Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:8050

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
27-08-2018
Datum publicatie
02-09-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 304
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2019:3192, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verzoek om handhavend optreden op grond van overtreding artikel 7.21 van het Bouwbesluit 2012:

een bouwwerk, open erf en terrein bevindt zich in een zodanig staat, dat dit geen hinder voor personen en geen gevaar voor de veiligheid of de gezondheid van personen oplevert. Als uitgangspunt geldt dat burgers binnen het normaal maatschappelijk verkeer een zekere mate van hinder van elkaar behoren te dulden. Slechts indien sprake is van ernstige hinder, die binnen het normaal maatschappelijk verkeer niet behoeft te worden geduld, kan sprake zijn van overtreding. De rechtbank stelt vast dat geen sprake (meer) was van een rattenplaag; ten tijde van het primaire besluit dan wel van het bestreden besluit geen onduldbare overlast van ratten afkomstig van het perceel van derde-belanghebbende, noch van stankoverlast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/304

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 augustus 2018 in de zaak tussen

[Naam 1] , eiser en [naam 2], eiseres, tezamen te noemen eisers

(gemachtigde: mr. M.A. de Boer),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo, verweerder

(gemachtigde: mr. C.H.J.M. Michels).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam 3] , te [woonplaats]

(gemachtigde: mr. M.J.H. Verburg).

Procesverloop

Op 5 april 2017 hebben eisers aan verweerder verzocht om handhavend op te treden tegen – kort gezegd – de rattenplaag en geuroverlast die afkomstig is van het perceel [adres 1] .

Bij besluit van 8 juni 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd handhavend op te treden.

Bij besluit van 20 december 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is de derde-partij ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eisers zijn woonachtig op het adres [adres 2] . Hun perceel is direct gelegen naast het perceel van [naam 3] (hierna: derde-belanghebbende) die woonachtig is op het adres [adres 1] . In hun handhavingsverzoek hebben eisers gesteld overlast te ondervinden die het gevolg is van verontreiniging van het perceel van derde-belanghebbende. Hij houdt op dit perceel zeven honden, die op dit perceel hun behoefte doen. Derde-belanghebbende composteert de ontlasting van zijn honden op zijn eigen terrein. Hiervan ondervinden eisers stankoverlast. Voorts hebben eisers op hun perceel last van ratten, die – zo stellen eisers – afkomstig zijn van het perceel van derde-belanghebbende. Omdat op dit perceel veel (bouw)materialen, rommel en composthopen met hondenontlasting aanwezig is, hebben de ratten op dat perceel voldoende gelegenheid om nesten te bouwen en zich daar schuil te houden. Tevens trekt een onverzorgd perceel als dat van derde-belanghebbende ratten aan, zo stellen eisers.

2. Op 8 juni 2017 heeft er namens verweerder een controle plaatsgevonden op het perceel van derde-belanghebbende. Deze controle werd uitgevoerd door twee ongediertebestrijders, twee politieagenten en een bouwhandhaver. Van deze controle is een rapport opgesteld. Tijdens deze controle zijn geen ratten waargenomen, maar wel rattenkeutels. Dat er geen ratten zijn aangetroffen, komt – zo staat in het rapport – doordat de ongediertebestrijdingsdienst sinds april 2017 doende is met het bestrijden van de rattenoverlast, door middel van rattenvallen en bestrijdingsmiddelen. Verder is tijdens de controle geconstateerd dat het perceel is volgestouwd met allerlei materialen, rommel en composthopen. Er is geen stank waargenomen. Tijdens deze controle was het warmer dan 20º C.

3. Onder verwijzing naar voormelde controle heeft verweerder bij het primaire besluit overwogen niet handhavend op te treden omdat er – kort gezegd – geen stankoverlast is waargenomen en omdat er ook geen overlast van ratten meer is waargenomen. Dit als gevolg van de succesvolle acties die de ongediertebestrijding in april 2017 heeft uitgevoerd.

