Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2018:7350

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
01-08-2018
Datum publicatie
01-08-2018
Zaaknummer
03-213557-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verduistering door penningmeester. Geen persoonlijke dienstbetrekking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/213557-15

Verstek

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 1 augustus 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens verdachte] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] .

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is aanvankelijk aangebracht op de terechtzitting van de politierechter van

6 september 2017. Tijdens deze zitting, waarbij verdachte niet is verschenen en tegen hem verstek is verleend, is het onderzoek geschorst en is de zaak verwezen naar de meervoudige kamer voor strafzaken.

De zaak is door deze meervoudige kamer inhoudelijk behandeld op de zitting van 18 juli 2018. Ook tijdens die zitting is verdachte niet verschenen. De officier van justitie heeft zijn standpunt kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte (verder ook: [verdachte] ) als penningmeester vanaf 1 augustus 2012 tot en met 12 juni 2014 te Maastricht ongeveer € 7.854,67 van Stichting [benadeelde partij] heeft verduisterd.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, op basis van de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen en de door verdachte tegenover de politie afgelegde verklaring.

3.2

Het oordeel van de rechtbank 1

De toenmalige voorzitter van Stichting [benadeelde partij] (verder te noemen: de stichting), [persoon 1] , heeft op 7 augustus 2014 aangifte2 van verduistering door verdachte gedaan. De voorzitter heeft bij de aangifte het volgende verklaard. [verdachte] , [geboortegegevens verdachte] te Maastricht was vanaf

13 augustus 2011 tot en met 11 juni 2014 secretaris en penningmeester van de stichting. Op een gegeven moment benaderden deurwaarders en incasso’s de stichting en werd de stroom afgesloten, reden waarom de gemeente en mensen van het buurtplatform werden gevraagd de financiën van de stichting te bekijken. Hiervoor hadden zij inzage nodig in de administratie. Een deel van de administratie was volgens [verdachte] (tezamen met de digipas van de bank en contant geld) op 3 april 2014 gestolen. De administratie die [verdachte] naar eigen zeggen wel nog in bezit had, heeft hij overgedragen.

[verdachte] heeft, volgens de voorzitter in diens aangifte, geld van de stichting voor privédoeleinden gebruikt. Door [verdachte] is in België gepind met de pinpas van de stichting. [verdachte] was toen de enige persoon die de gebruikte pinpas met pincode in zijn bezit had. Hij had geen toestemming van het bestuur voor het opnemen van deze bedragen. Er is door hem € 57,-- gepind bij de Bijenkorf. Ook is door een autobedrijf € 387,-- van de bankrekening van de stichting afgeschreven, terwijl de stichting geen auto heeft. Uit het onderzoek blijkt verder dat [verdachte] zijn eigen auto heeft laten repareren en de rekening betaald heeft met geld van de stichting. Hij heeft ook zijn twee katten op de kinderboerderij achtergelaten. Er was afgesproken dat hij alle kosten voor die katten zou betalen. Op de dag dat hij medische kosten voor deze katten kwam betalen, is op de bankafschriften te zien dat dit zelfde bedrag is afgeschreven van de bankrekening van de stichting. Verder heeft [verdachte] € 200,00 contant meegenomen voor een nieuwe vrieskast, die nooit is gekocht. [verdachte] heeft ook € 320,00, zijnde de opbrengst van de verkoop van dieren aan handelaren, uit de kas meegenomen. Dit geld is nooit meer teruggekomen.

Uit een Uittreksel van het Handelsregister van de Kamer van Koophandel3 blijkt dat [verdachte] vanaf 13 augustus 2011 in functie is als bestuurslid van de Stichting. Aanvankelijk was zijn functie secretaris. Vanaf 18 augustus 2012 waren zijn bestuursfunties secretaris en penningmeester. Volgens het Overzicht van wijzigingen is hij op 11 juni 2014 uitgeschreven als bestuurder.

