Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:8057

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
24-08-2018
Datum publicatie
08-10-2018
Zaaknummer
AWB - 15 _ 2070
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inhoud: Kaderrichtlijn Water, gelijkheidsbeginsel, dotatie, onttrekking, voorziening, schommelfonds/egalisatiefonds

Verweerder heeft aan eiseres aanslagen rioolheffing eigenaren opgelegd voor 1.437 woningen.

Eiseres stelt zich in beroep allereerst op het standpunt dat verweerder ten onrechte aan haar als eigenaar van voornoemde woningen die aanslagen heeft opgelegd. Dat is in strijd met de Kaderrichtlijn Water (KRW), meer specifiek met artikel 9, eerste lid, van de KRW. In dit artikellid is immers het beginsel van ‘de vervuiler betaalt’ neergelegd, waaruit volgens eiseres volgt dat niet zij als eigenaar maar de huurders van haar onroerende zaken moeten worden betrokken in de rioolheffing. Zij zijn immers de vervuilers. Eiseres heeft zich verder beroepen op een schending van het gelijkheidsbeginsel en een overstijging van de zogenoemde opbrengstnorm. Dit met name omdat het saldo van een dotatie aan een voorziening en een onttrekking aan diezelfde voorziening ten onrechte als een last is aangemerkt.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond bevonden voor wat betreft het principiële argument op grond van een verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van

8 december 2017 (ECLI:NL:HR:2017:3082). Ook de overige beroepsgronden zijn ongegrond bevonden. Er was geen sprake van gelijke gevallen. Ook ging het in de onderhavige zaak niet om het vormen van een voorziening, maar om een naar het oordeel van de rechtbank toegestane onttrekking aan een al eerder gevormd schommelfonds/egalisatiefonds

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 08-10-2018
V-N Vandaag 2018/2147
FutD 2018-2732
Belastingblad 2019/9 met annotatie van Y. POSTEMA-VAN DER KOOGH
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/2070

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 augustus 2018 in de zaak tussen

Stichting [eiseres] , te [naam plaats] , eiseres

(gemachtigden: mr. P.F. van der Muur en mr. R. Froentjes),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente [naam gemeente] , verweerder

(gemachtigden: Ü. Köse en mr. R.M.M. Duits).

Procesverloop

Bij besluit van 28 februari 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres – voor zover van belang – aanslagen rioolheffing eigenaren opgelegd voor 1.437 woningen voor een bedrag van in totaal € 296.022 .

Bij besluit van 27 mei 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2016. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden. Verweerder heeft zich eveneens laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

In overleg met partijen is de behandeling van de zaak ter zitting geschorst, in afwachting van een uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch in een zaak waarin gedeeltelijk dezelfde rechtsvragen voorlagen als in onderhavige beroepszaak.

De zaak is vervolgens op 9 juni 2017 wederom door een meervoudige kamer van deze rechtbank op zitting behandeld. Ook tijdens deze behandeling ter zitting is met partijen afgesproken om de zaak te schorsen, nu in afwachting van een conclusie van de Advocaat-Generaal van de Hoge Raad in een vergelijkbare kwestie.

Op 9 augustus 2017 heeft de Advocaat-Generaal van de Hoge Raad zijn conclusie genomen. De rechtbank heeft partijen vervolgens meegedeeld de behandeling van de beroepszaak te willen oppakken nadat de Hoge Raad uitspraak heeft gedaan in het beroep in cassatie waarin de Advocaat-Generaal zijn conclusie heeft genomen.

Op 8 december 2017 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan.

De rechtbank heeft partijen vervolgens op 13 maart 2018 meegedeeld dat zij van oordeel is dat het niet nodig is om deze zaak opnieuw op een zitting te behandelen. De rechtbank heeft partijen daarom in diezelfde brief meegedeeld dat de zitting achterwege wordt gelaten, tenzij een van de partijen aangeeft dat zij nogmaals op een zitting wensen te worden gehoord.

