Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:7524

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
02-08-2018
Datum publicatie
22-08-2018
Zaaknummer
C/03/252745 / KG ZA 18-396
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Nakoming omgangsregeling? Opschorting omgang door moeder op advies Veilig Thuis ongegrond, vader belandt door opstelling moeder en Veilig Thuis in een Kafkaiaanse situatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2018-0210
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Familie en jeugd

Datum uitspraak: 2 augustus 2018

Zaaknummer: C/03/252745 / KG ZA 18-396

De voorzieningenrechter, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende kort gedingvonnis gewezen

inzake

[eiser] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
eiser, nader te noemen de man,
advocaat mr. I. Wudka, gevestigd te Maastricht;

tegen:


[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde, nader te noemen de vrouw,
advocaat mr. Y.G.M.J. Breukers, gevestigd te Roermond.

1 Het verloop van de procedure

De man heeft de vrouw, gedagvaard in kort geding. Op de dienende dag, 1 augustus 2018, heeft hij gesteld en gevorderd overeenkomstig de inhoud van de dagvaarding, waarna hij zijn vordering met verwijzing naar op voorhand toegezonden producties en aan de hand van een pleitnota nader heeft doen toelichten en zijn eis heeft vermeerderd.

De vrouw heeft aan de hand van een pleitnota verweer gevoerd, daarbij eveneens verwijzend naar op voorhand toegezonden producties.

Ter zitting waren, met instemming van beide partijen aanwezig twee medewerkers van Veilig Thuis, die als informant zijn gehoord.

Partijen hebben daarna op elkaars stellingen gereageerd.

Vervolgens is het geding voor enige tijd geschorst waarna het debat op zitting is afgerond. De voorzieningenrechter heeft spoedshalve uitspraak gedaan bij verkort vonnis op 2 augustus 2018, waarvan aan partijen een grosse/afschrift is verstrekt. Ter zitting heeft de voorzieningenrechter meegedeeld dat een uitgewerkt vonnis op korte termijn (binnen 14 dagen) zal volgen.

2 De feiten

Uit het inmiddels ontbonden huwelijk van partijen is geboren de thans nog minderjarige:

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .

[minderjarige] woont bij de vrouw. [minderjarige] heeft het Syndroom van Down. De vrouw oefent het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit.

Tussen [minderjarige] en de man bestaat sinds jaar en dag een omgangsregeling waarbij [minderjarige] eens per 14 dagen een weekend bij de man verblijft. Partijen hebben voorts een vaststellingsovereenkomst gesloten waarbij zij afspraken maakten over de omgang tussen de man en [minderjarige] tijdens de vakanties. Die vaststellingsovereenkomst maakt integraal onderdeel uit van de beschikking van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 30 januari 2014. Sinds mei 2018 heeft de vrouw de contacten tussen de man en [minderjarige] op advies van Veilig Thuis stopgezet.

3 Het geschil

De man heeft op grond van het vorenstaande gevorderd bij vonnis:

“te bepalen dat de contactregeling inclusief de vakantieregeling per ommegaande, althans onmiddellijk na betekening van het ten deze te wijzen vonnis doorgang zal vinden, waarbij desnoods gebruik zal mogen worden gemaakt van de sterke arm, en dat gedaagde bij iedere dag dat zij nalaat medewerking te verlenen, enen dwangsom verbeurt van € 2.000,- per dag, dan wel een ander bedrag dat U, Edelachtbare, in goede justitie vermeent te moeten bepalen, een en ander, voor zover mogelijk, bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren uitvoerbaar.”

en

“dat het U Edelachtbare Voorzieningenrechter moge behage, dat als het petitum zoals vermeld in de inleidende dagvaarding wordt toegewezen, tevens te bepalen dat gedaagde op de eerste dag dat de omgang met [minderjarige] weer plaatsvindt aan eiser zal worden afgegeven het geldige paspoort op naam van [minderjarige] voormeld, dit op verbeurte van een dwangsom van € 50.000,- als gedaagde nalaat dat alsdan te doen.

Kosten rechtens.”

De vordering wordt door de vrouw weersproken, waartoe wordt verwezen naar de pleitnota. Zij heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot het niet ontvankelijk verklaren van de man in zijn vorderingen, dan wel deze als zijnde ongegrond en/of onbewezen af te wijzen, kosten rechtens. Hetgeen de vrouw voor zover van belang als verweer heeft aangevoerd, komt hierna aan de orde.

