Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:8021

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
22-08-2018
Datum publicatie
03-09-2018
Zaaknummer
C/03/225175 / HA ZA 16-513
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verjaring aansprakelijkheid voor ontuchtige handelingen; artikel 3:310 lid 4 BW jo. artikel 70 en 71 Sr. Dwingende bewijskracht van artikel 161 Rv van strafrechtelijk vonnis ten aanzien van het niet verjaard zijn van de civiele vordering.

Uit het feit dat gedaagde strafrechtelijk is veroordeeld voor ontucht volgt, dat het recht op strafvervolging niet is verjaard. Van de vraag of de officier van justitie ontvankelijk is in zijn strafvervolging (artikel 348 Sv) maakt immers deel uit de vraag of het ten laste gelegde feit is verjaard. Uit artikel 161 Rv volgt derhalve ook de dwingende bewijskracht van het strafvonnis ten aanzien van het impliciete oordeel van de strafrechter over de verjaring van de ten laste gelegde feiten. Bovendien is de consequentie van artikel 3:310 lid 4 BW dat op grond van het impliciete oordeel van de strafrechter over de verjaring, ook de vorderingen van eiser gebaseerd op de onrechtmatige handelingen bestaande in de handelingen waarvoor gedaagde in dat vonnis is veroordeeld, niet zijn verjaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAV 2018/98
PS-Updates.nl 2018-0684
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer: C/03/225175 / HA ZA 16-513

Vonnis bij vervroeging van 22 augustus 2018

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

OPENBAAR LICHAAM op basis van de gemeenschappelijke regeling Gemeenschappelijke Regeling voor Sociale Kredietverlening en Schuldhulpverlening in Limburg, optredend in de hoedanigheid van bewindvoerder van [naam onderbewindgestelde],

mede kantoorhoudend te Eindhoven,

eiseres in conventie, verweerster in voorwaardelijke reconventie,

advocaat mr. N.D. Geraads;

tegen:

[gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] ,

wonend te Sittard, gemeente Sittard-Geleen,

gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie,

advocaat mr. R.W.J.L. Loonen.

Partijen zullen hierna [naam onderbewindgestelde] en [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] genoemd worden.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 2 mei 2018;

  • -

    de conclusie van [naam onderbewindgestelde] van 13 juni 2018;

  • -

    de conclusie van [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] van 13 juni 2018.

1.2.

Ten slotte is wederom vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

in conventie

2.1.

Bij tussenvonnis van 2 mei 2018 zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de in het tussenvonnis omschreven verjaringsproblematiek, alsmede over de mogelijke gevolgen van de door [naam onderbewindgestelde] in de strafzaak die heeft geleid tot het vonnis van 6 mei 2015 ingestelde vordering van de benadeelde partij.

2.2.

[naam onderbewindgestelde] stelt dat op grond van het bepaalde in artikel 3:310 lid 4 BW, zoals dat thans geldt, een rechtsvordering tot vergoeding van schade tegen een persoon die een strafbaar feit heeft begaan niet verjaart tot het recht tot de strafvordering door verjaring of door de dood van de aansprakelijke persoon is vervallen. Op grond van dit artikel concludeert [naam onderbewindgestelde] dat zijn vordering niet is verjaard.

2.2.1.

Subsidiair, indien de rechtbank van oordeel mocht zijn dat artikel 3:310 lid 4 (nieuw) BW niet op deze zaak van toepassing is, stelt [naam onderbewindgestelde] dat de vorderingen die voortvloeien uit de feiten waarvoor [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] is veroordeeld nog niet op 7 juli 1994 verjaard waren. Voor zedenmisdrijven jegens minderjarigen is artikel 3:310 lid 4 (nieuw) BW al op 7 juli 1994 ingevoerd. De vorderingen van [naam onderbewindgestelde] zouden, anders dan [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] stelt, op 2 april 2007 enkel verjaard kunnen zijn, indien de mogelijkheid tot strafvervolging was verjaard. Uit het feit dat de strafrechter op 22 april 2015 niet heeft geoordeeld dat het recht tot strafvervolging was verjaard, leidt [naam onderbewindgestelde] af dat de mogelijkheid tot strafvervolging niet was verjaard. De strafrechter behoort immers op grond van artikel 348 Sv onderzoek te doen naar de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

2.2.2.

