A4-formaat met daarop in het paars geschreven aantekeningen in het vak van het bestuurdersportier.49

Gelet op de aard en inhoud van de aantekeningen, te weten de vermelding van onder andere enkele plaatsnamen in Zuid-Limburg en de beoordelingen ‘ok’, ‘goed’ en ‘zeker’, heeft de politie het sterke vermoeden dat die aantekeningen een geheugensteun zijn op welke locaties een voorverkenning heeft plaatsgevonden en welke locaties geschikt zijn bevonden om in te breken.50

Onderzoekshandelingen na de aanhoudingen

Gebruik Ford Focus met het kenteken [kenteken 1]

[naam grootmoeder medeverdachte] is als getuige verhoord en verklaart over de Ford Focus dat zij de auto sinds 22 september 2016 op naam heeft. Sinds die datum gebruikt haar kleindochter [medeverdachte] de auto. [verdachte] heeft de auto gekocht, maar [verdachte] en [medeverdachte] konden de onderhoudskosten niet betalen. Daarom heeft [naam grootmoeder medeverdachte] de auto op haar naam gezet en betaalt zij de wegenbelasting en de verzekering. Ze heeft afgesproken met [medeverdachte] dat alleen [medeverdachte] in de auto mag rijden.51

Gebruik diensten [naam taxibedrijf]

Uit de mastgegevens en getapte gesprekken is gebleken dat [verdachte] vaak gebruik maakt van de diensten van [naam taxibedrijf] en daartoe belt met ene [naam taxichauffeur] op het nummer [telefoonnummer 3] .

De eigenaar van [naam taxibedrijf] is [naam eigenaar taxibedrijf] en hij is als getuige gehoord. Hij heeft verklaard dat hij personeel heeft, maar in de nachtelijke uren doordeweeks zelf rijdt. Hij wordt heel vaak [naam taxichauffeur] genoemd, omdat mensen hem verwarren met zijn eeneiige tweelingbroer. Hij bevestigt dat [verdachte] wel eens gebruik maakt van zijn diensten. Ook bevestigt hij dat [verdachte] hem wel eens vraagt om zijn vriendin te bellen en namens [verdachte] iets door te geven. Hij moet [verdachte] meestal ergens op een hoek afzetten, in plaats van op een specifiek adres. [verdachte] had vaak een zwarte rugtas bij zich. Over de specifieke ritten weet hij zich niet veel te herinneren, omdat hij veel ritten voor [verdachte] gedaan heeft.52

Over het stootijzer

[getuige 3] kent [verdachte] . Volgens [getuige 3] houdt [verdachte] zich bezig met inbreken bij mensen die op vakantie zijn. Hij verklaart verder dat hij zijn stootstang aan [verdachte] heeft uitgeleend. Als hem een foto wordt getoond van het stootijzer, dat op 14 augustus 2017 in de woning van [slachtoffer 8] in beslag is genomen, verklaart hij dat voorwerp te herkennen als zijn eigendom. Hij herkent het aan een schaafplek op de kop.53 De rechtbank concludeert dat het in de woning van [slachtoffer 8] aangetroffen stootijzer de door [getuige 3] aan [verdachte] uitgeleende stootstang is.

Strafrechtelijke betrokkenheid verdachten [verdachte] en [medeverdachte]

Op basis van het hiervoor geschetste onderzoek heeft de officier van justitie elf strafbare feiten aan [verdachte] tenlastegelegd: vijf woninginbraken, vijf pogingen daartoe en het pinnen met een gestolen bankpas. Ook wordt hem het voorhanden hebben van een imitatiewapen aangerekend. [medeverdachte] is het medeplegen van enkele van die feiten tenlastegelegd en subsidiair medeplichtigheid. De rechtbank heeft de taak om te beoordelen of één of meer van de tenlastegelegde feiten bewezen kunnen worden verklaard. Dat de inbraken of de pogingen daartoe daadwerkelijk hebben plaats gevonden, op de wijze zoals die naar voren komt uit de reeds genoemde bewijsmiddelen, staat genoegzaam vast. Het komt er nu op aan of ook vastgesteld kan worden dat [verdachte] en [medeverdachte] zich hebben schuldig gemaakt aan deze vermogensdelicten.

Rechtmatigheid inzet bijzondere opsporingsbevoegdheden

De verdediging heeft betwist dat er voldoende verdenking bestond om de inzet van de bijzondere opsporingsbevoegdheden te rechtvaardigen. Ook de verlenging van de bijzondere opsporingsbevoegdheden is ter discussie gesteld. Alle onderzoeksresultaten van deze bijzondere opsporingsbevoegdheden zouden moeten worden uitgesloten van het bewijs.

De rechtbank overweegt als volgt. Blijkens de relevante wetsartikelen is stelselmatig observeren toegestaan in geval van verdenking van een misdrijf. Onder stelselmatig observeren valt ook het plaatsen van het peilbaken. Het vorderen van gegevens over een gebruiker van een communicatiedienst en het communicatieverkeer met betrekking tot die gebruiker is toegestaan in geval van een verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Ook het opnemen van telecommunicatie vereist een dergelijke verdenking, met als bijkomende eis dat het misdrijf, gezien zijn aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven, een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert. Bovendien is machtiging door de rechter-commissaris vereist.

Uit artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering blijkt dat het moet gaan om de verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren of meer is gesteld. Woninginbraken vallen onder deze omschrijving. De rechtbank is van oordeel dat het plegen van meerdere woninginbraken in de vakantieperiode en gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd een voldoende ernstige inbreuk op de rechtsorde levert om de inzet van de middelen te rechtvaardigen. Dit laatste geldt, zoals gezegd, als extra vereiste voor het opnemen van telecommunicatie.

Ook de vraag of er sprake was van voldoende verdenking, beantwoordt de rechtbank bevestigend. De hierboven geschetste tijdlijn laat duidelijk zien door welke bevindingen de verdachten de verdenking op zich hebben geladen dat zij zich bezig hielden met woninginbraken. Op basis van die bevindingen, in onderlinge samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat zowel de officier van justitie als de rechter-commissaris in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het inzetten van de onderscheiden opsporingsbevoegdheden. De rechtbank constateert verder dat deze verdenkingen zich gedurende het onderzoek alleen maar versterkt hebben en dat daarom ten tijde van de gevorderde verlenging ook sprake was van voldoende verdenking.

Het verweer wordt dan ook verworpen.

De rechtbank stelt op basis van de gegevens uit het peilbaken, de historische verkeersgegevens, de inhoud van de tapgesprekken en de bevindingen van het observatieteam voor elke tenlastegelegde inbraak of poging daartoe vast dat [verdachte] en [medeverdachte] zich steeds in de buurt hebben bevonden van de plaats delict. Dat alleen maakt hen uiteraard nog niet tot daders.

Schakelbewijs

Volgens de officier van justitie moet het totale beeld, zoals dat uit het onderzoek Turkoois naar voren komt, bij de bewijsvraag van de afzonderlijke feiten worden betrokken. De verdediging heeft zich juist op het standpunt gesteld dat bij elk strafbaar feit afzonderlijk moet worden beoordeeld of er sprake is van voldoende bewijs om tot een bewezenverklaring te komen, omdat er geen sprake is van een kenmerkende modus operandi.

De rechtbank overweegt dat -volgens jurisprudentie van de Hoge Raad54- met de term schakelbewijs een bewijsvoering wordt aangeduid, waarbij voor de bewezenverklaring van een feit mede redengevend wordt geacht de uit één of meer bewijsmiddelen blijkende omstandigheid dat de verdachte bij één of meer andere strafbare feiten betrokken was. Daarbij is ten minste vereist dat de wijze (het complex van gedragingen) waarop de onderscheidene feiten zijn begaan op essentiële punten overeenkomt. Geen steun in het recht vindt de opvatting dat voor een dergelijke bewijsvoering moet worden vastgesteld dat tot de bewezenverklaring van in elk geval één van de feiten kan worden gekomen zonder dat daarvoor mede bewijsmiddelen worden gebezigd die betrekking hebben op een ander feit.

Vereist is wel dat de rechter het gebruik van schakelbewijs nauwkeurig toelicht in een nadere bewijsoverweging en uitlegt dat en waarom sprake is van een bepaald patroon dat vanwege zijn specifieke elementen (tevens) een samenstellend deel kan vormen van de bewijsconstructie ten aanzien van de afzonderlijke feiten.

Modus operandi

Bij een gelijke modus operandi is het dus mogelijk om het bewijs voor de verschillende tenlastegelegde feiten niet apart te beoordelen maar juist in onderlinge samenhang. De rechtbank is van oordeel dat uit vorenstaande tijdlijn volgt dat de inbraken allemaal binnen een relatief korte periode, namelijk in de periode van de zomervakantie voor de regio Zuid, plaatsvonden en dat de daders een specifiek patroon volgden.

Kijkend naar de aangiftes en het sporenonderzoek, zoals hiervoor gedetailleerd is weergegeven, valt op dat de methode waarmee de woning wordt binnengedrongen steeds gelijk is. Er wordt iets in het cilinderslot van de voordeur gedraaid en vervolgens wordt het cilinderslot getrokken waardoor het slot in tweeën breekt. Deze veel voorkomende inbraakmethode staat ook wel bekend als de Bulgaarse methode. Op het eerste gezicht lijkt deze methode dan ook weinig specifiek voor het handelen van een specifieke dader, maar in de onderhavige zaken is er meer. Zo is telkens het slot van de voordeur getrokken en is een deel van het slot aan de buitenzijde van de voordeur teruggeplaatst, mogelijk om naar de buitenwereld toe geen argwaan te wekken. Ook is bij de feiten, waarin het niet bij een poging is gebleven, steeds de bovenverdieping doorzocht en de benedenverdieping ogenschijnlijk ongemoeid gelaten.