Uit de door de Regiobank verstrekte bescheiden4 volgt dat sinds 5 augustus 2011

[persoon 2] en [persoon 3] gemachtigden waren van de bankrekening met nummer [rekeningnummer 1] . [persoon 3] had de beschikking over een wereldpas met pasnummer 5 en [persoon 2] over pasnummer 4. Op 7 februari 2013 is de bankrekening met nummer [rekeningnummer 2] geopend. [verdachte] en [persoon 4] waren de gemachtigden van deze rekening. [verdachte] had vanaf 12 maart 2013 tot 3 april 2014 de beschikking over een wereldpas/bankpas met nummer 005 en vanaf 18 april 2014 tot 28 mei 2014 met nummer 007, behorend bij deze rekening. [persoon 4] had vanaf 12 maart 2013 de beschikking over een wereldpas/bankpas met nummer 006.

Verdachte heeft op 22 november 2014 tegenover de politie verklaard5 dat hij eerst secretaris was van de stichting en sinds september/oktober 2012 ook penningmeester. Hij was in het bezit van de bankpas van de bankrekening van de stichting bij de Regiobank met nummer [rekeningnummer 1] . Dat was in 2012 de enige bankrekening van de stichting. Hij heeft later, samen met [persoon 4] , een nieuwe bankrekening voor de stichting geopend. Opnames bij een geldautomaat werden geregistreerd in een kasboek, meestal door [persoon 5] , en hij verwerkte dit later in een grootboekoverzicht. Ten aanzien van diverse opnames bij een geldautomaat met het pasje van [verdachte] in 2012 en 2013, geeft verdachte aan dat er veel zwart wordt betaald in de wereld van de kinderboerderijen. Er is daardoor niet altijd een onderlegger bij betaalde rekeningen en facturen werden geantedateerd en zo alsnog opgenomen in de administratie. Verder heeft verdachte verklaard dat het juist is dat hij in januari 2013 van de bankrekening van de stichting een reparatie door een garagebedrijf in Margraten betaald heeft voor zijn auto. Hij heeft ook in augustus 2013 de factuur van de USA-garage voor een APK-keuring van de auto betaald van de bankrekening van de stichting. Hij had hier geen goed gevoel over en heeft later € 200,-- terugbetaald aan de stichting. Het is juist dat die totale kosten € 900,-- bedroegen. Het is juist dat hij ook het niet verzekerde deel van de aanschaf van een nieuwe bril, omdat hij zijn vorige bril op de kinderboerderij verloren had en hij aangifte van diefstal had gedaan, met geld van de bankrekening van de stichting heeft betaald. Verdachte heeft op 23 november 2014 tegenover de politie verklaard6 dat hij op 19 januari 2013 voor die reparatie van zijn auto een bedrag van € 495,35 gepind heeft bij garage Engelbert in Margraten van de bankrekening van de stichting met nummer [rekeningnummer 1] . Volgens hem had alleen hij een bankpasje van die rekening. Op 30 juli 2013 heeft hij voor zijn auto € 387,00 gepind bij de USA-garage van de bankrekening van de stichting met nummer [rekeningnummer 2] . Alleen hij en [persoon 4] hadden een bankpasje van deze rekening. Hij heeft met het bankpasje van deze rekening op

9 april 2013 € 111,60 gepind bij Pearle. Op 30 juni 2013 heeft hij twee rekeningen van

€ 41,15 en € 23,96 betaald voor boeken die hij bestelde bij Bol.com. Door hem is verder van de bankrekening nummer [rekeningnummer 2] van de stichting op 10 april 2013 een bedrag van

€ 36,85 overgemaakt naar een bankrekening van “ [naam 1] ” in Duitsland en op 29 mei 2013 € 33,00 naar de bankrekening van “ [naam 2] ” voor privédoeleinden. Hij heeft op 2 juli 2013 € 44,97 gepind bij de Bijenkorf ter betaling van een hemd voor hemzelf. Verder heeft hij van de bankrekeningen van de stichting getankt op verschillende data, te weten van de bankrekeningnummer [rekeningnummer 1] op 27 augustus 2012 een bedrag van € 80,42 en op 1 april 2013 € 17,86, alsmede van de bankrekening met nummer [rekeningnummer 2] op 5 april 2013 een bedrag van € 85,94, op 9 april 2013 € 50,01, op

12 juli 2013 € 76,45, op 29 augustus 2013 € 65,93 en op 15 februari 2014 € 79,15.

