Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:8085

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
28-08-2018
Datum publicatie
28-08-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 3556
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Disciplinaire straf (inhoudende vermindering van 16 verlofuren over het jaar 2016) terecht opgelegd, omdat eiser zich niet heeft gedragen als een goed ambtenaar betaamt. Het optreden van eiser op de kerstviering van 2015, waarbij hij een collega ten overstaan van 140 overige collega’s en een aantal buitenstaanders voor schut heeft gezet en gekwetst, terecht als plichtsverzuim aangemerkt.

Verweerders besluit ten aanzien van de tijdelijke plaatsing van eiser naar een ander basisteam met ingang van 21 december 2015 op grond van artikel 64 van het Besluit algemene rechtspositie politie (het Barp) is gerechtvaardigd vanwege het ingesteld onderzoek naar mogelijk plichtsverzuim van eiser. Verweerders besluit met betrekking tot de plaatsing van eiser naar dit ander basisteam met ingang van 1 januari 2017 is echter onvoldoende gemotiveerd. Dit deel van het besluit wordt vernietigd en verweerder zal op dit punt een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Maastricht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 17/3556

uitspraak van de meervoudige kamer van 28 augustus 2018 in de zaak tussen

[naam 1] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. S.E.W. Klinkers-Engelen),

en

De korpschef van Politie, verweerder

(gemachtigde: mr. F.F.M.J. van den Einden).

Procesverloop

Bij besluit van 21 december 2015 (het primaire besluit 1) heeft verweerder eiser met toepassing van artikel 64 van het Besluit algemene rechtspositie politie (het Barp) in het belang van de dienst met onmiddellijke ingang overgeplaatst naar het basisteam Roermond, waarbij zijn functie ongewijzigd is gebleven.

Bij besluit van 1 december 2016 (het primaire besluit 2) heeft verweerder besloten om eiser op grond van artikel 64 van het Barp met terugwerkende kracht vanaf 1 juli 2016 in zijn huidige functie te plaatsen bij het basisteam Roermond. Tevens heeft verweerder besloten op deze verplaatsing de zogenaamde LSS regeling in verband met meerkilometers woon/werkverkeer van toepassing te verklaren.

Bij besluit van 5 december 2016 (het primaire besluit 3) is aan eiser de disciplinaire straf van vermindering van eisers recht op jaarlijkse vakantie met 16 uren over het jaar 2016 opgelegd, zoals bedoeld in artikel 77, eerste lid, aanhef en onder c, van het Barp.

Bij besluit van 9 januari 2017 (het primaire besluit 4) heeft verweerder het primaire besluit 2 gewijzigd, in die zin dat de ingangsdatum bepaald wordt op 1 januari 2017.

Bij besluit van 19 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de hiervoor genoemde primaire beslissingen ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en de kantoorgenoot van de gemachtigde, mr. L. Meys. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is werkzaam bij de Nationale Politie sinds 27 oktober 1986, laatstelijk in de functie van Generalist GGP bij de Eenheid Limburg, voorheen in het basisteam Maastricht en thans in het basisteam Roermond.

2. Op 17 december 2015, tijdens de kerstviering van het basisteam Maastricht bij brasserie De Tapijn, heeft eiser, verkleed als Sinterklaas, een toespraak gehouden voor ongeveer 140 collega’s, waarbij hij stil is blijven staan bij een aantal gebeurtenissen uit het jaar 2015. Als eerste heeft eiser (een vrouwelijke) collega [naam 2] (hierna: [naam 2] ) naar voren geroepen op het podium en haar in dichtvorm als volgt toegesproken: “Op de werkvloer heb je met een collega iets willen opbouwen. Nota bene een collega die op het punt stond om te gaan trouwen. Zoals iedereen weet is het zover niet gekomen en uit elkaar gespat zijn al jouw dromen. Je hebt liggen vloeken en schelden en tieren, maar je zult toch helemaal alleen dit jaar kerstmis moeten vieren”. Vervolgens begon eiser een gedeelte van een lied van André Hazes te zingen (“ik zit hier heel alleen kerstfeest te vieren”) en bood haar daarna als cadeautje een pakje papieren zakdoekjes aan om haar tranen te drogen. Hierop heeft de teamchef van eiser, [naam 3] (hierna: [naam 3] ), die officieel op dat moment met ziekteverlof was, ingegrepen. [naam 3] heeft de microfoon van eiser overgenomen en medegedeeld – kort gezegd – dat niet zo met collega’s wordt omgegaan, dat eiser zijn verhaal kon voortzetten op een nette wijze of maar terug moest gaan naar Spanje. Het optreden van eiser heeft veel reacties losgemaakt onder zijn collega’s. Naar aanleiding van klachten tegen dit optreden is een intern disciplinair onderzoek ingesteld naar het gedrag van eiser, meer in het bijzonder naar het mogelijk kwetsend en beledigend bejegenen van collegae door eiser tijdens de kerstviering. [naam 2] voornoemd heeft geen klacht tegen eiser ingediend. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 31 maart 2016.