De laatste handelingen waarvoor [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] is veroordeeld, hebben plaatsgevonden op 1 april 2000. Volgens artikel 244 Sr, zoals dat sinds 1 december 1991 luidt, wordt handelen in strijd met deze bepaling bestraft met een gevangenisstraf van maximaal twaalf jaren. In de perioden van 1 maart 1989 tot 1 september 1995 en van 1 september 1995 tot 1 januari 2006 gold voor misdrijven waarop een gevangenisstraf van meer dan tien jaren is gesteld, een verjaringstermijn van vijftien jaren. Op 1 januari 2006 is de verjaringstermijn verhoogd naar twintig jaar en per 1 april 2013 verjaren misdrijven waarop een gevangenisstraf van twaalf jaar of meer is gesteld niet meer. Op 1 september 1995 was volgens [naam onderbewindgestelde] nog geen sprake van verjaring. Evenmin was daarvan sprake op 1 januari 2006 en op 1 april 2013. In deze zaak moet volgens [naam onderbewindgestelde] gekeken worden naar de wetgeving die gold op 22 april 2015. Conform artikel 70 jo. 71 jo. 244 Sr verjaarde een misdrijf in de zin van artikel 244 Sr in het geheel niet. De vordering uit feit 1 was op 22 april 2015 dan ook niet verjaard, aldus [naam onderbewindgestelde] .

2.2.3.

Gelet op het feit dat het recht tot strafvervolging nog niet was verjaard op het moment waarop de strafzaak plaatsvond, was de civielrechtelijke vordering van [naam onderbewindgestelde] op dat moment evenmin verjaard. Dat is volgens [naam onderbewindgestelde] ook nadien niet gebeurd, doordat de inhoudelijke behandeling van de strafzaak van 22 april 2015 op grond van artikel 72 lid 1 Sr stuitende werking heeft gehad op de verjaring van het recht tot strafvervolging. Nu zowel de zitting als de voeging stuitende werking hadden, is in 2015 een nieuwe verjaringstermijn gaan lopen, hetgeen betekent dat de vordering van [naam onderbewindgestelde] nog niet was verjaard op het moment waarop de inleidende dagvaarding in deze procedure werd ingesteld, te weten op 16 augustus 2016.

2.2.4.

Meer subsidiair heeft [naam onderbewindgestelde] aangevoerd, voor het geval lid 4 (oud) van artikel 3:310 BW niet van toepassing zou zijn, dat volgens lid 1 van dat artikel een absolute verjaringstermijn geldt van twintig jaar. Omdat de laatste handelingen waarvoor [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] is veroordeeld op 1 april 2000 hebben plaatsgevonden, zal de verjaring pas zijn voltooid op 1 april 2020. Deze verjaring is echter volgens [naam onderbewindgestelde] gestuit, omdat hij zich als benadeelde partij heeft gevoegd in de strafzaak tegen [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] . Voorts is [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] op 27 juli 2015 door [naam onderbewindgestelde] aansprakelijk gesteld, hetgeen de verjaring eveneens heeft gestuit.

2.2.5.

[naam onderbewindgestelde] stelt zich ten slotte op het standpunt dat ook op grond van de relatieve verjaringstermijn van vijf jaar van artikel 3:310 lid 1 BW zijn vordering niet is verjaard, waartoe hij verwijst naar hetgeen hij ter onderbouwing daarvan heeft aangevoerd in de paragrafen 16 tot en met 24 van de conclusie van repliek.

2.3.

[gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] heeft in zijn conclusie na tussenvonnis aangevoerd dat het de rechtbank niet vrijstaat haar beslissing te baseren op rechtsgronden of verweren die weliswaar zouden kunnen worden afgeleid uit in het geding gebleken feiten en omstandigheden, maar die door de desbetreffende partij niet aan haar vordering of verweer ten grondslag zijn gelegd. Volgens [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] is de rechtbank gehouden aan de feitelijke grondslag van de vordering, het verzoek of het verweer zoals door partijen is aangevoerd. Door in het tussenvonnis partijen expliciet te wijzen op een verjaringsartikel, terwijl partijen daarop geen beroep hebben gedaan, handelt de rechtbank volgens [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] in strijd met artikel 3:322 BW.

2.3.1.

[gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] concludeert uit de handelwijze van de rechtbank dat deze niet onpartijdig is, nu het benoemen van artikel 3:310 lid 4 BW uitsluitend in het voordeel van [naam onderbewindgestelde] is. Dat klemt volgens [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] te meer nu de verjaring ook reeds bij de comparitie aan de orde is geweest en de rechtbank toen heeft aangegeven dat de kans meer dan 50% is dat het verjaringsverweer wordt gepasseerd. Met de overwegingen in de rechtsoverwegingen van 4.4. tot en met 4.13. heeft de rechtbank volgens [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] een handleiding aan [naam onderbewindgestelde] verstrekt over hoe artikel 3:310 lid 4 BW dient te worden toegepast. Gevolg van dat alles zou volgens [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] moeten zijn dat de rechters zich verschonen en dat de rechtbank in een nieuwe samenstelling een oordeel kan geven over het “souffleren” van [naam onderbewindgestelde] .

