Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:8065

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
24-08-2018
Datum publicatie
03-09-2018
Zaaknummer
C/03/252399 / KG ZA 18-367
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Afwijzing opheffen beslag:

- niet is summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht gebleken,

- partijen staan lijnrecht tegenover elkaar met betrekking tot cruciale feiten: zonder bewijslevering - waartoe deze kortgedingprocedure zich niet leent - valt niet vast te stellen wie van partijen het gelijk aan haar zijde heeft,

- onvoldoende zekerheid geboden voor het bedrag waarvoor verlof is verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/252399 / KG ZA 18-367

Vonnis in kort geding van 24 augustus 2018

in de zaak van

1. de vennootschap onder firma

[eiseres sub 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [eiser sub 2], vennoot,

wonend te [woonplaats] ,

3. [eiser sub 3], vennoot,

wonend te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat mr. O.A. Huisman,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BOUWSERVICE [naam] B.V.,

gevestigd te Sittard, gemeente Sittard-Geleen,

gedaagde,

advocaat mr. M. Woisch.

Partijen zullen hierna eisers en gedaagde genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met bijlagen

  • -

    de mondelinge behandeling ter zitting van 23 augustus 2018

  • -

    de pleitnota van gedaagde.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Bij vonnis in kort geding van 1 mei 2018 heeft de voorzieningenrechter van de

rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht (zaaknummer: C/03/246478 / KG ZA 18-78)

- kort gezegd - de vordering van Bouwservice [naam] B.V. als eiseres jegens

de vennootschap onder firma V.O.F. [eiseres sub 1] , t.h.o.d.n. [eiseres sub 1] , als gedaagde tot het verrichten van herstelwerkzaamheden aan 68 deuren afgewezen.

2.2.

Op 14 mei 2018 heeft gedaagde - kort gezegd - van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, verlof verkregen tot het leggen van conservatoir beslag (i) op een onroerende zaak (de woning) gelegen te [woonplaats] , aan de [adres 1] voor de onverdeelde helft ten name van [eiser sub 2] (eiser sub 2), alsook ten laste van eisers onder (ii) de ING Bank, (iii) de ABN AMRO Bank, (iv) de Volksbank en (v) de Coöperatieve Rabobank, met begroting van de vordering voorlopig op € 116.008,10 en onder bepaling dat de eis in de hoofdzaak binnen 14 dagen na het eerste beslag dient te worden ingesteld.

2.3.

Op 4 juni 2018 heeft gedaagde conservatoir beslag doen leggen op de saldi van de bankrekening van eisers bij de Rabobank (voor circa € 11.000,00) en bij de ING Bank (hetgeen geen doel heeft getroffen). Tevens is op 4 juni 2018 conservatoir beslag gelegd op het aandeel van [eiser sub 2] in de woning gelegen aan de [adres 1] te [woonplaats] .

2.4.

De voornoemde woning is voor de helft eigendom van [eiser sub 2] en voor de helft eigendom van de echtgenote van [eiser sub 2] . [eiser sub 2] is in huwelijksgoederengemeenschap gehuwd met zijn echtgenote.

3 Het geschil

3.1.

Eisers vorderen bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, en ter zitting mondeling gewijzigde eis,

I. primair, gedaagde te veroordelen alle ten laste van eisers gelegde conservatoire beslagen ex artikelen 718 en 725 Rv binnen twee dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis in kort geding op te heffen, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 5.000,-- voor iedere dag of een gedeelte daarvan dat gedaagde nalatig blijft aan deze veroordeling te voldoen;

II. subsidiair, gedaagde te veroordelen het ten laste van eisers gelegde conservatoir derdenbeslag onder de Rabobank binnen twee dagen na de betekening van het in dezen te wijzen vonnis in kort geding op te heffen, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 5.000,-- voor iedere dag of een gedeelte daarvan dat gedaagde nalatig blijft aan deze veroordeling te voldoen;

III. gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding, met inbegrip van de nakosten zoals genoemd in artikel 237 lid 4 Rv, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het tijdstip dat gedaagde in verzuim is deze kosten te voldoen.

3.2.

Gedaagde voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang volgt uit de aard van de zaak.

4.2.

Ingevolge art. 705 lid 1 Rv kan de voorzieningenrechter die verlof tot het beslag heeft gegeven, recht doende in kort geding, het beslag op vordering van elke belanghebbende opheffen. Ingevolge art. 705 lid 2 Rv wordt de opheffing onder meer uitgesproken indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is (HR 14 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2105, NJ 1997/481). Er zal evenwel beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. De Hoge Raad heeft hier aan toegevoegd dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade.

