Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:8105

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
29-08-2018
Datum publicatie
30-08-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 1258
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Wnb vergunning; aanvraag voor 1 juli 2015. Voor zover is betoogd dat aan het PAS onmiddellijke werking dient toe te komen, overweegt de rechtbank dat door de wetgever, weliswaar niet in het oorspronkelijke wetsontwerp maar via een amendement, overgangsrecht in het leven is geroepen en aan het PAS geen onmiddellijke werking is toegekend. De rechter kan in de beoordeling daarvan niet treden op grond van artikel 120 van de Grondwet, tenzij zou moeten worden geconcludeerd dat het overgangsrecht als zodanig niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties. Voor die conclusie is echter geen steun te vinden in hetgeen eiseressen hebben aangevoerd en de rechtbank ziet daarvoor ook overigens geen grond.

Verweerder heeft in aanmerking genomen dat beweiding niet is aangevraagd en er dus vanuit moet worden gegaan dat alle dieren op stal staan met een aldaar meegenomen maximale ammoniakemissie. Als beweiding zou zijn aangevraagd zou op de berekende emissie een reductie zijn toegepast van 5%. Dat betekent dat verweerder is uitgegaan van een worst-case-scenario en dat de feitelijke emissie en de depositie op de betreffende Natura 2000-gebieden niet is onderschat. De rechtbank is van oordeel dat met het niet meenemen van de gevolgen van beweiding in het onderhavige geval de natuurdoelstellingen geen geweld is aangedaan. Het in aanmerking nemen van de gevolgen van beweiding kan immers niet tot meer ammoniakemissie leiden dan het geval is in de stalsituatie die thans door verweerder in de vergunningverlening is betrokken. Bovendien is hetgeen door verweerder in aanmerking is genomen in overeenstemming met de ongewijzigde bedrijfsvoering die op 1 maart 2004 planologisch en milieutechnisch is vergund; voor die vergunde situatie maakte het binnen stallen dan wel buiten weiden geen verschil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JNA 2018/39 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 17/1258

uitspraak van de meervoudige kamer van 29 augustus 2018 in de zaak tussen

Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A., te Nijmegen,

Vereniging Leefmilieu, te Nijmegen, eiseressen

(gemachtigde: mr. V. Wösten),

en

het college van Gedeputeerde Staten van Limburg, verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Maatschap [naam 1] en [naam 2], te Heijen.

Procesverloop

Bij besluit van 9 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan de Maatschap [naam 1] en [naam 2] (vergunninghoudster) een vergunning verleend op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) voor het exploiteren van een melkrundveehouderij aan de [adres] te Heijen.

Eiseressen hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2018. Eiseressen zijn met bericht van verhindering van 15 maart 2018 niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.W.M. Horbach. Voor vergunninghoudster is [naam 3] verschenen.

Overwegingen

1. Voor de inrichting van vergunninghoudster is op 18 maart 1992 vergunning verleend op grond van de Hinderwet. Op 1 maart 2004 is een revisievergunning verleend op grond van de Wet milieubeheer voor 110 melk- en kalfkoeien (met beweiden) en 77 vrouwelijk jongvee (melk- en kalfkoeien). In deze revisievergunning is vermeld dat de rechten voor

31 melk- en kalfkoeien en 14 stuks melk- en kalfkoeien tot twee jaar zijn komen te vervallen omdat een eerder vergunde stal niet is opgericht en in werking gebracht binnen drie jaar na het onherroepelijk worden van de vergunning van 18 maart 1992. In de vergunning van

1 maart 2004 is ook getoetst aan de Habitatrichtlijn voor het gebied “Maasduinen” en is geconcludeerd dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet of nauwelijks zullen worden aangetast door vergunningverlening voor de inrichting van vergunninghoudster met 110 melk- en kalfkoeien en 77 vrouwelijk jongvee.

2. Vergunninghoudster heeft op 12 juni 2015 een aanvraag ingediend om een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw 1998) voor het exploiteren van een melkrundveehouderij aan de [adres] te Heijen. De aanvraag heeft betrekking op het exploiteren van een melkrundveehouderij waarbij 110 stuks melkvee (in een stal met RAV-code A 1.100) en 77 stuks jongvee (in een stal met RAV-code A 3.100) worden gehouden met een totale ammoniakemissie van 1.768,8 kg per jaar.