Geen van beide partijen heeft aangegeven een nieuwe behandeling ter zitting te wensen, zodat de rechtbank het onderzoek in deze zaak op 17 april 2018 heeft gesloten en de uitspraak nader heeft bepaald op heden.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres was als woningbouwvereniging in 2014 eigenaar van de in het primaire besluit genoemde 1.437 woningen in de gemeente [naam gemeente] . Deze woningen beschikken over een directe of indirecte aansluiting op het gemeentelijk riool. Op grond van de Verordening rioolheffing 2013 (de Verordening) van de gemeente [naam gemeente] is eiseres als eigenaar van de woningen voor iedere woning afzonderlijk in de rioolheffing betrokken, tegen een tarief van € 206 per woning.

2. Eiseres stelt zich in beroep allereerst op het standpunt dat verweerder aan haar als eigenaar van voornoemde woningen ten onrechte aanslagen rioolheffing heeft opgelegd. Eiseres stelt dat de gemeentelijke Verordening, waaruit volgt dat de eigenaar van een perceel wordt betrokken in de rioolheffing, in strijd is met de Kaderrichtlijn Water (KRW), meer specifiek met artikel 9, eerste lid, van de KRW. In dit artikellid is het beginsel van ‘de vervuiler betaalt’ neergelegd, waaruit volgens eiseres volgt dat niet zij als eigenaar maar de huurders van haar onroerende zaken dienen worden te betrokken in de rioolheffing. Zij zijn immers de vervuilers en niet eiseres. Verweerder heeft artikel 9 van de KRW volgens eiseres dan ook niet, niet tijdig dan wel onjuist geïmplementeerd in de Verordening waardoor de Verordening onverbindend verklaard dient te worden. Omdat voornoemd artikel van de KRW onvoorwaardelijke en voldoende nauwkeurig bepaalde verplichtingen voor verweerder in het leven roept, stelt eiseres zich op het standpunt dat haar een rechtstreeks beroep op dit artikel van de KRW toekomt. Artikel 9 van de KRW behelst volgens eiseres een drietal voldoende nauwkeurig geformuleerde normen op basis waarvan beoordeeld dient te worden of de aanslagen rioolheffing terecht aan haar zijn opgelegd. Deze normen betreffen volgens eiseres:

- kostenterugwinning van waterdiensten dient plaats te vinden conform met name het beginsel dat ‘de vervuiler betaalt’;

- er moet sprake zijn van een adequate prikkel om het waterverbruik te verminderen;

- van verschillende watergebruikssectoren moet een redelijke bijdrage worden gevraagd bij de kostenterugwinning van waterdiensten.

2.1.

Eiseres stelt zich subsidiair op het standpunt dat indien de rechtbank van oordeel is dat artikel 9 van de KRW niet voldoende duidelijk, nauwkeurig en onvoorwaardelijk is geformuleerd, verweerder de beleidsvrijheid die artikel 9 van de KRW biedt, heeft overschreden en haar om die reden alsnog een rechtstreeks beroep op dit artikel van de KRW toekomt.

Verweerder heeft bij het vaststellen van de Verordening de beleidsvrijheid die artikel 9 van de KRW biedt, overschreden door met de normen, als opgesomd in overweging 2, onvoldoende rekening te houden.

2.2.

Eiseres betoogt onder verwijzing naar een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 juni 2015 (ECLI:NL:GHARL:2015:4675) verder dat verweerder het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden door in de Verordening te bepalen dat recreatieterreinen aangemerkt worden als één perceel en zodoende slechts eenmaal in de rioolheffing worden betrokken. Eiseres is van mening dat sprake is van ongelijke behandeling van gelijke gevallen door recreatieterreinen aan te merken als één perceel en rijwoningen of appartementen als afzonderlijke percelen te beschouwen, zonder dat hiervoor een rechtvaardigingsgrond bestaat.

2.3.

Eiseres stelt zich tot slot gemotiveerd op het standpunt dat de met de opbrengst van de rioolheffing geraamde baten de geraamde lasten overstijgen zodat de Verordening ook om die reden onverbindend verklaard dient te worden.

