Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:7602

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
10-08-2018
Datum publicatie
20-08-2018
Zaaknummer
7081006 CV 18-4457
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Werknemer vordert in kort geding nakoming van een vaststellingsovereenkomst, in dit geval loon en een aantal aanverwante nevenvorderingen. Het gemotiveerde beroep op verrekening door de werkgever is door werknemer onvoldoende betwist, zodat een voor werknemer gunstige uitkomst in een eventuele bodemprocedure onvoldoende aannemelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0987
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Burgerlijk recht

Zaaknummer 7081006 CV EXPL 18-4457

Vonnis in kort geding van 10 augustus 2018

in de zaak van

[eiser in conventie, verweerder in reconventie] ,

wonend te [woonplaats] aan de [adres] ,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

gemachtigde mr. C.M. de Wijs

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid LWM Riooltechniek B.V.,

gevestigd te Maastricht aan de Slagmolen nr. 2

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

gemachtigde mr. J.H.E. Lemmens.

Partijen zullen hierna [eiser in conventie, verweerder in reconventie] en LWM genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het exploot van dagvaarding d.d. 26 juli 2018

  • -

    de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie

  • -

    de mondelinge behandeling ter zitting d.d. 6 augustus 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser in conventie, verweerder in reconventie] is met ingang van 1 januari 2015 krachtens arbeidsovereenkomst in dienst van LWM getreden in de functie van bedrijfsleider. Volgens de arbeidsovereenkomst (productie 2 bij exploot) bedroeg het loon bij indiensttreding € 3.100,00 bruto per maand (volgens de loonspecificatie over maart 2018 € 3.227,10), gebaseerd op een dienstverband van gemiddeld 38 uren per week.

2.2.

Op 26 april 2018 hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten (productie 3 bij exploot) ter beëindiging van het dienstverband per 1 juni 2018 en met inachtneming van een opzegtermijn van één maand (artikelen 1 en 2 van die overeenkomst).

2.3.

Art. 3 van genoemde vaststellingsovereenkomst luidt:

“Werknemer is tot de einddatum van de arbeidsovereenkomst volledig vrijgesteld van werkzaamheden. Opgebouwde en niet genoten vakantiedagen worden geacht bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst te zijn opgenomen. Voor zover er bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst nog dagen/uren niet zijn opgenomen, zullen deze worden uitbetaald.”

2.4.

Op de salarisspecificatie van april 2018 (productie 1 bij exploot), door LWM ter zitting als de eindafrekening aangemerkt, staan onder meer de navolgende onderdelen vermeld:

“Salaris april 2018 € 2.532,03

442,4 verlofuren ivm eindafrekening € 6.587,34

Uitbetaling vakantiegeldreservering € 2.784,28

€ 11.903,65

Inhoudingen:

Loonheffing met loonheffingskorting € 588,-

Loonheffing bijzonder tarief € 4.604,27

10,46 % Ouderdomspensioen € 189,10

0,3795% W.I.A. verzekering € 10,37

0,52% W.G.A. € 41,95

€ 5.433,69 -/-

Inhoudingen prive tanken € 2.207,87 -/-

Netto salaris met loonheffingskorting € 4.262,09”.

3 De vorderingen en het geschil

in conventie

3.1.

[eiser in conventie, verweerder in reconventie] vordert de veroordeling van LWM tot betaling van:

  1. het achterstallig loon over april 2018 (€ 750,61) en mei 2018 (€ 3.485,27) bruto inclusief vakantiegeld, derhalve in totaal € 4.235,88;

  2. de achterstallige overwerkuren, in totaal € 442,4, ad € 8.671,04 bruto onder aftrek van het reeds betaalde bedrag van € 6.587,34 bruto, derhalve € 2.083,70;

  3. de wettelijke verhoging over de onder 1. en 2. gevorderde bedragen;

  4. een vergoeding van buitengerechtelijke kosten ad € 947,93;

  5. de proceskosten.

3.2.

[eiser in conventie, verweerder in reconventie] beroept zich erop dat zijn uurloon € 19,60 bruto is, zoals vermeld op de salarisspecificatie van april 2018. Daarom staan zijn overuren gelijk aan € 8.671,04 bruto, zodat LWM hem op dit aspect nog € 2.083,70 verschuldigd is.

3.3.

LWM heeft gemotiveerd verweer gevoerd, waarop hierna zal worden ingegaan.

in reconventie

3.4.

LWM vordert de veroordeling van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] tot betaling van een netto-equivalent van

€ 1.643,72 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van voldoening, alsmede tot betaling van een vergoeding van buitengerechtelijke kosten met rente, onder verwijzing van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] in de proceskosten.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de zaak (loonvordering).

4.2.

Om een voorziening te kunnen treffen zoals gevorderd, dient te worden beoordeeld of het aannemelijk is dat de rechter in een aanhangig te maken bodemprocedure een met de gevraagde voorziening overeenstemmende vordering zal toewijzen. Die beoordeling geschiedt op basis van hetgeen in deze korte procedure naar voren is gebracht en aannemelijk is gemaakt.

4.3.

Volgens LWM is het bruto uurloon van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] niet € 19,60, zoals op de laatste loonspecificatie vermeld staat, maar slechts € 14,89 bruto. Op de loonspecificaties wordt vanaf juni 2016 weliswaar inderdaad een bruto-uurloon vermeld van € 19,60, maar dat komt door een software- update en geeft niet het daadwerkelijke uurloon weer. Voorheen stond daar altijd een bedrag van € 14,89 dan wel € 14,77 (productie 7 bij antwoord).