De inrichting van vergunninghoudster is gelegen nabij de Nederlandse Natura 2000-gebieden ‘Maasduinen’, ‘Oeffelter Meent’, ‘Sint Jansberg’ en ‘Zeldersche Driessen’ en het Duitse Natura 2000-gebied ‘Reichswald’.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan vergunninghoudster de gevraagde vergunning verleend op grond van de Wnb voor het exploiteren van een melkrundveehouderij met 110 stuks melkvee en 77 stuks jongvee. Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor de betreffende Natura 2000-gebieden de door vergunninghoudster aangevraagde activiteiten geen (significante) negatieve effecten zullen veroorzaken op de Nederlandse Natura-2000-gebieden ‘Maasduinen’, ‘Oeffelter Meent’, Sint Jansberg’ en ‘Zeldersche Driessen’ en het Duitse Natura-2000-gebied ‘Reichswald’. Daarbij heeft verweerder in aanmerking genomen dat de door eiseressen ingediende zienswijze geen aanleiding geeft tot wijziging van het eerdere ter inzage gelegde ontwerpbesluit.

4. In beroep is aangevoerd dat ten aanzien van het in de bedrijfsvoering opgenomen bemesten en/of beweiden de emissies ten onrechte buiten beschouwing zijn gelaten en dat er in zoverre sprake is van een impliciete weigering van de vergunning. Verder wordt aangevoerd dat zonder afdoende beoordeling aan de toegelaten bedrijfsemissies op de referentiedatum 24 maart 2000 voorbij wordt gegaan. Voorts is aangevoerd dat verweerder buiten het Programma Aanpak Stikstof (PAS) om vergunningen verleent zonder dat duidelijk is hoe de daarbij betrokken deposities zich verhouden tot het PAS en niet duidelijk is waarom beide stelsels gelijktijdig naast elkaar kunnen bestaan. Tot slot wordt aangevoerd dat het bestreden besluit wel verband houdt met het PAS en verweerder ten onrechte de ingediende zienswijzen buiten behandeling heeft gelaten.

5. Op 1 juli 2015 is het PAS in werking getreden en is in de Nbw 1998 overgangsrecht opgenomen voor vergunningaanvragen die vóór 1 juli 2015 zijn ingediend. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft over het overgangsrecht dat was neergelegd in de artikelen 19km, vierde lid, en 67a van de Nbw 1988 geoordeeld in de uitspraken van

14 en 28 december 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3327 en ECLI:NL:RVS:2016:3489).

6. Op 1 januari 2017 is de Wnb in werking getreden. In artikel 9.10, eerste lid, van de Wnb is bepaald dat de op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aanhangige procedures tot het nemen van een besluit krachtens de Nbw 1998, de Flora- en faunawet of de Boswet, aanhangig zijn in de staat waarin zij zich op dat moment bevinden en dat die aanvragen vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de Wnb worden behandeld.

Op grond van artikel 9.4, eerste lid, van de Wnb gelden vergunningen als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 als vergunningen als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb. De aanvraag van vergunninghoudster van 12 juni 2015 is daarom aangemerkt als aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb.

7. Het PAS is sinds 1 januari 2017 neergelegd in de Wnb, het Besluit natuurbescherming (Bnb) en de Regeling natuurbescherming (Rnb), alsmede in het betrokken programma voor de periode 2015-2021 (het Programma PAS 2015-2021).

De artikelen 2.7, 2.8 en 2.9 van het Bnb zien op het toekennen van ontwikkelingsruimte, de grondslag van het PAS.

In artikel 5.13 van de Bnb is het overgangsrecht voor het PAS neergelegd: het eerste lid van dat artikel komt overeen met het oude artikel 19km, vierde lid, van de Nbw 1998 en het tweede lid met artikel 67a van de Nbw 1998.

Uit artikel 5.13, tweede lid, van het Bnb volgt dat de artikelen 2.7, 2.8 en 2.9 van de Bnb, als wordt voldaan aan voorwaarden, niet van toepassing zijn op aanvragen die zijn ingediend voor 1 juli 2015.

8. Voor zover eiseressen hebben aangevoerd dat hun zienswijze ten onrechte buiten behandeling is gelaten, overweegt de rechtbank dat deze zienswijze -kort gezegd- inhield dat het ontwerpbesluit niet in overeenstemming met het PAS is genomen en dat verweerder in het PAS ten onrechte geen grondslag heeft gezien om het ontwerpbesluit aan te passen. Verweerder heeft zich echter op het standpunt gesteld dat ingevolge het overgangsrecht het PAS niet van toepassing is op de aanvraag. Daarmee is de zienswijze niet buiten behandeling gelaten, zoals eiseressen nu stellen, maar is de zienswijze niet gegrond geacht. Deze beroepsgrond slaagt niet.