4 De beoordeling

De rechtbank stelt vast dat de omgang tussen de man en [minderjarige] al jaren als voormeld gelopen heeft zonder dat dit tot voor de voorzieningenrechter bekende problemen heeft geleid in de contacten tussen de man en [minderjarige] . De situatie tussen de man en de andere kinderen van partijen staat daar in deze buiten. Het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming uit 2014 waar de vrouw naar verwijst is niet meer actueel en thans dan ook niet relevant voor de beoordeling van het voorliggende geschil. Bovendien heeft het advies van de Raad voor de Kinderbescherming toen niet tot een ondertoezichtstelling van [minderjarige] geleid omdat er destijds geen zorgen over [minderjarige] waren.

De vrouw stelt ter zake het stopzetten van de contacten tussen de man en [minderjarige] - kort en zakelijk weergegeven - dat Veilig Thuis naar aanleiding van een zorgmelding door de Stichting MEE (die al jaren betrokken is bij [minderjarige] ) onderzoek doet. Deze melding bestaat uit “vermoedens van onveiligheid en zorgelijke signalen rondom opvallend seksueel getint gedrag van [minderjarige] , wat mogelijk grensoverschrijdend is” (aldus de hierna te noemen brief van Veilig Thuis van 25 juli 2018). Dit onderzoek is nog lopende en concentreert zich, volgens Veilig Thuis, op (het wegnemen van) de angst die het gezinssysteem waarin [minderjarige] verblijft ingebed is. Veilig Thuis heeft de vrouw geadviseerd om gedurende het onderzoek de omgang tussen de man en [minderjarige] niet door te laten gaan. De man heeft volgens de vrouw hieraan zijn akkoord gegeven, zodat de vorderingen van de man alleen daarom al moeten worden afgewezen, aldus de vrouw.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Uit de door partijen overgelegde stukken afkomstig van Veilig Thuis en de correspondentie met Veilig Thuis en dan met name de brief van Veilig Thuis aan de ouders van 25 juli 2018 blijkt dat de oorzaak van het gedrag en de uitlatingen van [minderjarige] ondanks onderzoek van Veilig Thuis tot nu toe onbekend is gebleven. Ter zitting heeft Veilig Thuis dit nog eens herhaald en daarbij heeft zij aangegeven dat zij het niet direct aan de man of aan wie dan ook kunnen koppelen op dit moment. De onderzoekbaarheid van [minderjarige] is, gezien haar beperkingen, beperkt en erg moeilijk. Geenszins is duidelijk of er geen sprake is van een gewone seksuele ontwikkeling van [minderjarige] of dat er een situatie is geweest waarbij iemand daarin grenzen van haar heeft overschreden. Noch Veilig Thuis, noch de vrouw is concreet geweest in de informatie waaruit de zorgen rondom [minderjarige] nu precies bestaan, zodat de man thans op basis van uitermate vage informatie de contacten met zijn dochter onthouden wordt. Het is voor de man in feite onmogelijk zich op basis van de voorliggende informatie te verweren tegen de ontstane situatie. Veilig Thuis kan desgevraagd ook niet aangeven dat de zorgen rondom [minderjarige] te maken hebben met de situatie van [minderjarige] bij de man of dat de man iets zou hebben gedaan, waardoor [minderjarige] geschaad zou kunnen zijn. De vrouw geeft eerst ter zitting aan dat het niet enkel gaat om een vermoeden van seksueel misbruik (door wie? De man?), maar ook om het gebruik van fysiek geweld. Zij geeft daarbij aan dat zij over verklaringen van derden beschikt, die aanleiding geven tot zorgen. De vrouw heeft echter, zo heeft zij aangegeven, na rijp beraad besloten deze verklaringen niet in het geding te brengen teneinde het lopende onderzoek van Veilig Thuis niet te beïnvloeden en ook om de man niet te schaden. De voorzieningenrechter kan ook met deze vage en niet concrete informatie niets en van de man kan ook niet verwacht worden dat hij zich op basis van deze ongefundeerde uitspraken hier gemotiveerd tegen verweert. In feite is de man door de opstelling van zowel Veilig Thuis als de vrouw in een welhaast Kafkaiaanse situatie belandt waarbij hij zich moet verdedigen tegen onbekende en suggestieve beschuldigingen die niet worden geconcretiseerd en die niet zijn terug te voeren op een duidelijke en hem kenbare bron.