Tijdens de doorzoeking in de woning van [verdachte] en [medeverdachte] is in de babykamer een slotentrekker aangetroffen. In een buideltasje in het traphalletje zijn verschillende inbrekerswerktuigen gevonden, zoals een zaklamp, schroevendraaiers, een loper en een handschoen. Ook is uit de tapgegevens gebleken dat door [medeverdachte] een zogenaamde cilinder eater en trekschroeven in twee maten zijn besteld. [verdachte] heeft zich ten aanzien van de bestelling op zijn zwijgrecht beroepen, zowel bij de politie als ter terechtzitting.

De modus operandi in onderhavige zaken kan nog specifieker gedefinieerd worden, wanneer de rechtbank ook de voorfase en de vluchtfase erbij betrekt. Gelet op de aangetroffen tandenstokers die tussen het kozijn gestoken worden, is er sprake van voorverkenningen. In twee van de drie gevallen waarin tandenstokers zijn aangetroffen, blijkt er sprake te zijn van een DNA-match met [verdachte] . In het andere geval (het incident op de [adres 1] ) blijkt uit de samenhang tussen camerabeelden en getuigenverklaringen dat [verdachte] aangewezen kan worden als de persoon die een tandenstoker tussen de deur en het kozijn op de [adres 1] heeft gestoken. Overigens blijkt uit het vonnis met parketnummer 03/700672-13, in welke zaak thans de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt gevorderd, dat [verdachte] inderdaad tandenstokers gebruikt om te zien of de bewoners van een woning met vakantie zijn. In dat vonnis is trouwens ook sprake van de Bulgaarse methode om woningen binnen te dringen.

[verdachte] heeft ter terechtzitting verklaard dat hij tandenstokers gebruikt en op straat weggooit, waardoor deze gebruikte tandenstokers mogelijk op de plaatsen delict zijn gekomen. Ook zou hij aan andere personen zijn gebruikte tandenstokers hebben aangeboden. Dit laatste acht de rechtbank op zichzelf al hoogst onaannemelijk. Wat daar echter verder ook van zij, de rechtbank acht in het licht van vorenstaande bevindingen –in onderlinge samenhang beschouwd– bewezen dat [verdachte] verantwoordelijk was voor het achterlaten van de aangetroffen tandenstokers en daarmee is bewezen dat hij voorverkenningen uitvoerde. Voor een bewezenverklaring tot een poging tot inbraak is dat op zichzelf onvoldoende, maar uit de eveneens aangetroffen braaksporen blijkt vervolgens dat er steeds ook daadwerkelijk sprake is geweest van een begin van uitvoering van de inbraak. Dat er voorverkenningen verricht worden, blijkt ook uit de bevindingen van het observatieteam en de gegevens van het peilbaken wanneer deze in samenhang bezien worden met de plaatsen waar is ingebroken of waar een poging daartoe is gedaan. Daaruit blijkt immers dat [verdachte] en [medeverdachte] in de Ford Focus met het kenteken [kenteken 1] overdag én ’s nachts rondjes rijden door woonwijken. Door het observatieteam, maar ook door getuigen, wordt gezien dat de auto stapvoets door straten van een bepaalde woonwijk rijdt. Het handgeschreven blaadje met plaatsnamen in de Ford Focus beschouwt de rechtbank eveneens als aanwijzing voor de voorverkenningen.

Over de vluchtfase merkt de rechtbank op dat uit de gegevens van het peilbaken, de mastgegevens en de tapgegevens blijkt dat [verdachte] zich in de nachtelijke uren laat ophalen door [medeverdachte] en incidenteel gebruik maakt van de diensten van [naam taxibedrijf] . Uit de tapgegevens blijkt dat [medeverdachte] op het moment van de telefoontjes al in de buurt is en ook weet waar ze verwacht wordt.

Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij ’s nachts samen met zijn partner rondreed om melk voor de baby te halen of om de baby rustig te krijgen. Hij stapte dan vaak uit om een jointje te roken en liet zich vervolgens weer ergens ophalen door [medeverdachte] . Als hij op stap gaat of bij vrienden gaat chillen, laat hij zich ook ophalen door [medeverdachte] . Hij wil niet

’s nachts alleen op straat worden aangetroffen door de politie, omdat ze hem dan gelijk weer ergens van verdenken. In die context moet ook het telefoongesprek geduid worden, waarin hij tegen [medeverdachte] zegt dat hij haar vermoordt als hij door haar vast komt te zitten.

De rechtbank doet al deze verschillende verklaringen af als onaannemelijk, gelet op het overige bewijs. De verdachte kan door middel van een combinatie van mastgegevens, tapgesprekken en de gegevens van het peilbaken immers niet incidenteel, maar steeds weer in de buurt van een plaats delict worden geplaatst. Daarbij komt het gegeven dat de modus operandi op al die plaatsen delict gelijk is en dat bekend is dat [verdachte] op deze manier woninginbraken pleegt.

Aldus concludeert de rechtbank dat er sprake is van een en dezelfde modus operandi en dat dit patroon deel kan uitmaken van de bewijsvoering van de afzonderlijk tenlastegelegde feiten.

Wat betekent dit alles nu voor het bewijs per feit? De rechtbank zal dit per feit nog eens op een rijtje zetten. Daar waar de bewijsmiddelen elders in het vonnis reeds uitvoerig zijn besproken, zal de rechtbank volstaan met een verwijzing naar dat bewijsmiddel.

Feit 1

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte op 6 augustus 2017 heeft geprobeerd om in te breken in de woning van [slachtoffer 6] aan de [adres 6] .

Dit baseert de rechtbank op:

- de aangifte, waaruit onder andere blijkt dat de confrontatie met de dader omstreeks 6:50 uur plaats vindt en [slachtoffer 6] ook een signalement van de dader geeft dat bij [verdachte] past, blijkens de eigen waarneming van de rechtbank55;

- het sporenonderzoek, waaruit volgt dat er sprake was van de voor [verdachte] kenmerkende handelswijze;

- de combinatie van de mastgegevens van een telefoongesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte] op

6 augustus 2017 over de positie van [medeverdachte] en de gegevens van het peilbaken, waaruit blijkt dat [verdachte] en [medeverdachte] zich op 6 augustus 2017 tussen 06:22 uur en 07:00 uur in de directe nabijheid van de plaats delict bevonden;

- de bevindingen omtrent het feitelijk gebruik van die auto door [medeverdachte] en [verdachte] en de getuigenverklaring van [naam grootmoeder medeverdachte] hierover.

De rechtbank oordeelt dat er sprake is van een begin van uitvoering, gelet op de verbreking van het voordeurslot.

[verdachte] heeft zich bij de politie op zijn zwijgrecht beroepen en ter terechtzitting verklaard dat hij niet in de woning is geweest, maar wel in de omgeving om melk te halen bij het tankstation en een eindje met zijn dochter te rijden, die tandjes kreeg. Ook heeft hij betwist dat er sprake was van de modus operandi, die door de politie is vastgesteld. [slachtoffer 6] was namelijk niet op vakantie. In het licht van de overige bewijsmiddelen verwerpt de rechtbank deze verklaring van de verdachte.

Feit 2

De rechtbank acht bewezen dat [verdachte] op 11 augustus 2017 heeft ingebroken in de woning van [slachtoffer 7] aan de [adres 7] te Brunssum.

Dit baseert de rechtbank op:

- de aangifte, waaruit volgt dat de getuige [naam buurvrouw] omstreeks 06:30 uur de politie waarschuwt omdat zij gestommel hoort in de woning van [slachtoffer 7] en uit de camerabeelden in de woning van [slachtoffer 7] blijkt dat de dader nog in de woning is als de politie arriveert;

- het sporenonderzoek, waaruit volgt dat er sprake was van de voor [verdachte] kenmerkende handelswijze;

- de herkenning van [verdachte] door een verbalisant op de camerabeelden uit de woning van [slachtoffer 7] ;

- de mastgegevens in combinatie met de gegevens van het peilbaken, waaruit blijkt dat zowel [verdachte] als [medeverdachte] tussen 04:46 uur en 05:35 uur en tussen 06:28 uur en 07:06 uur in de directe nabijheid van de plaats delict waren;

- de bevindingen omtrent het feitelijk gebruik van die auto door [medeverdachte] en [verdachte] en de getuigenverklaring van [naam grootmoeder medeverdachte] hierover;

- de tapgesprekken tussen [verdachte] en [medeverdachte] om 05:24 uur en 05:27 uur, waaruit blijkt dat [medeverdachte] [verdachte] moet ophalen en [verdachte] zich erover opwindt dat [medeverdachte] zo ver weg staat. Hij zegt dan: “als ik door jou vastzit, dan vermoord ik je meisje.”

Gelet op het feit dat uit de camerabeelden kan worden afgeleid dat voor [verdachte] betrapping op heterdaad dreigde én zowel [verdachte] als [medeverdachte] op dat moment in de buurt van de plaats delict zijn, acht de rechtbank niet aannemelijk dat de dreigende woorden van [verdachte] betrekking hebben op het feit dat hij ’s nachts niet alleen op straat wil worden aangetroffen omdat de politie hem dan weer voor niets zal aanhouden.

Feit 3 en feit 10

De rechtbank acht bewezen dat [verdachte] op 14 augustus 2017 heeft ingebroken in de woning van [slachtoffer 8] aan de [adres 8] te Doenrade, waaruit hij verschillende sieraden, handschoenen en een kluis met inhoud heeft gestolen.