9. Eiseressen hebben verder betoogd dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het PAS niet (geheel) van toepassing is en dat verweerder over is gegaan tot vergunningverlening buiten het PAS om. Eiseressen zijn van mening dat ten onrechte overgangsrecht geldt voor de toepassing van het PAS omdat de stikstofbelasting van de Natura-2000 gebieden zodanig is dat ter bescherming van die gebieden aan het PAS onmiddellijke werking dient toe te komen. Eiseressen hebben betoogd dat ten onrechte overgangsrecht geldt op grond waarvan belangrijke elementen van het PAS op aanvragen van voor 1 juli 2015 buiten toepassing worden gelaten.

10. Voor zover eiseressen hebben betoogd dat aan het PAS onmiddellijke werking dient toe te komen, overweegt de rechtbank het volgende. Door de wetgever is, weliswaar niet in het oorspronkelijke wetsontwerp maar via een amendement, overgangsrecht in het leven geroepen en is aan het PAS geen onmiddellijke werking toegekend. De rechter kan in de beoordeling daarvan niet treden op grond van artikel 120 van de Grondwet, tenzij zou moeten worden geconcludeerd dat het overgangsrecht als zodanig niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties. Voor die conclusie is echter geen steun te vinden in hetgeen eiseressen hebben aangevoerd en de rechtbank ziet daarvoor ook overigens geen grond. Deze beroepsgrond slaagt evenmin.

11. Voor zover eiseressen hebben beoogd te betogen dat aan het overgangsrecht van artikel 5.13, tweede lid, van de Nbw niet is voldaan en dat daarom dient te worden getoetst aan de artikelen 2.7, 2.8 en 2.9 van het Bnb, waarin belangrijke uitgangspunten van het PAS zijn neergelegd, overweegt de rechtbank als volgt.

12. Artikel 5.13, tweede lid, van het Bnb luidt als volgt:

De artikelen 2.7, 2.8 en 2.9 zijn niet van toepassing op projecten, plannen en andere handelingen die stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied veroorzaken indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:

a. voor het project, het plan of de andere handeling was vóór 1 juli 2015 een besluit als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, in voorbereiding bij het desbetreffende bestuursorgaan;

b. de voor het nemen van het desbetreffende besluit beschikbare gegevens en bescheiden zijn naar het oordeel van het desbetreffende bestuursorgaan voldoende voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van het desbetreffende besluit en bovendien, ingeval het besluit betrekking heeft op een project als bedoeld in artikel 2.7, derde lid, onderdeel a, van de wet, is een volledige passende beoordeling als bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, van de wet gemaakt, en

c. degene die het desbetreffende project zal realiseren, onderscheidenlijk de andere handeling zal verrichten, heeft een tijdige uitvoering verzekerd van de maatregelen die in het kader van de realisering van het project, onderscheidenlijk het verrichten van de andere handeling worden getroffen om te verzekeren dat de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebied niet zullen worden aangetast als gevolg van het project, onderscheidenlijk om verslechteringen of significant verstorende effecten als gevolg van de andere handeling te voorkomen.

13. Aan de voorwaarde onder a is voldaan getuige de aanvraag van 12 juni 2015, waarmee vaststaat dat voor 1 juli 2015 een besluit als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van de Nbw in voorbereiding was.

Niet gesteld of gebleken is dat, gelet op de mate van volledigheid van de vergunningaanvraag, verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voldoende gegevens en bescheiden beschikbaar waren voor een beoordeling van de aanvraag. De aanvulling van de aanvraag met een AAgro-Stacks-berekening van

21 november 2016 komt niet voort uit onvolledigheid van de aanvraag, maar uit de wijzigingen van de Regeling Ammoniak en Veehouderij per 1 augustus 2015, 31 maart 2016 en 1 oktober 2016 en ziet niet op een wijziging van de activiteit of van dierenaantallen. Het bestreden besluit is verleend voor een bestaande en reeds (planologisch en milieutechnisch) vergunde situatie waarin geen wijziging plaatsvindt en waarvan de gegevens bekend zijn. Daarmee is voldaan aan de voorwaarde onder b.