4.3.

Eisers hebben - kort gezegd - aan hun vorderingen ten grondslag gelegd dat de vordering van gedaagde ondeugdelijk is. Dit blijkt volgens eisers uit het kortgedingvonnis van de voorzieningenrechter van 1 mei 2018, waarin gedaagde (toen als eiseres) nakoming van de overeenkomst heeft gevorderd, hetgeen in die procedure is afgewezen omdat de overeenkomst naar het oordeel van de voorzieningenrechter al was nagekomen. Bovendien heeft de voorzieningenrechter in die kortgedingprocedure de vordering tot herstel van de door eisers geleverde deuren afgewezen wegens innerlijke tegenstrijdigheid. Ondanks het eerdere oordeel van de voorzieningenrechter vindt volgens eisers thans in de inmiddels aanhangige bodemprocedure een herhaling van zetten plaats, nu daarin (i) primair de vernietiging van de overeenkomst op grond van bedrog wordt gevorderd, terwijl eisers aan gedaagde heeft verkocht en geleverd hetgeen gedaagde na uitgebreid overleg en onderhandelen bij eisers heeft besteld, (ii) subsidiair de vernietiging van de overeenkomst wegens dwaling wordt gevorderd, terwijl gedaagde volledig voorbijgaat aan de wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen, (iii) meer subsidiair ontbinding van de overeenkomst wordt gevorderd wegens toerekenbare tekortkoming, terwijl de voorzieningenrechter al heeft geoordeeld dat de overeenkomst is nagekomen dus van verzuim geen sprake kan zijn, (iv) nog meer subsidiair vervangende schadevergoeding wordt gevorderd, terwijl de vordering al is nagekomen en (v) meest subsidiair een beroep op nakoming van de garantieverplichting wordt gedaan, waarbij echter aan het voorgaande en de wijze van totstandkoming van de overeenkomst volledig door gedaagde wordt voorbijgegaan, en de deskundigen en de voorzieningenrechter in de eerdere kortgedingprocedure al van oordeel waren dat de gestelde kromming van de deuren haar oorzaak mede vindt in een omstandigheid die volledig toerekenbaar is aan gedaagde. Bovendien is het volgens eisers zinloos de deuren te herstellen zolang deze binnen 25 cm van een warmtebron (radiator) staan, omdat ze dan krom zullen blijven trekken. Naar het zich laat aanzien ligt de oorzaak van de kromtrekking geheel dan wel grotendeels in de risicosfeer van gedaagde zodat het beroep op de garantiebepaling in de bodemprocedure zal worden afgewezen, aldus eisers. In het kader van een belangenafweging dient volgens eisers hun belang bij opheffing van de beslagen zwaarder te wegen dan het belang van gedaagde bij handhaving van de beslagen, nu de beslagen onevenredig zwaar op eisers drukken en het ingrijpende gevolgen voor hen heeft. Ter zitting is zijdens eisers nader verklaard dat hout een natuurproduct is dat altijd blijft werken waardoor het altijd iets kromtrekt. Het moest van gedaagde ook “op zijn goedkoopst”, zodat uiteindelijk is gekozen voor een langere deur zonder spiegelstuk, wat het risico op kromtrekken verhoogt, hetgeen is besproken met ( [naam werknemer 1] , werknemer van) gedaagde, aldus eisers. Het ontbreken van een stabilisator verhoogt het risico op het kromtrekken van de deuren, maar volgens eisers is hierover met ( [naam werknemer 2] , een werknemer van) gedaagde gesproken en was het bij gedaagde bekend. Tussen partijen is niet overeengekomen dat de deuren aan een Bouwbesluit moesten voldoen, dus die normen zijn volgens eisers niet van toepassing. Verder is gebleken dat er door de woningcorporatie Heemwonen een andere aannemer is ingeschakeld, die heeft geconstateerd dat er slechts 2 deuren zodanig kromgetrokken waren dat die moesten worden hersteld dan wel vervangen, dus geen 68 deuren zoals gedaagde in de bodemprocedure heeft gesteld. [eiser sub 2] verklaarde ten slotte ter zitting voor “1000% zeker te weten” dat toen hij in de modelwoning was, er geen radiator in de buurt van de voordeur was gemonteerd.

4.4.