3. Bij het primaire besluit 1 is eiser gedurende het intern disciplinair onderzoek tijdelijk overgeplaatst naar het basisteam Roermond. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

4. Bij het primaire besluit 2 is eiser op grond van artikel 64, eerste lid, van het Barp, onder verwijzing naar gesprekken die hierover met bezwaarde hebben plaatsgevonden, met terugwerkende kracht vanaf 1 juli 2016 geplaatst bij het basisteam Roermond. Bij het primaire besluit 4 heeft verweerder, in aanvulling op het primaire besluit 2 en op verzoek van eiser, de ingangsdatum van de overplaatsing naar het basisteam Roermond veranderd in 1 januari 2017, in plaats van 1 juli 2016. Tevens heeft verweerder de afspraak bevestigd dat, indien de reistijd Maastricht-Roermond eiser zou gaan opbreken, eiser op basis van horizontale verplaatsing geplaatst kan worden in een basisteam dat dichterbij Maastricht is gelegen (niet zijnde Maastricht zelf), zulks na overleg tussen de ontvangende chef en de chef van het basisteam Roermond en indien de formatie het toelaat. Ook tegen deze besluiten heeft eiser bezwaar gemaakt.

5. Inmiddels was op 8 augustus 2016 aan eiser vanwege plichtsverzuim het voornemen tot het opleggen van de straf van vermindering jaarlijks verlof met 16 uren over het jaar 2016 kenbaar gemaakt. Tegen dit voornemen heeft eiser mondeling zijn zienswijze kenbaar gemaakt. Vervolgens heeft verweerder het primaire besluit 3 genomen. Verweerder verwijt eiser dat hij ten minste een collega ernstig heeft gekwetst en in een zeer ongemakkelijke positie heeft gebracht. Verweerder is de mening toegedaan dat, ondanks de omstandigheid dat het een feit van algemene bekendheid was dat [naam 2] een mislukte relatie had met een collega uit het basisteam, dit niemand het recht geeft om dit gegeven breed uit te meten voor een breed publiek dat niet alleen bestond uit collega’s, maar ook uit derden (medewerkers van brasserie De Tapijn en de discjockey). Tegen het primaire besluit 3 heeft eiser eveneens bezwaar gemaakt.

6. Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers bezwaren tegen de primaire besluiten, overeenkomstig het advies van de bezwaaradviescommissie HRM (de Commissie) van 8 augustus 2017, ongegrond verklaard.

7. Eiser heeft zich ook met dit besluit niet kunnen verenigen en heeft hiertegen beroep ingesteld bij deze rechtbank.

De rechtbank zal ieder besluitonderdeel afzonderlijk bespreken en komt tot de volgende beoordeling.

Ten aanzien van de tijdelijke plaatsing van eiser naar het basisteam Roermond met ingang van 21 december 2015 op grond van artikel 64 van het Barp

8. Verweerder heeft naar aanleiding van eisers optreden op de kerstviering van 17 december 2015 besloten om een oriënterend onderzoek in te stellen door onderzoekers van de afdeling Veiligheid, Integriteit en klachten (VIK), teneinde te kunnen vaststellen of er mogelijk sprake is geweest van plichtsverzuim als bedoeld in artikel 76 van het Barp. In verband met de objectiviteit van dit onderzoek heeft verweerder het onwenselijk geacht dat eiser, gedurende dit onderzoek zijn werkzaamheden als medewerker basispolitiezorg blijft verrichten in het basisteam Maastricht. Bij het primaire besluit 1 heeft verweerder dan ook besloten eiser in het belang van de dienst met onmiddellijke ingang over te plaatsen naar het basisteam Roermond.