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres geen rechtstreeks beroep kan doen op artikel 9 van de KRW. De bewoordingen waarmee artikel 9 van de KRW een verplichting aan de lidstaten oplegt, kennen ten aanzien van de uitvoering daarvan een zodanige beoordelings- en beleidsvrijheid, dat daardoor geen sprake is van een voor de lidstaten onvoorwaardelijk geformuleerde bepaling of een voldoende nauwkeurig bepaalde verplichting.

3.1.

Voorts is er volgens verweerder geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel. Anders dan de definitie die de Verordening van de gemeente Steenwijkerland (die ter beoordeling voorlag in de onder 2.2 genoemde zaak) geeft aan recreatieterreinen, kent de Verordening van [naam gemeente] geen begripsomschrijving waarbij wordt aangesloten bij het bepaalde in artikel 16, sub e, van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ). De Verordening van [naam gemeente] kent geen bepaling waarbij samenstellen die naar omstandigheden beoordeeld bij elkaar horen, als één onroerende zaak in de zin van de Verordening rioolheffing kunnen worden aangemerkt. Ingevolge deze Verordening worden alle recreatieterreinen als één perceel aangemerkt, ongeacht de juridische status van de zich daarop bevindende opstallen. De bij eiseres in eigendom zijnde woningen worden door verschillende huurders gebruikt, zodat ze reeds daarom naar omstandigheden beoordeeld niet bij elkaar horen. Voor zover de rechtbank van oordeel is dat niet voldoende is aangetoond dat geen sprake is van gelijke gevallen die ongelijk behandeld worden, stelt verweerder zich op het standpunt dat er een objectieve en redelijke rechtvaardiging aanwezig is voor deze ongelijke behandeling, te weten een doelmatige uitvoering van de heffing. Het als één perceel in de rioolheffing betrekken van een recreatieterrein leidt tot een doelmatigere uitvoering omdat het lastig te achterhalen is wie de vakantiewoningen of stacaravans huren.

3.2.

Verweerder stelt zich tot slot gemotiveerd op het standpunt dat de met de opbrengst van de rioolheffing geraamde baten de geraamde lasten niet overstijgen.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

5. Zoals reeds in het procesverloop van deze uitspraak is vermeld, heeft de rechtbank onderhavige beroepszaak in eerste instantie aangehouden in afwachting van een uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Op 30 november 2016 is deze uitspraak gedaan (ECLI:NL:GHSHE:2016:5428). In deze uitspraak is het Gerechtshof er – kort gezegd – veronderstellenderwijs vanuit gegaan dat artikel 9, eerste lid, van de KRW rechtstreekse werking heeft zodat hier een rechtstreeks beroep op kan worden gedaan. Het Gerechtshof heeft vervolgens in rechtsoverweging 4.3 het volgende overwogen:

“Nu de riolering een zogenoemd gemengd stelsel betreft, kan ook van de kosten van het beheer en het onderhoud van, en van de investering in, het rioolstelsel niet worden geschreven dat uit het beginsel ‘de vervuiler betaalt’ dwingend de conclusie volgt dat deze kosten (in het geheel) niet aan de eigenaar van een perceel kunnen worden toegerekend.”

Het Gerechtshof vervolgt in rechtsoverweging 4.4:

“In zoverre ontbeert de stelling van belanghebbende, dat de kosten, waarbij door middel van de rioolheffing terugwinning plaatsvindt, volgens het beginsel ‘de vervuiler betaalt’ geheel toegerekend moeten worden aan de gebruikers van een perceel en (in het geheel) niet aan de eigenaar van dat perceel, feitelijke grondslag.”

In rechtsoverweging 5.5 overweegt het Gerechtshof vervolgens:

“Gelet op het vorenoverwogene rest dan de vraag of de omstandigheid dat de kosten ter zake van de inzameling en het transport van afvalwater van de gebruiker van een perceel worden teruggewonnen bij de eigenaar van dat perceel voldoet aan artikel 9, lid 1 van de Kaderrichtlijn water. Het Hof is van oordeel dat gelet op de beoordelingsmarge die een lidstaat, bij de implementatie en uitvoering van de Kaderrichtlijn water, heeft dit is toegestaan. De verfijning die belanghebbende kennelijk voorstaat, namelijk dat met het oog op het beginsel ‘de vervuiler betaalt’ deze kosten dienen te worden teruggewonnen bij de gebruiker, en niet bij de eigenaar, van een perceel is een verfijning waartoe, mede gelet op het totale watersysteem waar de rioolheffing deel van uitmaakt, artikel 9, lid 1 van de Kaderrichtlijn water naar het oordeel van het Hof niet dwingt (vgl. HvJ 11 september 2014, C-525/12, Commissie-Duitsland, ECLI:EU:C:2014:2202).”

