Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:772

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
24-01-2018
Datum publicatie
09-02-2018
Zaaknummer
C/03/215022 / HA ZA 15-741
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdeling nalatenschap. Terugkomen op bindende eindbeslissing? Beoordeling eiswijziging. Eventueel wederrechtelijk onttrokken gelden door gevolmachtigde (volgens eiser ongeveer € 30.000,-) kan ihkv de verdeling alleen verrekend worden met diens erfdeel (ongeveer € 400,-). Artikel 3:184 BW en/of artikel 4:228 BW. Bewijsopdracht. Tussenvonnis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2019/59
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer: C/03/215022 / HA ZA 15-741

Vonnis van 24 januari 2018

in de zaak van

[eiser] ,

wonend te [woonplaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. J.W.H. Kempen;

tegen:

1 [gedaagde sub 1] ,

wonend te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. J.L.E. Marchal;

2 [gedaagde sub 2] ,

wonend te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

niet verschenen;

3 [gedaagde sub 3] ,

wonend te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. F.L.J. van Vloten;

4 [gedaagde sub 4] ,

wonend te [woonplaats 3] ,

gedaagde,

advocaat mr. J.M.P. Schobbers-Deinum.

Partijen zullen hierna [eiser] , [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] genoemd worden.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 16 augustus 2018;

  • -

    het rolbericht van 30 augustus 2017 van [eiser] .

1.2.

Ten slotte is wederom vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

In haar tussenvonnis van 10 mei 2017 heeft de rechtbank [eiser] in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag of hij zijn standpunt wat betreft het volgens hem door [gedaagde sub 1] aan de nalatenschap verschuldigde bedrag van € 49.391,05 handhaaft en, zo ja, om zich uit te laten over de vraag op welk moment de eerste volgens hem onrechtmatige transactie door [gedaagde sub 1] is verricht en over de vraag op welke datum vader is opgenomen op de gesloten afdeling van zorgcentrum De Wilgenhof in Bunde. [gedaagde sub 1] is in de gelegenheid gesteld om te reageren op hetgeen [eiser] bij akte daarop zal antwoorden.

2.2.

[eiser] heeft bij akte als volgt geantwoord. [eiser] handhaaft zijn standpunt dat het volgens hem door [gedaagde sub 1] aan de nalatenschap verschuldigde € 49.391,05 bedraagt. Verder heeft [eiser] als antwoord op de gestelde vragen aangevoerd dat de opname van vader is geschied op 16 maart 2012, terwijl op 9 maart 2012 al gewenst werd geoordeeld dat vader werd opgenomen. Het door [gedaagde sub 1] aan de nalatenschap verschuldigde bedrag wordt door [eiser] in de akte beperkt tot € 31.642,21. Ten aanzien van de vraag op welk moment de eerste volgens hem onrechtmatige transactie door [gedaagde sub 1] is verricht, heeft [eiser] zich niet concreet uitgelaten.

2.3.

[gedaagde sub 1] heeft in zijn antwoordakte gesteld dat vader blijkens de door [eiser] overgelegde correspondentie pas in maart 2013 is opgenomen op de gesloten afdeling Sonne.

2.4.

Bij tussenvonnis van 16 augustus 2017 heeft de rechtbank de zaak naar de rol van 30 augustus 2017 verwezen, teneinde [eiser] in de gelegenheid te stellen een eiswijziging aan [gedaagde sub 2] te doen betekenen en het exploot daarvan in het geding te brengen. Ten slotte is [gedaagde sub 2] in de gelegenheid gesteld om uiterlijk op 27 september 2017 bij akte op de bedoelde eiswijziging te reageren, met dien verstande dat de rechtbank [gedaagde sub 2] heeft gewezen op het feit dat die reactie door een advocaat zou moeten worden ingediend.

2.5.

Bij rolbericht van 30 augustus 2017 heeft [eiser] het exploot van de betekening van de eiswijziging in het geding gebracht. [gedaagde sub 2] heeft niet gereageerd op de eiswijziging.

2.6.