9. Op grond van artikel 64, eerste lid, van het Barp is de ambtenaar, indien het belang van de dienst dit in bijzondere gevallen vordert, verplicht zijn functie op een andere dan de hem aangewezen plaats van tewerkstelling of binnen een ander dan het hem aangewezen werkgebied uit te oefenen of, al dan niet op een andere dan de hem aangewezen plaats van tewerkstelling of binnen een ander dan het hem aangewezen werkgebied, een andere functie dan die waarin hij is aangesteld uit te oefenen, mits dit redelijk is in verband met zijn persoonlijkheid, omstandigheden en vooruitzichten.

10. De rechtbank stelt vast dat eiser niet is ontheven uit zijn functie van Generalist GGP, maar een andere plaats van tewerkstelling heeft gekregen. Gelet op de reden van deze tijdelijke overplaatsing naar het basisteam Roermond, te weten het feit dat eiser onderwerp was van onderzoek en het dus niet wenselijk was dat eiser gedurende dat onderzoek zijn werkzaamheden bij het basisteam in Maastricht uitoefende, is deze overplaatsing naar het oordeel van de rechtbank gerechtvaardigd op grond van het in artikel 64 van het Barp aangegeven dienstbelang. Voorts is de rechtbank van oordeel dat deze overplaatsing naar een andere standplaats, waarbij zijn functie ongewijzigd is gebleven, in verband met zijn persoonlijkheid, omstandigheden en vooruitzichten in redelijkheid aan eiser kon worden opgedragen.

11. De rechtbank is niet gebleken dat eiser specifieke beroepsgronden heeft aangevoerd tegen deze tijdelijke overplaatsing naar Roermond, behalve dat hij heeft betoogd dat verweerder niet binnen de toepasselijke beslistermijn een besluit op zijn bezwaar heeft genomen. De rechtbank merkt in dit verband op dat – wat hier verder ook van zij – eiser hiertegen desgewenst rechtsmiddelen had kunnen aanwenden, teneinde de besluitvorming te bespoedigen.

12. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om onderhavig plaatsingsbesluit te nemen.

Ten aanzien van de plaatsing van eiser naar het basisteam Roermond met ingang van

1 januari 2017

13. Bij de primaire besluiten 2 en 4 heeft verweerder besloten om eiser met ingang van 1 januari 2017 in zijn huidige functie te plaatsen bij het basisteam Roermond. In het primaire besluit 2 heeft verweerder voor wat betreft de motivering van het besluit verwezen naar gesprekken die hierover met eiser hebben plaatsgevonden. In het bestreden besluit heeft verweerder aangegeven dat hij de overplaatsing als maatregel passend acht. Verder heeft verweerder in het verweerschrift en ter zitting aangegeven dat het onderhavige overplaatsingsbesluit is gelegen in het belang van de dienst. Volgens verweerder was de sfeer in het team na eisers voordracht op de kerstviering verstoord. De voordracht was bij verschillende collega’s in het verkeerde keelgat geschoten. De rust op de werkvloer in het basisteam Maastricht was gebaat bij een definitieve overplaatsging van eiser, aldus verweerder. Verweerder is dan ook de mening toegedaan dat het organisatiebelang dient te prevaleren boven het persoonlijke belang van eiser.

14. De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerder in het bestreden besluit de overplaatsing van eiser naar Roermond met ingang van 1 januari 2017 heeft gebaseerd op artikel 64 van het Barp en niet op basis van artikel 65 van het Barp, welk artikel ziet op een vrijwillige overplaatsing op aanvraag. Daarvan is in dit geval geen sprake.

15. Eiser heeft onder meer in beroep aangevoerd dat het bestreden besluit op dit onderdeel niet deugdelijk is gemotiveerd.

16. Uit het verweerschrift en het verhandelde ter zitting is de rechtbank gebleken dat de overplaatsing naar Roermond in het belang van de dienst enerzijds was ingegeven vanwege het creëren van rust op de werkvloer, omdat de voordracht van eiser op de kerstviering veel impact heeft gehad onder de collega’s en anderzijds omdat op dat moment bij de politie een cultuuromslag gaande was met betrekking tot omgangsvormen (op het gebied van normen en waarden). De rechtbank stelt echter vast dat een onderbouwing voor deze stellingnames ontbreekt. Ook is het voor de rechtbank niet duidelijk waarom eiser moet worden overgeplaatst voor onbepaalde tijd. Verder blijkt uit de tekst van artikel 64 van het Barp dat voorafgaande aan het opleggen van een maatregel op grond van dit artikel er een belangenafweging dient plaatsvinden. Van een dergelijke belangenafweging is ook niet gebleken. Dit betekent dat het bestreden besluit op dit punt gebrekkig is gemotiveerd en daarom niet in stand kan blijven.

