Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:8123

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
28-08-2018
Datum publicatie
03-09-2018
Zaaknummer
6966585 CV EXPL 18-3452
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Huurachterstand. Ontruiming bedrijfsruimte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Burgerlijk recht

Zaaknummer: 6966585 CV EXPL 18-3452

Vonnis in kort geding van de kantonrechter van 28 augustus 2018

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ROY’S FOOD BOUTIQUE B.V.,

gevestigd aan de [adres] , [vestigingsplaats] ,

eisende partij,

gemachtigde mr. G.J.E. Schoofs,

tegen

[gedaagde] , handelend onder de naam eenmanszaak [handelsnaam],

gevestigd aan de [adres] , [vestigingsplaats] ,

gedaagde partij,

aanvankelijk verschenen bij gemachtigde mr. J.L.H. Holthuijsen.

Partijen zullen hierna RFB en [gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het vonnis van 14 augustus 2018

  • -

    het exploot van oproeping d.d. 16 augustus 2018

  • -

    de mondelinge behandeling van 27 augustus 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

[gedaagde] heeft met RFB een schriftelijke huurovereenkomst gesloten op grond waarvan hij per 1 januari 2012 van RFB (onder)huurt de bedrijfsruimte, staande en gelegen aan de [adres] te [vestigingsplaats] , tegen een bij vooruitbetaling verschuldigde huurprijs van thans € 5.329,57 per maand (productie 2 bij exploot van dagvaarding).

2.2.

Tegen de achtergrond van deze vaststaande feiten vordert RFB na vermindering van eis dat [gedaagde] bij vonnis - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeeld wordt:

  • -

    de bedrijfsruimte te ontruimen en ter vrije beschikking van RFB te stellen;

  • -

    tot betaling van € 14.000,00 aan voorschot op achterstallige huurpenningen, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf de vervaltermijn van iedere termijnbetaling van de huurpenningen, althans vanaf 27 maart 2018, althans vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling;

  • -

    tot vergoeding van de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente en nakosten.

2.3.

[gedaagde] heeft ter zitting verweer gevoerd.

2.4.

Op de stellingen van partijen zal hierna - voor zover relevant - nader worden ingegaan.

3 De beoordeling

3.1.

De vraag of RFB voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening, die voor zover deze ziet op de gevorderde huurachterstand strekt tot betaling van een geldsom, dient te worden beantwoord aan de hand van de afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak. Voor toewijzing van een geldsom in kort geding is plaats als het bestaan en de omvang van de vordering in hoge mate aannemelijk zijn, terwijl voorts uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist en het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, bij afweging van de belangen van partijen, aan toewijzing niet in de weg staat. Voor toewijzing van de gevorderde ontruiming dient de hoogte van de huurachterstand ernstig genoeg te zijn. Aangezien een ontruiming een ingrijpende - en in de praktijk vaak een definitieve - maatregel is, worden bij deze beoordeling alle betrokken belangen in ogenschouw genomen.

3.2.

[gedaagde] heeft niet betwist dat op de datum van dagvaarding, berekend tot en met juni 2018, een gelet op de maandelijkse huurprijs van € 5.329,57 op ruim vier maanden te begroten huurachterstand bestond. Het stond RFB vrij hem te doen dagvaarden teneinde een executoriale titel voor deze vordering te verkrijgen. Met de door [gedaagde] gestelde persoonlijke en financiële omstandigheden die hem verhinderen zijn betalingsverplichtingen (tijdig) na te komen, kan bij de beoordeling van deze vordering geen rekening worden gehouden. Deze omstandigheden liggen in de risicosfeer van [gedaagde] .

3.3.

Vast staat dus dat [gedaagde] jegens RFB tekort is geschoten in de nakoming van een verbintenis, in een omvang en gedurende een tijd (zie r.o. 3.2) die in een bodemprocedure de ontbinding van de huurovereenkomst zouden rechtvaardigen. Aldus staat, binnen het hiervoor onder r.o. 3.1 geschetste beoordelingskader, vast dat RFB spoedeisend belang heeft bij toewijzing van de vordering tot betaling van een voorschot op de huurachterstand. Dat [gedaagde] inmiddels al een deel van de huurachterstand heeft betaald, doet aan het vorenstaande niets af. Immers een tekortkoming in het verleden wordt niet ongedaan gemaakt door alsnog de verplichtingen uit de huurovereenkomst na te komen.

3.4.

De tekortkoming, een huurachterstand van ruim vier maanden, rechtvaardigt ook toewijzing van de vordering tot ontruiming van het gehuurde. De ontruimingstermijn zal op veertien dagen na betekening van dit vonnis worden gesteld.

3.5.

[gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van RFB worden tot de uitspraak van dit vonnis begroot op:
- dagvaarding € 103,38

- griffierecht € 952,00
- gemachtigde salaris € 600,00 (2 punten x € 300,00)

Totaal € 1.655,38

3.6.

De kosten van het oproepingsexploot en het punt liquidatietarief ter zake de zitting van 9 augustus 2018 blijven voor rekening van RFB.

3.7.

De gevorderde nakosten en de wettelijke rente over de proceskosten zullen op de hierna onder 4.3. en 4.4. weergegeven wijze worden toegewezen.

4 De beslissing

De kantonrechter

4.1.

veroordeelt [gedaagde] de bedrijfsruimte, staande en gelegen aan de [adres] te [vestigingsplaats] , binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis met al het zijne en de zijnen te verlaten, te ontruimen en onder afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van RFB te stellen,

4.2.

veroordeelt [gedaagde] om tegen bewijs van kwijting aan RFB te betalen € 14.000,00 aan voorschot op achterstallige huurpenningen, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over € 20.000,00 telkens vanaf de datum van verzuim in de betaling van de respectieve huurtermijnen (de eerste dag van de betreffende maand) tot de dag van voldoening,

4.3.

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van RFB tot op heden begroot op € 1.655,38, bij gebreke van betaling binnen veertien dagen na de betekening van dit vonnis te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na die betekening tot de dag van volledige betaling,

4.4.

veroordeelt [gedaagde] , onder de voorwaarde dat hij niet binnen twee weken na aanschrijving door RFB volledig aan de veroordeling voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 100,00 aan salaris gemachtigde,

- te vermeerderen, indien vervolgens betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, met de kosten van dat exploot,

4.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

4.6.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J. Otto en is in het openbaar uitgesproken.

CJ