Dit baseert de rechtbank op:

- de aangifte en de aanvulling daarop van [slachtoffer 8] ;

- het sporenonderzoek, waaruit volgt dat er sprake was van de voor [verdachte] kenmerkende handelswijze;

- de verklaring van de getuige [getuige 2] , die omstreeks 06:20 uur ziet hoe een persoon vanaf de oprit van zijn buren op nummer 28 met een kluis in zijn handen naar een aankomende auto loopt en de kluis daarin plaatst. De getuige omschrijft de auto als een Ford Focus met het kenteken [kenteken 1] ;

- de bevindingen omtrent het feitelijk gebruik van die auto door [medeverdachte] en [verdachte] en de getuigenverklaring van [naam grootmoeder medeverdachte] hierover;

- de mastgegevens in combinatie met de gegevens van het peilbaken, waaruit blijkt dat [verdachte] en [medeverdachte] op 14 augustus 2017 omstreeks 06:20 uur inderdaad in de directe nabijheid van de plaats delict waren;

- de tapgesprekken tussen [verdachte] en [medeverdachte] op 17 augustus 2017 om 06:18 uur en 06:19 uur, waarin [verdachte] aan [medeverdachte] vraagt om hem zo dichtbij mogelijk op te halen en haar opdracht geven om op de oprit bij die mensen voor de deur te parkeren;

- het op de plaats delict aangetroffen stootijzer, dat de getuige [getuige 3] herkent als zijn

eigendom en waarover hij verklaard heeft het te hebben uitgeleend aan [verdachte] .

[verdachte] heeft zich bij de politie en ter terechtzitting op zijn zwijgrecht beroepen.

De rechtbank acht ook bewezen dat [verdachte] op 14 augustus 2017 € 350,00 heeft gepind met een gestolen pinpas. Dit baseert de rechtbank op:

- de bewezenverklaring van de woninginbraak bij [slachtoffer 8] in de vroege ochtend van

14 augustus 2017;

- het gegeven dat enkele uren later met de bij de inbraak buitgemaakte bankpas en bijbehorende pincode wordt gepind;

- de gegevens van het peilbaken, waaruit blijkt dat de Ford Focus met het kenteken

[kenteken 1] zich op het moment van de pintransactie in de directe nabijheid van de desbetreffende pinautomaat bevindt;

- de bevindingen omtrent het feitelijk gebruik van die auto door [medeverdachte] en [verdachte] en de getuigenverklaring van [naam grootmoeder medeverdachte] hierover;

- de camerabeelden van de pintransactie, waarop een persoon te zien is die tijdens de transactie naar een wit voorwerp, gelijkend op een briefje, kijkt en die een soortgelijke jas draagt als bij [verdachte] en [medeverdachte] thuis is aangetroffen.

[verdachte] heeft zich bij de politie op zijn zwijgrecht beroepen en ter terechtzitting verklaard dat hij in Valkenburg was om fruit te halen op de markt en dat de jas, die in zijn woning is aangetroffen, niet onder hem in beslag is genomen. De rechtbank is van oordeel dat deze verklaring niet de overige bewijsmiddelen weerlegt, op basis waarvan de rechtbank de conclusie trekt dat [verdachte] die dag gepind heeft met de door hem gestolen pinpas en pincode van [slachtoffer 8] .

Feit 4

De rechtbank acht bewezen dat [verdachte] tussen 7 juli 2017 en 12 juli 2017 heeft ingebroken in de woning van [slachtoffer 3] aan de [adres 3] te Heerlen. Dit baseert de rechtbank op:

- de aangifte;

- het sporenonderzoek, waaruit volgt dat er sprake was van de voor [verdachte] kenmerkende handelswijze;

- de aangetroffen tandenstoker, waarop DNA is aangetroffen dat matcht met het DNA van [verdachte] ;

- de historische verkeersgegevens, waaruit blijkt dat [verdachte] op 12 juli 2017 omstreeks 03:09 uur in de directe nabijheid van de plaats delict was.

[verdachte] heeft zich bij de politie op zijn zwijgrecht beroepen en ter terechtzitting verklaard dat zijn vader in de buurt van de Navolaan te Heerlen woont. Daar gaat hij ’s avonds laat of ’s nachts wel eens lopend naar toe als hij ruzie heeft met [medeverdachte] . De rechtbank is van oordeel dat deze verklaring niet de overige bewijsmiddelen weerlegt, waaruit blijkt dat [verdachte] in de genoemde periode de inbraak heeft gepleegd.

Feit 5

De rechtbank acht bewezen dat [verdachte] tussen 28 juli 2017 en 4 augustus 2017 heeft ingebroken in de woning van [slachtoffer 5] aan de [adres 5] te Hoensbroek. Dit baseert de rechtbank op:

- de aangifte;

- het sporenonderzoek, waaruit volgt dat er sprake was van de voor [verdachte] kenmerkende handelswijze;

- de mastgegevens, waaruit blijkt dat [verdachte] zich op 2 augustus 2017 tussen 04:39 uur en 05:45 uur in de directe nabijheid heeft bevonden van de plaats delict;

- de mastgegevens en de inhoud van het telefoongesprek op 2 augustus 2017 omstreeks 05:30 uur, waaruit blijkt dat [verdachte] aan [medeverdachte] opdracht geeft om hem de zwarte tas met de schroevendraaier te brengen. Dit is ter terechtzitting ook door [verdachte] bevestigd56;

- de mastgegevens en de inhoud van het telefoongesprek op 2 augustus 2017 omstreeks 05:45 uur, waaruit blijkt dat [medeverdachte] aan [verdachte] vraagt waar ze moet stoppen en zich tijdens dat gesprek ook in de directe nabijheid van de plaats delict bevindt;

- het feit dat bij de inbraak twee spaarpotten met kleingeld zijn buitgemaakt en [medeverdachte] blijkens tapgesprekken op 3 augustus 2017, daags na de inbraak, bij de SNS-bank en

GWK-Travelex te Heerlen informeert naar de mogelijkheden om een spaarpot met kleingeld in te leveren.

De rechtbank merkt op dat ter terechtzitting een bescheid is overgelegd waaruit blijkt dat er een storting op de bankrekening van de vader van [verdachte] heeft plaats gevonden. Die storting zou volgens [verdachte] en [medeverdachte] het kleingeld uit de spaarpot van hun kinderen en van een ander kind van [verdachte] ’ vader betreffen. De rechtbank oordeelt dat het bewijs van storting op een bankrekening nog niet het overige bewijs weerlegt, op basis waarvan de rechtbank heeft vastgesteld dat [verdachte] de inbraak heeft gepleegd en ook niet uitsluit dat [medeverdachte] (ook) de inhoud van de buitgemaakte spaarpotten heeft willen inwisselen.

Feit 6

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte tussen 8 juli 2017 en 10 juli 2017 in de woning van [slachtoffer 2] aan de [adres 2] te Hoensbroek heeft ingebroken. De rechtbank baseert dit op:

- de aangifte, waaruit onder andere blijkt dat er sprake was van de voor [verdachte] kenmerkende handelswijze;

- de getuige [getuige 1] , die op 8 juli 2017 tussen 16:30 uur en 17:00 uur de Ford Focus met het kenteken [kenteken 1] stapvoets de straat op en neer heeft zien rijden, waarbij de vrouwelijke bestuurder en de mannelijke bijrijder met name aandacht leken te hebben voor woningen, waarvan de voordeur achter de berging verscholen ligt. Het signalement dat de getuige van de man en de vrouw opgeeft, sluit de betrokkenheid van [verdachte] en [medeverdachte] blijkens de eigen waarneming van de rechtbank57 niet uit;

- de historische verkeersgegevens, waaruit blijkt dat [verdachte] op 9 juli 2017 tussen 03:07 uur en 03:17 uur in de directe nabijheid van de plaats delict was.

[verdachte] heeft zich bij de politie op zijn zwijgrecht beroepen en ter terechtzitting verklaard dat hij in de nacht van 9 juli 2017 niet in de auto zat. De rechtbank verwerpt deze verklaring, gelet op de hiervoor genoemde bewijsmiddelen. Feit 7

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte tussen 22 juli 2017 en 29 juli 2017 heeft geprobeerd om in te breken in de woning van [slachtoffer 4] aan de [adres 4] te Brunssum. Dit baseert de rechtbank op:

- de aangifte;

- het sporenonderzoek, waaruit volgt dat er sprake was van de voor [verdachte] kenmerkende handelswijze;

- de aangetroffen tandenstoker, waarop DNA is aangetroffen dat matcht met het DNA van [verdachte] ;

- de historische verkeersgegevens, waaruit blijkt dat [verdachte] op 12 juli 2017 omstreeks 03:09 uur in de directe nabijheid van de plaats delict was.

De rechtbank oordeelt dat er sprake is van een begin van uitvoering, gelet op de verbreking van het voordeurslot.

[verdachte] heeft zich bij de politie op zijn zwijgrecht beroepen en ter terechtzitting verklaard dat hij niet meer weet wat hij die nacht op de Akkerweide deed.

Feit 8

De rechtbank acht bewezen dat [verdachte] tussen 15 augustus 2017 en 18 augustus 2017 in de woning van [slachtoffer 10] aan de [adres 10] te Brunssum heeft proberen in te breken.

Dit baseert zij op:

- de aangifte;

- het sporenonderzoek, waaruit volgt dat er sprake was van de voor [verdachte] kenmerkende handelswijze;

- de combinatie van de bevindingen van het observatieteam, de mastgegevens en het peilbaken, waaruit blijkt dat zowel [verdachte] als [medeverdachte] zich op 17 augustus 2017 tussen 03:25 uur en 03:44 uur in de directe nabijheid van de plaats delict hebben gevonden.

De rechtbank oordeelt dat er sprake is van een begin van uitvoering, gelet op de verbreking van het voordeurslot.

[verdachte] heeft zich bij de politie en ter terechtzitting op zijn zwijgrecht beroepen.

Feit 9

De rechtbank acht bewezen dat [verdachte] tussen 14 augustus 2017 en 16 augustus 2017 in de woning van [slachtoffer 9] aan de [adres 9] te Heerlen heeft geprobeerd om in te breken.