17. Het voorgaande leidt ertoe dat het beroep tegen dit deel van het bestreden besluit gegrond is en dit deel van het besluit moet worden vernietigd. De rechtbank ziet met betrekking tot het geschilpunt of eiser zijn functie van Generalist GGP op een andere plaats van tewerkstelling moet uitoefenen (in dit geval Roermond) geen mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien. Evenmin wordt aanleiding gezien een bestuurlijke lus toe te passen, omdat herstel van het gebrek enige tijd zal duren en er wellicht ook nog nader onderzoek benodigd zal zijn. Verweerder zal daarom op dit punt een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van twaalf weken.

Ten aanzien van de opgelegde disciplinaire straf (vanwege plichtsverzuim)

18. Ingevolge artikel 76, eerste lid, van het Barp kan de ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, disciplinair worden gestraft.

Ingevolge het tweede lid van voornoemd artikel omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van een voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

Ingevolge artikel 77, eerste lid, aanhef en onder c, van het Barp zijn de straffen die kunnen worden opgelegd: vermindering van het recht op een jaarlijkse vakantie met ten hoogste een vierde gedeelte van het aantal uren, bedoeld in artikel 17, waarop in het desbetreffende kalenderjaar aanspraak bestaat.

19. Naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) ten aanzien van disciplinaire straffen, wordt als toetsingsmaatstaf gehanteerd dat de rechtbank dient vast te stellen of de betrokken ambtenaar zich gelet op de feiten schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim ter zake waarvan het bestuursorgaan bevoegd was hem een straf op te leggen. De feiten moeten boven gerede twijfel zijn verheven en moeten als aan de ambtenaar toe te rekenen plichtsverzuim kunnen worden gekwalificeerd. Als dit het geval is, is het bestuursorgaan bevoegd een disciplinaire straf op te leggen. De rechtbank toetst dit deel van het besluit vol. Daarnaast dient de genomen maatregel in verhouding te staan tot het plichtsverzuim. Hier toetst de rechtbank terughoudend en beoordeelt, meer in het bijzonder of het bestuursorgaan bij het bepalen van de sanctie is gebleven binnen de grenzen van het evenredigheidsbeginsel.

20. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het gedrag van eiser tijdens de kerstviering op 17 december 2015 is aan te merken als plichtsverzuim. Volgens verweerder is het naar voren roepen van een vrouwelijke collega ten overstaan van ongeveer 140 collega’s (en een paar buitenstaanders) en waarbij melding wordt gemaakt van haar mislukte liefdesrelatie met een andere collega aan te merken als kwetsend en respectloos, zelfs al was het een feit van algemene bekendheid. Eiser heeft, aldus verweerder, met zijn handelswijze iets gedaan dat hij – als goed ambtenaar – had dienen na te laten. In het verweerschrift heeft verweerder aangegeven dat eiser ook een voorschrift heeft overtreden, te weten één van de zeven waarden van “Code Blauw”, waarin de missie van de Nederlandse politie (“Waakzaam en dienstbaar staat de politie voor de waarden van de rechtsstaat”) is uitgewerkt. Deze waarden zijn richtinggevend voor het gedrag van politiemensen. Een van die waarden is respect, hetgeen zich uit in een correcte en fatsoenlijke bejegening van de ander, aldus verweerder. Eiser heeft met zijn gedrag tijdens de kerstviering volgens verweerder die beroepswaarden niet op een juiste wijze uitgedragen.

21. Eiser heeft – kort gezegd – aangevoerd dat er geen sprake is van plichtsverzuim en dat hij op een ludieke en leuke manier zaken aan de orde heeft gesteld tijdens de kerstviering die op de werkvloer speelden en die algemeen bekend waren.