6. De Hoge Raad heeft bij uitspraak van 8 december 2017 (ECLI:NL:HR:2017:3082) het ingestelde beroep in cassatie tegen voormelde uitspraak van het Gerechtshof ongegrond verklaard. De voor onderhavige beroepszaak van belang zijnde rechtsoverwegingen in die uitspraak zijn de volgende:

“2.3.2. Belanghebbende is eigenaar van de panden die zij exploiteert door ze aan derden te verhuren. Zij geeft daarmee aan deze derden het recht gebruik van de panden te maken, waardoor op het riool is geloosd. Het stond de gemeentelijke wetgever vrij om belanghebbende, als eigenaar, aan te merken als vervuiler in de zin van de KRW en als zodanig in de heffing te betrekken, evenzeer als wanneer zij zelf rechtstreeks de lozingen op het riool zou hebben verricht. Het middelonderdeel faalt daarom.

(…)

2.3.4.

De tekst van artikel 9, lid 1, eerste gedachtestreepje, van de KRW laat geen andere uitleg toe dan dat deze bepaling de lidstaten verplicht om gebruikers van watervoorraden te stimuleren om deze efficiënt te benutten, door middel van een prijsbeleid dat adequate prikkels bevat. Deze bepaling sluit geenszins uit dat lidstaten dit doel ook nastreven door het beslag dat een gebruiker doet op watervoorraden in aanmerking te nemen bij de terugwinning van de kosten die gepaard gaan met lozingen, overeenkomstig het beginsel

‘de vervuiler betaalt’; de KRW verplicht hier echter niet toe (vgl. HvJ 16 juli 2009, Futura, C-254/08, ECLI:EU:C:2009:479, punt 48). Het middel faalt ook in zoverre.

2.3.5.

Het derde middelonderdeel faalt eveneens omdat het berust op het onjuiste uitgangspunt dat uitsluitend de tariefstelling in de Verordening maatgevend is voor de beoordeling of de diverse gebruikssectoren een redelijke bijdrage leveren aan de terugwinning van kosten van waterdiensten als beoogd in artikel 9, lid 1, tweede gedachtestreepje, van de KRW.”

7. De rechtbank stelt vast dat de belanghebbende in voormelde zaken Stichting [eiseres] was, zijnde eiseres in onderhavige beroepszaak. Stichting [eiseres] liet zich tijdens voormelde procedures vertegenwoordigen door dezelfde gemachtigden als in onderhavige beroepszaak. Blijkens de uitspraken van de rechtbank Oost-Brabant van

14 april 2015 (ECLI:NL:RBOBR:2015:2090), het Gerechtshof en de Hoge Raad zijn de gronden van beroep van onderhavige zaak zoals samengevat weergegeven in rechtsoverwegingen 2 en 2.1 gelijkluidend aan de gronden van voormelde procedures van beroep, hoger beroep en cassatie voor zover ze betrekking hadden op – kort gezegd – het geschilpunt omtrent de toepasbaarheid van de KRW en de eventuele consequenties daarvan. De rechtbank ziet in onderhavige beroepszaak geen aanleiding een ander standpunt in te nemen over de beroepsgronden zoals opgenomen in rechtsoverwegingen 2 en 2.1, dan het Gerechtshof en de Hoge Raad in voornoemde uitspraken (en zoals de rechtbank hierboven heeft geciteerd) hebben ingenomen. Dit betekent dat deze door eiseres ingediende beroepsgronden falen.