Dit baseert zij op:

- de aangifte, waaruit ook volgt dat er sprake was van de voor [verdachte] kenmerkende handelswijze;

- de combinatie van de bevindingen van het observatieteam, de mastgegevens en de gegevens van het peilbaken, waaruit blijkt dat zowel [verdachte] als [medeverdachte] zich op verschillende tijdstippen in de nacht van 16 augustus 2017 in de directe nabijheid van de plaats delict hebben bevonden.

De rechtbank oordeelt dat er sprake is van een begin van uitvoering, gelet op de verbreking van het voordeurslot.

[verdachte] heeft zich bij de politie op zijn zwijgrecht beroepen en ter terechtzitting heeft hij aangevoerd dat ook de [adres 9] in de buurt van de woning van zijn vader ligt, waar hij

’s nachts wel eens was. Ook ging hij daar in de buurt wel eens nachtvissen. De rechtbank is van oordeel dat deze verklaring niet de overige bewijsmiddelen weerlegt, waaruit blijkt dat [verdachte] in de genoemde periode de inbraak heeft gepleegd.

Feit 11

De rechtbank spreekt de verdachte vrij van het voorhanden hebben van het imitatiewapen, aangezien [medeverdachte] heeft verklaard dat het wapen aan haar toebehoorde en er geen bewijs is dat verdachte op de hoogte was van het feit dat dit wapen in huis lag. Aldus kan niet het vereiste opzet op het aanwezig hebben van het wapen worden bewezen.

Rol van [medeverdachte] : medeplegen of medeplichtigheid

Uit het voorgaande blijkt dat ook [medeverdachte] een rol speelde bij het plegen van de woninginbraken en de pogingen daartoe, zoals tenlastegelegd onder de feiten 1, 2, 3, 5, 8 en 9. Ook zij kan namelijk aan die plaatsen delict worden gelinkt en uit de telefoongesprekken blijkt dat zij als chauffeur voor [verdachte] optreedt. Uit de aard van die telefoongesprekken leidt de rechtbank bovendien af dat [medeverdachte] moest weten dat [verdachte] steeds op inbrekerspad is. Meest sprekende voorbeelden hiervan zijn dat ze hem ’s nachts een zwarte tas met een schroevendraaier moet komen brengen en dat ze [verdachte] ’s nachts “op de oprit van die mensen” moet ophalen en [verdachte] vervolgens een kluis in de auto laadt. Ook regelt zij de bestelling van een cilinder eater en trekschroeven en belt zij rond om een spaarpot met kleingeld te kunnen inwisselen, die in de nacht daarvoor door [verdachte] is buitgemaakt. Geconfronteerd met de onderzoeksbevindingen door de politie beroept zij zich op haar zwijgrecht. Dat is uiteraard haar goed recht, maar bij het uitblijven van een aannemelijke verklaring voor de genoemde bevindingen mag de rechtbank van de juistheid van deze bevindingen uitgaan en deze in het licht van het overige bewijs beschouwen. En daaruit leidt de rechtbank af dat ook het opzet van [medeverdachte] gericht was op het plegen van woninginbraken.

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de rol van [medeverdachte] van een dusdanig gewicht is, dat zij aangemerkt moet worden als medepleger van [verdachte] . Daarvoor moet vastgesteld worden dat er sprake was van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tijdens een gezamenlijke uitvoering van de strafbare feiten. De rechtbank stelt allereerst vast dat [medeverdachte] niet betrokken was bij het plegen van de inbraken of de pogingen daartoe. Zij had een faciliterende rol in de voorfase en de vluchtfase. Als die rol echter van voldoende gewicht is, dan is er alsnog sprake van medeplegen. De faciliterende rol van [medeverdachte] was weliswaar belangrijk, gezien het feit dat [verdachte] zelf geen rijbewijs had, maar niet van voldoende gewicht om van medeplegen te kunnen spreken. De rechtbank is van oordeel dat de rol van [medeverdachte] gekwalificeerd moet worden als medeplichtigheid: zij had opzet op het behulpzaam zijn van [verdachte] bij het plegen van de woninginbraken en de pogingen daartoe.

De rechtbank spreekt [verdachte] daarom vrij van de tenlastegelegde strafverzwarende omstandigheid “medeplegen” onder de feiten 1, 2, 3, 5, 8 en 9. Datzelfde geldt voor het onder feit 10 tenlastegelegde pinnen met een gestolen bankpas, omdat de rechtbank niet kan bewijzen dat [medeverdachte] wist of moest vermoeden dat de desbetreffende pintransactie door [verdachte] met de eerder gestolen bankpas en pincode zou plaats vinden.

Parketnummer 03/866209-17 58

Mevrouw [slachtoffer 11] heeft op 14 januari 2017 aangifte gedaan van een poging tot woninginbraak. Zij heeft op 8 januari 2017 haar woning aan de [adres 11] te Stein afgesloten en onbeschadigd verlaten. Toen zij op 14 januari 2017 terugkeerde van haar vakantieadres bleek de gehele voordeur ontzet te zijn. De slotplaat was beschadigd en het cilinderslot lag eruit. Het cilinderslot bleek gebroken op de mat aan de binnenzijde achter de voordeur te liggen. Ook was er een klinker vanuit de achtertuin door de schuifpui van de wintertuin gegooid. Overal lagen glasscherven. Er was geen verdere schade en er wordt niets gemist. De politie treft tijdens het onderzoek een klein bloedspoortje aan een van de glasscherven aan, die nog in het kozijn zitten.59 Door de politie is die glasscherf met daarop het bloedspoor veiliggesteld. Uit onderzoek door het NFI is gebleken dat het DNA in dat bloedspoor matcht met het DNA van de verdachte.60 De verdachte heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat het om een poging tot inbraak ging.61

Op basis van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte tussen 8 januari 2017 en 14 januari 2017 heeft geprobeerd om in te breken in de woning aan de [adres 11] te Stein door het cilinderslot te ontzetten en het glas van de schuifpui kapot te gooien.

De verdachte heeft ter terechtzitting een alternatieve verklaring gegeven door te stellen dat hij op zoek was naar een slaapplaats. Hij dacht dat de woning het huis van kennissen betrof en toen die niet thuis bleken te zijn, heeft hij het glas ingegooid om zich toch van een slaapplaats te verzekeren. Het verbreken van het slot aan de voordeur moet volgens verdachte door iemand anders zijn gedaan. Gelet op het feit dat de verdachte eerder ten overstaan van de rechter-commissaris heeft verklaard dat het een poging tot inbraak was en dat hij pas tijdens de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting met een alternatieve lezing komt, acht de rechtbank deze verklaring ongeloofwaardig.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

1.

op 6 augustus 2017 in de gemeente Brunssum, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning gelegen aan de [adres 6] weg te nemen goederen en/of geld, toebehorende aan [slachtoffer 6] , en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen

door middel van verbreking, het cilinderslot van de voordeur van voorgenoemde woning heeft verbroken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

op 11 augustus 2017 in de gemeente Brunssum met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning gelegen aan de [adres 7] heeft weggenomen een sleutel, toebehorende aan [slachtoffer 7] , waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking;

3.

in de periode van 12 augustus 2017 tot en met 14 augustus 2017 te Doenrade met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning gelegen aan de [adres 8] heeft weggenomen een kluis met inhoud (deel 3 tenaamstelling Opel Astra gekentekend

[kenteken 2] en een huissleutel en diploma's en certificaten en een paspoort op naam gesteld van [slachtoffer 8] en een envelop met gegevens creditcard ANWB en een mapje met pincodes van bankrekeningen van de Rabobank: [bankrekeningnummer 2] en [bankrekeningnummer 1] en [bankrekeningnummer 3] en een betaalpas van bankrekening [bankrekeningnummer 1] en een trouwboekje) en sieraden en handschoenen, toebehorende aan [slachtoffer 8] , waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking en die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

4.

in de periode van 7 juli 2017 tot en met 12 juli 2017 in de gemeente Heerlen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning gelegen aan de [adres 3] heeft weggenomen onder meer een geldkistje en sieraden en een fotocamera (type Canon) en twee draadloze ontvangers voor een modelvliegtuig en een muntenverzameling en een koffer en meerdere jassen, toebehorende aan [slachtoffer 3] , waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking;

5.

in de periode van 28 juli 2017 tot en met 4 augustus 2017 te Hoensbroek, in de gemeente Heerlen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning gelegen aan de [adres 5] heeft weggenomen een kluis (met inhoud, waaronder een trouwboekje en een geboorteboekje en een videoband van een bruiloft en een sleutelbos en spaarpotten met daarin 600 euro aan contanten) en een kinderring, toebehorende aan [slachtoffer 5] , waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking;

6.

in de periode van 8 juli 2017 tot en met 10 juli 2017 te Hoensbroek, in de gemeente Heerlen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning gelegen aan de [adres 2] heeft weggenomen een iPad en sieraden en een fotocamera en een enveloppe met daarin 700 euro aan contanten, toebehorende aan [slachtoffer 2] , waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking;

7.

in de periode van 22 juli 2017 tot en met 28 juli 2017 in de gemeente Brunssum ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning gelegen aan de [adres 4] weg te nemen goederen en geld, toebehorende aan [slachtoffer 4] , en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van verbreking, het cilinderslot van de voordeur van voorgenoemde woning heeft geforceerd en/of verbroken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

8.

in de periode van 15 augustus 2017 tot en met 18 augustus 2017 in de gemeente Brunssum ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning gelegen aan de [adres 10] weg te nemen goederen en geld, toebehorende aan [slachtoffer 10] , en zich daarbij de toegang tot de plaats van

het misdrijf te verschaffen door middel verbreking, het cilinderslot van de voordeur van voorgenoemde woning heeft verbroken en verwijderd en een tandenstoker tussen het kozijn en de voordeur van voorgenoemde woning heeft geplaatst, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

9.

in de periode van 14 augustus 2017 tot en met 16 augustus 2017 in de gemeente Heerlen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning gelegen aan de [adres 9] weg te nemen goederen en/of geld, toebehorende aan [slachtoffer 9] , en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van verbreking, in het slot van de voordeur van voorgenoemde woning heeft geboord, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

10.

op 14 augustus 2017 te Valkenburg, in de gemeente Valkenburg aan de Geul, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (door te pinnen bij een geldautomaat) heeft weggenomen een geldbedrag van 350 euro, toebehorende aan [slachtoffer 8] , waarbij verdachte het weg te nemen geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een bankpas (op naam gesteld van [slachtoffer 8] ) met bijbehorende pincode, in elk geval een sleutel tot het gebruik waarvan hij, verdachte niet gerechtigd was.