Allereerst dient de rechtbank te beslissen op de eiswijziging van [eiser] bij akte van 24 mei 2016. [eiser] heeft zijn eis in die zin gewijzigd dat hij primair alleen de verdeling van de nalatenschap van vader vordert, alsmede vaststelling van de wijze van verdeling daarvan op de voet van artikel 3:185 BW. [eiser] stelt zich in die akte op het standpunt dat [gedaagde sub 1] zich een bedrag van € 31.642,21 onrechtmatig heeft toegeëigend. Tot dat bedrag beperkt [eiser] zijn vordering tot schadevergoeding jegens [gedaagde sub 1] wegens de onrechtmatige toeëigening.

2.7.

[eiser] stelt zich thans op het standpunt dat de nalatenschap van vader € 31.642,21 bedroeg. In navolging van het gerechtshof Den Haag in haar arrest van 24 mei 2016 (ECLI:NL:GHDHA:2016:1575) vordert [eiser] dat [gedaagde sub 1] wordt veroordeeld tot terugbetaling ten behoeve van de gezamenlijke erven aan de nalatenschap van vader van een bedrag van € 31.642,21, te vermeerderen met de wettelijke rente. [eiser] vordert voorts dat de nalatenschap van vader als volgt wordt verdeeld:

  • -

    aan [eiser] dient te worden toegedeeld een bedrag van € 10.547,40, te vermeerderen met een derde deel van de door [gedaagde sub 1] verschuldigde rente;

  • -

    aan [gedaagde sub 1] dient te worden toegedeeld een bedrag van € 10.547,40, te vermeerderen met een derde deel van de door [gedaagde sub 1] verschuldigde rente;

  • -

    aan [gedaagde sub 3] dient te worden toegedeeld een bedrag van € 10.547,40, te vermeerderen met een derde deel van de door [gedaagde sub 1] verschuldigde rente.

[eiser] vordert ten slotte dat [gedaagde sub 1] wordt veroordeeld tot betaling van de bedragen die uit hoofde van de gevorderde verdeling aan [eiser] , [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] verschuldigd zijn.

2.8.

In zijn antwoordakte, tevens bezwaar tegen de vermeerdering van eis, dan wel wijziging van eis, heeft [gedaagde sub 1] niet alleen aangevoerd dat de eiswijziging moet worden afgewezen, maar met name heeft [gedaagde sub 1] in deze akte bezwaar gemaakt tegen diverse beslissingen van de rechtbank in haar tussenvonnis van 10 mei 2017 en verzoekt hij de rechtbank om op die beslissingen terug te komen. Eerst zal de rechtbank echter het bezwaar tegen de eiswijziging beoordelen.

2.9.

[gedaagde sub 1] stelt dat de gewijzigde eis een volstrekt andere grondslag heeft dan die opgenomen in de dagvaarding. De nieuwe grondslag vereist volgens hem een volledig nieuwe discussie. [eiser] heeft volgens [gedaagde sub 1] zijn vorderingen, wat betreft het beweerdelijk onttrekken van gelden door [gedaagde sub 1] , gebaseerd op onrechtmatig handelen van [gedaagde sub 1] jegens [eiser] . Omdat ter comparitie met zoveel woorden is erkend dat er geen verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording van [gedaagde sub 1] jegens vader bestond, is [gedaagde sub 1] op dat moment op geen enkele wijze tot in detail hoeven in te gaan op de vraag naar de eventuele dementie van vader, noch op de juridische consequenties daarvan.

2.10.