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers bezwaren ongegrond verklaard. Op 28 november 2017 heeft wederom een controle plaatsgevonden op het adres van derde-belanghebbende. Geconstateerd is dat er geen ratten aanwezig waren, maar wel rattenkeutels, een looppad van ratten (een wissel) en een rattennest. Tevens is er wederom geen stankoverlast waargenomen. Gelet op deze constateringen heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat er nog steeds geen sprake is van een overtreding van de Woningwet of het Bouwbesluit, zodat er geen aanleiding bestaat om handhavend op te treden. Verweerder overweegt in het bestreden besluit voorts dat het causaal verband tussen de rattenoverlast en het perceel van derde-belanghebbende niet kan worden vastgesteld. Verweerder komt tot deze conclusie op grond van de constatering dat tijdens geen van de controles ratten zijn aangetroffen op het perceel van derde-belanghebbende noch op het perceel van eisers. Op het perceel van derde-belanghebbende zijn evenmin voedselresten (zoals het voer voor de honden) aangetroffen die toegankelijk zijn voor ratten. Op het perceel van eisers is hiervan wel sprake, nu zij kippen houden en hun voer (dat toegankelijk is voor ratten) kan worden gezien als voedselbron voor ratten. Op beide percelen zijn voorts schuilmogelijkheden voor ratten. Gelet hierop kan volgens verweerder niet worden vastgesteld dat de overlast van ratten zijn oorsprong vindt en/of in stand wordt gehouden door de situatie op het perceel van derde-belanghebbende. Ook de opslag van materialen op het terrein van derde-belanghebbende geeft verweerder geen aanleiding over te gaan tot handhavend optreden, omdat deze opslag geen hinder en geen gevaar oplevert voor de veiligheid van personen.

5. Eisers kunnen zich niet verenigen met het bestreden besluit. Eisers begrijpen niet dat verweerder enkel aangekondigde controles heeft uitgevoerd op het perceel van derde-belanghebbende. Dit heeft derde-belanghebbende immers telkenmale de gelegenheid gegeven om zijn perceel op te schonen. Na de controles stellen eisers vast dat derde-belanghebbende stopt met het opschonen van zijn perceel waardoor de verontreiniging en stankoverlast van het perceel weer een feit is. Voor eisers staat vast dat de rattenplaag zijn oorzaak vindt op het perceel van derde-belanghebbende. Eisers zien zich in dit standpunt gesteund door de rapportages van de door verweerder uitgevoerde controles, waarin staat te lezen dat er rattenkeutels zijn aangetroffen, een looppad, een nest en voldoende schuilmogelijkheden voor ratten. Op het perceel van eisers is amper schuilgelegenheid voor ratten. Volgens eisers staat voldoende vast dat er op het perceel van derde-belanghebbende een overtreding van artikel 7.21 van het Bouwbesluit plaatsvindt.

Voorts volgt uit het constateringsrapport van 8 juni 2017 dat geconstateerd is dat het perceel van derde-belanghebbende niet fris is, hetgeen volgens eisers indiceert dat er kennelijk wel geur is waargenomen. Verweerder had dit dienen te kwalificeren als stankoverlast. Tijdens een controle die op 28 augustus 2014 heeft plaatsgevonden, is tevens de geur van uitwerpselen geroken, zo blijkt uit het controlerapport.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

7. Artikel 7.17 van het Bouwbesluit 2012 bepaalt dat het gebruik van een bouwwerk, open erf en terrein zodanig is dat hinder, gezondheidsrisico’s en andere veiligheidsrisico’s dan brandveiligheidsrisico’s voor personen in voldoende mate worden beperkt.

Artikel 7.21 van het Bouwbesluit 2012 bepaalt dat een bouwwerk, open erf en terrein zich bevindt in een zodanig zindelijke staat, dat dit geen hinder voor personen en geen gevaar voor de veiligheid of de gezondheid van personen oplevert.

In de toelichting op artikel 7.21 van het Bouwbesluit 2012 staat het volgende:

Dit artikel valt terug te voeren op de motieven bruikbaarheid, gezondheid en veiligheid. Hiermee wordt aangesloten bij hetgeen hieromtrent voor de invoering van dit besluit in de model-Bouwverordening van de VNG was opgenomen Met dit artikel is beoogd dat een bouwwerk, open erf en terrein in een dusdanig nette staat is dat daardoor geen hinder voor personen ontstaat en dat er geen gevaar voor de veiligheid of gezondheid ontstaat. Op grond van dit artikel kan bijvoorbeeld worden opgetreden wanneer in een woning of op een erf overmatig veel last is van schadelijk of hinderlijk gedierte of wanneer de algemene reinheid (gezondheid) dat betaamt. Een open erf en terrein behoort dan ook geen gevaar voor de veiligheid of gezondheid op te leveren door drassigheid, stank, verontreiniging, (on)gedierte, begroeiing of voorwerpen. Het moet gaan om ernstige gevallen. Op grond van artikel 125 van de Gemeentewet en artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan handhavend worden opgetreden tegen overtreding van dit voorschrift. Tot optreden op grond van dit artikel mag niet lichtvaardig worden overgegaan.

8. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of er een overtreding is begaan op grond waarvan verweerder gehouden was om handhavend op te treden.