Tenlastelegging bij gevoegde strafzaak met parketnummer: 866209-17:

in de periode van 8 januari 2017 tot en met 14 januari 2017 in de gemeente Stein ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [adres 11] weg te nemen goederen en/of alles wat van zijn, verdachtes, gading was, toebehorende aan

[slachtoffer 11] , en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van braak en verbreking, het slot van de voordeur van genoemde woning heeft ontzet en het glas van de schuifpui van de wintertuin kapot heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

T.a.v. 03/700298-17 feit 1 primair:

poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking.

T.a.v. 03/700298-17 feit 2 primair:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking.

T.a.v. 03/700298-17 feit 3:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

T.a.v. 03/700298-17 feit 4:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking.

T.a.v. 03/700298-17 feit 5:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking.

T.a.v. 03/700298-17 feit 6:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking.

T.a.v. 03/700298-17 feit 7 primair:

poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking.

T.a.v. 03/700298-17 feit 8 primair:

poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking.

T.a.v. 03/700298-17 feit 9 primair:

poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking.

T.a.v. 03/700298-17 feit 10:

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel.

T.a.v. 03/866209-17:

poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en verbreking.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren. Hij heeft daarbij rekening gehouden met de impact van woninginbraken op slachtoffers, de vele inbraken die de verdachte nu verweten worden en het forse strafblad van de verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder onder andere is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aandacht gevraagd voor de aanhouding van de verdachte, die met veel geweld gepaard zou zijn gegaan. Er is ook fors geweld tegen de verdachte gepleegd in het bijzijn van zijn kinderen, waar zijn zoontje nog steeds veel last van heeft. Verder heeft de raadsman aan de orde gesteld dat de reclasseringsrapportage ronduit negatief is, terwijl de verdachte stelt dat hij zich altijd aan alle bijzondere voorwaarden heeft gehouden die verbonden waren aan zijn voorwaardelijke invrijheidstelling. Die stelling wordt gesteund door het feit dat de beweerdelijke overtredingen kennelijk nooit reden zijn geweest om het toezicht terug te geven aan het openbaar ministerie. De verdachte geeft nu aan dat hij klinische behandeling wenst, maar de noodzaak en de mogelijkheden daartoe zijn niet onderzocht door de reclassering. In de rapportage wordt gesteld dat het de verdachte enkel te doen is om de grotere vrijheden die hij binnen een kliniek zal hebben ten opzichte van een penitentiaire instelling. Die stelling is nooit met de verdachte besproken. De verdachte heeft nu juist een prangende hulpvraag en heeft zelf al contact gezocht met de Piet Roorda Kliniek. Daarom heeft de verdediging verzocht om het onderzoek te heropenen om de reclassering aanvullend te laten rapporteren over de noodzaak tot klinische behandeling, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt van de tenlastegelegde feiten en een voorwaardelijke straf passend acht.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Het twintig pagina’s vullende strafblad van de verdachte wordt voornamelijk gevuld met veroordelingen wegens vermogensdelicten, waaronder woninginbraken. De verdachte heeft hiervoor ook al diverse gevangenisstraffen ondergaan. Vandaag wordt dat strafblad uitgebreid met een veroordeling wegens vijf woninginbraken, vijf pogingen daartoe en het pinnen met een gestolen pinpas. Op basis van het strafblad en de handelswijze van de verdachte ontstaat de indruk dat het voor hem de normaalste zaak van de wereld is om andere mensen in hun eigen woning te bestelen. Zo normaal dat hij zijn hele gezin erbij betrekt. Aangezien de verdachte geen rijbewijs heeft, laat zijn partner zich gebruiken als chauffeur tijdens voorverkenningen en tijdens de nachtelijke uren, als de verdachte op inbrekerspad gaat. Zij is zelfs bereid om hem in het holst van de nacht werktuig te komen brengen, regelt de bestelling van slotentrekkers en schroeven en doet haar best om de inhoud van buitgemaakte spaarpotten op de bankrekening te krijgen. Helaas heeft de betrokkenheid van zijn gezin zich niet beperkt tot de partner van de verdachte: ook de kinderen worden meegenomen op voorverkenningen. Verwerpelijk handelen dat veelzeggend is over de moraal van de verdachte en zijn partner.

Die twijfelachtige moraal kwam ook tot uiting tijdens de behandeling ter terechtzitting.

Verdachte heeft ontkend feitelijk betrokken te zijn geweest bij de tenlastegelegde woninginbraken en stelde zich op als slachtoffer van justitie, terwijl uit het voorhanden bewijs toch overduidelijk een andere conclusie getrokken moet worden.

Verdachte doet het voorkomen alsof hij het slachtoffer is. “Mag ik dan niet meer dit …” “Mag ik dan niet meer dat …” “Dus als ik ergens in de buurt ben, dan heb ik het ook gedaan …”, aldus een aantal van de klagelijke en verongelijkte verzuchtingen en uitroepen van de verdachte ter zitting. Het moge duidelijk zijn dat de verdachte het slachtoffer juist niet is. De echte en enige slachtoffers in deze zaak zijn de gedupeerden van de woninginbraken. De slachtoffers die de verdachte heeft gemaakt.

De woning is bij uitstek de plek waar men zich veilig moet kunnen voelen en de verdachte heeft door zijn handelen bij meerdere gezinnen ernstig inbreuk gemaakt op dit gevoel van veiligheid, hetgeen de ernst van de feiten grotendeels definieert. Sommige ondervinden nog dagelijks de gevolgen. De verdachte heeft echter bij het plegen van de onderhavige feiten enkel zijn eigen belang, te weten geldelijk gewin, voor ogen gehad. De impact die woninginbraken op slachtoffers heeft, was, als hij er al bij stil heeft gestaan, kennelijk van geen enkel belang.

Ook bij kennelijke belangen van zijn eigen gezin lijkt verdachte niet werkelijk stil te staan. De verdachte riskeert immers door het plegen van deze feiten opnieuw een vrijheidsbenemende straf, waardoor zij opnieuw hun vader en partner moeten missen. Gelet op de eerder opgelegde gevangenisstraffen moet de verdachte zich welbewust zijn geweest van dat risico. Toch is hij weer op inbrekerspad gegaan.

Het opleggen van een vrijheidsbenemende straf ligt ook zeker in de rede vanwege de ernst van de feiten en vanwege de veelvuldige recidive. Voor inbraak in een woning worden doorgaans gevangenisstraffen tussen de drie en de vijf maanden opgelegd, wanneer er sprake is van recidive. De verdachte heeft zich aan maar liefst vijf woninginbraken schuldig gemaakt en aan vijf pogingen daartoe. Ook het pinnen met de gestolen pinpas moet tot uitdrukking komen in de op te leggen straf.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Zij acht de straf, zoals door de officier van justitie is geëist, passend en geboden. Zij zal de verdachte conform die eis veroordelen tot een gevangenisstraf van vier jaren met aftrek van het voorarrest. Gelet op het strafblad van de verdachte ziet de rechtbank geen reden om een deel voorwaardelijk op te leggen met als bijzondere voorwaarde klinische behandeling of reclasseringstoezicht. Alle omstandigheden die de verdachte ter terechtzitting naar voren heeft gebracht, die inzicht verschaft moeten hebben in het feit dat een ommekeer in zijn leven nodig is, waren ook reeds aanwezig toen de verdachte ervoor koos om afgelopen zomer vermogensdelicten te plegen. De rechtbank ziet hierin dan ook geen enkele reden om nu een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen.

7 De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vorderingen van de benadeelde partij

[slachtoffer 8]

De benadeelde partij [slachtoffer 8] vordert een schadevergoeding van € 1.354,09 ter zake van de feiten 3 en 10. Dit bedrag bestaat uit € 1.004,09 wegens materiële schade en € 350,00 wegens immateriële schade. Ook vordert [slachtoffer 8] de wettelijke rente vanaf het moment van het schadeveroorzakende feit en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

[slachtoffer 3]

De benadeelde partij [slachtoffer 3] vordert een schadevergoeding van € 1.517,90 ter zake van feit 4.

Dit bedrag bestaat uit € 767,90 wegens materiële schade en € 750,00 wegens immateriële schade. Ook vordert [slachtoffer 3] de wettelijke rente vanaf het moment van het schadeveroorzakende feit en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

[slachtoffer 4]

De benadeelde partij [slachtoffer 4] vordert een schadevergoeding van € 125,00 ter zake van feit 7. Dit bedrag wordt gevorderd wegens immateriële schade. Ook vordert [slachtoffer 4] de wettelijke rente vanaf het moment van het schadeveroorzakende feit en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

[slachtoffer 11]

De benadeelde partij [slachtoffer 11] vordert een schadevergoeding van € 64,76 ter zake van het tenlastegelegde feit onder het gevoegde parketnummer 03/866209-17. Dit bedrag wordt gevorderd wegens materiële schade. Ook vordert [slachtoffer 11] de wettelijke rente vanaf het moment van het schadeveroorzakende feit en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2

De standpunten van de officier van justitie

[slachtoffer 8]

De officier van justitie acht de vordering voor een bedrag van € 896,24 toewijsbaar, omdat de vordering voor dat deel voldoende onderbouwd is. Uit de vordering blijkt echter niet waarom het vervangen van de sloten van de ouders van Steinbach voor rekening van de verdachte moet komen. Zonder dit causale verband kan deze schadepost niet worden toegewezen en dient de benadeelde partij voor deze schadepost niet-ontvankelijk te worden verklaard.

[slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 11]

De officier van justitie stelt zich ten aanzien van de benadeelde partijen [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 11] op het standpunt dat die vorderingen voldoende zijn onderbouwd en voor toewijzing gereed liggen, te vermeerderen met de wettelijke rente. Daarnaast acht de officier van justitie oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen.

7.3

De standpunten van de verdediging

[slachtoffer 8]

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering, als de verdachte wordt vrijgesproken van de feiten 3 en 10. Indien de verdachte alleen van feit 10 zou worden vrijgesproken, dan is de benadeelde partij niet-ontvankelijk met betrekking tot de gevorderde € 350,00 wegens het pinnen met de gestolen bankpas. Voor zover de rechtbank wel tot een bewezenverklaring van de feiten 3 en 10 komt, heeft de raadsman de volgende schadeposten betwist.

De gevorderde kosten voor het vervangen van de sloten van de ouders van [slachtoffer 8] moeten worden afgewezen, omdat het causale verband met de strafbare feiten ontbreekt. Meer subsidiair stelt de raadsman dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard met betrekking tot deze post wegens onvoldoende onderbouwing.

Onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de rechtbank Limburg heeft de raadsman zich voorts op het standpunt gesteld dat [slachtoffer 8] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het deel van zijn vordering dat ziet op vergoeding van immateriële schade omdat [slachtoffer 8] onvoldoende heeft aangetoond dat er sprake is van geestelijk letsel en dat dat letsel een voldoende ernstig karakter heeft om voor vergoeding op basis van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek in aanmerking te komen.

[slachtoffer 3]

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering, als de verdachte wordt vrijgesproken van feit 4. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het deel van haar vordering wegens geleden immateriële schade, omdat [slachtoffer 3] niet heeft aangetoond dat er sprake is van geestelijk letsel en dat dat letsel bovendien een voldoende ernstig karakter heeft om voor vergoeding op basis van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek in aanmerking te komen.

[slachtoffer 4]

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering, als de verdachte wordt vrijgesproken van feit 7. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat [slachtoffer 4] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering wegens geleden immateriële schade, omdat [slachtoffer 4] niet heeft aangetoond dat er sprake is van geestelijk letsel en dat dat letsel bovendien een voldoende ernstig karakter heeft om voor vergoeding op basis van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek in aanmerking te komen. Voorts betwist de raadsman dat de € 900,00, die blijkens een bankafschrift kort voor de vakantie gepind waren, nog in de woning aanwezig waren ten tijde van de inbraak. Hij stelt dat het niet aannemelijk is dat iemand gedurende een vakantie een dergelijk groot geldbedrag in de woning laat liggen. Verzekeringstechnisch zou dit immers bijzonder onhandig zijn, als het geld door inbraak of brand verloren zou gaan. Voorts is het niet ongebruikelijk om contant geld mee op vakantie te nemen voor uitgaven ter plaatse.

[slachtoffer 11]

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering, als de verdachte wordt vrijgesproken van het feit onder parketnummer 03/866209-17. Subsidiair heeft de raadsman opgemerkt dat voor de onderbouwing van het eigen risico wordt verwezen naar een email, maar in de email geen nadere onderbouwing van dit eigen risico wordt gegeven.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

[slachtoffer 8]

De rechtbank is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is komen vast te staan dat aan [slachtoffer 8] , door de hiervoor onder feit 3 en feit 10 bewezen verklaarde strafbare feiten, rechtstreeks schade is toegebracht tot het door hem gevorderde bedrag wegens materiële schade van € 1.004,09. Uit de bij de aangifte overlegde lijst van gestolen goederen blijkt namelijk dat in de gestolen kluis een envelop met een sleutel lag waarop stond “sleutel ouders”. De rechtbank acht zeer voorstelbaar dat je de sloten laat vervangen, waarvan de bijbehorende sleutel is buitgemaakt door een inbreker. Anders dan de officier van justitie en de raadsman beoordeelt de rechtbank deze schadepost dan ook als rechtstreeks in verband staande met de woninginbraak. Nu aan verdachte onder andere ter zake van de feiten 3 en 10 een straf zal worden opgelegd, zal het deel van de vordering dat ziet op materiële schade geheel worden toegewezen.

De rechtbank komt tot een ander oordeel waar het de immateriële schade betreft. Hoewel de rechtbank zich goed kan voorstellen dat het veiligheidsgevoel van [slachtoffer 8] en zijn gezin is aangetast door de inbraak kent de Nederlandse wet een restrictief stelsel ten aanzien van het toekennen van vergoedingen voor ander nadeel dan vermogensschade. Artikel 6:106 Burgerlijk Wetboek geeft daartoe een limitatieve opsomming. Het recht op vergoeding bestaat slechts:

a. wanneer het oogmerk bestond zodanig nadeel toe te brengen (het oogmerk is gericht op smart);

b. bij lichamelijk letsel, aantasting in de eer of goede naam of aantasting van de persoon op andere wijze;

c. bij aantasting van de nagedachtenis van een overledene.

De schade die [slachtoffer 8] stelt te hebben geleden, valt onder de aantasting van de persoon op andere wijze. Voor de toewijsbaarheid van een vordering gebaseerd op de aantasting van een persoon op andere wijze is volgens de Hoge Raad het uitgangspunt dat de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen, waarbij het moet gaan om een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Gevoelens van angst, schrik, onzekerheid en nervositeit vallen niet onder het bereik van de wet, ongeacht hoe voorstelbaar deze gevoelens ook mogen zijn. [slachtoffer 8] heeft ernstiger letsel dan voornoemde gevoelens niet gesteld. Daarom moet dit deel van de vordering worden afgewezen.

De rechtbank wijst aldus een gedeelte van de vordering toe, te weten € 1.004,09, en wel hoofdelijk, en veroordeelt de verdachte tot betaling van de wettelijke rente vanaf 14 augustus 2017 tot aan de dag van volledige voldoening.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht hoofdelijk opleggen op de hierna te noemen wijze.

[slachtoffer 3]

De rechtbank is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is komen vast te staan dat aan [slachtoffer 3] , door het hiervoor onder feit 4 bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks schade is toegebracht tot het door haar gevorderde bedrag wegens materiële schade van € 767,90. Uit de bij de aangifte overlegde lijst van gestolen goederen blijkt dat er een geldkist is weggenomen met daarin naar schatting een bedrag in contanten van

€ 2.000,00. Zij baseert haar vordering thans op een bedrag van € 900,00 dat weggenomen zou zijn en staaft de stelling dat zij dit geld in huis had door een bon te overleggen van de pintransactie van dit bedrag, vlak voor haar vakantie. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de stelling van [slachtoffer 3] dat dit bedrag in huis is gebleven tijdens haar vakantie en neemt dit als gegeven aan. Nu aan verdachte onder andere ter zake van feit 4 een straf zal worden opgelegd, zal het deel van de vordering dat ziet op materiële schade geheel worden toegewezen.

De rechtbank komt, net als bij de vordering van [slachtoffer 8] , tot een ander oordeel waar het de immateriële schade betreft. Zij verwijst naar hetgeen zij hieromtrent in het voorgaande heeft overwogen met betrekking tot de vordering van [slachtoffer 8] en concludeert dat ook [slachtoffer 3] niet gesteld heeft dat zij ernstiger geestelijk letsel heeft dan gevoelens van angst, schrik, onzekerheid en nervositeit. Daarom moet dit deel van de vordering worden afgewezen.

De rechtbank wijst aldus een gedeelte van de vordering toe, te weten € 767,90 en veroordeelt de verdachte tot betaling van de wettelijke rente vanaf 12 juli 2017 tot aan de dag van volledige voldoening.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

[slachtoffer 4]

Onder verwijzing naar hetgeen zij omtrent de vergoeding van immateriële schade heeft overwogen met betrekking tot de vorderingen van [slachtoffer 8] en [slachtoffer 3] , oordeelt de rechtbank dat [slachtoffer 4] evenmin heeft gesteld dat hij ernstiger geestelijk letsel heeft dan gevoelens van angst, schrik, onzekerheid en nervositeit. Aangezien dergelijke gevoelens ongeacht hun invoelbaarheid niet onder het bereik vallen van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, moet de vordering van [slachtoffer 4] worden afgewezen.

[slachtoffer 11]

Naar het oordeel van de rechtbank is uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [slachtoffer 11] , door het hiervoor onder feit 1 van parketnummer 03/866209-17 bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks schade is toegebracht tot het door haar gevorderde bedrag van € 64,76. Nu aan verdachte onder andere ter zake van dat feit een straf zal worden opgelegd, zal deze vordering geheel worden toegewezen. Tevens zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de wettelijke rente vanaf 14 januari 2017 tot aan de dag van volledige voldoening.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

8 Vordering herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling

8.1

De vordering van de officier van justitie

De schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt ertoe dat de rechtbank de voorwaardelijke invrijheidstelling herroept voor een periode van 525 dagen, op grond van het feit dat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd de algemene voorwaarde, inhoudende dat hij zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, niet heeft nageleefd. De officier van justitie heeft daartoe verwezen naar de (ter terechtzitting gevoegde) zaak met parketnummer 03/866209-17.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen vanwege de bepleite integrale vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman gepleit voor gedeeltelijke toewijzing van de vordering.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Uit het onderzoek ter terechtzitting en de door de officier van justitie overgelegde stukken is de rechtbank gebleken dat verdachte, hierna ook te noemen: de veroordeelde, is veroordeeld tot:

 16 16 maanden gevangenisstraf, bij onherroepelijk vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, van 16 september 2014 onder parketnummer 03/700672-13;

 16 drie jaren gevangenisstraf, bij onherroepelijk arrest van het gerechtshof

’s Hertogenbosch van 26 januari 2012 onder parketnummer 20-001847-10.