Verdachte heeft op 23 november 2014 tegenover de politie verklaard7 dat hij overboekingen van het rekeningnummer [rekeningnummer 1] van de stichting heeft uitgevoerd tot het moment waarop internetbankieren met die bankpas werd geblokkeerd. Hij had twee katten van hemzelf die op de kinderboerderij verbleven. De kosten voor deze katten ad € 200,00, waarover niets werd afgesproken, werden door hem op 30 april 2014 gepind en betaald van de bankrekening van de stichting. Die dag heeft hij dat bedrag aan [persoon 5] gegeven. Ten aanzien van diverse opnames van geld bij pinautomaten in de periode februari tot en met maart 2013 van de rekeningen met nummers [rekeningnummer 1] en [rekeningnummer 2] geeft verdachte aan dat hij eind februari 2013 geld heeft opgenomen om facturen van de voerleverancier te betalen.

Uit het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel8, opgemaakt door de politie op grond van het door rapporteurs ingesteld onderzoek, komt, op basis van transacties die plaatsvonden op de bankrekeningen met de nummers [rekeningnummer 2]9 en [rekeningnummer 1]10 van de stichting, de verklaringen van [verdachte] zelf en de verklaringen van diverse getuigen, naar voren dat de volgende geldbedragen, door [verdachte] voor eigen doeleinden zijn verkregen:

  1. op 30 juli 2013 voor reparatie auto garage Margraten € 387,00

  2. op 19 januari 2013 voor reparatie auto USA-garage Maastricht € 495,35

  3. op 9 april 2013 voor nieuwe bril Pearle € 111,60

  4. op 30 juni 2013 voor twee boeken via Bol.com € 65,14

  5. op 30 april 2014 gepind voor verzorging eigen katten € 200,00

  6. vanaf 27 augustus 2012 gepind diverse bedragen bij tankstations

voor in totaal € 410,76

7. op 29 mei 2013 overboeking geld naar “ [naam 2] ” € 33,00

8. op 10 april 2013 overboeking naar “ [naam 1] ” € 36,85

9. op 2 juli 2013 gepind factuur van Bijenkorf € 44,97

De rechtbank overweegt, gelet op het vorenstaande, dat verdachte heeft bekend dat hij

als penningmeester van de stichting de in het door de politie opgemaakt rapport onder 1 tot en met 9 vermelde geldbedragen toebehorend aan de stichting voor privédoeleinden heeft opgenomen van de bankrekening van de stichting of heeft betaald van de bankrekening van de stichting.

De rechtbank overweegt met betrekking tot de overige transacties het volgende.

Uit het hiervoor genoemde, door de politie opgemaakte, rapport wederrechtelijk verkregen voordeel11 komt, op basis van transacties die plaatsvonden op de bankrekeningen met de nummers [rekeningnummer 2]12 en [rekeningnummer 1]13 van genoemde stichting en de verklaringen van diverse getuigen, ook met betrekking tot de volgende geldbedragen naar voren dat deze door [verdachte] voor eigen doeleinden zijn aangewend, te weten:

10. volgens aangever uit kas ontvangen bedrag voor de aanschaf

van een vrieskast, terwijl deze er nooit is gekomen, € 200,00

11. gepind op 18 maart 2014 met bankpas KV005 in beheer bij [verdachte] ,

terwijl die post volgens getuigen niet in relatie tot de stichting staat € 1.000,00

12. gepind op 26 maart 2014 met bankpas KV005 in beheer bij [verdachte] ,

terwijl die post volgens getuigen niet in relatie tot de stichting staat € 1.000,00