9. De rechtbank overweegt dat bij de toepassing van voormelde bepalingen als uitgangspunt geldt dat burgers binnen het normaal maatschappelijk verkeer een zekere mate van hinder van elkaar behoren te dulden. Slechts indien sprake is van ernstige hinder, die binnen het normaal maatschappelijk verkeer niet behoeft te worden geduld, kan sprake zijn van overtreding van deze bepalingen. Dit betekent dat het gegeven dat eisers de toestand op het perceel van derde-belanghebbende als overlast ervaren, niet direct betekent dat verweerder gehouden is om handhavend op te treden. De rechtbank is, gelet op alle zich in het dossier bevindende gegevens en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, van oordeel

dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er ten tijde van belang geen sprake was van een overtreding van een (wettelijke) bepaling door de situatie op het perceel van derde-belanghebbende. De rechtbank betrekt bij de onderhavige beoordeling niet alleen de situatie ten tijde van het primaire besluit, maar ook de situatie zoals die op het moment van het bestreden besluit was, nu verweerder het bestreden besluit pas heeft genomen na nogmaals een controle te hebben uitgevoerd op het perceel van derde-belanghebbende. Verweerder heeft deze controle meegenomen bij de heroverweging in bezwaar.

10. Voormeld oordeel steunt op de volgende overwegingen. De omstandigheid dat derde-belanghebbende op zijn perceel (bouw)materialen stalt, composthopen heeft en honden houdt, maakt op zichzelf genomen niet dat sprake is van strijdigheid met enige bepaling. Een rattenplaag op het perceel van derde-belanghebbende zou wel een overtreding kunnen zijn die noopt tot handhavend optreden van verweerder, indien deze overmatig veel last geeft aan – in dit geval – eisers. De rechtbank stelt echter aan de hand van het procesdossier en het verhandelde ter zitting vast dat ten tijde van de eerste controle op 8 juni 2017 geen sprake (meer) was van een rattenplaag. Onbestreden is gebleven dat de acties van de ongediertebestrijdingsdienst van verweerder in april 2017 succesvol waren, in die zin dat op het perceel van eisers circa 50 ratten zijn gevangen/vergiftigd. De rechtbank stelt tevens vast dat de ongediertebestrijdingsdienst de situatie rond het perceel van derde-belanghebbende nog een tijd in de gaten heeft gehouden en er in ieder geval ten tijde van de controle in juni 2017 geen ratten zijn aangetroffen.

De rechtbank overweegt voorts dat verweerder ook op 28 november 2017 nog een controle heeft doen uitvoeren en dat er blijkens het controlerapport ook toen geen ratten op het perceel van derde-belanghebbende zijn aangetroffen. Dat er op 28 november 2017 wel rattenuitwerpselen en een mogelijke ingang van een rattennest zijn aangetroffen op dat perceel, maakt niet dat daardoor sprake is van hinder die te beschouwen is als overtreding. Evenmin heeft verweerder op basis hiervan moeten concluderen dat de aanwezigheid van ratten op omliggende percelen zijn oorsprong vindt op het perceel van derde-belanghebbende. Uit het verhandelde ter zitting is naar voren gekomen dat er op meerdere percelen (anders dan die van eisers en derde-belanghebbende) aan de [straatnaam] te [plaatsnaam] overlast van ratten wordt ondervonden. Eiser heeft dit bevestigd. Ook zijn er op meerdere percelen schuilmogelijkheden voor ratten en worden er op meerdere percelen aan de [straatnaam] kippen gehouden, hetgeen voedselbronnen voor ratten kunnen zijn. Er kan dan ook niet geconcludeerd worden dat er ten tijde van het primaire besluit dan wel ten tijde van het bestreden besluit sprake was van onduldbare overlast van ratten afkomstig van het perceel van derde-belanghebbende.

11. Ook in de gestelde stankoverlast heeft verweerder terecht geen aanleiding gezien om een overtreding aan te nemen. In beroep is niet meer bestreden dat de medewerkers van de ongediertebestrijding bekwaam zijn om te beoordelen of er sprake is van stankoverlast, zodat de rechtbank van deze vakbekwaamheid uitgaat. Tijdens de controles in juni en in november 2017 is er noch door deze twee medewerkers noch door de bouwhandhaver en de politieagenten geconstateerd dat er sprake was van stankoverrlast op het perceel van derde-belanghebbende. De rechtbank heeft geen aanleiding om deze constateringen in twijfel te trekken, mede gelet op het feit dat eisers deze constateringen niet gemotiveerd hebben bestreden. Dat in het rapport over de controle in juni 2017 is vermeld dat het perceel van derde-belanghebbende niet echt fris is, is onvoldoende om te concluderen dat er sprake is van stankhinder. Gelet op de vakbekwaamheid van de controleurs mag verwacht worden dat,

zou er sprake zijn geweest van stank, zij dit hadden genoteerd op een wijze die niet voor meerdere uitleg vatbaar is.

12. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Schelfhout, rechter, in aanwezigheid van mr. E. van Rie, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 27 augustus 2018

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.