Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:8016

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
15-08-2018
Datum publicatie
28-02-2019
Zaaknummer
C/03/237974 / HA ZA 17-368
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:RBLIM:2019:1865
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad of ongelukkige samenloop van omstandigheden in sport- en spelsituatie minderjarige kinderen? Afwijzen verzoek tot inzage art. 843a lid 1 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-0347
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/237974 / HA ZA 17-368

Vonnis van 15 augustus 2018

in de zaak van

[eiser in de hoofdzaak] ,
in persoon en als wettelijke vertegenwoordiger van de minderjarige
[minderjarige] geboren op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats] ,

eiser in de hoofdzaak,

advocaat mr. M.J.E. Spauwen te Maastricht,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

IKEA B.V.,

gevestigd te Amsterdam, tevens gevestigd te Heerlen,

gedaagde in de hoofdzaak,

advocaat mr. H. Lebbing te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiser in de hoofdzaak] en Ikea genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het vonnis in incident van 15 november 2017

  • -

    het B8-formulier van [eiser in de hoofdzaak] van 31 januari 2018 met producties

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 22 februari 2018

  • -

    de brief van [eiser in de hoofdzaak] van 28 februari 2018 met zijn reactie op het proces-verbaal

  • -

    het B-16 formulier van Ikea van 1 maart 2018 waarin zij reageert op de reactie van [eiser in de hoofdzaak]

  • -

    de brief van de griffier van 7 maart 2018 aan partijen

  • -

    de akte na comparitie, tevens akte aanvulling rechtsgronden, van [eiser in de hoofdzaak] van
    21 maart 2018

  • -

    de antwoordakte van Ikea van 2 mei 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Voor de feiten wordt verwezen naar het vonnis in incident van 15 november 2017.

2.2.

De kantonrechter van deze rechtbank, locatie Maastricht, heeft bij beslissing van 28 februari 2018 [eiser in de hoofdzaak] alsnog een machtiging ex artikel 1:349 BW jo. artikel 1:253k BW verleend voor het voeren van deze procedure.

3 Het geschil

3.1.

[eiser in de hoofdzaak] heeft bij akte van 21 maart 2018 de rechtsgronden van de vorderingen aangevuld en hij vordert thans samengevat:

primair:

een verklaring voor recht dat Ikea aansprakelijk is op grond van onrechtmatige daad als bedoeld in artikel 6:162 BW, dan wel artikel 6:162 BW jo. artikel 6:107 BW,

subsidiar:

een verklaring voor recht dat Ikea aansprakelijk is in haar hoedanigheid van bezitter van een gebrekkige opstal als bedoeld in artikel 6:174 BW,

meer subsidiar:

een verklaring voor recht dat Ikea aansprakelijk is in haar hoedanigheid van werkgever als bedoeld in artikel 6:170 BW jo. artikel 6:162 BW,

primair, subsidiair en meer subsidiair:

veroordeling van Ikea tot betaling aan [eiser in de hoofdzaak] van de nog nader te bepalen schade van [eiser in de hoofdzaak] en [minderjarige] ,

meest subsidiair:

een verklaring voor recht dat Ikea alsnog verplicht is om de betreffende NAW-gegevens van het duwende kind aan [eiser in de hoofdzaak] te verstrekken,

primair, subsidiair, meer subsidiair en meest subsidiair:

veroordeling van Ikea in de kosten van deze procedure.

primaire vordering

3.1.1.

[eiser in de hoofdzaak] verwijt Ikea dat er op 10 juni 2014, toen hij zijn driejarige dochter [minderjarige] achterliet in de speelomgeving van Ikea, Småland, onvoldoende toezicht werd gehouden omdat er slechts één medewerker aanwezig was. Tijdens het inschrijven van een vierde kind had deze medewerker geen toezicht op de andere drie spelende kinderen. Er is daardoor een onbewaakt moment ontstaan waarin [minderjarige] door een ander meisje is geduwd en in de ballenbak is gevallen. Als gevolg van die val heeft [minderjarige] haar been gebroken. [eiser in de hoofdzaak] stelt dat Ikea dit incident had kunnen voorkomen door minimaal twee toezichthouders aanwezig te laten te zijn, zodat tijdens de inschrijving van een kind door een medewerker, een andere medewerker de groep spelende kinderen in de gaten kan houden. Doordat Ikea niet heeft gezorgd voor voldoende toezicht heeft zij niet voldaan aan haar zorgplicht. [eiser in de hoofdzaak] houdt Ikea op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk voor de (verplaatste) schade die hij en [minderjarige] geleden hebben. De schade zal in de toekomst opgemaakt moeten worden bij staat omdat de medische eindtoestand van [minderjarige] nog niet is bereikt.

subsidiaire vordering

3.1.2.

