Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:7919

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
22-08-2018
Datum publicatie
27-08-2018
Zaaknummer
17/3576
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verboden delegatie aan college B&W. De rechtbank zoekt aansluiting bij jurisprudentie van de CRvB over artikel 8 van de Wet Werk en Bijstand. De gemeenteraad had bij verordening regels dienen te stellen over de premie en het bepalen van het premiebedrag is bij uitstek een gelegenheid, die de gemeenteraad had moeten vastleggen in de verordening. Het beroep is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/3576

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 augustus 2018 in de zaak tussen

[naam], te [plaatsnaam], eiseres

(gemachtigde: W.A.M. van Roessel),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Overhof).

Procesverloop

Bij besluit van 10 mei 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres voor de periode

3 augustus 2016 tot 3 februari 2017 voor haar participatieplaats een premie van

€ 300,00 toegekend.

Bij besluit van 14 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juni 2018.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres ontvangt een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw). Bij besluit van verweerder van 3 februari 2016 is eiseres een participatieplaats (een baan waarmee zij met behoud van uitkering werkervaring kan opdoen) toegekend. Op genoemde datum is eiseres haar tweede periode van een half jaar gestart als assistent opvoedingsondersteuner bij Stichting Traject, Home Start. Bij het besluit van 3 februari 2016 is tevens aan eiseres kenbaar gemaakt dat zij na zes maanden werken recht kan hebben op een premie. Dit betreft een bedrag van € 450,00. Wanneer zij recht heeft op deze premie, ontvangt zij van verweerder een brief daarover.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder de premie voor de participatieplaats voor de periode 3 augustus 2016 tot 3 februari 2017 vastgesteld op € 300,00 (zes maanden maal

€ 50,00).

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

4. Eiseres betoogt in beroep (samengevat weergegeven) dat de gemeenteraad niet de bevoegdheid toekomt om de hoogte van de premie door verweerder te laten vaststellen, gelet op artikel 8a, eerste lid, onderdeel d, van de Pw. Verder heeft verweerder niet gemotiveerd waarom de premie is verlaagd. Voorts is het “Ontwerp-raadsvoorstel 33-2016 Beleid Participatiewet 2016 e.e.” niet aan de gemeenteraad ter advisering voorgelegd.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

6. Ingevolge artikel 10a, zesde lid, van de Pw, voor zover hier van belang, verstrekt het college aan belanghebbende, telkens nadat hij gedurende zes maanden op grond van dit artikel additionele werkzaamheden heeft verricht, een premie als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel j, indien hij naar het oordeel van het college in die zes maanden voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kans op inschakeling in het arbeidsproces.

Ingevolge artikel 8a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Pw, voor zover hier van belang, stelt de gemeenteraad bij verordening regels met betrekking tot de premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid.

7. Op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening re-integratie, participatie en tegenprestatie Participatiewet Maastricht-Heuvelland 2016 e.v. (de Verordening) kan het college de volgende vorm van werken met behoud van uitkering aanbieden:

Participatieplaats

1. De doelgroep voor deze voorziening wordt beschreven in artikel 10a, lid 1, van de Participatiewet. De doelgroep beperkt zich tot personen met een arbeidsvermogen tot 80%.

2. De premie, bedoeld in artikel 10a, lid 6, van de Participatiewet wordt halfjaarlijks achteraf uitgekeerd, mits in die 6 maanden voldoende is meegewerkt aan het vergroten van de kans op inschakeling in het arbeidsproces. Het college stelt het bedrag van de premie vast.

3. Gedurende de periode van de participatieplaats betaalt de werkgever een inleenvergoeding in natura in de vorm van begeleiding, instructietraining, scholing.

8. De rechtbank constateert dat verweerder op 7 april 2016 heeft bepaald dat het maandelijkse premiebedrag € 50,00 is. In het “Ontwerp-raadsvoorstel 33-2016 Beleid Participatiewet 2016 e.v.” van verweerder is, naast het advies aan de gemeenteraad om onder andere de Verordening vast te stellen, tevens het beslispunt opgenomen om conform het gestelde in artikel 10, eerste lid aanhef en onder c, sub 2, van de Verordening het bedrag van de premie vast te stellen op € 50,00 per maand. Blijkens de besluitenlijst van de gemeenteraad van 17 mei 2016 is het raadsvoorstel unaniem aangenomen.

9. Uit de hiervoor, in rechtsoverweging 8, beschreven procedurele gang van zaken volgt, dat verweerder de hoogte van de premie heeft vastgesteld en niet de gemeenteraad. Uit de Verordening volgt ook dat de gemeenteraad deze bevoegdheid heeft gedelegeerd aan verweerder. De rechtbank overweegt dat uit de artikelen 147, eerste lid, en artikel 156, eerste lid, van de Gemeentewet volgt dat delegatie van de gemeenteraad aan het college op zichzelf is toegestaan.