Omdat er geen sprake is van toename van stikstofdepositie als gevolg van het bestaande en vergunde project, zijn er ook geen maatregelen noodzakelijk om te verzekeren dat de natuurlijke kenmerken van de betreffende Natura 2000-gebieden niet zullen worden aangetast als gevolg van het project, onderscheidenlijk om verslechteringen of significant verstorende effecten als gevolg van de andere handeling te voorkomen.

Bij de beoordeling dat er geen sprake is van toename van stikstofdepositie heeft verweerder toepassing gegeven aan de beleidslijn ‘Toetsing stikstofdepositie bij Limburgse vogelrichtlijngebieden’ van 27 november 2012 (de beleidslijn). In die beleidslijn staat dat bij de beoordeling van een vergunningaanvraag als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 (nu: artikel 2.7, tweede lid, van de Nbw) de stikstofdepositie veroorzaakt op Limburgse Natura 2000-gebieden, voor de gebieden die op 10 juni 1994 of nadien als vogelrichtlijn gebieden zijn aangewezen, de stikstofsituatie op 7 december 2004 als uitgangspunt mag worden genomen. Op 7 december 2004 gold de situatie zoals vergund op

1 maart 2004 en die is sindsdien ongewijzigd gebleven voor zover het betreft activiteit en dierenaantallen. De rechtbank ziet de stelling van eiseressen dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat aan de toegelaten bedrijfsemissies op de referentiedatum 24 maart 2000 voorbij is gegaan, dan ook niet slagen. De rechtbank stelt dan ook vast dat ook is voldaan aan voorwaarde onder c.

14. Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat in het onderhavige geval niet aan de voorwaarden opgenomen in artikel 5.13, tweede lid, van het Bnb is voldaan. Verweerder heeft dan ook terecht de artikelen 2.7, 2.8 en 2.9 van het Bnb, en daarmee het PAS, niet toegepast. De hierop gerichte beroepsgrond van eiseressen slaagt niet.

15. Eiseressen hebben aangevoerd dat ten aanzien van het in de bedrijfsvoering opgenomen bemesten en/of beweiden de emissies ten onrechte buiten beschouwing zijn gelaten en dat er in zoverre sprake is van een impliciete weigering van de vergunning.

De rechtbank stelt vast dat in de vergunning van 1 maart 2004 al sprake was van beweiding en dat dit op 12 juni 2015, voor zover het betreft de Wnb 1998/Nbw, niet is aangevraagd. Ten tijde van het bestreden besluit was de Omgevingsverordening Limburg 2014 nog niet aangepast aan de per 1 januari 2017 in werking getreden Wnb. Op 25 april 2017 is in het Provinciale Blad de aanpassing van de Omgevingsverordening Limburg 2014 gepubliceerd en op 26 april 2017 in werking getreden. Dat brengt mee dat ten tijde van het bestreden besluit geen categoriale vrijstelling voor weiden en gebruiken meststoffen gold.

16. Verweerder heeft in aanmerking genomen dat beweiding niet is aangevraagd en er dus vanuit moet worden gegaan dat alle dieren op stal staan met een aldaar meegenomen maximale ammoniakemissie. Als beweiding zou zijn aangevraagd zou op de berekende emissie een reductie zijn toegepast van 5%. Dat betekent dat verweerder is uitgegaan van een worst-case-scenario en dat de feitelijke emissie en de depositie op de betreffende Natura 2000-gebieden niet is onderschat.

17. De rechtbank is van oordeel dat met het niet meenemen van de gevolgen van beweiding in het onderhavige geval de natuurdoelstellingen geen geweld is aangedaan. Het in aanmerking nemen van de gevolgen van beweiding kan immers niet tot meer ammoniakemissie leiden dan het geval is in de stalsituatie die thans door verweerder in de vergunningverlening is betrokken. Bovendien is hetgeen door verweerder in aanmerking is genomen in overeenstemming met de ongewijzigde bedrijfsvoering die op 1 maart 2004 planologisch en milieutechnisch is vergund; voor die vergunde situatie maakte het binnen stallen dan wel buiten weiden geen verschil. Anders dan eiseressen hebben betoogd, stelt de rechtbank vast dat verweerder de gevolgen van beweiding uitdrukkelijk en voldoende in ogenschouw heeft genomen. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.

18. Het beroep is ongegrond en voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.G.H. Seerden, voorzitter, en mr. Th.M. Schelfhout en mr. R.M.M. Kleijkers, leden, in aanwezigheid van J.N. Buddeke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 augustus 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op: 29 augustus 2018

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.