8. Over de beroepsgrond van eiseres dat verweerder het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden door in de Verordening te bepalen dat recreatieterreinen als één perceel worden aangemerkt en zodoende slechts eenmaal in de rioolheffing worden betrokken, terwijl rijwoningen of appartementen als afzonderlijke percelen worden beschouwd, overweegt de rechtbank als volgt.

9. Om een geslaagd beroep te kunnen doen op het gelijkheidsbeginsel dient er in de eerste plaats sprake te zijn van gelijke gevallen die ongelijk worden behandeld. Op eiseres

rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat een recreatieterrein – dat ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van de Verordening wordt aangemerkt als één perceel – een gelijk geval is als haar onderhavige percelen die in de rioolheffing zijn betrokken. Eiseres is hierin niet geslaagd. Ingevolge voormeld artikellid uit de Verordening dient er sprake te zijn van “voor recreatiedoeleinden bestemde woonruimten”. Tevens dienen deze woonruimten zich te bevinden op “een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein”. Gesteld noch gebleken is dat de onroerende zaken van eiseres aan deze criteria voldoen, zodat van gelijke gevallen geen sprake kan zijn. De verwijzing van eiseres naar de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 juni 2015 (ECLI:NL:GHARL:2015:4675), kan haar voorts niet baten. De Hoge Raad heeft deze uitspraak immers bij uitspraak van 4 november 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2495) vernietigd. Bovendien wordt – anders dan in de Verordening die bij dit Gerechtshof en de Hoge Raad voorlag – in de Verordening van verweerder voor wat betreft de afbakening van een perceel niet aangesloten bij de afbakeningsregels van artikel 16 van de Wet WOZ zodat niet relevant is of de woningen van eiseres naar omstandigheden beoordeeld bij elkaar horen.

10. In geschil is tot slot nog de vraag of de geraamde baten van de rioolheffing de lasten ter zake overtreffen, en zo ja, of ze zodanig worden overtroffen dat de Verordening geheel of gedeeltelijk onverbindend moet worden verklaard.

11. De tariefstelling van een verordening kan partieel onverbindend zijn voor zover de ter zake geraamde baten uitgaan boven de ter zake geraamde lasten. Een dergelijke partiële onverbindendheid heeft tot gevolg dat een op die verordening gegronde aanslag evenredig wordt verlaagd. Er kan sprake zijn van algehele onverbindendheid indien (a) het de gemeente op voorhand duidelijk moet zijn geweest dat de desbetreffende post(en) (in zoverre) niet diende(n) ter dekking van de kosten waarvoor de heffingen worden geheven, en bovendien (b) na de eliminatie van de desbetreffende bedragen uit de lastenraming, de geraamde baten in betekenende mate uitgaan boven het gecorrigeerde bedrag van de geraamde lasten (‘de opbrengstnorm’ of de ‘opbrengstlimiet’).

12. Zoals is uiteengezet in de uitspraak van de Hoge Raad van 4 april 2014, nr. 12/02475, ECLI:NL:HR:2014:777, ter precisering van hetgeen is overwogen in de uitspraak van de Hoge Raad van 24 april 2009, nr. 07/12961, ECLI:NL:HR:2009:BI1968, BNB 2009/159, dient bij de beoordeling van een geschil inzake een mogelijke overschrijding van de opbrengstlimiet een aantal regels inzake stelplicht en bewijslast in acht te worden genomen. Zo mag niet van de gemeente worden verlangd dat zij van alle in de verordening en de bijbehorende tarieventabel genoemde diensten afzonderlijk en op controleerbare wijze vastlegt hoe zij de kosten ter zake daarvan heeft geraamd. Voorts kan, indien de heffingsambtenaar inzicht in de desbetreffende ramingen heeft verschaft, het verstrekken van nadere inlichtingen uitsluitend van hem worden verlangd voor zover de belanghebbende voldoende gemotiveerd heeft gesteld waarom naar zijn oordeel ten aanzien van een of meer bepaalde posten in de raming redelijke twijfel bestaat of sprake is van een ‘last ter zake’. Aan de nadere inlichtingen die de heffingsambtenaar in dat geval dient te verstrekken, mag geen zwaardere eis worden gesteld dan dat deze functionaris naar vermogen – dat wil zeggen in de mate waarin hij daartoe in de gegeven omstandigheden in redelijkheid in staat is – duidelijk maakt op grond waarvan hij de voornoemde stelling(en) van de belanghebbende betwist, en waarom dus naar zijn oordeel de door de belanghebbende opgeworpen twijfel ongegrond is. De heffingsambtenaar hoeft niet te bewijzen dat die twijfel ongegrond is. De bewijslast ten aanzien van de feitelijke onderbouwing van het beroep op limietoverschrijding rust op de belanghebbende. In het kader van de toetsing aan de opbrengstlimiet is pas dan plaats voor een correctie van de omvang van de volgens de gemeentelijke begroting geraamde bedragen aan opbrengsten en lasten, indien de gemeente deze opbrengsten en lasten niet in redelijkheid op die bedragen heeft kunnen ramen, aldus de Hoge Raad in voornoemde uitspraak van 4 april 2014.