2.4.

Als het meest verstrekkende standpunt, zal de rechtbank eerst het standpunt van [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] beoordelen.

2.4.1.

[gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] heeft zelf de verjaringskwestie aan de orde gesteld in de conclusie van antwoord in conventie/conclusie van eis in reconventie. Derhalve is er geen sprake van dat de rechtbank ambtshalve de kwestie van een mogelijke verjaring van de vordering van
[naam onderbewindgestelde] aan de orde heeft gesteld en daarmee in strijd met artikel 3:322 BW zou hebben gehandeld.

2.4.2.

Omdat het verweer van verjaring uitdrukkelijk is gevoerd, is de rechtbank gehouden daarover een oordeel te geven. De rechtbank is in het tussenvonnis van 2 mei 2018 tot de conclusie gekomen dat het debat over de verjaring enkel betrekking heeft gehad op een wettelijke bepaling die wellicht niet toepasselijk is, doch een andere wettelijke bepaling wellicht wel. Aangezien de rechtbank op grond van artikel 25 Rv gehouden is de rechtsgronden aan te vullen, en ter voorkoming van een verrassingsbeslissing, zijn partijen van de mogelijke aanvulling van de rechtsgrond op de hoogte gesteld en in de gelegenheid gesteld zich daarover uit te laten. Dat een en ander slechts tot voordeel zou strekken van één partij is in dit verband niet relevant. De omstreden handelwijze getuigt niet van partijdigheid, maar vloeit juist voort uit de verplichting recht te spreken op basis van het recht en daartoe de rechtsgronden aan te vullen. De rechters zien derhalve geen aanleiding om zich, als door [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] verzocht, te verschonen.

2.5.

Inhoudelijk heeft [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] zich niet uitgelaten op de wijze zoals door de rechtbank is verzocht in haar tussenvonnis van 2 mei 2018.

2.6.

Het standpunt in de reactie van [naam onderbewindgestelde] , dat niet afwijkt van het voorshandse oordeel van de rechtbank in het tussenvonnis van 2 mei 2018, is voor de rechtbank geen aanleiding om terug te komen op de voorshandse oordelen zoals gegeven in rechtsoverwegingen 4.5. tot en met 4.11. in dat vonnis. De rechtbank maakt deze voorshandse oordelen derhalve tot haar definitieve oordelen.

2.7.

Dat leidt de rechtbank tot het volgende. Ter beantwoording van de vraag welke onrechtmatige handelingen [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] jegens [naam onderbewindgestelde] heeft gepleegd, kunnen, nu [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] die feiten niet heeft betwist, en op grond van het bepaalde in artikel 161 Rv, tot uitgangspunt worden genomen de strafbare feiten waarvoor [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] is veroordeeld in het vonnis van de strafkamer van deze rechtbank van 6 mei 2015. Deze feiten houden, voor zover relevant, het volgende in:

Feit 1

2.8.

[gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] heeft in de periode van 2 april 1992 tot en met 1 april 1996 met [naam onderbewindgestelde] , die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, meermalen een handeling gepleegd, die bestond uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [naam onderbewindgestelde] door zijn penis in de mond van [naam onderbewindgestelde] te duwen/te brengen (artikel 244 Sr).

Feit 2

2.9.

[gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] heeft in de periode van 2 april 1996 tot en met 1 april 2000 meermalen met [naam onderbewindgestelde] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [naam onderbewindgestelde] door zijn penis in de mond van [naam onderbewindgestelde] te duwen/te brengen (artikel 245 Sr).

Feit 3

2.10.

[gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] heeft in de periode van 2 april 1992 tot en met 1 april 2000 meermalen met [naam onderbewindgestelde] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen gepleegd, bestaande uit het door [naam onderbewindgestelde] aftrekken van hem en uit het door hem, aftrekken van [naam onderbewindgestelde] , terwijl dit feit werd begaan tegen een kind dat hij verzorgt en opvoedt als behorend tot zijn gezin (artikel 249 Sr).

2.11.