13. gepind op 20 oktober 2012 met bankpas KV005 in beheer bij [verdachte] € 40,00

13. gepind op 29 november 2012 te Lanaken met bankpas KV005 in

beheer bij [verdachte] € 70,00

15. gepind op 18 december 2012 in Maastricht met bankpas in beheer bij

[verdachte] € 200,00

16. gepind op 18 januari 2013 in Maastricht met bankpas KV005 in

beheer bij [verdachte] € 150,00

17. gepind op 7 februari 2013 te Budel-Schoot, in de straat waar de vader

van [verdachte] woont, met bankpas KV005 in beheer bij [verdachte] € 100,00

18. gepind op 25 februari 2013 bij SNS-bank Maastricht met bankpas

KV005 in beheer bij [verdachte] € 500,00

19. gepind op 26 februari 2013 bij SNS-bank Maastricht met bankpas

KV005 in beheer bij [verdachte] € 240,00

20. gepind op 23 maart 2013 bij SNS-bank Enschede, waar in die tijd de

toenmalige vriendin van [verdachte] woonde, met bankpas KV005 in

in beheer bij [verdachte] € 500,00

21. gepind op 25 maart 2013 bij SNS-bank Maastricht met bankpas

KV005 in beheer bij [verdachte] € 150,00

22. gepind op 3 april 2014 om 04.57 uur in Riemst, België, met bankpas

KV005 € 600,00

23. gepind op 3 april 2014 om 05.01 uur in Riemst, België, met bankpas

KV005 in beheer bij [verdachte] € 300,00

24. gepind op 3 april 2014 om 05.09 uur in Riemst, België, met bankpas

KV005 in beheer bij [verdachte] € 70,00

25. gepind op 18 april 2014 bij SNS-bank Maastricht met nieuwe pas

KV007 op naam van [verdachte] € 250,00

26. gepind op 30 april 2014 bij Rabobank Maastricht met die nieuwe

pas KV007 € 200,00

27. gepind op 7 mei 2014 bij ING-bank Maastricht met die nieuwe pas

KV007 € 500,00

Rapporteurs hebben verder verklaard dat de hiervoor onder 1 tot met 27 genoemde posten opgeteld € 7.854,67 bedragen en dat later slechts van de onder 2 genoemde post een bedrag van € 200,00 door [verdachte] is terugbetaald. Rapporteurs verklaarden voorts dat niet uit te sluiten valt dat het totaalbedrag van door [verdachte] voor eigen doeleinden gedane opnames of betalingen hoger is geweest, omdat een deel van de administratie niet meer aanwezig is en daardoor geen onderzoek daarover heeft kunnen plaatsvinden.

[persoon 2] heeft op 9 oktober 2014 verklaard14 dat hij penningmeester van de stichting is geweest. Hij zat toen samen met voorzitter [persoon 3] en secretaris [verdachte] in het bestuur. [persoon 6] nam het penningmeesterschap van hem over. Nadat zij in augustus 2012 overleed heeft secretaris [verdachte] ook het penningmeesterschap op zich genomen. [verdachte] kreeg toen de bankpasjes, de randomreaders en de pincode van de bank- en spaarrekening bij de Regiobank.

[persoon 3] heeft op 10 oktober 2014 verklaard15 dat hij voorzitter was van de stichting van 2011 tot en met 19 augustus 2012. Bankpasjes van hem en bestuurslid [persoon 2] zijn door [persoon 2] aan [verdachte] overhandigd. Met [verdachte] was geregeld dat hij kilometers die hij ten dienste van de kinderboerderij reed mocht declareren. Dit ging niet om grote bedragen en deze vergoeding werd hem per bank overgemaakt. Hem was niet toegestaan te gaan tanken met de pas van de stichting en ook mocht hij geen rekeningen ten behoeve van het onderhoud van een auto en dergelijke met die pas betalen.