13. Op grond van artikel 228a van de Gemeentewet kan, onder de naam rioolheffing, door de gemeente een belasting worden geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn – kort gezegd – aan de verwerking van huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater en hemelwater, en aan maatregelen ter beheersing van de grondwaterstand.

14. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 228a en de bewoordingen van dat artikel blijkt dat, naar de bedoeling van de wetgever, de geraamde baten van de rioolheffing de lasten ter zake niet mogen overtreffen.

Daarbij geldt dat de rechtspraak van de Hoge Raad omtrent de limietoverschrijding als bedoeld in artikel 229b van de Gemeentewet overeenkomstig kan worden toegepast (vergelijk de uitspraak van de Hoge Raad van 23 mei 2014, nummer 13/02955, ECLI:NL:HR:2014:1192). Bovendien brengt de gewijzigde wettelijke opzet van de rioolheffing met zich dat tot de zogenoemde “lasten ter zake” meer kosten kunnen worden gerekend dan onder de voormalige heffing van rioolrechten het geval was. Tot die kosten behoren thans immers ook de kosten van het inzamelen van afvloeiend hemelwater en de verwerking daarvan, alsmede van het treffen van maatregelen ter beheersing van de grondwaterstand.

15. Ingevolge artikel 186 van de Gemeentewet worden de begroting, de begrotingswijzigingen, de meerjarenraming, de jaarrekening en het jaarverslag van een gemeente ingericht overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te geven regels. Deze regels zijn neergelegd in het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten van 17 januari 2003, Stb. 2003, 27 (het BBV).

16. Voor de raming van kosten en baten ter zake van de rioolheffing geldt volgens de uitspraak van de Hoge Raad van 16 januari 2015, nr. 13/04173 (ECLI:NL:HR:2015:67) als uitgangspunt dat deze niet in strijd mag komen met de voor de gemeente geldende comptabiliteitsvoorschriften, zoals die zijn neergelegd in het BBV. Ingevolge artikel 75 van het BBV is er een commissie, de commissie BBV. Die commissie draagt zorg voor een eenduidige uitvoering en toepassing van dit besluit, en voor een visie ten aanzien van rechtmatigheid in de controleverklaring van gemeenten, gemeenschappelijke regelingen, waterschappen en provincies. De Commissie BBV heeft bij de uitvoering van de haar in artikel 75 van het BBV opgedragen taak onder meer standpunten ingenomen omtrent de zogenoemde comptabiliteitsvoorschriften.

17. Tussen partijen bestaat geen verschil van mening over de hoogte van de exploitatielasten. Met betrekking tot de post “kapitaallasten nieuwe investeringen” heeft verweerder bij brief van 14 april 2016 de daarvoor opgevoerde lasten ad € 1.935.455 toegelicht onder overlegging van stukken (bijlagen c en d, door verweerder abusievelijk aangeduid als bijlage 3 en 4).