Omdat de feiten gepleegd tussen 2 april 1992 en 1 september 1994, toen artikel 3:310 lid 4 BW van kracht werd, volgens de vóór 1 september 1994 toepasselijke verjaringsregels naar burgerlijk recht nog niet verjaard waren, vallen de feiten gepleegd tussen 2 april 1992 en 1 september 1994 vanaf laatstgemelde datum volgens de overgangsrechtelijke bepalingen, uiteengezet onder 4.6. van het tussenvonnis, onder hetzelfde sedertdien geldende verjaringsregime van artikel 3:310 lid 4 BW en daarmee onder het verjaringsregime van artikel 70 en 71 Sr.

2.12.

Artikel 3:310 lid 4 BW bepaalt dat de civielrechtelijke schadevergoedingsvordering wegens een onrechtmatige daad bestaande in een strafbaar feit naar Nederlands recht niet verjaart zolang – voor zover in dit geschil relevant – het recht tot strafvordering niet door verjaring is vervallen. Uit het strafvonnis van 6 mei 2015 volgt impliciet dat de feiten die aan [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] waren ten laste gelegd in strafrechtelijke zin niet zijn verjaard. Aan de vraag of de ten laste gelegde feiten bewezen zijn verklaard, is immers voorafgegaan de in het strafvorderlijke systeem van artikel 348 Sv daarmee onverbrekelijk samenhangende vraag of de officier van justitie ontvankelijk is. In dat kader diende door de strafrechter mede de vraag te worden beantwoord of de ten laste gelegde feiten zijn verjaard.

2.13.

Uit het bepaalde in artikel 161 Rv volgt de dwingende bewijskracht van het strafvonnis ten aanzien van de feiten die ten laste van [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] bewezen zijn verklaard. Nu de strafrechter niet heeft geoordeeld dat de ten laste gelegde feiten geheel of gedeeltelijk zijn verjaard, heeft het strafvonnis gelet op de bedoelde samenhang op grond van het bepaalde in artikel 161 Rv ook dwingende bewijskracht ten aanzien van het impliciete oordeel van de strafrechter over de verjaring van de ten laste gelegde feiten.

2.14.

Bovendien is de consequentie van artikel 3:310 lid 4 BW dat op grond van het impliciete oordeel van de strafrechter over de verjaring, ook de vorderingen van [naam onderbewindgestelde] gebaseerd op de onrechtmatige handelingen bestaande in de handelingen waarvoor [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] in dat vonnis is veroordeeld, niet zijn verjaard.

2.15.

Het veroordelend strafvonnis heeft dwingende bewijskracht op grond van artikel 161 Rv. [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] mag tegenbewijs leveren (zie artikel 151 lid 2 Rv). Dat tegenbewijs mag zien op de vraag welke feiten [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] heeft gepleegd, maar ook of de daaruit voortvloeiende vorderingen zijn verjaard.

2.16.

[gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] heeft echter, ondanks daartoe uitdrukkelijk te zijn uitgenodigd bij tussenvonnis, niet onderbouwd waarom de vorderingen jegens hem zouden zijn verjaard, maar heeft zich beperkt tot een reactie weergegeven onder 2.3. en 2.3.1. Nu [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] het tegenbewijs niet heeft geleverd, moet het er voor worden gehouden dat de vorderingen betreffende de feiten waarvoor hij strafrechtelijk is veroordeeld, niet zijn verjaard.

2.17.

Het vorenstaande betekent dat thans de door de feiten veroorzaakte schade moet worden vastgesteld. Daarvoor kan een zeer langdurig traject zijn vereist met onder meer mogelijke getuigenverhoren en deskundigenberichten dat naast hoge financiële kosten ook een zware psychologische belasting zal meebrengen voor partijen. Het komt de rechtbank geraden voor om nogmaals een comparitie te bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden, bijvoorbeeld via een afspraak over een totaalbedrag met aflossingsregeling.

2.18.

De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij ter comparitie de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden zal achten.

3 De beslissing

De rechtbank:

in conventie en in reconventie

3.1.

beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van de rechtbank in het gerechtsgebouw te Maastricht aan St. Annadal 1 op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd;

3.2.

bepaalt dat [gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie] dan in persoon aanwezig moet zijn en dat Openbaar Lichaam q.q. dan vertegenwoordigd moet zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen;

3.3.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 5 september 2018 voor het opgeven van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden november 2018 tot en met januari 2019, waarna dag en uur van de comparitie zullen worden bepaald;

3.4.

bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de comparitie zelfstandig zal bepalen;

3.5.

bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de comparitie dit in beginsel niet zal worden gewijzigd;

3.6.

wijst partijen er op, dat voor de zitting twee uur zal worden uitgetrokken;

3.7.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Hoekstra, mr. J.R. Sijmonsma en mr. I.M. Etman, rechters, en in het openbaar uitgesproken.1

1 type: MT