Per 5 februari 2016 is over voornoemde straffen voorwaardelijke invrijheidstelling aan de veroordeelde verleend. De aan deze voorwaardelijke invrijheidstelling verbonden proeftijd eindigt na een periode van 525 dagen, met dien verstande dat de proeftijd niet loopt gedurende de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen. De proeftijd is blijkens het uittreksel uit verdachtes justitiële documentatie geëindigd op 14 juli 2017.

Het besluit van de advocaat-generaal, verbonden aan de Centrale Voorziening v.i. te Arnhem, gedateerd 26 januari 2016, houdende onder meer de voorwaarden die aan deze voorwaardelijke invrijheidstelling zijn verbonden, is op 26 januari 2016 aan de veroordeelde in persoon betekend.

De vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling is schriftelijk gedaan en bevat de grond waarop deze rust. Naar het oordeel van de rechtbank is deze ook onverwijld ingediend, zodat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is.


De rechtbank overweegt dat de veroordeelde een deel van de hiervoor bewezen verklaarde strafbare feiten heeft gepleegd tijdens de proeftijd, die aan zijn voorwaardelijke invrijheidstelling was verbonden. Daarmee heeft de veroordeelde een van de algemene voorwaarden geschonden, waaraan hij zich tijdens de proeftijd moest houden. Dat is op zichzelf reden genoeg om de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling te bevelen. De raadsman heeft gepleit voor een gedeeltelijke herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling. De rechtbank ziet hiervoor echter geen enkele aanleiding. Zij stelt vast dat de veroordeelde gedurende de proeftijd alweer soortgelijke strafbare feiten pleegde als de feiten waarvoor hij eerder is veroordeeld tot een langdurige gevangenisstraf. In de nacht voor zijn aanhouding was de veroordeelde nog op inbrekerspad. Hieruit leidt de rechtbank af dat de veroordeelde niet bepaald een kortdurende terugval heeft gehad. Geconstateerd moet worden dat de eerder opgelegde gevangenisstraf onvoldoende afschrikwekkende werking heeft gehad. Datzelfde kan gezegd worden van de 525 dagen gevangenisstraf, waarvan de veroordeelde riskeerde ze alsnog te moeten uitzitten toen hij nieuwe strafbare feiten pleegde. Ook de begeleiding door de reclassering en de ambulante behandeling door Radix hebben hem er niet van weerhouden zich opnieuw bij het inbrekersgilde te voegen. Daarom zal de rechtbank de vordering volledig toewijzen.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 45, 57, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het tenlastegelegde onder feit 11;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van vier jaren;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen

[slachtoffer 8]

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8] gedeeltelijk en hoofdelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen € 1.004,09, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 14 augustus 2017 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    wijst de vordering voor het overige af;

  • -

    bepaalt dat voor zover dit bedrag door de mededader is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 8] , van € 1.004,09, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 20 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 14 augustus 2017 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

  • -

    bepaalt dat voor zover dit bedrag door de mededader is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de staat te betalen;

[slachtoffer 3]

- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen

€ 767,90, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 12 juli 2017 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    wijst de vordering voor het overige af;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] , van € 767,90, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 15 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 12 juli 2017 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

[slachtoffer 4]

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] af;

  • -

    veroordeelt de benadeelde partij in de kosten, door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot tot heden op nihil;

[slachtoffer 11]

- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 11] toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen

€ 64,76, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van

14 januari 2017 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer, [slachtoffer 11] , van € 64,76, bij niet betaling en verhaal te vervangen door een dag hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 14 januari 2017 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

Vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling

  • -

    wijst de vordering van de officier van justitie toe;

  • -

    herroept de door de wet aan de tenuitvoerlegging van de door de rechtbank Limburg bij vonnis van 16 september 2014 onder parketnummer 03/700672-13 en van de door het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch bij arrest van 26 januari 2012 onder parketnummer

20-001847-10 aan de veroordeelde opgelegde gevangenisstraffen verbonden voorwaardelijke invrijheidstelling voor de duur van 525 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.F.J. Aalderink, voorzitter,

mr. dr. M.C.A.E. van Binnebeke en mr. M.B. Bax , rechters, in tegenwoordigheid van

mr. R.E.J. Maas, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 23 januari 2018.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 06 augustus 2017 in de gemeente Brunssum tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan de [adres 6] weg te nemen goederen en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 6] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of

die/dat weg te nemen goed(eren) en/of geld onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking, door het cilinderslot van de voordeur van voorgenoemde woning te verbreken, althans te vernielen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 06 augustus 2017 in de gemeente Brunssum tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk het cilinderslot van de voordeur van een woning gelegen aan de [adres 6] , in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader, te weten aan [slachtoffer 6] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of

weggemaakt;

2.

hij op of omstreeks 11 augustus 2017 in de gemeente Brunssum tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan de [adres 7] heeft weggenomen een sleutel, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 7] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader, waarbij verdachte en/of zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben/heeft verschaft en/of die weg te

nemen sleutel onder zijn/hun bereik hebben/heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 11 augustus 2017 in de gemeente Brunssum tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan de [adres 7] weg te nemen goed(eren) en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 7] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of

die/dat weg te nemen goed(eren) en/of geld onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking, door het verbreken en/of wegnemen van het cilinderslot van de voordeur van voorgenoemde woning, althans te vernielen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij in of omstreeks de periode van 12 augustus 2017 tot en met 14 augustus 2017 te Doenrade, in elk geval in de gemeente Schinnen, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan de [adres 8] heeft weggenomen een kluis met inhoud (deel 3 tenaamstelling Opel Astra gekentekend [kenteken 2] en/of een huissleutel en/of diploma's en/of certificaten en/of een paspoort op naam gesteld van [slachtoffer 8] en/of een envelop met gegevens creditcard ANWB en/of een mapje met pincodes van bankrekeningen van de Rabobank:

[bankrekeningnummer 2] en [bankrekeningnummer 1] en [bankrekeningnummer 3] en/of een betaalpas van bankrekening [bankrekeningnummer 1] en/of een trouwboekje) en/of sieraden

en/of handschoenen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 8] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader, waarbij verdachte en/of zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben/heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen voorgenoemde goed(eren) onder zijn/hun bereik hebben/heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;

4.

hij in of omstreeks de periode van 7 juli 2017 tot en met 12 juli 2017 in de gemeente Heerlen tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan de [adres 3] heeft weggenomen onder meer een geldkistje (met daarin 2000 euro aan contanten) en/of sieraden en/of een fotocamera (type Canon) en/of twee draadloze ontvangers voor een modelvliegstuk en/of een muntenverzameling en/of een koffer en/of meerdere jassen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader, waarbij verdachte en/of zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben/heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik hebben/heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;

5.

hij in of omstreeks de periode van 28 juli 2017 tot en met 4 augustus 2017 te Hoensbroek, in de gemeente Heerlen, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan de [adres 5] heeft weggenomen een kluis (met inhoud, waaronder een trouwboekje en/of een geboorteboekje en/of een videoband van een bruiloft en/of een sleutelbos en/of spaarpotten met daarin 600 euro aan contanten) en/of een kinderring, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte en/of zijn mededader, waarbij verdachte en/of zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

6.

hij in of omstreeks de periode van 08 juli 2017 tot en met 10 juli 2017 te Hoensbroek, in de gemeente Heerlen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan de [adres 2] heeft weggenomen een iPad en/of sieraden en/of een fotocamera en/of een enveloppe met daarin 700 euro aan contanten, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;

7.

hij in of omstreeks de periode van 22 juli 2017 tot en met 28 juli 2017 in de gemeente Brunssum ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan de [adres 4] weg te nemen goed(eren) en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goed(eren) en/of geld onder zijn bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking, door het cilinderslot van de voordeur van voorgenoemde woning te forceren en/of verbreken, althans te vernielen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij in of omstreeks de periode van 22 juli 2017 tot en met 28 juli 2017 in de gemeente Brunssum opzettelijk en wederrechtelijk het cilinderslot van de voordeur van een woning gelegen aan de [adres 4] , in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 4] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

8.

hij in of omstreeks de periode van 15 augustus 2017 tot en met 18 augustus 2017 in de gemeente Brunssum tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan de [adres 10] weg te nemen goed(eren) en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 10] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader en zich daarbij de toegang tot de plaats van

het misdrijf te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goed(eren) en/of geld onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking, door het cilinderslot van de voordeur van voorgenoemde woning te verbreken en/of verwijderen, althans te vernielen, en/of een tandenstoker tussen het kozijn en de voordeur van voorgenoemde woning te plaatsen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij in of omstreeks de periode van 15 augustus 2017 tot en met 21 augustus 2017 in de gemeente Brunssum tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk het cilinderslot van de voordeur van een woning gelegen aan de [adres 10] , in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader, te weten aan [slachtoffer 10] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

9.

hij in of omstreeks de periode van 14 augustus 2017 tot en met 16 augustus 2017 in de gemeente Heerlen tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan de [adres 9] weg te nemen goed(eren) en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 9] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goed(eren) en/of geld onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking, door in het slot van de voordeur van voorgenoemde woning te boren, althans te vernielen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks de periode van 14 augustus 2017 tot en met 16 augustus 2017 te Heerlen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk het cilinderslot van de voordeur en/of de voordeur van een woning gelegen aan de [adres 9] , in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader, te weten aan [slachtoffer 9] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