De rechtbank verwerpt het standpunt van [gedaagde sub 1] , dat de gewijzigde eis een volstrekt andere grondslag heeft dan opgenomen in de dagvaarding. In de dagvaarding heeft [eiser] gesteld dat [gedaagde sub 1] misbruik heeft gemaakt van het feit dat zijn ouders niet meer in staat waren om hun belangen waar te nemen en een totaal van € 49.391,05 heeft onttrokken aan het vermogen van de ouders, door middel van opnames, dan wel overboekingen naar zijn rekening, zij het dat hij niet een daarmee corresponderende vordering heeft ingesteld. Daaruit volgt dat [eiser] stelt dat [gedaagde sub 1] (ook) onrechtmatig heeft gehandeld jegens zijn ouders. Kennelijk stelt [eiser] zich op het standpunt dat [gedaagde sub 1] ook onrechtmatig jegens hém heeft gehandeld, doordat [gedaagde sub 1] door het beweerdelijke toeëigenen van voormeld bedrag zich het erfdeel van [eiser] heeft toegeëigend, omdat er ten tijde van het overlijden meer geld op de bankrekening van erflater zou hebben gestaan, en [eiser] dus meer zou hebben kunnen erven, indien de beweerdelijk onrechtmatige onttrekkingen van de rekening van erflater niet zou hebben plaatsgevonden. [gedaagde sub 1] heeft in zijn conclusie van antwoord al gereageerd op die beweerdelijk nieuwe grondslag die [eiser] bij zijn eiswijziging zou hebben geformuleerd. In zijn conclusie van antwoord voert [gedaagde sub 1] immers aan dat hij volstrekt rechtmatig heeft gehandeld op basis van een machtiging: alle financiële handelingen die hij heeft verricht, stelt [gedaagde sub 1] te hebben verricht in overleg met vader (erflater). [gedaagde sub 1] wordt dan ook niet in onredelijke mate benadeeld in zijn verdediging door de omstreden eiswijziging. De rechtbank zal de eiswijziging toestaan.

2.11.

Zoals hiervoor al geconstateerd, verzoekt [gedaagde sub 1] de rechtbank om terug te komen op een aantal beslissingen in het tussenvonnis van 10 mei 2017. Omdat [eiser] bij rolbericht van 11 oktober 2017 om vonnis heeft gevraagd, heeft hij kennelijk geen behoefte gevoeld om te reageren op de verzoeken van [gedaagde sub 1] in de antwoordakte van 7 juni 2017.

2.12.

De rechtbank stelt voorop dat het criterium om terug te komen op een bindende eindbeslissing is, of de eisen van een goede procesorde meebrengen dat een rechter aan wie is gebleken dat een eerder door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste feitelijke of juridische grondslag, zulks ten einde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een uitspraak zou doen.

2.13.

[gedaagde sub 1] stelt dat de rechtbank ten onrechte in 2.5.4.1. heeft overwogen dat [eiser] zou hebben gesteld dat [gedaagde sub 1] onrechtmatig heeft gehandeld zowel jegens de ouders als jegens zijn broers en zusters. Die overweging berust volgens [gedaagde sub 1] op een feitelijke, dan wel juridische misslag. Bij dagvaarding heeft [eiser] immers volgens [gedaagde sub 1] gesteld dat de handelwijze van [gedaagde sub 1] nietig is jegens [eiser] op grond van het bepaalde in artikel 3:195 BW, omdat [eiser] niet bij de verdeling is betrokken, althans dat [eiser] schadeplichtig is jegens [gedaagde sub 1] (de rechtbank merkt op dat [eiser] bedoeld zal hebben te stellen dat [gedaagde sub 1] schadeplichtig is jegens [eiser] ) ook al omdat [gedaagde sub 1] zich het erfdeel van [eiser] heeft toegeëigend. Uit die stelling in de dagvaarding volgt volgens [gedaagde sub 1] dat [eiser] niet heeft gesteld dat – de rechtbank leest verbeterd – [gedaagde sub 1] onrechtmatig gehandeld zou hebben jegens zijn ouders. [eiser] heeft ook niet een daarmee corresponderende vordering ingesteld. Volgens het proces-verbaal van de comparitie na antwoord heeft de raadsman van [gedaagde sub 1] ook gesteld dat de vorderingen van [eiser] er van uitgaan dat er een vorderingsrecht van vader was, omdat het er op neerkomt dat [gedaagde sub 1] zijn vader “besodemieterd” heeft, maar dat de dagvaarding daar niets over zegt. De raadsman van [eiser] heeft tijdens de comparitie verklaard dat [gedaagde sub 1] de zorgvuldigheidsnorm die tussen broers en zussen geldt, heeft geschonden en [gedaagde sub 1] hun vorderingsrechten illusoir heeft gemaakt. Door de verklaring van [eiser] ter comparitie, dat [gedaagde sub 1] geen verplichting had tot het afleggen van rekening en verantwoording jegens zijn vader, heeft [eiser] volgens [gedaagde sub 1] erkend dat [gedaagde sub 1] geen verplichting had en [eiser] dus enkel stelt dat tijdens het leven van vader [gedaagde sub 1] onrechtmatig gelden heeft onttrokken aan het erfdeel van [eiser] en dat [gedaagde sub 1] aldus onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] . Het is dus volgens [gedaagde sub 1] niet zo dat [eiser] in de procedure heeft gesteld dat [gedaagde sub 1] onrechtmatig heeft gehandeld jegens zijn ouders en dat hij een daarmee corresponderende vordering heeft ingesteld.