22. De rechtbank overweegt dat de feiten, welke ten grondslag hebben gelegen aan het door verweerder gestelde plichtsverzuim, voldoende zijn komen vast te staan. Dit blijkt onder meer uit de verklaringen van collega’s, die zelf getuigen waren geweest van eisers Sinterklaasoptreden, de reactie van [naam 2] alsook uit de verklaring van eiser zelf, waarin hij deze feiten erkent. Eiser heeft zelf de tekst van het gedicht overgelegd aan de onderzoekers van de afdeling VIK. Eiser heeft dit gedicht, zoals weergegeven onder rechtsoverweging 2, voorgedragen aan [naam 2] , die naast hem stond op het podium en niet was voorbereid op hetgeen ging komen, ten overstaan van circa 140 collega's en verder enkele buitenstaanders, daarna het lied “eenzame kerst” van André Hazes voor haar gezongen en tot slot een pak papieren zakdoekjes aan [naam 2] cadeau gedaan om haar tranen weg te vegen. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiser door deze handelswijze zich schuldig heeft gemaakt aan ontoelaatbaar gedrag. Het op deze wijze – tijdens een kerstviering verkleed als Sinterklaas – en plein public aan de orde stellen van de mislukte liefdesrelatie op het werk van collega [naam 2] met een andere collega getuigt van geen respect voor [naam 2] . Voor eiser stond integendeel voorop, het vermaken van zijn gehoor ten koste van haar. Het op deze respectloze wijze bejegenen van [naam 2] acht de rechtbank ongepast. Terecht heeft verweerder gesteld dat de manier waarop eiser is omgegaan met deze voor [naam 2] pijnlijke privékwestie niet kan worden getolereerd. Dat deze liefdesrelatie op het werk een publiek geheim was en in 2015 gespreksstof was in de wandelgangen van het politiebureau, kan niet tot een ander oordeel leiden. Dat eiser niet de intentie heeft gehad om [naam 2] te kwetsen, maakt het vorenstaande ook niet anders. De rechtbank overweegt voorts dat al zou sprake zijn van een zekere cultuur binnen de politie waarin het gewoon was om dit soort grappen uit te halen, zoals eiser stelt en door verweerder wordt betwist, kan dit het handelen van eiser niet verontschuldigen. Eiser blijft immers verantwoordelijk voor zijn eigen handelen.

23. De rechtbank is – gelet op het voorgaande – van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser zich niet heeft gedragen als een goed ambtenaar betaamt. Het optreden van eiser op de kerstviering van 17 december 2015 is dan ook op goede gronden aangemerkt als plichtsverzuim. Niet gesteld noch gebleken is dat dit plichtsverzuim niet aan eiser kan worden toegerekend. Verweerder was dan ook bevoegd tot het opleggen van een disciplinaire straf.

24. Voor zover eiser heeft betoogd dat het bestreden besluit in strijd met het evenredigheidsbeginsel is genomen, omdat hij tweemaal gestraft is voor zijn gedrag tijdens de kerstviering – namelijk 16 uur verlof inleveren én overplaatsing naar het basisteam in Roermond –, overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder stelt in dit verband terecht dat overplaatsing op grond van artikel 64 van het Barp geen straf is, maar een maatregel. De overplaatsing is immers niet gebaseerd op artikel 77 van het Barp, waarin de straffen die aan een politieambtenaar kunnen worden opgelegd, zijn opgesomd. De beroepsgrond dat de overplaatsing een bijkomende/verkapte disciplinaire straf is, treft dus geen doel.

25. Met betrekking tot het betoog van eisers gemachtigde ter zitting dat eiser lange tijd in het ongewisse is gelaten door verweerder vanwege het lange tijdsverloop tussen het instellen van het onderzoek en het nemen van een beslissing en dit meegewogen mag worden ten gunste van eiser in de strafmaat, overweegt de rechtbank dat – wat hier verder ook van zij – van een extreem lang stil zitten van de zijde van verweerder geen sprake is geweest, gelet ook op het feit dat gedurende deze periode een intern onderzoek heeft plaatsgevonden en partijen met elkaar in gesprek zijn geweest.

26. Eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel vanwege het feit dat hij 10 jaar geleden een soortgelijke act heeft opgevoerd (maar dan verkleed als kerstman) en hij destijds niet door verweerder is gestraft, kan evenmin slagen. Eisers gemachtigde heeft desgevraagd ter zitting bevestigd dat de tekst van de act van 10 jaar geleden niet meer kan worden overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank kan de inhoud van deze voordracht dus niet meer worden gecontroleerd en kan niet worden vastgesteld of er sprake is van rechtens gelijke gevallen. Eiser heeft zijn standpunt dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel dan ook niet, althans onvoldoende, onderbouwd.