18. Vervolgens overweegt de rechtbank dat tussen partijen niet in geschil is dat er volgens de afschrijvingsstaat voor verschillende activa verschillende afschrijvingstermijnen worden gehanteerd. Volgens eiseres voldoet die afschrijving daarmee niet aan het uitgangspunt dat er aangesloten moet worden bij de economische levensduur en dat die door verweerder zelf als 60 jaar is benoemd. Verweerder heeft in dit verband in de hiervoor genoemde brief van 14 april 2016 aangevoerd dat er voor verschillende onderdelen ook verschillende afschrijvingstermijnen worden gehanteerd omdat er – kort gezegd – aansluiting is gezocht bij de economische levensduur. Door verweerder is hierbij verwezen naar de leidraad riolering van de Commissie BBV, waarin wordt vermeld dat de gemeente investeringen met economisch nut moet activeren en afschrijven volgens een stelsel dat is afgestemd op de verwachte toekomstige gebruiksduur. Daarbij is een inschatting van de daadwerkelijke gebruiksduur relevant. De rechtbank begrijpt dit standpunt aldus dat die gebruiksduur daarmee voor verschillende investeringen ook kan verschillen. Daarenboven is aangevoerd dat een andere reden voor de verschillende afschrijvingstermijnen is gelegen in het feit dat er sprake is van een fusiegemeente, waarbij de voormalige gemeentes die zijn gefuseerd verschillende afschrijvingstermijnen hanteerden.

De rechtbank is niet tot de conclusie kunnen komen dat de door de gemeente gehanteerde systematiek zich niet verdraagt met de regels als bedoeld onder rechtsoverweging 16.

19. De rechtbank overweegt verder dat in de stukken sprake is van verschillende bedragen qua baten en lasten. Verweerder heeft daarover toegelicht dat er eerst een Programmabegroting 2014 is opgesteld en dat vervolgens een geactualiseerd kostendekkingsplan voor de riolering tot stand is gekomen waardoor sommige bedragen iets afwijken. Verder was in de Programmabegroting ten onrechte een bedrag ad € 58.316 aan baten opgenomen in verband met rioolaansluitrecht, zoals door eiseres terecht is opgemerkt. Niet in geschil is dat volgens de betreffende Programmabegroting de geraamde baten

€ 3.730.316 bedroegen. Zonder de baten van de rioolrechtaansluiting zouden de baten derhalve € 3.672.000 bedragen. Die baten zijn in het geactualiseerde kostendekkingsplan enigszins hoger uitgevallen, namelijk € 3.688.842, door de actualisering van dat kostendekkingsplan. Strikt gezien is dit voor de vraag of de zogenoemde opbrengstennorm wordt overschreden niet relevant. Daarvoor is immers het geraamde bedrag aan baten en lasten volgens de begroting bepalend. De lasten bedragen volgens eiseres (in haar brief van 21 maart 2016, gedingstuk A26) volgens die begroting echter € 3.234.660 zodat er in alle gevallen in de visie van eiseres een overdekking is. Ook volgens het geactualiseerd kostendekkingsplan is er volgens eiseres immers een overschrijding. De overschrijding vloeit met name voort uit een dotatie aan een voorziening ten bedrage van € 490.394 die ten onrechte als last is aangemerkt. Verweerder stelt daar tegenover dat er in die visie dan ook ten onrechte een onttrekking aan diezelfde voorziening ad € 1.235.222 als baten is aangemerkt, zodat hoe dan ook geen sprake is van een overschrijding van de opbrengstnorm.

20. Het vorenstaande betekent dat de rechtbank zich een oordeel dient te vormen over de vraag of deze dotatie en onttrekking, die resulteren in een onttrekking uit “de voorziening onderhoud” per saldo ad € 744.828 (€ 1.235.222 – € 490.394), zijn toegestaan. Dat saldo bedraagt, aldus verweerder, volgens het geactualiseerde kostendekkingsplan € 664.017. Die vraag wordt door de rechtbank bevestigend beantwoord.