2.14.

De rechtbank wijst dit verzoek al daarom af, nu het is gebaseerd op een feitelijk onjuiste stelling. Zoals de rechtbank hierboven onder 2.7. heeft overwogen, waarnaar de rechtbank kortheidshalve verwijst, moet worden aangenomen dat [eiser] wél moet worden geacht te hebben aangevoerd dat [gedaagde sub 1] door de omstreden onttrekkingen en betalingen ten laste van erflater niet alleen onrechtmatig heeft gehandeld jegens zijn broers en zussen, maar dat hij ook onrechtmatig heeft gehandeld jegens zijn ouders. Dat [eiser] een daarmee corresponderende vordering niet heeft ingesteld, acht de rechtbank niet doorslaggevend. Kennelijk stelt [eiser] zich op het standpunt dat de waarde van de nalatenschap van erflater met een bedrag van € 59.391,05 zou moeten worden verhoogd, bestaande in de waarde van door [gedaagde sub 1] gedane onttrekkingen en betalingen van de rekening van erflater, de waarde van de inboedel, en de waarde van een munten- en postzegelverzameling, die [gedaagde sub 1] zich eveneens onrechtmatig zou hebben toegeëigend. Kennelijk heeft [eiser] bedoeld te stellen dat voormeld bedrag door [gedaagde sub 1] aan de nalatenschap moet worden vergoed en vervolgens onder de andere erfgenamen dient te worden verdeeld.

2.15.

Voorts heeft [gedaagde sub 1] gesteld dat de rechtbank moet terugkomen op haar oordeel dat in beginsel vast staat dat men niet meer compos mentis is, laat staan dat men dat elke minuut van de dag is, indien er sprake is van dementie. Kennelijk stelt [gedaagde sub 1] ook dat uit het feit dat vader op de gesloten afdeling van Zorgcentrum de Wilgenhof te Bunde is opgenomen, door de rechtbank niet voorshands mag worden aangenomen dat vader vanaf die opname niet meer compos mentis was.

2.16.

De rechtbank is van oordeel dat het verzoek om op het omstreden oordeel terug te komen al daarom moet worden afgewezen, omdat [gedaagde sub 1] niet voldoende heeft onderbouwd waarom de omstreden beslissing berust op een feitelijke of juridische misslag. [gedaagde sub 1] stelt immers zelf, met een beroep op inhoud van de website van de Hersenstichting, dat dementie een verzamelnaam is voor verschillende hersenziekten, welke echter kennelijk als gemeenschappelijk kenmerk hebben dat de verstandelijke vermogens achteruit gaan. Uit het achteruitgaan van de verstandelijke vermogens van erflater, te meer nu deze kennelijk van een dusdanige ernst is dat deze aanleiding heeft gegeven tot een opname op een gesloten afdeling, kan wel degelijk voorshands bewezen worden geacht dat erflater niet meer compos mentis was. Het is dan aan [gedaagde sub 1] om deze voorshands bewezen geachte stelling te ontzenuwen, zoals reeds overwogen in r.o. 2.5.4.11. van het tussenvonnis van 10 mei 2017. De rechtbank zal dit tegenbewijs aan [gedaagde sub 1] opdragen.

2.17.