27. Ten aanzien van eisers standpunt dat [naam 4] in aanwezigheid van [naam 5] , beiden zijn plaatsvervangend teamchef van eiser geweest in het basisteam Maastricht, aan hem toezeggingen heeft gedaan, overweegt de rechtbank het volgende. [naam 4] heeft volgens eiser op 31 mei 2016 onder meer tegen hem gezegd dat het onderzoeksresultaat bekend was en er geen sprake was van plichtsverzuim, maar van onacceptabel gedrag. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 6 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3686) kan een beroep op het vertrouwensbeginsel alleen slagen als van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat [naam 4] niet bevoegd was om te beslissen over het opleggen van disciplinaire straffen en hierover eventuele toezeggingen te doen. Eiser wist, althans behoorde te weten, dat disciplinaire beslissingen enkel en alleen worden genomen door de Eenheidsleiding. Van eiser mag worden verwacht dat hij op de hoogte is van het mandaatstelsel binnen de politie. Het beroep op het vertrouwensbeginsel kan derhalve niet slagen.

28. Gezien het voorgaande is er voor de rechtbank geen aanleiding om [naam 4] en [naam 5] te horen als getuige over een eventueel door [naam 4] gedane toezegging tijdens het gesprek van 31 mei 2016, aangezien [naam 4] hiertoe niet bevoegd was. Het maakt dan ook niet uit om te weten wat tijdens dit gesprek gezegd is.

29. De beroepsgronden van eiser tegen de opgelegde disciplinaire straf treffen geen doel. Verweerder heeft in redelijkheid en in overeenstemming met artikel 77 van het Barp de onderhavige disciplinaire straf aan eiser kunnen opleggen.

Ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding en de proceskosten

30. Nu nog niet ten volle vast staat of sprake is van een (deels) onrechtmatig besluit, komt de rechtbank niet toe aan de door eiser gevorderde schadevergoeding op grond van artikel 8:88 van de Awb. Dit verzoek wordt dan ook afgewezen.

31. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

32. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,00 (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,00 en een wegingsfactor 1).

Eiser heeft voorts een vergoeding gevraagd van € 149,00 voor reiskosten. Alleen de reiskosten, die betrekking hebben op het bijwonen van de zitting, komen voor vergoeding in aanmerking (op basis van openbaar vervoer, 2e klas), hetgeen neerkomt op een totaal bedrag van € 2,06.

Ten aanzien van de door eiser opgevoerde verletkosten, overweegt de rechtbank dat de omvang van deze kosten wordt bepaald door de duur van het tijdverzuim in verband met het bijwonen van de zitting door eiser. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn uurloon een salarisstrook van juni 2017 overgelegd. De rechtbank merkt op dat dit geen recente salarisspecificatie betreft, maar bij gebrek aan beter zal het uurloon desondanks aan de hand hiervan worden bepaald. Uitgaande van een salaris van € 3.350,98 en een arbeidsduur van 165,73 uren per maand stelt de rechtbank het uurloon van eiser vast op € 20,22. De rechtbank stelt een verlet van in totaal 4 uur voor het bijwonen van de zitting door eiser vast. De verletkosten worden dan ook bepaald op € 80,88.

Eiser heeft voorts een vergoeding gevraagd van € 215,17 voor verschotten. De verschotten bestaan volgens de gemachtigde van eiser uit het griffierecht en het aangetekend verzenden van stukken. De rechtbank merkt daaromtrent op dat het griffierecht reeds aan eiser wordt vergoed op grond van het bepaalde in artikel 8:74, eerste lid, van de Awb, terwijl kosten voor het aangetekend verzenden van stukken op grond van het Bpb niet voor vergoeding in aanmerking komen.

Al met al zal de rechtbank de te vergoeden proceskosten vaststellen op € 1.084,94.

Tot slot

33. Ter voorlichting van eiser merkt de rechtbank nog het volgende op. Het beroep is gegrond. Dat betekent echter niet dat eiser op alle onderdelen van het beroep gelijk heeft gekregen. Uit het voorafgaande blijkt dat de rechtbank een aantal beroepsgronden van eiser uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen. Als eiser het daarmee niet eens is en wil voorkomen dat dit oordeel van de rechtbank komt vast te staan, zal hij tegen deze uitspraak hoger beroep moeten instellen.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover het daarbij de definitieve overplaatsing van eiser betreft met ingang van 1 januari 2017 naar het basisteam Roermond op grond van artikel 64 van het Barp;

  • -

    draagt verweerder op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser tegen de primaire besluiten 2 en 4 betreffende de definitieve overplaatsing naar het basisteam Roermond, met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding af;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,00 aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.084,94.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A.G.M. Vluggen (voorzitter), en mr. M.A.H. Span-Henkens en mr. T.G. Klein, leden, in aanwezigheid van mr. D.H.J. Laeven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2018.

griffier rechter/voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op: 28 augustus 2018

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.