[eiser in de hoofdzaak] stelt dat gelet op de ernst van het letsel van [minderjarige] , de vloer van de ballenbak niet voldeed aan de eisen die aan een dergelijke vloer in normale omstandigheden mogen worden gesteld. Een ballenbak is immers bedoeld om in te vallen en de vloer moet voldoende dempend zijn. Ikea is als de bezitter van de onveilige ballenbak (de gebrekkige opstal) op grond van artikel 6:174 BW aansprakelijk voor de voornoemde schade van [eiser in de hoofdzaak] en [minderjarige] .

meer subsidiaire vordering

3.1.3.

[eiser in de hoofdzaak] stelt dat de toezichthoudende medewerker onrechtmatig heeft gehandeld, doordat zij bij de binnenkomst van het duwende meisje in Småland kennelijk het inschrijfformulier niet volledig heeft laten invullen door de ouders, maar volstaan heeft met het laten vermelden van de naam en de leeftijd. Dit handelen is in strijd met het “Handboek Spelen bij Ikea” van Ikea (productie 2, conclusie van antwoord). Evenmin heeft zij na het ongeval van [minderjarige] het duwende meisje apart gezet en de ontbrekende gegevens van dit kind alsnog ingevuld. Ingeval van ernstig letsel mag van de toezichthoudende medewerker verwacht worden dat zij de ouders van zowel de veroorzaker als het slachtoffer erbij haalt, aldus [eiser in de hoofdzaak] . De ouders van [minderjarige] hebben door al dit nalaten van die medewerker (de ouders van) het duwende meisje niet kunnen traceren en de ouders van dat meisje niet aansprakelijk kunnen stellen voor de voornoemde schade. Ikea is als werkgever, op grond van artikel 6:170 BW, aansprakelijk voor dit onrechtmatig handelen (nalaten) van haar medewerker, aldus [eiser in de hoofdzaak] .

meest subsidiaire vordering

3.1.4.

[eiser in de hoofdzaak] wil, indien Ikea niet aansprakelijk kan worden gehouden voor de gestelde schade, die schade op grond van artikel 6:169 BW verhalen op de ouders van het duwende meisje. [eiser in de hoofdzaak] doet een beroep op artikel 8, aanhef en sub f, van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna te noemen: Wbp) en stelt dat hij een gerechtvaardigd en reëel belang heeft bij de inzage in de NAW-gegevens van (de ouders van) het duwende meisje. Er is immers sprake van ernstig blijvend letsel bij [minderjarige] door de duw van dat andere meisje. [eiser in de hoofdzaak] stelt dat Ikea hem daarom de betreffende NAW-gegevens dient te verstrekken, temeer nu hij die gegevens niet op een andere, minder ingrijpende weg, kan verkrijgen. Volgens [eiser in de hoofdzaak] ligt het voor de hand dat de WA polis van de ouders van het duwende meisje dekking biedt voor de geleden schade.

verweer ter zake van de primaire, subsidiaire en meer subsidiaire vorderingen

3.2.

Ikea betwist dat zijzelf, dan wel haar medewerker, onrechtmatig zou hebben gehandeld. Ikea ontkent dat de ballenbak onveilig zou zijn geweest. In de ballenbak zaten voldoende ballen om een val te dempen en bevindt zich een dempende vloer, aldus Ikea. Ikea voert aan dat zij een incidentenregistratiesysteem bijhoudt en dat een dergelijk ongeval niet eerder is gebeurd. Het ongeval van [minderjarige] betreft een uitzonderlijke situatie. Ikea is verder van mening dat [eiser in de hoofdzaak] de gestelde schade onvoldoende heeft onderbouwd. [minderjarige] is goed hersteld, aldus Ikea.

verweer ter zake van de meest subsidiaire vordering

3.2.1.