[gedaagde sub 1] heeft voorts gesteld dat hij al sedert 2002 een volmacht had van zijn vader, die tot de dood van vader is blijven bestaan, zonder dat vader ooit bezwaren heeft geuit. Wanneer de volmachtgever niet meer in staat is om de handelingen van de gevolmachtigde te overzien en voor zijn belangen op te komen, dan kan volgens [gedaagde sub 1] niet worden gesteld dat er is gehandeld zonder toestemming. Hoogstens leidt dit tot een verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording. Nimmer kan dat er volgens [gedaagde sub 1] toe leiden dat elke handeling geacht moet worden zonder toestemming te zijn verricht. Dat zou volgens [gedaagde sub 1] immers neerkomen op het ontbreken van een (rechtsgeldige) volmacht, zulks terwijl volgens de wettelijke bepalingen een volmacht slechts zijn geldigheid verliest bij ondercuratelestelling, waarvan in casu geen sprake is geweest. Ook op dit oordeel moet de rechtbank volgens [gedaagde sub 1] terugkomen als feitelijk, dan wel juridisch onjuist.

2.18.

De rechtbank oordeelt dat dat voorgaande berust op een verkeerde lezing van het tussenvonnis van 10 mei 2017. De rechtbank heeft immers niet geoordeeld dat, als vader niet meer compos mentis was, de volmacht vanaf dat moment zijn geldigheid heeft verloren. De rechtbank heeft onder r.o. 2.5.4.6. geoordeeld dat gelet op het bestaan van de machtiging uitgegaan moet worden dat [gedaagde sub 1] toestemming had voor de door hem uitgevoerde transacties, tenzij vast komt te staan dat transacties zónder toestemming van de ouders/vader zouden zijn verricht. Wat de rechtbank hier heeft bedoeld is dat als vader niet meer compos mentis was, er niet zonder meer vanuit kan worden gegaan dat het voortbestaan van de volmacht toestemming inhoudt, bijvoorbeeld als het uitgavenpatroon sindsdien niet past binnen het uitgavenpatroon van vader voordien.

2.19.

Wat [gedaagde sub 1] overigens heeft aangevoerd, is niet aangevoerd in het kader van de onderbouwing van het verzet tegen de wijziging van de eis, noch ter onderbouwing van het verzoek om terug te komen op een beslissing in het tussenvonnis van 10 mei 2017. Het overigens aangevoerde zal de rechtbank betrekken bij haar oordeel ten gronde.

2.20.

[gedaagde sub 1] heeft gesteld dat [eiser] ter comparitie heeft erkend, hetgeen door [gedaagde sub 1] ook ter comparitie was verklaard, dat [gedaagde sub 1] geen rekening en verantwoording was verschuldigd aan vader. Daaruit volgt volgens [gedaagde sub 1] dat de omstreden vermeerderde eis – gebaseerd op de stelling dat [gedaagde sub 1] ook onrechtmatig zou hebben gehandeld jegens vader – gedekt is.

2.21.

Deze stelling moet worden verworpen. Afgezien van de vraag of [eiser] heeft bedoeld te stellen/erkennen dat [gedaagde sub 1] ook geen rekening- en verantwoordingsplicht heeft jegens de erfgenamen, kan, ook indien [eiser] zou hebben gesteld/erkend dat [gedaagde sub 1] geen rekening en verantwoording is verschuldigd aan vader, hieruit niet volgen dat [gedaagde sub 1] niet onrechtmatig jegens vader kan hebben gehandeld.

2.22.

Daarnaast heeft [gedaagde sub 1] gesteld dat, nadat de rechtbank heeft vastgesteld dat [eiser] alleen een vordering tegen hem als deelgenoot had ingesteld, en deze niet toelaatbaar heeft geoordeeld, de rechtbank uitdrukkelijk heeft geoordeeld dat een eventuele schuld van [gedaagde sub 1] aan de nalatenschap alleen nog een rol zou kunnen spelen op grond van toepassing van artikel 3:184 BW. Voorts wijst [gedaagde sub 1] op het feit dat de rechtbank vervolgens uitdrukkelijk heeft overwogen dat voor zover de schuld van [gedaagde sub 1] aan de nalatenschap zijn erfdeel te boven gaat (ongeveer € 400,--), deze niet in de verdeling in de verdeling kan worden betrokken.

2.23.