Het bedrag van € 6.587,34 zoals vermeld op de eindafrekening (zie onder 2.4.) bestaat dus uit 442,4 verlofuren x € 14,89. [eiser in conventie, verweerder in reconventie] weet dit ook, aldus LWM.

4.4.

Ter zitting heeft LWM aangevoerd dat van nog gereserveerde overwerkuren überhaupt geen sprake is. Voor zover [eiser in conventie, verweerder in reconventie] buiten zijn reguliere werktijden om werkzaamheden verricht heeft, bestonden die uit het ‘sleutelen’ aan auto’s en niet uit werkzaamheden in het kader van zijn functie als bedrijfsleider, en zijn die werkzaamheden altijd meteen in dezelfde maand uitbetaald. Ook dit is bij [eiser in conventie, verweerder in reconventie] bekend. Dat er in de onderlinge correspondentie ook door LWM een paar keer is gesproken over overwerkuren, berust op een vergissing. Op de eindafrekening staat (wel) correct vermeld dat het om verlofuren gaat, niet om overwerkuren, zij het dat het aantal niet klopt.

4.5.

LWM stelt zich namelijk op het standpunt dat zij zich op dit punt vergist heeft. [eiser in conventie, verweerder in reconventie] had slechts 47,5 (in plaats van 442,4) verlofuren tegoed, derhalve een bedrag van

€ 707,27 bruto. Er was weliswaar een tegoed aan verlofuren van 442,4, doch er is geen rekening gehouden met de verlofopname die heeft plaatsgevonden in het kader van de beëindiging van de arbeidsrelatie, aldus LWM. Daartoe dienden conform de vaststellingsovereenkomst eigenlijk 172 verlofuren over april en mei 2018 in mindering te worden gebracht. Bovendien is geen rekening gehouden met het vervallen van wettelijke verlofdagen. Na aftrek van alle vervallen verlofuren, resteren nog slechts 47,5 verlofuren. Het verschil tussen hetgeen is uitbetaald (€ 6.587,34) en waar [eiser in conventie, verweerder in reconventie] recht op had aan verlofuren (€ 707,27), is € 5.879,59 bruto.

4.6.

LWM erkent dat zij het loon over april 2018 slechts deels heeft betaald en het loon over mei 2018 helemaal niet, en rekent voor dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] daarom nog € 4.943,62 bruto van haar tegoed zou hebben (hoewel de optelling van de door haar erkende bedragen van € 3.485,27 en € 750,60 op een lager bedrag uitkomt: waar het verschil uit bestaat blijft onduidelijk).

4.7.

LWM beroept zich op een recht van verrekening met het bedrag van € 5.879,59 bruto dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] haar verschuldigd is (en zijn vordert het verschil in reconventie van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] ).

4.8.

Voornoemd verrekenings-verweer is door [eiser in conventie, verweerder in reconventie] ter zitting eigenlijk nauwelijks maar in ieder geval veel te weinig concreet betwist doordat hij zich in feite beperkt tot het verwijzen naar de tekst van de vaststellingsovereenkomst, die in zijn optiek zijn vordering ondersteunt. Mede in het licht van het onderliggende verwijt van LWM aan het adres van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] , inhoudende dat zij voornemens was om [eiser in conventie, verweerder in reconventie] op staande voet te ontslaan vanwege het oneigenlijke gebruik van een tankpas die [eiser in conventie, verweerder in reconventie] voor privédoeleinden heeft gebruikt - hetgeen door [eiser in conventie, verweerder in reconventie] in deze procedure niet is weersproken -, komt het verweer van LWM aangaande het verrekenen van verlofuren met de nog resterende loonaanspraak tot einde arbeidsovereenkomst zeker niet op voorhand ongeloofwaardig over. Dit laatste geldt ook voor de overige aspecten van het verweer. Dat LWM in plaats van vast te houden aan een ontslag op staande voet heeft gekozen voor een vaststellingsovereenkomst, had te maken met de familiaire band tussen haar directeur en [eiser in conventie, verweerder in reconventie] , aldus LWM. Weliswaar is een en ander door LWM op onhandige wijze (zacht uitgedrukt) tot uitdrukking gebracht in de correspondentie, vaststellingsovereenkomst en overige stukken, doch gelet op het concrete en grotendeels onweersproken gebleven verweer is de onder 4.2. genoemde aannemelijkheid van een voor [eiser in conventie, verweerder in reconventie] gunstige uitkomst van een bodemprocedure niet aanwezig. De gevorderde voorziening zal daarom worden afgewezen.

4.9.

[eiser in conventie, verweerder in reconventie] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van LWM tot de datum van dit vonnis begroot op € 600,00 aan salaris gemachtigde.

in reconventie

4.10.

Ter zitting heeft LWM desgevraagd te kennen gegeven geen spoedeisend belang te hebben bij haar vordering, zodat die zal worden afgewezen.

4.11.

De kantonrechter ziet aanleiding de proceskosten te compenseren in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De kantonrechter

in conventie

5.1.

wijst de vordering af,

5.2.

veroordeelt [eiser in conventie, verweerder in reconventie] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van LWM tot de datum van dit vonnis begroot op € 600,00,

5.3.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

5.4.

wijst de vordering af,

5.5.

compenseert de proceskosten in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J. Otto en is in het openbaar uitgesproken. RK