[persoon 4] heeft op 23 oktober 2014 verklaard16 dat zij adviseur van de beheerster van de kinderboerderij is en ook bestuurslid van de stichting. Begin 2013 is een nieuwe bankrekening ten name van de stichting bij de Regiobank geopend. Alleen [verdachte] en zij hadden een bankpasje van die bankrekening. [verdachte] en zij kregen ieder een bankpas en [verdachte] kreeg ook een randomreader. [persoon 4] kon met haar bankpasje alleen pinnen, niet internetbankieren want zij had geen digipas van die bank. [verdachte] kon met zijn bankpas pinnen en ook internetbankieren. [persoon 4] is niet bekend waar de € 500,00 die op 23 maart 2013 in Enschede zijn gepind en het geld gepind bij een autobedrijf in Margraten en de pinopnamen tussen 18 en 26 maart 2014 van in totaal € 2.350,00 voor nodig waren.

[verdachte] had geen toestemming om op kosten van de stichting een privéauto te laten repareren.

[persoon 5] heeft op 25 september 2014 verklaard17 dat zij beheerster is van de kinderboerderij. In 2013 kreeg [verdachte] , die toen bestuurslid en penningmeester van de stichting was, opdracht om naar een andere vrieskast te kijken. [persoon 5] heeft toen € 200,00 uit de kas gepakt en aan [verdachte] gegeven. [verdachte] zei op dat moment dat hij voor een kwitantie zou zorgen voor die kasopname. Na een paar weken was er nog steeds geen vrieskast. Ook kwam er vanuit [verdachte] geen kwitantie, terwijl [persoon 5] [verdachte] verschillende malen hierop aangesproken heeft, echter zonder resultaat. De vrieskast is er nooit gekomen en het kasgeld heeft [persoon 5] nooit terug gezien. In september/oktober 2013 had [persoon 1] een paar dieren van de kinderboerderij voor € 320,00 verkocht aan een handelaar die contant betaalde. Dat geld is in de kas gedaan. [persoon 5] nam daarna contact op met [verdachte] en hij is toen naar de kinderboerderij gekomen en heeft het geld uit de kas genomen, zodat het op de rekening van de kinderboerderij kon worden gestort. [persoon 5] heeft het bedrag nooit teruggezien op de rekening. [verdachte] heeft ook nooit voor een kwitantie van die kasopname gezorgd.

[persoon 7] heeft op 9 december 2014 verklaard18 dat hij vanaf 18 augustus 2014 voorzitter van de stichting is, maar daarvoor al informeel bemoeienis met het bestuur had. Hij kreeg in maart 2014 van het toenmalige bestuur het verzoek om een bedrijfsonderzoek in te stellen. Een vergadering werd bijeengeroepen ter bespreking van misstanden, [persoon 7] was daarbij aanwezig. Penningmeester [verdachte] werd uitgenodigd om de zaak toe te lichten en stukken te overhandigen. Er werden door hem stukken overgelegd. Tijdens het daarna, mede door [persoon 7] , ingesteld onderzoek bleek dat de administratie over 2012/2013 onvolledig was en niet adequaat was bijgehouden. De administratie over 2014 was nog helemaal blanco. Volgens [verdachte] zouden bij een inbraak op 3 april 2014 (onder meer) pasjes en andere documenten, zoals facturen, zijn gestolen. Vervolgens werd onrechtmatig € 970,00 gepind van de rekening van de stichting. Van de pintransacties van elk € 1.000,00 op 18 en 26 maart 2014 zijn geen onderleggers aangetroffen en deze transacties zijn onverklaarbaar.

De rechtbank overweegt – gelet op genoemde inhoud van de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien – het volgende.


Verdachte heeft tegenover de politie bekend dat hij als penningmeester van de stichting de in het door de politie opgemaakt rapport onder 1 tot en met 9 vermelde geldbedragen toebehorend aan die stichting heeft opgenomen van de bankrekening van de stichting of heeft betaald van de bankrekening van de stichting ten behoeve van privédoeleinden.