Volgens Ikea dient het inschrijfformulier alleen voor intern gebruik. Indien er sprake is van een incident, waarbij een ander kind betrokken is, is het gebruikelijk dat de ouders van de betreffende kinderen worden omgeroepen en dat zij zelf, als zij schade willen afwikkelen, informatie uitwisselen. Op het moment van het ongeval van [minderjarige] was er echter geen reden om ervan uit te gaan dat een ander kind bij de val van [minderjarige] betrokken was, aldus Ikea.

Ikea stelt dat zij, op grond van de privacy wetgeving, niet het recht heeft om de gegevens van klanten (zoals [minderjarige] en haar ouders) zonder hun toestemming af te geven. Ikea heeft vanwege het verzoek van [eiser in de hoofdzaak] om afgifte van de gegevens van het duwende meisje, een belangenafweging als bedoeld in artikel 8, aanhef en sub f, Wbp gemaakt. Ikea is op grond van die afweging van mening dat het privacybelang van (de ouders van) het duwende meisje zwaarder weegt dan het belang van [minderjarige] om de betreffende gegevens te verkrijgen. Ikea voert aan dat zij alleen beschikt over de voor- en achternaam van het duwende meisje en dat Ikea tevergeefs heeft geprobeerd om achter de volledige NAW-gegevens van het duwende meisje te komen. Het GBA biedt in dit geval geen uitkomst; zonder geboortedatum en woonplaats kun je niets, aldus Ikea. Bovendien staat niet vast of de ouders van het duwende meisje - al dan niet - een WA verzekering hebben. Ikea voert voorts aan dat zij niet weet wat [eiser in de hoofdzaak] met de gegevens van (de ouders van) het duwende meisje van plan is. De ouders van [minderjarige] hebben - volgens Ikea - gedreigd met media aandacht en Ikea vreest dat [eiser in de hoofdzaak] bij de zoektocht naar het duwende meisje daadwerkelijk de media zal opzoeken. Dit risico wil Ikea voor haar klanten niet accepteren.

3.3.

Op de stellingen van partijen, zal hierna, voor zover nodig, nader worden ingegaan.

4 De beoordeling

Inleidend

4.1.

In deze zaak kan uitgegaan worden van de volgende feiten.
De ouders van [minderjarige] hebben op 10 juni 2014 de vestiging van Ikea in Heerlen bezocht. Hun toen driejarige dochter [minderjarige] hebben zij achtergelaten in Småland, de speelfaciliteit die Ikea ouders/begeleiders biedt. Op dat moment waren nog twee andere kinderen aanwezig, een jongetje van vier jaar oud en een meisje van vijf jaar oud. Er werd toezicht gehouden door één medewerker van Ikea. Toen zij bezig was om een vierde kindje te registreren, is [minderjarige] door het andere meisje geduwd en in de ballenbak gevallen. [minderjarige] heeft daarbij haar rechter bovenbeen gebroken. Ze is aan dit been geopereerd waarbij pennen geplaatst zijn, die in oktober 2014 zijn verwijderd. Op dit moment gaat het goed met [minderjarige] . Er is tot nu toe geen verschil in beenlengte ontstaan en er zijn geen functionele problemen.

4.2.

[eiser in de hoofdzaak] wil de schade die hij en [minderjarige] geleden hebben, verhalen op Ikea of op de ouders van het duwende meisje. De rechtbank zal de vorderingen die door [eiser in de hoofdzaak] zijn ingesteld hieronder beoordelen.

Onrechtmatige daad ex artikel 6:162 BW jo. artikel 6:107 BW

4.3.

De rechtbank overweegt allereerst dat op Ikea, die de opvang van kinderen tijdens het winkelen van hun ouders/begeleiders in haar vestiging faciliteert, een zorgplicht rust ten aanzien van de veiligheid van die kinderen. Die kinderen worden immers bij Småland, door de ouders/begeleiders van die kinderen, aan de zorg van Ikea toevertrouwd en komen daar onder toezicht van Ikea staan. Ikea heeft ook niet bestreden dat zij een dergelijke zorgplicht heeft.