In artikel 156, eerste lid, van de Gemeentewet is echter bepaald dat dit niet is toegestaan, als de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet. Of delegatie van de regelgevende bevoegdheid met betrekking tot de premie is toegestaan, moet worden bepaald aan de hand van een nadere bestudering van artikel 8a van de Pw.

10. In artikel 8a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Pw is uitdrukkelijk bepaald dat door de gemeenteraad regels met betrekking tot de premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de Pw, worden gesteld bij verordening. In de wetsgeschiedenis over de totstandkoming van de Pw zijn geen aanknopingspunten voorhanden om te beoordelen of het is toegestaan deze bevoegdheid over te dragen aan verweerder. Artikel 8a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Pw is gelijk aan hetgeen in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet Werk en Bijstand (WWB) was bepaald. Daarom zoekt de rechtbank aansluiting bij de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 10 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK2862.

In deze uitspraak heeft de CRvB het volgende overwogen:

“4.4.2. De Raad is van oordeel dat uit de tekst van artikel 8 van de WWB en de toelichting op dat artikel kan worden afgeleid dat het de bedoeling van de wetgever is geweest de gemeenteraad een exclusieve bevoegdheid toe te kennen voor het vaststellen van regels met betrekking tot het verstrekken van subsidies ten behoeve van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling. De Raad verwijst naar de Memorie van Toelichting bij artikel 8 van de WWB waaruit blijkt dat de gemeenteraad een duidelijke verantwoordelijkheid heeft bij het vastleggen van het gemeentelijke re-integratiebeleid in een verordening (TK 2002-2003, 28 870, nr.13, p.37) en naar de Nota naar aanleiding van het verslag (TK 2002-2003, 28 870, p.16) waaraan het volgende wordt ontleend: “Op grond van artikel 8 van de WWB is de gemeenteraad, ter zake van het ondersteunen bij arbeidsinschakeling en het aanbieden van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling, verplicht bij verordening regels te stellen. In deze verordening concretiseert de gemeente haar re-integratiebeleid en geeft zij, toegespitst op de lokale omstandigheden, blijk van een evenwichtige aandacht voor de groepen belanghebbenden waarvoor zij verantwoordelijk is. Het is de gemeenteraad die het college controleert op de uitvoering van het in de verordening gestelde.”. Artikel 17a van de Re-integratieverordening en - voor zover hier van belang - artikel 8 van de daarop gebaseerde Nadere regels missen, in dat licht bezien, verbindende kracht.”

11. Gelet op deze overweging van de CRvB komt de rechtbank tot het oordeel dat het een verantwoordelijkheid van de gemeenteraad is om bij verordening regels te stellen en dat het niet is toegestaan deze bevoegdheid te delegeren aan verweerder. De rechtbank stelt vast dat de gemeenteraad op zichzelf wel een verordening heeft vastgesteld, waarin regels zijn opgenomen met betrekking tot de premievaststelling. De rechtbank constateert echter dat de regels die zijn opgenomen in de Verordening, reeds voorvloeien uit het bepaalde in artikel 10a, zesde lid, van de Pw. In de Verordening is niets opgenomen over de hoogte van de premie, terwijl het premiebedrag bij uitstek een aangelegenheid is, die de gemeenteraad had moeten vastleggen in de Verordening.

12. Hoewel het erop lijkt dat de gemeenteraad op 17 mei 2016 heeft ingestemd met het premiebedrag, is dit niet hetzelfde als het vaststellen van een premiebedrag bij verordening. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Artikel 10, eerste lid aanhef en onder c, sub 2, van de Verordening is onverbindend, voor zover de bevoegdheid tot het vaststellen van het premiebedrag aan verweerder is gedelegeerd. De overige beroepsgronden van eiseres behoeven geen bespreking.

13. De CRvB heeft in de hiervoor aangehaalde uitspraak de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten, omdat de onverbindende bepaling en de daarop gebaseerde nadere regels waren te beschouwen als wetsinterpreterend beleid. Het vaststellen van de maandelijkse premie kan echter niet worden gekwalificeerd als wetsinterpreterend beleid en evenmin is sprake van beleidsruimte op basis waarvan verweerder een beleidsregel over de hoogte van de premie kan vaststellen.

14. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten en ziet – gelet op de aard van het gebrek – geen andere mogelijkheid om tot een finale beslechting van het geschil te komen. Daarom volstaat de rechtbank met de opdracht aan verweerder om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, met inachtneming van deze uitspraak.

15. Omdat het beroep gegrond is, dient verweerder het door eiseres betaalde griffierecht te vergoeden.

16. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 46,00 aan eiseres dient te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.002,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.P. Jacobs, rechter, in aanwezigheid van

mr. R.C. Smeets, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 22 augustus 2018

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.