Gedaagde heeft - kort gezegd - gemotiveerd betwist dat haar vorderingen summierlijk ondeugdelijk zijn. Eisers verwijzen slechts naar het vonnis in kort geding, waarbij andere vorderingen aan de voorzieningenrechter zijn voorgelegd dan in de aanhangige bodemprocedure. Volgens gedaagde hebben eisers voordeuren aangeboden en verkocht, die aantoonbaar niet geschikt zijn om als voordeur te worden gebruikt, hetgeen eisers als deurenspecialisten wisten, maar dit niet aan gedaagde hebben verteld. Verder hebben eisers verzuimd te concretiseren waarom de beslagen onevenredig zwaar op hen zouden drukken. Ook hebben eisers niet onderbouwd om welke ‘ingrijpende gevolgen’ het gaat. Ter zitting heeft gedaagde de uitlating van [eiser sub 2] dat hij ter plaatse in een modelwoning is geweest en dat daar geen verwarming bij de voordeur was gemonteerd, betwist: in de modelwoning zat ook toen al een radiator, terwijl aan die woning niets is gewijzigd. Gedaagde betwist dat eisers ooit ter sprake hebben gebracht dat de deur door de nabijheid van een radiator sneller krom kan trekken. Gedaagde betwist voorts dat het slechts om 2 kromgetrokken deuren zou gaan: in het deskundigenbericht staat duidelijk dat er 12 deuren zijn onderzocht die zijn kromgetrokken en dat het alle 68 deuren betreft. Gedaagde heeft ter zitting voorts betwist dat er is gesproken over het feit dat een langere deur (zonder spiegelstuk) een groter risico heeft op kromtrekken. Gedaagde heeft hierbij verwezen naar een e-mailbericht ingebracht als productie 25 bij dagvaarding. Gedaagde heeft voorts verklaard te weten dat er over het ontbreken van een stabilisator is gesproken, maar hij benadrukt een aannemer te zijn en geen deurenspecialist: eisers, zijnde een deskundige en professionele partij, moesten een geschikte deur offreren en leveren, hetgeen zij niet hebben gedaan volgens gedaagde.

4.5.

De voorzieningenrechter volgt eisers niet in hun stelling dat gedaagde in de thans

aanhangige bodemprocedure haar vordering op dezelfde gronden heeft gebaseerd als in de eerdere kortgedingprocedure. De grondslagen van de vorderingen in de eerdere kortgedingprocedure waren - kort gezegd - nakoming van de overeenkomst en/of herstel van de gebreken, terwijl in de bodemzaak - kort gezegd - vernietiging van de overeenkomst op grond van bedrog en/of dwaling, ontbinding van de overeenkomst wegens toerekenbare tekortkoming, vervangende schadevergoeding en/of een beroep op garantiebepalingen ten grondslag is gelegd aan de vorderingen. Er kan dan ook niet geoordeeld worden, zoals eisers hebben gesteld, dat de bodemprocedure een ‘herhaling van zetten’ is. Evenmin kan hieruit summierlijk de ondeugdelijkheid van het door gedaagde ingeroepen recht worden afgeleid: de enkele betwisting van de gronden in de bodemprocedure is hiertoe in zijn algemeenheid onvoldoende.

4.6.

Ter zitting is gebleken dat partijen lijnrecht tegenover elkaar staan wat betreft een aantal cruciale feiten:

- volgens eisers was in de modelwoning geen radiator in de buurt van de voordeur

gemonteerd, hetgeen volgens gedaagde wel het geval was,

- volgens eisers blijken er slechtst 2 deuren kromgetrokken, hetgeen volgens gedaagde 68

deuren zijn,

- volgens eisers is er met gedaagde gesproken over een groter risico op kromtrekken als de

deur langer wordt, hetgeen gedaagde heeft betwist,

- volgens gedaagde hebben eisers aantoonbaar ongeschikte deuren als voordeur geleverd,

hetgeen eisers hebben betwist,

- volgens gedaagde hadden eisers als specialist moeten waarschuwen voor de mogelijke

risico’s van kromtrekken van de deur door het ontbreken van de stabilisator, de nabijheid van een radiator, het verlengen van de deur zonder spiegelstuk, hetgeen eisers niet hebben gedaan. Eiser betwisten dit.

Gelet op het in artikel 256 Rv bepaalde en vaste jurisprudentie (zie onder meer HR 4 juni 1993, LJN: ZC0986 en HR 15 december 1995, LJN: ZC1919) dienaangaande, is de voorzieningenrechter van oordeel dat in het kader van hetgeen partijen over en weer hebben gesteld zonder bewijslevering - waartoe deze kortgedingprocedure zich niet leent - niet valt vast te stellen wie van partijen het gelijk aan haar zijde heeft, en dat daartoe de bodemprocedure noodzakelijk is.