4.4.

Ikea stelt dat zij aan haar zorgplicht voldaan heeft doordat toezicht werd gehouden door één medewerker, die sedert eind 2013 bekend was met het begeleiden van kinderen bij de speelfaciliteiten (productie 1 bij conclusie van antwoord).

4.5.

Volgens [eiser in de hoofdzaak] moeten er minimaal twee toezichthouders aanwezig zijn. Als een medewerker bezig is met het inschrijven van een nieuw kind kan de andere medewerker toezicht houden op de spelende kinderen, aldus [eiser in de hoofdzaak] . De rechtbank is van oordeel dat Ikea aan haar zorgplicht voldaan heeft door één medewerker toezicht te laten houden op het groepje van drie spelende kinderen. De rechtbank is niet gebleken dat er in 2014 een geschreven of ongeschreven norm bestond waaruit blijkt dat er minimaal twee toezichthouders vereist zijn bij een groepje van drie kinderen in de leeftijd van drie tot en met vijf jaar. [eiser in de hoofdzaak] heeft verder nog gesteld dat uit het enkele feit dat de toezichthoudende medewerker het ongeval niet heeft zien gebeuren, afgeleid kan worden dat er niet voldoende toezicht is geweest. De rechtbank volgt [eiser in de hoofdzaak] hierin niet. In zijn stelling ligt besloten dat hij van de toezichthoudende medewerker verlangt dat deze alle aanwezige kinderen altijd tegelijkertijd in het oog houdt. Dat is in de praktijk niet mogelijk. Een incident waarbij het ene kind het andere duwt, kan in een oogwenk gebeuren.

Gebrekkige opstal ex artikel 6:174 BW

4.6.

Ikea heeft aan de hand van de door een medewerker ingevulde ‘maandelijks veiligheidschecklist’ van 2 juni 2014 en de door een andere medewerker ingevulde ‘dagelijkse hygiëne- en veiligheidschecklist Småland’ van 10 juni 2014 (producties 3 en 4 bij conclusie van antwoord), haar stelling onderbouwd dat Småland op 10 juni 2014 een veilige speelomgeving was. De lijsten vermelden geen indicatoren op grond waarvan Ikea kinderen die dag de toegang tot Småland had moeten weigeren. Volgens de checklist van
10 juni 2014 was het niveau van de ballen in de ballenbak tussen de 45 en 60 cm en waren de ballen gelijk verdeeld.

4.7.

De enkele stelling van [eiser in de hoofdzaak] dat (de vloer van) de ballenbak onveilig moet zijn geweest, omdat [minderjarige] bij de val in de ballenbak haar bovenbeen heeft gebroken is in het licht van de door Ikea overgelegde documenten onvoldoende voor een beroep op artikel 6:174 BW. Dat de ballenbak niet voldeed aan de (Europese) veiligheidsvereisten voor dergelijke speeltoestellen is evenmin gesteld of gebleken.

Aansprakelijkheid ex artikel 6:170 BW jo. artikel 6:162 BW

4.8.

De stelling van [eiser in de hoofdzaak] dat de toezichthoudende medewerker van Ikea onrechtmatig jegens [minderjarige] en [eiser in de hoofdzaak] heeft gehandeld, wordt verworpen. Het kennelijk niet volledig laten invullen van het inschrijfformulier op 10 juni 2014 maakt niet dat die medewerker onrechtmatig heeft gehandeld. Naar het oordeel van de rechtbank was het inschrijfformulier bedoeld voor intern (administratief) gebruik van Ikea, zoals het kunnen oproepen/omroepen van ouders/begeleiders van een ingeschreven kind en inzicht in het aantal kinderen dat Småland bezoekt. De rechtbank is niet gebleken van een geschreven of ongeschreven norm op grond waarvan Ikea gehouden is persoonsgegevens van spelende kinderen te registreren ten behoeve van andere ouders/begeleiders van kinderen die Småland bezoeken. Het feit dat de toezichthoudende medewerker zich na de val van [minderjarige] in de ballenbak, die zij niet gezien heeft omdat zij bezig was met inschrijving van het vierde kindje, geconcentreerd heeft op de hulpverlening aan [minderjarige] en niet op het bekijken van de video-opnamen om te achterhalen wat vooraf is gegaan aan de val van [minderjarige] , is evenmin als onrechtmatig aan te merken. Dat achteraf is gebleken dat een ander kindje betrokken was bij de val in de ballenbak en de ouders van dat kindje niet zijn opgeroepen/omgeroepen door de toezichthoudende medewerker om gegevens uit te wisselen met [eiser in de hoofdzaak] , is een ongelukkige gang van zaken, maar leidt er niet toe dat de toezichthoudende medewerker van Ikea onrechtmatig heeft gehandeld. Van onrechtmatig nalaten waarvoor Ikea als werkgever aansprakelijk is, is derhalve niet gebleken.