De rechtbank overweegt - gelet op het vorenstaande - dat de door verdachte afgelegde verklaringen over de andere, in het door de politie opgemaakt rapport onder 10 tot en met 27 gemelde geldopnames of betalingen, niet of onvoldoende zijn onderbouwd dan wel dat door verdachte verzuimd is over die bedragen rekening en verantwoording af te leggen. Dat had hij, als penningmeester, echter wel gekund en gemoeten.

De door verdachte gestelde diefstal op 3 april 2014 van het aan hem afgegeven bankpasje van de stichting met digipas is naar het oordeel van de rechtbank ook niet komen vast te staan. Het enkel doen van aangifte is daarvoor onvoldoende.
Om genoemde redenen heeft de rechtbank geen enkele reden om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de hiervoor genoemde resultaten van het door de politie gedane onderzoek en de door de voorzitter van de stichting gedane aangifte. Daaruit komt naar voren dat alle genoemde 27 geldopnames of betalingen niet ten behoeve van de stichting zijn gedaan en dus door [verdachte] voor privédoeleinden zijn aangewend. Van een expliciete toestemming door het bestuur van de stichting voor die geldopnames en betalingen voor privédoeleinden door verdachte is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank is – op grond van het voorgaande en alle hiervoor genoemde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien – van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich als penningmeester van de stichting in het tijdvak van 18 augustus 2012 tot 12 juni 2014 alle door de politie onder 1 tot en met 27 vermelde geldbedragen van de bankrekening van de stichting bij de Regiobank wederrechtelijk heeft toegeëigend. Dit met uitzondering van het geldbedrag zoals staat vermeld onder post 26. Immers, deze post is per abuis eveneens opgenomen onder post 5. De rechtbank acht daarom slechts het bedrag zoals vermeld onder post 5. bewezen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte die geldbedragen van in totaal €7.654,67 van de bankrekening van de stichting bij de in Limburg gevestigde Regiobank, dan wel uit de in Limburg gehouden kas van de stichting heeft verduisterd, reden waarom zij bewezen acht dat verdachte de meermalen verduistering in Limburg heeft gepleegd.
De rechtbank overweegt voorts dat vast is komen te staan dat verdachte tweemaal een bedrag van € 200,00 terugbetaald heeft aan de stichting. Namelijk éénmaal door schriftelijke overboeking (nadat hij de factuur van de USA-garage voor de APK-keuring met geld van de stichting had betaald) en éénmaal door een contant bedrag van € 200,00 aan de kas te betalen (voor zijn twee katten) nadat hij ditzelfde bedrag had gepind van de rekening van de stichting. Deze terugbetalingen doen niets af aan het feit dat verdachte hieraan voorafgaand willens en wetens de volledige geldbedragen heeft gepind voor privédoeleinden en daarna over die bedragen heeft beschikt ten eigen bate.

De rechtbank acht de in artikel 322 van het Wetboek van Strafrecht bedoelde strafverzwarende omstandigheid van verduistering in persoonlijke dienstbetrekking niet bewezen. Als penningmeester maakte verdachte deel uit van het bestuur van de stichting. Zo bezien staat onvoldoende vast dat er sprake was van ondergeschiktheid aan voor wie de verdachte werkzaam was (de stichting).

3.3

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte:

in het tijdvak van 1 augustus 2012 tot en met 10 juni 2014 in Limburg opzettelijk een hoeveelheid geld, te weten ongeveer € 7.654,67 euro, toebehoorde aan Stichting [benadeelde partij] , welk goed verdachte als penningmeester onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

verduistering, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf en/of de maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft – rekening houdend, in het voordeel van verdachte, met het lange tijdverloop tot de berechting en het feit dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit – gevorderd aan de verdachte op te leggen een taakstraf van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis en tevens een gevangenisstraf van één maand voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