10.

hij in of omstreeks 14 augustus 2017 te Valkenburg, in de gemeente Valkenburg aan de Geul, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (door te pinnen bij een geldautomaat) heeft weggenomen een geldbedrag van in totaal 350 euro, in elk geval enig goed, welk(e) geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 8] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader, waarbij verdachte en/of zijn mededader het weg te nemen geld onder zijn/hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een bankpas (op naam gesteld van [slachtoffer 8] ) (met bijbehorende pincode), in elk

geval een sleutel tot het gebruik waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader niet gerechtigd was/waren;

11.

hij op of omstreeks 18 augustus 2017 te Hoensbroek, in de gemeente Heerlen, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, een wapen van categorie I onder 7°, te weten een gasdruk imitatievuurwapen, zijnde een voorwerp vermeld op lijst a of lijst b van de bij de Regeling Wapens en Munitie behorende bijlage I, voorhanden heeft gehad;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

BIJLAGE II: Tenlastelegging bij gevoegde strafzaak met parketnummer: 866209-17:

hij in of omstreeks de periode van 8 januari 2017 tot en met 14 januari 2017 in de gemeente Stein, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf, om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, uit een woning gelegen aan de [adres 11] , weg te nemen (een) goed(eren) en/of alles wat van zijn, verdachtes, gading was, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 11] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goed(eren) en/of datgene wat van zijn, verdachtes gading was onder zijn bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking, door het slot van de voordeur van genoemde woning te ontzetten en/of door het glas van de schuifpui van de wintertuin kapot te gooien, althans kapot te maken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer 2017111490, gesloten d.d. 13 december 2017, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 1245.

2 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [slachtoffer 1] d.d. 10 juli 2017, pagina 26.

3 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [naam buurman] d.d. 10 juli 2017, pagina’s 22 en 23.

4 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [naam zoon buurman] d.d. 10 juli 2017, pagina’s 19 tot en met 21. Proces-verbaal van verhoor van de getuige [naam buurman] d.d. 10 juli 2017, pagina’s 22 tot en met 24.

5 Proces-verbaal melding service centrum d.d. 23 juli 2017, pagina’s 12 tot en met 15.

6 Proces-verbaal van verdenking d.d. 28 augustus 2017, pagina 46.

7 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 juli 2017, pagina 28.

8 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 juli 2017, pagina 31.

9 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] d.d. 10 juli 2017, met bijlage goederen, pagina’s 637 tot en met 645.

10 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 1] d.d. 17 juli 2017, pagina’s 650 en 651.

11 Proces-verbaal van bevindingen telecommunicatie d.d. 14 september 2017, pagina’s 654 tot en met 656.

12 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 3] d.d. 12 juli 2017, met bijlage goederen, pagina’s 469 tot en met 475.

13 Proces-verbaal van veiligstellen en overdracht DNA-sporendrager d.d. 12 juli 2017, pagina 484.

14 Proces-verbaal van veiligstellen en overdracht DNA-sporendrager d.d. 12 juli 2017, pagina 484. Proces-verbaal van biologisch vooronderzoek d.d. 21 juli 2017, pagina’s 482 en 483. Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 17 augustus 2017 van het DNA-onderzoek naar aanleiding van een inbraak gepleegd in Heerlen op 7 juli 2017, pagina’s 485 tot en met 489.

15 Proces-verbaal bevindingen telecommunicatie d.d. 26 augustus 2017, pagina’s 495 tot en met 497.

16 Proces-verbaal van sporenonderzoek d.d. 13 november 2017, pagina’s 477 en 478.

17 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 4] d.d. 29 juli 2017, pagina 800.

18 Proces-verbaal van veiligstellen en overdracht DNA-sporendrager d.d. 29 juli 2017, pagina 806.

19 Proces-verbaal van veiligstellen en overdracht DNA-sporendrager d.d. 29 juli 2017, pagina 806. Proces-verbaal van biologisch vooronderzoek d.d. 14 augustus 2017, pagina’s 804 en 805. Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 21 september 2017 van het DNA-onderzoek naar aanleiding van een inbraak gepleegd in Heerlen op 7 juli 2017, pagina’s 807 tot en met 811.

20 Proces-verbaal van bevindingen telecom d.d. 7 oktober 2017, pagina’s 817 tot en met 819.

21 Aanvullend proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 december 2017, proces-verbaalnummer LB2R017073-136. Dit proces-verbaal maakt geen deel uit van de doornummering.

22 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 5] d.d. 4 augustus 2017, pagina’s 562 tot en met 566.

23 Proces-verbaal van forensisch onderzoek plaats delict d.d. 12 december 2017, pagina’s 567 en 568.

24 Proces-verbaal van bevindingen inbraak [adres 5] te Hoensbroek d.d. 2 november 2017, pagina’s 569 tot en met 574.

25 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 6] d.d. 6 augustus 2017, pagina 964.

26 Proces-verbaal van sporenonderzoek d.d. 24 oktober 2017, pagina’s 966 en 967.

27 Proces-verbaal van bevindingen poging inbraak [adres 6] te Brunssum d.d. 17 augustus 2017, pagina’s 968 en 972.

28 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 7] d.d. 16 augustus 2017, pagina’s 241 tot en met 244.

29 Proces-verbaal van bevindingen uitkijken camerabeelden d.d. 17 augustus 2017, pagina 247.

30 Proces-verbaal van sporenonderzoek d.d. 25 oktober 2017, pagina’s 271 tot en met 271.

31 Proces-verbaal van bevindingen inbraak [adres 7] te Brunssum d.d. 18 augustus 2017, pagina’s 263 tot en met 269.

32 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 8] d.d. 21 augustus 2017, pagina’s 350 tot en met 357. Proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer 8] d.d. 28 augustus 2017, pagina’s 358 en 359.

33 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 2] d.d. 14 augustus 2017, pagina 361.

34 Proces-verbaal van sporenonderzoek d.d. 24 augustus 2017, pagina’s 380 tot en met 396.

35 Proces-verbaal van bevindingen inbraak [adres 8] Doenrade d.d. 15 augustus 2017, pagina’s 371 tot en met 378.

36 Proces-verbaal bevindingen gestolen pinpas [adres 8] te Doenrade d.d. 22 augustus 2017, pagina 1114.

37 Proces-verbaal van bevindingen camerabeelden pinautomaat Rabobank Valkenburg d.d. 19 september 2017, pagina’s 1116 tot en met 1122.

38 Proces-verbaal van bevindingen bakengegevens m.b.t. pintransactie met gestolen pinpas te Valkenburg d.d. 19 september 2017, pagina’s 1123 tot en met 1125.

39 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 9] d.d. 23 september 2017, pagina 1040.

40 Proces-verbaal van observatie d.d. 22 augustus 2017, pagina’s 1042 en 1043.

41 Proces-verbaal van bevindingen poging inbraak [adres 9] Heerlen d.d. 24 september 2017, pagina’s 1044 tot en met 1049.

42 Aanvullend proces-verbaal van bevindingen [adres 9] te Heerlen d.d. 3 januari 2018. Dit proces-verbaal maakt geen deel uit van de doornummering.

43 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 10] d.d. 21 augustus 2017, pagina 884.

44 Proces-verbaal van sporenonderzoek d.d. 24 oktober 2017, pagina’s 886 en 887.

45 Proces-verbaal van bevindingen poging inbraak [adres 10] te Brunssum d.d. 20 september 2017, pagina’s 892 tot en met 898.

46 Aanvullend proces-verbaal van bevindingen poging inbraak [adres 10] te Brunssum d.d. 3 januari 2018. Dit proces-verbaal maakt geen deel uit van de doornummering.

47 Beslissing doorzoeking d.d. 23 augustus 2017. Deze beslissing maakt geen deel uit van de doornummering. Proces-verbaal van aanvraag doorzoeking d.d. 19 augustus 2017, pagina 68 tot en met 69.

48 Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming [adresgegevens verdachte] d.d. 19 augustus 2017, pagina’s 70 en 71. Proces-verbaal van doorzoeking d.d. 18 augustus 2017, opgemaakt door de rechter-commissaris, met bijbehorende lijst van in beslag genomen goederen. Dit proces-verbaal maakt geen deel uit van de doornummering.

49 Proces-verbaal van bevindingen onderzoek auto, Ford Focus [kenteken 1] , d.d. 24 augustus 2017, pagina 88.

50 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 augustus 2017, pagina’s 89 en 90.

51 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [naam grootmoeder medeverdachte] d.d. 22 augustus 2017, pagina 32.

52 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [naam eigenaar taxibedrijf] d.d. 22 augustus 2017, pagina’s 141 en 142.

53 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 3] d.d. 22 augustus 2017, pagina’s 365 tot en met 367.

54 ECLI:NL:HR:2017:3118.

55 De eigen waarneming van de rechtbank, gedaan ter terechtzitting van 9 januari 2018.

56 De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 9 januari 2018.

57 De eigen waarneming van de rechtbank, gedaan ter terechtzitting van 9 januari 2018.

58 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer 2017007389, gesloten d.d. 17 juli 2017, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 47.

59 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 11] d.d. 14 januari 2017, pagina 31.

60 Kennisgeving van inbeslagneming d.d. 16 januari 2017, pagina 34. Proces-verbaal ontvangen DNA-kit d.d. 18 januari 2017, pagina’s 36 en 37. Rapport DNA-onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 22 februari 2017, pagina’s 40 tot en met 42.

61 Proces-verbaal van verhoor van veroordeelde omtrent de vordering schorsing voorwaardelijke invrijheidstelling d.d. 23 juni 2017. Dit bescheid maakt geen deel uit van de doornummering.