4.7.

Uit al het voorgaande volgt dat niet kan worden geoordeeld dat summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht is gebleken. Het primair door eisers gevorderde zal dan ook worden afgewezen.

4.8.

Volgens eisers moet (subsidiair) het beslag onder de Rabobank ex artikel 718 Rv worden opgeheven, omdat het beslag onnodig is. De gepretendeerde vordering van gedaagde in de bodemzaak bedraagt € 93.297,05, terwijl de waarde van de onroerende zaak waarop ook beslag is gelegd € 270.000,00 is. Op de onroerende zaak rust een hypothecaire geldlening van de Rabobank van € 170.500,00 en [eiser sub 2] heeft geen achterstand in de aflossing en hij heeft nimmer een betalingsachterstand gehad. Gelet hierop overstijgt de waarde van de onroerende zaak veruit de gepretendeerde vordering en biedt het conservatoir beslag op de onroerende zaak voldoende zekerheid voor de voldoening van de vordering, aldus eisers.

4.9.

Gedaagde heeft ter zitting benadrukt dat het bedrag waarvoor ex art. 700 lid 2 Rv beslag is gelegd niet € 93.297,05 is, maar € 116.008,10. Er is slechts beslag gelegd op het aandeel van [eiser sub 2] in de woning ( [adres 1] ), dus als er al moet worden uitgegaan van een waarde van € 270.000,00 en een hypotheekschuld van € 170.500,00, dan nog resteert slechts een waarde van circa € 50.000,00, wat bij lange na niet in de buurt komt van het bedrag waarvoor verlof is verleend. Uit het inmiddels drie jaar oude taxatierapport valt bovendien geen splitsing te maken tussen de waarde van de woning ( [adres 1] ), waarop beslag ligt en het bedrijfspand ( [adres 2] ), zodat de huidige waarde van de woning, die op een industrieterrein ligt, volgens gedaagde niet is vast te stellen. Eisers hebben geen bankgarantie geboden tegen opheffing van het beslag. Evenmin hebben eisers zekerheid geboden in de vorm van een tweede hypotheekrecht (daargelaten de vraag of de eerste hypotheekhouder toestemming hiertoe zal geven). Al met al biedt het conservatoir beslag op de woning onvoldoende zekerheid om het beslag op het saldo van de Rabobank-bankrekening op te heffen, aldus gedaagde.

4.10.

Vaststaat dat woning slechts voor de helft in eigendom is van [eiser sub 2] , zodat [eiser sub 2] dan ook slechts een aandeel van de helft in de waarde van de woning heeft. Gedaagde heeft enkel op dat aandeel van [eiser sub 2] in de woning beslag gelegd. Gedaagde heeft terecht aangevoerd dat in het taxatierapport geen splitsing is gemaakt in de waarde van de woning en de waarde van het bedrijfspand. Als veronderstellende wijs wordt uitgegaan van de door eisers aangevoerde waarde van de onroerende zaak van € 270.000,00, waarop een hypothecaire schuld van € 170.500,00 rust, bedraagt de overwaarde van de onroerende zaak circa € 100.000,00. Het aandeel van [eiser sub 2] hierin bedraagt de helft (zijnde circa € 50.000,00). Als bij dat aandeel van [eiser sub 2] het positief saldo van de Rabobankrekening van circa € 11.000,00, waarop eveneens conservatoir beslag is gelegd, wordt opgeteld, wordt er zekerheid geboden voor een bedrag van circa € 61.000,00. Anders dan eisers hebben gesteld, biedt het op het aandeel van [eiser sub 2] in de woning liggende conservatoire beslag naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook onvoldoende zekerheid voor het bedrag waarvoor verlof is verleend (€ 116.008,10). Reeds hierom volgt de voorzieningenrechter eisers niet in hun stelling. Het subsidiair gevorderde zal om die reden worden afgewezen.

4.11.

Eisers zullen als de in het ongelijk gestelde partij op grond van het bepaalde in artikel 18 Wetboek van Koophandel hoofdelijk worden veroordeeld in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van gedaagde begroot op € 626,00 (griffierecht) en € 980,00 (salaris advocaat).

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt eisers hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten tot op heden aan de zijde van gedaagde begroot op € 1.606,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.M. Etman en in het openbaar uitgesproken op
24 augustus 2018.1

1 type: JC