Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:7822

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
17-08-2018
Datum publicatie
20-08-2018
Zaaknummer
AWB - 18 _ 1868 en AWB_1887
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Schorsing van de evenementenvergunning afgewezen; twijfel aan de enkele formeel juridische punten en ontbreken kenbaarheid van de belangenafweging niet groot genoeg om voorlopige voorziening te treffen. Wel aanleiding om nadere voorschriften te stellen over maximaal brongeluid, geluidsmetingen en een inspanningsverplichting om de rust te handhaven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2019/3027
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB/ROE 18/1868 en 18/1887

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van

17 augustus 2018 in de zaken tussen

[9 omwonenden]

, te Maastricht, verzoekers

(gemachtigde: mr. X.P.C. Wynands),

en

De Burgemeester van de gemeente Maastricht, verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: SV Circumflex, gevestigd te Maastricht

(gemachtigde: mr. J.P.M. Bergmans).

Procesverloop

Bij besluiten van 3 augustus 2018 (de primaire besluiten) heeft verweerder aan de Studentenvereniging Circumflex (verder: vergunninghouder) een evenementenvergunning en een ontheffing ingevolge de Drank- en Horecawet verleend in verband met het evenement Lounge SV Circumflex 2018 tijdens de INKOM in de Capucijnenstraat 120 te Maastricht. Het evenement vindt plaats vanaf zondag 19 augustus 2018.

Verzoekers hebben op 13 augustus 2018 tegen die primaire besluiten een bezwaarschrift ingediend en daarbij tevens verzocht om handhavend optreden tegen met het bestemmingsplan strijdig handelen.

Verzoekers hebben verzocht om schorsing van de primaire besluiten.

Bij brief van 16 augustus 2018 hebben verzoekers beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op hun verzoek om handhaving, alsmede een verzoek om voorlopige voorziening ingediend ten aanzien van het niet tijdig beslissen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 augustus 2018. Van verzoekers zijn

[3 omwonenden] verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.C.W. Ploum, mr. R.G.A. Starren, J. Peters en ing. G.P.E.M. van den Hove (geluidsdeskundige van het RUD ZL).

Voor vergunninghouder zijn [naam 1] [naam 2] en [naam 3] verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- treft een voorlopige voorziening in die zin dat aan de verleende evenementenvergunning de volgende voorschriften worden verbonden:

- voor het mechanisch ten gehore brengen van muziek geldt een maximum van 80 dB(A) te meten op 3 meter van de bron;

- verweerder zorgt voor continue en incidentele/handmatige geluidsmetingen;

- vergunninghouder heeft een inspanningsverplichting om binnen het kader van de verleende evenementenvergunning voldoende toezicht te houden op het handhaven van de rust in de onmiddellijke omgeving van het verenigingsgebouw;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170,- aan verzoekers te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van

€ 1.002,-.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Tot het treffen van een voorlopige voorziening zal in het algemeen slechts aanleiding bestaan, indien op grond van de beschikbare gegevens moet worden geoordeeld dat zonder die voorziening het voor de indiener van een verzoek uit een besluit voortkomend nadeel onevenredig is in verhouding tot het met dat besluit te dienen belang. Daarbij gaat het om een afweging van de belangen van de indiener van het verzoek bij een onverwijlde voorziening tegen de belangen die zijn gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit. Voor zover deze toetsing een beoordeling van de hoofdzaak meebrengt, is dat oordeel voorlopig van aard en niet bindend in de bodemprocedure.

2. Verzoekers hebben naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter een aantal terechte juridische punten naar voren gebracht die in het kader van de beslissing op bezwaar tegen de evenementenvergunning moeten worden uitgezocht en nader gemotiveerd, maar dat leidt, mede in aanmerking genomen de door verweerder ter zitting gegeven toelichting, niet tot de conclusie dat de verleende evenementenvergunning pertinent onrechtmatig is. Daarin ziet de voorzieningenrechter dan ook geen grond om de vergunning te schorsen.

3. Uit het bestreden besluit blijkt niet kenbaar van de door verweerder gemaakte belangenafweging bij de vergunningverlening. Ter zitting heeft verweerder meer inzicht daarin gegeven. Tegen de achtergrond van het feit dat het evenement over een paar dagen, en voor de duur van een paar dagen, staat gepland, acht de voorzieningenrechter de belangen aan de zijde van vergunninghouder en van verweerder die pleiten tegen het treffen van een voorlopige voorziening zodanig dat in de motiveringsgebreken van het bestreden besluit onvoldoende aanleiding is gezien om de evenementenvergunning te schorsen.

4. Gelet op de voorgeschiedenis tussen partijen had het echter in de rede gelegen om in vergunningvoorschriften de benodigde duidelijkheid te verschaffen over het gebruik van de evenementenvergunning en de wijze waarop hetgeen vergund is wordt gehandhaafd. Voor het ten gehore brengen van (mechanische) muziek heeft verweerder aan de vergunning als voorschrift verbonden dat vergunninghouder gebonden is aan de voorschriften zoals nader beschreven in artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding daaraan iets te veranderen, maar voegt er wel aan toe dat voor het brongeluid een norm wordt opgelegd van 80 dB(A), te meten op 3 meter afstand van de bron. Volgens de ter zitting door de deskundige gegeven uitleg is daarmee toepassing gegeven aan de strengste (nachtelijk) norm uit het Activiteitenbesluit zodat daarmee een veilige grens is geboden voor rust voor de omwonenden.

Verder verbindt de voorzieningenrechter aan de verleende vergunning het voorschrift dat continue en incidentele, handmatige geluidsmetingen worden verricht op de wijze zoals door de deskundige ter zitting voorgesteld en op punten door de deskundige met een degelijk plan te bepalen.

De evenementenvergunning is verleend voor, voor zover het betreft het eigenlijke evenement, zondag 19 augustus tot en met vrijdag 24 augustus 2018; voor de zondag van 16.00 tot 21.00 uur en de overige dagen van 10.00 tot 21.00 uur. De voorzieningenrechter ziet onvoldoende aanleiding om af te wijken van die dagbepaling en de vergunde tijdsduur per dag omdat naar voorlopig oordeel ook daarmee aan de belangen van omwonenden voldoende is tegemoetgekomen.

Tot slot ziet de voorzieningenrechter aanleiding om aan vergunninghouder de inspanningsverplichting op te leggen van voldoende toezicht op het handhaven van de rust in de onmiddellijke omgeving van het verenigingsgebouw: in de Capucijnenstraat direct grenzend aan de toegang tot het verenigingsgebouw en tot het evenemententerrein, alsmede in het zogeheten ‘SAS’. Dat betekent dat vergunninghouder toeziet op samenscholing, alcoholgebruik buiten het evenemententerrein voorkomt en deelnemers aan het evenement maant tot rustig gedrag buiten het evenemententerrein.

5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat aan de verleende vergunning nadere voorschriften worden verbonden.

Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekers het door hen betaalde griffierecht vergoedt. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder verder in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting) met een waarde per punt van € 501,-en een wegingsfactor 1).

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.P. Jacobs, rechter, in aanwezigheid van J.N. Buddeke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 augustus 2018.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 17 augustus 2018

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.