6.2

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft zich gedurende een lange periode van een jaar en tien maanden schuldig gemaakt aan het herhaaldelijk verduisteren van geldbedragen die hij als penningmeester van een kinderboerderij onder zich had. Het totaalbedrag betrof € 7.654,67. Door zijn handelen heeft verdachte de kinderboerderij, die door vrijwilligers wordt gerund, financieel fors benadeeld. Sterker nog, hij heeft de kinderboerderij zelfs aan de rand van de financiële afgrond gebracht. Bovendien heeft verdachte zijn positie als penningmeester ernstig misbruikt en het in hem als penningmeester en bestuurslid van de stichting gestelde vertrouwen beschaamd. Daar komt nog bij dat verdachte ook de samenleving heeft benadeeld, nu gelden van de stichting voor een groot deel afkomstig zijn van subsidies. Kennelijk handelde verdachte puur uit eigen financieel gewin. De verdachte heeft geen rekening en verantwoording afgelegd over de administratie en het beheer over de gelden die hij onder zich had en is ook ter zitting niet verschenen om verantwoordelijkheid te nemen voor zijn schaamteloze daad. De rechtbank rekent dit alles de verdachte zwaar aan.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met de inhoud van het over verdachte opgemaakt strafblad d.d. 15 juni 2018. Daaruit blijkt, in zijn voordeel, dat verdachte niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld.

Voorts heeft de rechtbank, in het voordeel van verdachte, acht geslagen op het lange tijdsverloop tussen de inverzekeringstelling van verdachte op 21 november 2014 en de berechting van deze zaak, te weten een termijn van ruim 3,5 jaar. Omdat deze zaak aanvankelijk is aangebracht op de zitting van 6 september 2017 is een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM echter niet aan de orde.

In het nadeel van verdachte is in aanmerking genomen dat hij tot heden de door hem veroorzaakte schade nog niet heeft vergoed. Dit terwijl de door de stichting ingediende vordering tot schadevergoeding al bijna twee jaar aan hem bekend was en hij in november 2014 tegenover de politie heeft bekend bepaalde bedragen van de stichting verduisterd te hebben.

De rechtbank zoekt, als uitgangspunt voor het bepalen van de strafmaat, aansluiting bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Hiervoor is het bedrag van de benadeling bepalend. In het LOVS is voor de bestraffing van een benadeling tot € 10.000,-- als uitgangspunt een gevangenisstraf van een week tot twee maanden dan wel een taakstraf van 30 tot 160 uren vastgesteld.


De rechtbank acht, alles afwegende, een taakstraf voor de duur van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis met aftrek van het voorarrest naar de maatstaf van twee uren per dag, én daarnaast een gevangenisstraf van één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren passend en geboden, zoals door de officier van justitie is gevorderd. Zij vindt, met name gelet op de persoon van de verdachte, die voorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats om de verdachte van de ernst van de feiten dan wel het laakbare van zijn handelen te doordringen, alsmede om te voorkomen dat verdachte opnieuw een soortgelijk strafbaar feit begaat. Verdachte heeft namelijk bij de politie aangegeven dat hij in de financiële dienstverlening wil gaan werken en zich wil professionaliseren in de vrijwillige schuldhulpverlening of bewindvoering.

7 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij de stichting vordert ter zake van het feit een schadevergoeding van

€ 7.854,67, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade, met vergoeding van de proceskosten en tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

7.3

Het standpunt van de verdachte

Verdachte heeft geen verweer tegen de vordering van de benadeelde partij gevoerd.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

De vordering van de benadeelde partij is door de verdachte niet betwist.