4.9.

Gelet op al het voorgaande dienen de primaire, subsidiaire en meer subsidiaire vorderingen te worden afgewezen. Ter zake van de meest subsidiaire vordering van [eiser in de hoofdzaak] overweegt de rechtbank het volgende.

Verstrekken NAW-gegevens

4.10.

[eiser in de hoofdzaak] heeft een leeg (voorbeeld) inschrijfformulier van Ikea overgelegd (productie 1 bij dagvaarding). Op dat inschrijfformulier kan door de begeleider van het kind de naam van het kind, de leeftijd, het adres en de woonplaats, het telefoonnummer, het kledingboxnummer en de naam van de ouder/volwassene worden ingevuld. Dergelijke gegevens zijn, gelet op de aard en inhoud ervan, persoonsgegevens.

4.11.

[eiser in de hoofdzaak] dient, om een vordering tegen het duwende meisje en haar ouders te kunnen instellen, over de NAW-gegevens van het duwende meisje te beschikken. [eiser in de hoofdzaak] wil dan ook inzage in de bij Ikea aanwezige NAW-gegevens van dat meisje en heeft gesteld dat hij een rechtmatig belang heeft bij die inzage. Voor het geval dat Ikea niet over de volledige NAW-gegevens beschikt, heeft [eiser in de hoofdzaak] aangevoerd dat hij, aan de hand van de gegevens die Ikea wel heeft, de ontbrekende gegevens kan achterhalen.

4.12.

De rechtbank begrijpt dat [eiser in de hoofdzaak] de onderhavige vordering stoelt op artikel 843a lid 1 Rv. Om een vordering tot inzage te kunnen toewijzen, moet [eiser in de hoofdzaak] op grond van dat artikellid (1) een rechtmatig belang hebben bij inzage (2) van een bepaald bescheid aangaande (3) een rechtsbetrekking waarin hij partij is. Aan de tweede en derde voorwaarde is voldaan. [eiser in de hoofdzaak] wil inzage in een concreet omschreven bescheid: het inschrijfformulier dat is ingevuld door de ouders/begeleiders van het duwende meisje. Ook is de rechtsbetrekking duidelijk. [eiser in de hoofdzaak] wil de ouders van het duwende meisje aansprakelijk stellen. Resteert de vraag of [eiser in de hoofdzaak] een rechtmatig belang heeft bij zijn vordering. Artikel 6:169 lid 1 BW regelt de risicoaansprakelijkheid van de ouder/voogd voor de gedragingen van kinderen jonger dan veertien jaar. [eiser in de hoofdzaak] zal, om tot aansprakelijkheid van die ouders te kunnen komen, moeten onderbouwen dat de gedraging van het andere meisje, namelijk haar duw van [minderjarige] , als een onrechtmatige daad aan dat meisje zou kunnen worden toegerekend, als haar leeftijd daaraan niet in de weg zou hebben gestaan. Partijen verschillen daarover van mening. De rechtbank overweegt dat indien [eiser in de hoofdzaak] voldoende kan onderbouwen dat het andere meisje onrechtmatig heeft gehandeld, hij een rechtsvordering tegen de ouders van dat meisje kan instellen en hij dan ook een rechtmatig belang heeft bij zijn vordering tot inzage. De rechtbank acht het gelet hierop nodig om de video-opname van 10 juni 2014 te bekijken. Na het bekijken van deze beelden zal blijken of kan worden vastgesteld of er sprake was van een onrechtmatig handelen van het duwende meisje, dan wel van een speelse duw en een ongelukkige samenloop van omstandigheden. De rechtbank zal bepalen dat Ikea die video-opname op een usb-stick of dvd ter griffie van deze rechtbank moet deponeren. Ikea is niet gehouden om van die opname een kopie aan [eiser in de hoofdzaak] te verstrekken vanwege de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van het betreffende minderjarige kind. De video-opname zal te zijner tijd door de rechtbank, in bijzijn van partijen, op een nader te bepalen zitting worden bekeken. [eiser in de hoofdzaak] heeft eerder al gemotiveerd kenbaar gemaakt waarom hij die opname niet wil zien. De rechtbank zal [eiser in de hoofdzaak] daarom niet verplichten om die zitting bij te wonen. Indien [eiser in de hoofdzaak] de opname niet wil zien, kan hij zijn advocaat de zitting laten bijwonen. Partijen zullen bij akte in de gelegenheid worden gesteld om de rechtbank opgave te doen van hun verhinderdata vanaf oktober tot en met december 2018, waarna de rechtbank een zitting als hiervoor vermeld zal plannen.