Van de voorzieningenrechter wordt kennelijk van de zijde van de vrouw en Veilig Thuis verwacht te beslissen dat [minderjarige] voorlopig niet meer naar de man zou mogen zonder concrete aanwijzingen te hebben dat er ernstige bezwaren zijn tegen voortzetting van de al jarenlang bestaande omgang tussen [minderjarige] en de man (en zijn partner). De beschuldigingen die aan het adres van de man door zowel Veilig Thuis als de vrouw gesuggereerd worden zijn niet alleen suggestief maar ook van zeer zware aard. De rechtbank acht het onbegrijpelijk dat Veilig Thuis aan de ene kant adviseert de contacten tussen de man en [minderjarige] voorlopig stop te zetten, hetgeen een zwaarwegende impact heeft op de omgang tussen de man en [minderjarige] (nu en in de toekomst), maar aan de andere kant geen concrete informatie geeft en op de zitting deelt met de rechter en partijen en hun advocaten op basis waarvan dat mogelijk gerechtvaardigd zou kunnen zijn. De vrouw ‘verschuilt’ zich daarbij achter het advies van Veilig Thuis zonder daarbij zelf concreet te worden, terwijl het onderzoek van Veilig Thuis niet in de richting van de vader wijst en de oorzaak van het gedrag van [minderjarige] geheel onbekend is en, naar verluidt van de zijde van Veilig Thuis, zeer wel mogelijk ook niet meer te achterhalen of vast te stellen is.

De man verleent zijn volledige medewerking aan het onderzoek van Veilig Thuis en heeft in dat kader ingestemd de contacten tussen hem en zijn dochter enige tijd stil te leggen, maar heeft daarbij te kennen gegeven dat het niet zijn insteek is geweest gedurende maanden geen contact met zijn dochter te hebben, dan wel daarbij ook zijn 3 weken durende en geplande zomervakantie met [minderjarige] (tot en met 19 augustus 2018) op te geven. Het onderzoek door Veilig Thuis lijkt ook niet op korte termijn afgerond te worden, zodat de voorzieningenrechter met de man van oordeel is dat niet van hem gevergd kan worden dit af te wachten. Daarbij heeft de man bovendien Veilig Thuis laten weten er geen bezwaar tegen te hebben dat Veilig Thuis de contacten tussen hem en [minderjarige] komt observeren en dat hij bereid is hulpverlening via een traumacentrum in te zetten. Ter zitting heeft Veilig Thuis bovendien op vraag van de voorzieningenrechter laten weten dat indien de voorzieningenrechter besluit dat de omgangsregeling moet worden nagekomen dat dit in verband met het lopende onderzoek niet handig, maar ook niet onmogelijk is. Dit sluit derhalve het doorbrengen van de vakantie van de man met [minderjarige] niet uit.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ziet de voorzieningenrechter geen enkele aanleiding laat staan ernstige bezwaren om de man de omgang met [minderjarige] te onthouden en daarom zal de vordering van de man tot nakoming van de omgangsregeling worden toegewezen. De vordering van de man aan de nakoming ervan een dwangsom te verbinden wijst de voorzieningenrechter af, nu de vrouw ter zitting ondubbelzinnig heeft aangegeven dat zij het vonnis zal respecteren en naleven, zodat voor een dwangsom geen plaats is. Dit geldt eveneens voor de vordering met betrekking tot de afgifte van het paspoort van [minderjarige] . De vrouw heeft onweersproken gesteld dat dit door een misverstand in het verleden eenmalig niet met [minderjarige] is meegegaan, maar dat dit vanzelfsprekend zal worden meegeven bij een vakantie van [minderjarige] .

De voorzieningenrechter merkt op dat de man ter zitting heeft laten weten af te zien van het horen van [minderjarige] , zodat de voorzieningenrechter geen beslissing meer hoeft te nemen over het al dan niet horen van [minderjarige] .

Nu partijen gewezen echtgenoten van elkaar zijn, zal de voorzieningenrechter de proceskosten tussen partijen compenseren, in die zin dat ieder zijn/haar eigen proceskosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

1. veroordeelt de vrouw tot nakoming van de omgangsregeling inclusief de vakantieregeling tussen [minderjarige] en de man vanaf donderdag 2 augustus 2018 14.00 uur;

2. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3. compenseert de kosten van deze procedure aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

4. wijst af de meer of anders gevorderde voorzieningen.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.H.J. Frénay, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier en schriftelijk vastgelegd op 7 augustus 2018.

KV