De rechtbank is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende vast is komen te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde strafbare handelen van de verdachte materiële schade tot het gevorderde bedrag van € 7.654,67 heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van deze schade gehouden. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij dan ook tot dit bedrag toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade, te weten vanaf 1 augustus 2012 tot aan de dag van de volledige voldoening van de schade.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht. Omdat de benadeelde partij belang heeft bij een eenvoudige incasso op korte termijn, dan wel om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte opleggen voor genoemd totaalbedrag van € 7.654,67, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade, zoals hiervoor genoemd. Verder wordt bepaald dat dit bedrag bij gebreke van betaling en verhaal zal worden vervangen door 72 dagen hechtenis. De gevorderde proceskosten zullen eveneens worden toegekend, maar worden tot op heden begroot op nihil omdat de rechtbank niet gebleken is dat proceskosten zijn gemaakt.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 36f, 57 en 321 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 200 uren;

  • -

    beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 100 dagen;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze taakstraf in mindering zal worden gebracht, naar rato van twee uren per dag;

  • -

    veroordeelt de verdachte tevens tot een gevangenisstraf van één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

  • -

    bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit;

Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij toe;

  • -

    veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij Stichting [benadeelde partij] , [adres] , te betalen een bedrag van €7.654,67, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 1 augustus 2012 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer Stichting [benadeelde partij] , [adres] , van een bedrag van €7654,67, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 1 augustus 2012 tot aan de dag van de volledige voldoening, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 72 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft; ;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Drent, voorzitter, mr. M.B. Bax en mr. M.E.M.W. Nuijts, rechters, in tegenwoordigheid van C.S.G.M. Wouters-Debougnoux, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 1 augustus 2018.

Mr. M.E.M.W. Nuijts en C.S.G.M. Wouters-Debougnoux zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks het tijdvak van 1 augustus 2012 tot en met 12 juni 2014 te Maastricht, in elk geval in het arrondissement Maastricht en/of Limburg, opzettelijk een hoeveelheid geld, te weten ongeveer 7854,67 euro (p. 235), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan Stichting [benadeelde partij] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk(e) goed(eren) verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking van/als penningmeester, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van de politie eenheid Limburg registratienummer PL2400-2014081594, gesloten d.d. 19 december 2014, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 326.

2 Het proces-verbaal aangifte d.d. 7 augustus 2014, op pagina’s 72 en 73.

3 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 november 2014 en het daarbij gevoegd uittreksel van de Kamer van Koophandel, op pagina’s 217 tot en met 219.

4 De, bij het hiervoor onder 1 genoemd proces-verbaal gevoegde, schriftelijke bescheiden van de Regiobank, op pagina’s 254 tot en met 258.

5 Het proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 22 november 2014, op pagina’s 50 tot en met 54

6 Het proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 23 november 2014, op pagina’s 57 tot en met 59.

7 Het proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 23 november 2014, op pagina’s 61 en 63.

8 Het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 19 december 2014, op pagina’s 231 tot en met 235.

9 De, bij het hiervoor onder 1 genoemd proces-verbaal gevoegde, schriftelijke bescheiden van de Regiobank, op pagina’s 288 tot en met 295.

10 De, bij het hiervoor onder 1 genoemd proces-verbaal gevoegde, schriftelijke bescheiden van de Regiobank, op pagina’s 268 tot en met 287.

11 Het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 19 december 2014, op pagina’s 231 tot en met 235.

12 De, bij het hiervoor onder 1 genoemd proces-verbaal gevoegde, schriftelijke bescheiden van de Regiobank, op pagina’s 288 tot en met 295.

13 De, bij het hiervoor onder 1 genoemd proces-verbaal gevoegde, schriftelijke bescheiden van de Regiobank, op pagina’s 268 tot en met 287

14 Het proces-verbaal verhoor getuige d.d. 9 oktober 2014, op pagina’s 87 tot en met 89.

15 Het proces-verbaal verhoor getuige d.d. 10 oktober 2014, op pagina’s 95 tot en met 97.

16 Het proces-verbaal verhoor getuige d.d. 23 oktober 2014, op pagina’s 110 tot en met 113.

17 Het proces-verbaal verhoor getuige d.d. 25 september 2014, op pagina’s 81 en 82.

18 Het proces-verbaal verhoor getuige d.d. 9 december 2014, op pagina’s 133 en 134.