Op grond van de gewijzigde eis dient thans ook te worden geoordeeld over de vraag of [gedaagde sub 1] kan worden veroordeeld om de beweerdelijk door hem toegeëigende geldbedragen te vergoeden aan de nalatenschap van vader.

2.24.

Met een beroep op het arrest van het gerechtshof Den Haag van 24 mei 2016 (ECLI:NL:GHDHA:2016:1575) betoogt [eiser] dat [gedaagde sub 1] hiertoe kan worden veroordeeld. Het arrest van het gerechtshof is echter niet te verenigen met het arrest van de Hoge Raad van 8 september 2000 (ECLI:NL:HR:2000:AA7043). [eiser] heeft ook niet onderbouwd waarom zou moeten afgeweken van het arrest van de Hoge Raad. Het gerechtshof overweegt ook niet dat en waarom zou moeten worden afgeweken van het arrest van de Hoge Raad. De rechtbank ziet geen aanleiding om [eiser] te volgen in zijn standpunt en af te wijken van de door de Hoge Raad in voormeld arrest neergelegde rechtsregel. De rechtbank wijst ten slotte op het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 maart 2015 (ECLI:NL:GHARL:2015:2126), waarin in een gelijkaardige zaak als de onderhavige uitdrukkelijk onder verwijzing naar voormeld arrest van de Hoge Raad werd geoordeeld dat een deelgenoot niet op vordering van een andere deelgenoot kon worden veroordeeld om een bedrag in de nalatenschap in te brengen dat laatstbedoelde deelgenoot aan de erflater verschuldigd was.

2.25.

De rechtbank ziet, ondanks de gewijzigde eis, dan ook geen aanleiding om terug te komen op hetgeen zij heeft overwogen in 2.5.4.4., 2.5.4.5., 2.5.4.7. en 2.5.4.14 van het tussenvonnis. Dit betekent dus dat zelfs als na bewijslevering vast staat dat [gedaagde sub 1] zonder toestemming € 31.642,21 heeft onttrokken van de rekeningen van vader, er niet meer dan het erfdeel (ongeveer € 400,--) kan worden meegenomen, nu de vordering van [eiser] een verdelingsvordering betreft.

2.26.

De rechtbank zal partijen thans toelaten tot het leveren van bewijs zoals in het tussenvonnis van 10 mei 2017 reeds was aangekondigd in 2.5.4.9., 2.5.4.10. en 2.5.4.10. In het kader van de bewijslevering is nog van belang dat vast komt te staan vanaf wanneer vader was opgenomen in zorgcentrum De Wilgenhof. Uit de door [eiser] bij akte in geding gebrachte stukken volgt dat vader op 16 maart 2013 is opgenomen in de Wilgenhof, en niet op 16 maart 2012, zoals [eiser] in zijn akte – wellicht abusievelijk – heeft gesteld.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

laat [eiser] toe te bewijzen:

  • -

    dat de ouders vanaf het moment waarop de eerste opname van € 5.000,-- is gedaan niet meer in staat waren hun belangen behoorlijk waar te nemen;

  • -

    dat moeder vanaf dat moment tot aan haar overlijden op 10 september 2012 niet meer in staat was haar belangen behoorlijk waar te nemen;

  • -

    dat vader vanaf het moment waarop de eerste onrechtmatige opname heeft plaatsgevonden tot aan zijn opname in zorgcentrum De Wilgenhof niet meer compos mentis was;

3.2.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 7 februari 2018 voor akte aan de zijde van [eiser] waarin hij zich zal uitlaten over de vraag:

  • -

    of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel;

  • -

    op welke datum vader is opgenomen in zorgcentrum De Wilgenhof;

3.3.

bepaalt dat [eiser] , indien hij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moeten brengen;

3.4.

bepaalt dat [eiser] , indien hij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden maart tot en met mei 2018 direct moeten opgeven, waarna dag en uur van de getuigenverhoren zullen worden bepaald;

3.5.

bepaalt dat de getuigenverhoren zullen plaatsvinden op de terechtzitting van mr. G.M. Drenth in het gerechtsgebouw te Maastricht aan St. Annadal 1;

3.6.

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen;

3.7.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.M. Drenth, rechter, en in het openbaar uitgesproken.1

1 type: MT