21. De rechtbank stelt daarbij voorop dat het aanvaardbaar is dat een gemeente een reserve of een voorziening vormt voor de egalisatie van toekomstige uitgaven aan het bestaande rioleringsstelsel en ter voorkoming van grote schommelingen van de tarieven van het rioolrecht dan wel de rioolheffing, soms ook wel schommelfonds genoemd, een en ander voor zover de gemeente daarbij blijft binnen de begrotings- en verantwoordingsregels die haar ter zake zijn gesteld (zie hiervoor de onder rechtsoverweging 16 noemde uitspraak van de Hoge Raad van 16 januari 2015). De bedragen die bestemd zijn voor de opbouw van een dergelijke reserve of voorziening kunnen worden aangemerkt als lasten ter zake.

22. Zowel het rioolrecht dat kon worden geheven op grond van artikel 229b van de Gemeentewet als de rioolheffing die kan worden geheven op grond van artikel 228a van die wet, heeft het karakter van een bestemmingsheffing. Uit dit karakter en uit het voorschrift dat de baten van dergelijke heffingen de lasten ter zake niet mogen overschrijden vloeit voort dat een eenmaal met die baten gevormde reserve of voorziening, haar geoormerkte karakter blijft behouden.

23. In een notitie van de Commissie BBV van november 2014 is – onder meer – het volgende opgenomen:

(pag. 12) “De systematiek blijft dus verslaggevingstechnisch wel eenzelfde: de heffing zal moeten aansluiten op de gemeentelijke begroting en is net als het oude rioolrecht maximaal kostendekkend. Het blijft mogelijk om zowel een egalisatiebijdrage voor toekomstig groot onderhoud in de heffing mee te nemen als een spaarbijdrage voor toekomstige vervangingsinvesteringen. (...)

(pagina 14) Normaal gesproken moet een onvoldoende onderbouwde voorziening vrijvallen en wordt deze doorgaans omgezet in een reserve. Via de rioolheffing geïnd geld moet echter altijd voor het rioleringsdoel worden aangewend en blijft in een voorziening (artikel 44, lid 1d BBV wordt dan omgezet in een artikel 44, lid 2 BBV voorziening). Deze voorziening kan worden samengevoegd met die van artikel 44 lid 1d BBV. Dit om duidelijk te maken dat het om gelden gaat die ook bij de burger zijn opgehaald voor de taak riolering. Uitzondering op deze regel betreffen efficiency- en aanbestedingsvoordelen, welke wel aan een bestemmingsreserve kunnen worden toegevoegd (zie paragraaf 3.4). De geplande toevoegingen voor het egaliseren van groot onderhoud moeten ook voor dat bedrag in de rekening worden verwerkt.”

24. Uit het hiervoor geschetste stelsel vloeit voort dat onttrekkingen en dotaties van via rioolrecht geïnde bedragen aan een door de gemeente gevormde voorziening ten behoeve van groot onderhoud en/of investeringen mogelijk zijn mits die ook zien op de taak riolering. Eiseres heeft in meergenoemde brief van 21 maart 2016 echter gemotiveerd gesteld dat de onttrekking ook betrekking heeft op andere kosten dan groot onderhoud waarvoor, onder verwijzing naar de notitie begroting 2009 van de Commissie BBV geen voorziening mag worden getroffen. Daarenboven maakt de gemeente blijkens het Gemeentelijk rioleringsplan en de overgelegde afschrijvingsstaat gebruik van de zogenoemde componentenmethode. Een methode die met zich brengt, aldus eiseres, onder verwijzing naar pagina 16 en 17 van de hiervoor genoemde notitie en pagina 6 van de notitie 2014 dat het treffen van een voorziening voor groot onderhoud en vervangingsinvesteringen eveneens niet is toegestaan.

25. Met betrekking tot dit standpunt overweegt de rechtbank dat eiseres daarmee miskent dat door verweerder gemotiveerd is gesteld dat het in het begrotingsjaar 2014 niet gaat om het vormen van een voorziening, maar om een onttrekking aan een al eerder gevormd schommelfonds/egalisatiefonds. Het door eiseres aangevoerde slaagt reeds om deze reden niet.

26. Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat het beroep ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.H. Machiels (voorzitter), mr. R.M.M. Kleijkers en mr. N.J.J. Derks-Voncken, leden, in aanwezigheid van mr. E. van Rie, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2018.

de griffier is buiten staat om voorzitter

de uitspraak te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op: 24 augustus 2018

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.