4.13.

De rechtbank overweegt verder dat Ikea, als bewaarder van (een deel van) de NAW -gegevens van het duwende meisje, een beroep heeft gedaan op artikel 8 Wbp. De rechtbank begrijpt het beroep van Ikea aldus dat sprake is van gewichtige redenen als bedoeld in het vierde lid van artikel 843a Rv. Ikea heeft aangevoerd dat het haar niet vrijstaat om de bewuste gegevens (zonder meer) aan [eiser in de hoofdzaak] te verstrekken. [eiser in de hoofdzaak] heeft dit bestreden en gesteld dat zijn belang zwaarder weegt dan het recht van privacy van het duwende meisje.

4.14.

De rechtbank overweegt dat per 25 mei 2018 de Verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016, betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (hierna te noemen: AVG) van toepassing is. Per die datum zijn de Richtlijn 95/46/EG van 24 oktober 1995 en de Wbp ingetrokken. De AVG heeft directe werking en een belangenafweging als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder f, Wbp is terug te vinden in artikel 6 aanhef, lid 1, onder f, AVG. Overwogen wordt dat persoonsgegevens mogen worden verwerkt als dit noodzakelijk is voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang van de verwerkingsverantwoordelijke of een derde, mits de belangen, rechten en vrijheden van de betrokkene(n) niet zwaarder wegen. Nieuw is dat in artikel 6 aanhef, lid 1, onder f, AVG het belang van het kind apart is vermeld. Artikel 6 aanhef, lid 1, onder f, AVG luidt:

Rechtmatigheid van de verwerking

1. De verwerking is alleen rechtmatig indien en voor zover aan ten minste een van de onderstaande voorwaarden is voldaan:

f) de verwerking is noodzakelijk voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde, behalve wanneer de belangen of de grondrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkene die tot bescherming van persoonsgegevens nopen, zwaarder wegen dan die belangen, met name wanneer de betrokkene een kind is.

4.15.

Partijen zijn alleen ingegaan op de belangenafweging als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder f, Wbp en worden, gelet op het bovenstaande, in de gelegenheid gesteld om bij akte, voor zover zij dat nodig achten, alsnog nader in te gaan op het toetsingskader van de nieuwe regelgeving.

4.16.

In afwachting van de door partijen te nemen aktes zal iedere verder beslissing worden aanhouden.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 12 september 2018 voor het nemen van een akte door beide partijen voor:
- opgave van verhinderdata van oktober tot en met december 2018,

- uitlating als bedoeld in rechtsoverweging 4.15,

5.2.

bepaalt dat Ikea, met in achtneming van artikel 2.10 van het Landelijk proces-reglement voor civiele dagvaardingszaken bij de rechtbanken, de usb-stick of dvd, als genoemd in overweging 4.12, ter griffie van deze rechtbank moet deponeren, zonder verstrekking van een kopie aan [eiser in de hoofdzaak] ,

5.3.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.M. Etman en in het openbaar uitgesproken.1

1 type: CM